26c Handboek Bomen - Gemeente Rucphen handboek bomen 2018
Tekst van het document
bijlage 1 (art. 3.20) bijlage 2 (art. 3.21)
Bomenzand: Bomenzand 210 - 420 µm Bomenzand 420 - 700 µm (grof)
bijlage 3 (art. 3.22) bijlage 4 (art. 3.23)
Bomengranulaat: Bomengranulaat (lava + voedingsgrond) Bomengranulaat (hardsteen + voedingsgrond) Bomengranulaat (hardsteen + klei)
bijlage 5 (art. 3.24) bijlage 6 (art. 3.25) bijlage 7 (art. 3.26)
3.11 Overzicht: bomensubstraten | Handboek Bomen 2018
3.12 Het analyserapport (analyseresultaten) moet een overzicht geven van de chemische en granulaire samenstelling van het te leveren bomensubstraat volgens de in de bijlage weergegeven eisen en specificaties. De analyses moeten zijn uitgevoerd door een zogenaamd Sterlab (geaccrediteerd laboratorium) en de waarden in de analyse mogen maximaal 10% afwijken van de eisen en specificaties zoals gesteld in de bijlagen art. 3.20 - 3.26. Analyseresultaat (rapport) moet ten minste voorzien zijn van: • Naam en contactgegevens monsternemer en datum en plaats monstername • Uniek en herleidbaar registratienummer van de analyse, met vermelding van unieke identiteitscode van de bemonsterde partij (art. 3.8) • Naam en contactgegevens van het (Sterlab) laboratorium | Datum analyse laboratorium • Naamgeving van bomensubstraat (volgens uitvraag en overzicht 3.11) Bij de analyse moet zijn vermeld waar, wanneer, door wie, van welke partij en op welke wijze de monstername en analyse hebben plaatsgevonden. Van elke monstername moet een (extra) controlemonster, ten behoeve van een eventuele hercontrole (op aanvraag van de opdrachtgever), door de opdrachtnemer verzegeld en ten minste tot 12 maanden na levering bewaard worden.
3.13 Bomensubstraten mogen geen aanleiding zijn voor de verspreiding van (planten)ziekten en dienen (nagenoeg) vrij te zijn van overblijvende onkruiden én vrij van kruiden die zich door wortelstok kunnen vermeerderen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
65
Zuurstofhuishouding: het organische stofgedeelte moet (voldoende) stabiel ‘uitgerijpt’ zijn (art. 3.12 respiratie proef < 5 mmol O2/kg/uur). Indicatieve veldmeting (bij levering en direct aansluitend op verwerking): zuurstofwaarde (O2%) ten minste 16 - 18%, gemeten op ten minste 50 cm diepte in het substraat (substraat temperatuurindicatie maximaal 5 graden hoger dan buitentemperatuur). Vochtgehalte: het vochtgehalte (bij levering en verwerking) dient overeen te komen met het gestelde vocht gehalte volgens de eisen art. 3.20 - 3.26. Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomengrond, bomenzand en bomengranulaat gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen. 3.15 Bomensubstraten moeten, met uitzondering van fijne takdelen (zeefdiameter 15 tot 20 mm) en de lava en het hardsteen (fractie 16 - 40 mm) in het bomengranulaat, vrij te zijn van ongerechtigheden zoals puin, stenen, bouwhout, metaal, glasscherven, plastic et cetera. 3.16 Bomensubstraten moeten zodanig worden beheerd dat de kwaliteit en samenstelling ervan ook tijdens het transport en het eventueel tussentijds (tijdelijk) in depot stellen steeds gewaarborgd blijven tot aan de feitelijke aflevering en oplevering (art. 3.19). Permanent afgedekt (opslag overdekt) en indien nodig, be vochtigen, afschermen, extra opmengen et cetera.
3.17 Bomensubstraten van verschillende herkomst (niet-uniforme partijen) mogen niet (zonder expliciete toestemming) met elkaar worden (op)gemengd. 3.18 Elke levering van bomensubstraat moet bij het transport voorzien zijn van een afleveringsbon met daarop minimaal, juist en volledig vermeld de aspecten in overzicht 3.18. AFLEVERINGSBON BOMENSUBSTRATEN Afleveringsbon voorzien van: • Naam opdrachtgever en opdrachtnemer • Besteks-, referentie- of werknummer • Vermelding: Levering conform uitvraag en eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten • Identiteitscode en type aanduiding van de geleverde partij (overeenkomstig code analyseresultaat art.
3.12) • Omvang van de levering: weegbon in tonnage • Vermelding volumegewicht (droge dichtheid) in kg/m3 (voor granulaten bij proctordichtheid 97%) • Herkomst (herleidbare depotlocatie) • Naam leverancier | Naam transporteur en chauffeur • Locatie (herleidbare laadplaats), datum en tijdstip van laden • Locatie (voorgeschreven herleidbare losplaats), datum en tijdstip van afleveren • Vermelding (indien van toepassing): aanvullende of afwijkende (leverings)eisen of bijzonderheden: … Type aanduiding geleverde bomensubstraat: volgens indeling Handboek Bomen 2018 | overzicht 3.11 • Bomengrond 8 - 12% | Bomengrond 5 - 8% (verschraald) • Bomenzand: 210 - 420 µm | Bomenzand 420 - 700 µm (grof) • Bomengranulaat (Lava + voedingsgrond) • Bomengranulaat (Hardsteen + voedingsgrond) • Bomengranulaat (Hardsteen + klei) • Afwijkend namelijk: ……. (uitsluitend conform uitvraag of met goedkeuring)
3.18 Overzicht: Afleveringsbon bomensubstraten | Handboek Bomen 2018
3.19 Aflevering: het lossen van de bomensubstraten en de afgifte van de afleveringsbon vinden (op aanwijzing bij de aflevering) plaats op de voorgeschreven (droge en schone) losplaats. Bij lossen of (tijdelijk) depot geldt een maximale (depot)hoogte: bomengrond = max. 1,0 m | bomenzand en bomengranulaat = max. 2,0 m).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
3.14 Bomensubstraten moeten (bij aflevering) volledig homogeen (gelijkmatig) zijn opgemengd, niet bevroren en vrij van (grond)kluiten (diameter grondkluit maximaal 10 cm).
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
66 H3 | BIJLAGE: BOMENSUBSTRATEN BOMENSUBSTRATEN: TOEPASSING EN VERWERKING (ALGEMEEN) Bomengrond (belastingseis ‘geen’) is ‘teelaarde’, specifiek samengesteld voor bomen met een organische-stofgehalte van ca. 8 tot 12%. Bomengrond heeft een hoog vochtleverend vermogen en kan goed voedingselementen binden (hoog: klei + organische-stofgehalte). Bomengrond is een rijk substraat voor bomen maar gevoelig voor structuurbederf bij verdichting en daardoor niet geschikt voor specifiek civiele verdichtingseisen en daarmee alleen toepasbaar in een opengrondsituatie (bijvoorbeeld plantsoenstrook of beplantingsvak) of als (hoogwaardige) invulling voor een wortelbunker/-box (binnen zelf dragende constructies | zie ook ‘Constructies’). Verschraalde bomengrond heeft een lager organische-stofgehalte van 5 tot ca. 8% en is bedoeld om te worden toegepast daar waar verschraling nodig is. Bijvoorbeeld bij verwerkingsdiepte > 100 cm -m.v. of op plaatsen waar de grondslag structureel vochtig is. Verschraalde bomengrond kan ook gebruikt worden voor boomsoorten die de voorkeur geven aan een minder rijke bodem (reduceren van een te snelle groei). Bomenzand (belastingseis ‘licht/matig’) is een specifiek voor bomen samengestelde zandstructuur met een organische-stofgehalte van 3,5 tot 5%.
Bomenzand heeft in algemene zin een lager vochtleverend vermogen en is minder rijk aan voedingselementen (schraler) dan bomengrond. Bomenzand is civiel ‘licht tot matig’ belastbaar en daarbij toch doorwortelbaar, zodat toepassing en verwerking onder licht tot matig belaste verharding (onder specifieke verwerkingseisen) mogelijk is; bijvoorbeeld voet- en fietspaden (zie ook ‘Constructies’). Bomenzand (grof) heeft een (extra) grovere zandstructuur (M50 cijfer 420 - 700 µm) en is daarmee enigszins zwaarder belastbaar, maar heeft een lager vochtleverend vermogen en is daarmee minder geschikt voor zeer droge groeiplaatsen. Bomengranulaat (belastingseis ‘matig/zwaar’) heeft een dragend skelet van (basalt)lava of hardsteen doorgemengd met voedingsgrond of bruine rivierklei en bevat per m3 vanwege de skeletopbouw minder netto doorwortelbare ruimte. Bomengranulaat met hardsteen is civiel ‘zwaarder’ belastbaar en daarbij toch doorwortelbaar, zodat toepassing en verwerking onder ‘zwaar’ belaste verharding, bijvoorbeeld van rijwegen (onder specifieke verwerkingseisen), mogelijk is. Bomengranulaten die zijn samengesteld met klei zijn gevoelig voor uitdroging (irreversibel) en moeten dus ‘permanent’ een voldoende vochtgehalte behouden.
Constructies (belastingseis ‘matig/zwaar’) drukspreidende of zelfdragende constructies (zoals ‘sandwichconstructies’ of een ‘wortelbunker of -box’) zijn in combinatie met bomensubstraten mogelijk. Drukspreidende constructies maken een hogere belasting van het bodemprofiel (lees maaiveld) mogelijk omdat de drukbelasting (puntbelasting) op het maaiveld wordt verdeeld over een grote drukspreidende oppervlakte (bijvoorbeeld ‘sandwichconstructie’ op bomenzand). Bij zelfdragende constructies speelt de belasting op het bodemprofiel geen rol meer en kan een optimaal groeisubstraat (bijvoorbeeld hoogwaardige bomengrond) zonder bodemverdichtingseisen worden toegepast. Bij een zwevende constructie (bijvoorbeeld op een parkeerdek) is het belangrijk dat er een ‘kunstmatige’ permante grondwaterstand (freatisch vlak) wordt gecreëerd voor het waarborgen van de vochtvoorziening van de bomen. Belastingseisen: de in het overzicht genoemde belastingseisen (geen, licht (beperkt), matig, zwaar) zijn indicatief en gebruiksafhankelijk. In de praktijk zijn vaak zwaardere belastingseisen nodig voor voet- en fietspaden omdat zwaarder verkeer ook gebruikmaakt van deze ogenschijnlijk minder zwaar belaste verhardingen (bijvoorbeeld een veeg- of strooiwagen op het voetpad).
Verwerking en aanleg: gronduitwisseling ten behoeve van het gebruik van bomensubstraten vindt in de regel plaats tot maximaal 10 cm boven de GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) of de gereduceerde zone. Eisen ten aanzien van constructies en de verwerkingseisen voor bomengrond, bomenzand en bomengranulaat zijn complex en situatiespecifiek. Voor de verwerking van bomensubstraten en de aanleg van groeiplaatsen gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp en H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
67
art. 3.20 BOMENGROND 8 - 12% BOMENGROND 8 - 12% 8 - 12% organische stof • Organische-stofgehalte • Lutum % • Organische stof + lutum • M50-cijfer (M63) • D60/D10-cijfer
= 8 - 12% = 3 - 6% = 11 - 18% = 210 - 300 µm <5
• Homogeen (gelijkmatig) opgemengd • Laagsgewijs homogeen verdicht (lagen van 30 - 40 cm) • Verdichten: 1,3 - 1,5 MPa • Vochtgehalte bij verwerking: 15 - 20% • Zuurstof %: ten minste 16 - 18% • Verdichting na zetting: 1,5 - 1,8 MPa • Zetting na verwerking: ca. 5 - 7% van verwerkingsdiepte
Bodemchemisch: Zuurgraad (pH-KCl) Koolzure kalk (% CaCO3) EC-waarde (zoutbelasting | mS/m (25 °C) Chloridegehalte C/N-quotiënt (optioneel)
5 tot 6,5 (≈ pH-H20: 6 tot 7,5) < 1,5 (bij pH-KCl < 6 dan max. 0,5) < 150 mS/m (< 1,5 mS/cm) < 300 mg/l maximaal 20 - 40
Voedingswaarde (mineralen): Stikstof (N) | N-totaal mg/kg droge stof Fosfaat (P) | P-Al getal | mg P 2O5 /100 g grond droge stof Kalium (K) | K (CAT) mg K 2O/liter grond Magnesium (Mg) | Mg (CAT) mg MgO/liter grond
80 - 160 30 - 60 120 - 300 120 - 360
Respiratieproef (NEN-EN-16087-1): Stabiliteit organische stof | mmol O2/kg/uur (30 °C)
< 5 mmol O2/kg/uur
Bomengrond = menging van zand met een voor bomen hoogwaardige en stabiele organische stof
Analysewaarden (eisen en specificaties) uitsluitend volgens weergegeven eenheden (art. 3.12). Toegestane afwijkingen waarden: +/- 10% Organische stof = gehalte gloeiverlies Percentage lutum (%) ≈ percentage afslibbaar (%) x 0,65 Vochtgehalte (%) op basis van gewichtspercentage M50-cijfer: fracties 0 - 2.000 µm, gravimetrisch, 11 zeeffracties Zuurstof % (02): gemeten op ten minste 50 cm (diepte) in het substraat Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomengrond gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
H3 | BIJLAGE 1: EISEN EN SPECIFICATIES
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
68 H3 | BIJLAGE 2: EISEN EN SPECIFICATIES art. 3.21 BOMENGROND 5 - 8% (VERSCHRAALD) BOMENGROND 5 - 8% (VERSCHRAALD) 5 - 8% organische stof • Organische-stofgehalte • Lutum % • Organische stof + lutum • M50-cijfer (M63) • D60/D10-cijfer
= 5 - 8% = 2 - 4% = 7 - 12% = 300 - 420 µm <5
• Homogeen (gelijkmatig) opgemengd • Laagsgewijs homogeen verdicht (lagen van 30 - 40 cm) • Verdichten: 1,3 - 1,5 MPa • Vochtgehalte bij verwerking: 15 - 20% • Zuurstof %: ten minste 16 - 18% • Verdichting na zetting: 1,5 - 1,8 MPa • Zetting na verwerking: ca. 5 - 7% van verwerkingsdiepte
Bodemchemisch: Zuurgraad (pH-KCl) Koolzure kalk (% CaCO3) EC-waarde (zoutbelasting | mS/m (25 °C) Chloridegehalte C/N-quotiënt (optioneel)
5 tot 6,5 (≈ pH-H20: 6 tot 7,5) < 1,5 (bij pH-KCl < 6 dan max. 0,5) < 150 mS/m (< 1,5 mS/cm) < 300 mg/l maximaal 20 - 40
Voedingswaarde (mineralen): Stikstof (N) | N-totaal mg/kg droge stof Fosfaat (P) | P-Al getal | mg P 2O5/100 g grond droge stof Kalium (K) | K (CAT) mg K 2O/liter grond Magnesium (Mg) | Mg (CAT) mg MgO/liter grond
80 - 160 30 - 60 120 - 300 120 - 360
Respiratieproef (NEN-EN-16087-1): Stabiliteit organische stof | mmol O2/kg/uur (30 °C)
< 5 mmol O2/kg/uur
Bomengrond = menging van zand met een voor bomen hoogwaardige en stabiele organische stof
Analysewaarden (eisen en specificaties) uitsluitend volgens weergegeven eenheden (art. 3.12). Toegestane afwijkingen waarden: +/- 10% Organische stof = gehalte gloeiverlies Percentage lutum (%) ≈ percentage afslibbaar (%) x 0,65 Vochtgehalte (%) op basis van gewichtspercentage M50-cijfer: fracties 0 - 2.000 µm, gravimetrisch, 11 zeeffracties Zuurstof % (02): gemeten op ten minste 50 cm (diepte) in het substraat Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomengrond gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
69
art. 3.22 BOMENZAND 3,5 - 5% BOMENZAND 210 - 420 ΜM 3,5 - 5% organische stof • Organische-stofgehalte = 3,5 - 5% • Lutum % = 1 - 3% • Organische stof + lutum = 4,5 - 8% • M50-cijfer (M63) = 210 - 420 µm • D60/D10-cijfer < 2,5 • Zandkorrels hoekig niet rond
• Homogeen (gelijkmatig) opgemengd • Laagsgewijs homogeen verdicht (lagen van 20 - 30 cm) • Verdichten: 1,8 - 2,0 MPa • Vochtgehalte bij verwerking: 10 - 15% • Zuurstof %: ten minste 16 - 18% • Verdichting na zetting: 2,0 - 2,3 MPa • Zetting na verwerking: ca. 3% van verwerkingsdiepte
Bodemchemisch: Zuurgraad (pH-KCl) Koolzure kalk (% CaCO3) EC-waarde (zoutbelasting | mS/m (25 °C) Chloridegehalte C/N-quotiënt (optioneel)
5 tot 6,5 (≈ pH-H20: 6 tot 7,5) < 1,5 (bij pH-KCl < 6 dan max. 0,5) < 60 mS/m (< 0,6 mS/cm) < 300 mg/l maximaal 20 - 40
Voedingswaarde (mineralen): Stikstof (N) | N-totaal mg/kg droge stof Fosfaat (P) | P-Al getal | mg P 2O5 /100 g grond droge stof Kalium (K) | K (CAT) mg K 2O/liter grond Magnesium (Mg) | Mg (CAT) mg MgO/liter grond
80 - 160 30 - 60 120 - 300 120 - 360
Respiratieproef (NEN-EN-16087-1): Stabiliteit organische stof | mmol O2/kg/uur (30 °C)
< 5 mmol O2/kg/uur
Bomenzand = menging van zand met een voor bomen hoogwaardige en stabiele organische stof
Analysewaarden (eisen en specificaties) uitsluitend volgens weergegeven eenheden (art. 3.12). Toegestane afwijkingen waarden: +/- 10% Organische stof = gehalte gloeiverlies Percentage lutum (%) ≈ percentage afslibbaar (%) x 0,65 Vochtgehalte (%) op basis van gewichtspercentage M50-cijfer: fracties 0 - 2.000 µm, gravimetrisch, 11 zeeffracties Zuurstof % (02): gemeten op ten minste 50 cm (diepte) in het substraat Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomenzand gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
H3 | BIJLAGE 3: EISEN EN SPECIFICATIES
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
70 H3 | BIJLAGE 4: EISEN EN SPECIFICATIES art. 3.23 BOMENZAND 3,5 - 5% (GROF) BOMENZAND 420 - 700 ΜM (GROF) 3,5 - 5% organische stof • Organische-stofgehalte = 3,5 - 5% • Lutum % = 1 - 3% • Organische stof + lutum = 4,5 - 8% • M50-cijfer (M63) = 420 - 700 µm * • D60/D10-cijfer <3 • Zandkorrels hoekig niet rond * minimaal 60% in twee opeenvolgende fracties en maximaal 10% in fractie tot 210 µm
• Homogeen (gelijkmatig) opgemengd • Laagsgewijs homogeen verdicht (lagen van 20 - 30 cm) • Verdichten: 2,0 - 2,2 MPa • Vochtgehalte bij verwerking: 10 - 15% • Zuurstof %: ten minste 16 - 18% • Verdichting na zetting: 2,2 - 2,5 MPa • Zetting na verwerking: ca. 3% van verwerkingsdiepte
Bodemchemisch: Zuurgraad (pH-KCl) Koolzure kalk (% CaCO3) EC-waarde (zoutbelasting | mS/m (25 °C) Chloridegehalte C/N-quotiënt (optioneel)
5 tot 6,5 (≈ pH-H20: 6 tot 7,5) < 1,5 (bij pH-KCl < 6 dan max. 0,5) < 60 mS/m (< 0,6 mS/cm) < 300 mg/l maximaal 20 - 40
Voedingswaarde (mineralen): Stikstof (N) | N-totaal mg/kg droge stof Fosfaat (P) | P-Al getal | mg P 2O5 /100 g grond droge stof Kalium (K) | K (CAT) mg K 2O/liter grond Magnesium (Mg) | Mg (CAT) mg MgO/liter grond
80 - 160 30 - 60 120 - 300 120 - 360
Respiratieproef (NEN-EN-16087-1): Stabiliteit organische stof | mmol O2/kg/uur (30 °C)
< 5 mmol O2/kg/uur
Bomenzand = menging van (grof) zand met een voor bomen hoogwaardige en stabiele organische stof
Analysewaarden (eisen en specificaties) uitsluitend volgens weergegeven eenheden (art. 3.12). Toegestane afwijkingen waarden: +/- 10% Organische stof = gehalte gloeiverlies Percentage lutum (%) ≈ percentage afslibbaar (%) x 0,65 Vochtgehalte (%) op basis van gewichtspercentage M50-cijfer: fracties 0 - 2.000 µm, gravimetrisch, 11 zeeffracties Zuurstof % (02): gemeten op ten minste 50 cm (diepte) in het substraat Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomenzand gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
71
art. 3.24 BOMENGRANULAAT ‘BASALT’LAVA + VOEDINGSGROND BOMENGRANULAAT: ‘BASALT’LAVA + VOEDINGSGROND Mengverhouding lava : voedingsgrond ≈ 4 : 1 • Organische-stofgehalte • Lutum % • Organische stof + lutum • Vochtgehalte bij verwerking
= 2 - 4% = 1 - 2,5% = 3 - 6,5% = 15 - 20%
‘Basalt’lava (drager): Fractie
= 16 - 32 mm
• Homogeen (gelijkmatig) opgemengd • Laagsgewijs homogeen verdicht (lagen van 20 - 30 cm) Bij proctordichtheid 97%: • CBR-waarde > 35% • LWD-waarde ≥ 30 (maximaal 50 MPa) • Zuurstof %: ten minste 16 - 18% • K-waarde (waterdoorlatendheid) > 3 mm/min • Droge dichtheid ≥ 1400 kg/m3 • Netto poriënvolume > 35% • Zetting na verwerking: geen
Bodemchemisch: Zuurgraad (pH-KCl) Koolzure kalk (% CaCO3) EC-waarde (zoutbelasting | mS/m (25 °C) Chloridegehalte C/N-quotiënt (optioneel)
5 tot 6,5 (≈ pH-H20: 6 tot 7,5) < 1,5 (bij pH-KCl < 6 dan max. 0,5) < 150 mS/m (< 1,5 mS/cm) < 300 mg/l maximaal 20 - 40
Voedingswaarde (mineralen): Stikstof (N) | N-totaal mg/kg droge stof Fosfaat (P) | P-Al getal | mg P 2O5 /100 g grond droge stof Kalium (K) | K (CAT) mg K 2O/liter grond Magnesium (Mg) | Mg (CAT) mg MgO/liter grond
80 - 160 30 - 60 120 - 300 120 - 360
Respiratieproef (NEN-EN-16087-1): Stabiliteit organische stof | mmol O2/kg/uur (30 °C)
< 5 mmol O2/kg/uur
Bomengranulaat ‘lava’ = menging van drager (skelet van lava) met een voor bomen hoogwaardig groeimedium
Analysewaarden (eisen en specificaties) uitsluitend volgens weergegeven eenheden (art. 3.12). Toegestane afwijkingen waarden: +/- 10% Organische stof = gehalte gloeiverlies Vochtgehalte (%) op basis van gewichtspercentage LWD-waarde = Light Weight Deflectometer ‘Prima 100’ Netto poriënvolume = beschikbare poriën in granulaatmengsel (bij lava dus exclusief interne poriën) Zuurstof % (02): gemeten op ten minste 50 cm (diepte) in het substraat Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomengranulaat gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
H3 | BIJLAGE 5: EISEN EN SPECIFICATIES
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
72 H3 | BIJLAGE 6: EISEN EN SPECIFICATIES art. 3.25 BOMENGRANULAAT ‘HARDSTEEN + VOEDINGSGROND’ BOMENGRANULAAT: HARDSTEEN + VOEDINGSGROND Mengverhouding hardsteen : voedingsgrond ≈ 4 : 1 • Organische-stofgehalte • Lutum % • Organische stof + lutum • Vochtgehalte bij verwerking
= 2 - 4% = 1 - 2,5% = 3 - 6,5% = 15 - 20%
Hardsteen (drager): Fractie
= 16 - 40 mm
• Homogeen (gelijkmatig) opgemengd • Laagsgewijs homogeen verdicht (lagen van 20 - 30 cm) Bij proctordichtheid 97%: • CBR-waarde > 65% • LWD-waarde ≥ 50 (maximaal 80 MPa) • Zuurstof %: ten minste 16 - 18% • K-waarde (waterdoorlatendheid) > 3 mm/min • Droge dichtheid ≥ 1700 kg/m3 • Netto poriënvolume > 30% • Zetting na verwerking: geen
Bodemchemisch: Zuurgraad (pH-KCl) Koolzure kalk (% CaCO3) EC-waarde (zoutbelasting | mS/m (25 °C) Chloridegehalte C/N-quotiënt (optioneel)
5 tot 6,5 (≈ pH-H20: 6 tot 7,5) < 1,5 (bij pH-KCl < 6 dan max. 0,5) < 150 mS/m (< 1,5 mS/cm) < 300 mg/l maximaal 20 - 40
Voedingswaarde (mineralen): Stikstof (N) | N-totaal mg/kg droge stof Fosfaat (P) | P-Al getal | mg P 2O5 /100 g grond droge stof Kalium (K) | K (CAT) mg K 2O/liter grond Magnesium (Mg) | Mg (CAT) mg MgO/liter grond
80 - 160 30 - 60 120 - 300 120 - 360
Respiratieproef (NEN-EN-16087-1): Stabiliteit organische stof | mmol O2/kg/uur (30 °C)
< 5 mmol O2/kg/uur
Bomengranulaat ‘hardsteen’ = menging van drager (skelet van hardsteen) met een voor bomen hoogwaardig groeimedium
Analysewaarden (eisen en specificaties) uitsluitend volgens weergegeven eenheden (art. 3.12). Toegestane afwijkingen waarden: +/- 10% Organische stof = gehalte gloeiverlies Vochtgehalte (%) op basis van gewichtspercentage LWD-waarde = Light Weight Deflectometer ‘Prima 100’ Netto poriënvolume = beschikbare poriën in granulaatmengsel (bij lava dus exclusief interne poriën) Zuurstof % (02): gemeten op ten minste 50 cm (diepte) in het substraat Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomengranulaat gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
73
art. 3.26 BOMENGRANULAAT ‘HARDSTEEN + KLEI’ BOMENGRANULAAT: HARDSTEEN + KLEI Mengverhouding hardsteen : aerobe klei ≈ 4 : 1 • Organische-stofgehalte > 1% • Lutum % = 4 - 8% • Vochtgehalte bij verwerking = 20 - 25% Hardsteen (drager): Fractie = 16 - 40 mm + Gerijpte klei ‘bruine rivierklei | aeroob’
• Homogeen (gelijkmatig) opgemengd • Laagsgewijs homogeen verdicht (lagen van 20 - 30 cm) Bij proctordichtheid 97%: • CBR-waarde > 65% • LWD-waarde ≥ 50 (maximaal 80 MPa) • Zuurstof %: ten minste 16 - 18% • K-waarde (waterdoorlatendheid) > 3 mm/min • Droge dichtheid ≥ 1700 kg/m3 • Netto poriënvolume > 30% • Zetting na verwerking: geen
Bodemchemisch: Zuurgraad (pH-KCl) Koolzure kalk (% CaCO3) EC-waarde (zoutbelasting | mS/m (25 °C) Chloridegehalte C/N-quotiënt (optioneel)
5 tot 6,5 (≈ pH-H20: 6 tot 7,5) < 1,5 (bij pH-KCl < 6 dan max. 0,5) < 150 mS/m (< 1,5 mS/cm) < 300 mg/l maximaal 20 - 40
Voedingswaarde (mineralen): Stikstof (N) | N-totaal mg/kg droge stof Fosfaat (P) | P-Al getal | mg P 2O5 /100 g grond droge stof Kalium (K) | K (CAT) mg K 2O/liter grond Magnesium (Mg) | Mg (CAT) mg MgO/liter grond
80 - 160 30 - 60 120 - 300 120 - 360
Respiratieproef (NEN-EN-16087-1): Stabiliteit organische stof | mmol O2/kg/uur (30 °C)
< 5 mmol O2/kg/uur
Bomengranulaat ‘hardsteen’ = menging van drager (skelet van hardsteen) met een voor bomen hoogwaardig groeimedium
Analysewaarden (eisen en specificaties) uitsluitend volgens weergegeven eenheden (art. 3.12). Toegestane afwijkingen waarden: +/- 10% Organische stof = gehalte gloeiverlies Vochtgehalte (%) op basis van gewichtspercentage LWD waarde = Light Weight Deflectometer ‘Prima 100’ Netto poriënvolume = beschikbare poriën in granulaatmengsel (bij lava dus exclusief interne poriën) Zuurstof % (02): gemeten op ten minste 50 cm (diepte) in het substraat Voor de (nadere) verwerkingseisen van bomengranulaat gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H3 LEVEREN BOMENSUBSTRATEN
H3 | BIJLAGE 7: EISEN EN SPECIFICATIES
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
75
AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 LICENTIEVOORWAARDEN
HOOFDSTUK 4
AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN Het bewerken of (her)inrichten van de bodem, ten behoeve van het realiseren van een voor bomen geschikte duurzame groeiplaats.
De aanleg van groeiplaatsen moet zodanig worden uitgevoerd dat er sprake is van een waarborg voor een voor bomen geschikte (duurzame) groeiplaats, waarin goede wortelontwikkeling in relatie tot de gebruiksfunctie en beoogde omlooptijd blijvend mogelijk is. De aanleg van groeiplaatsen voor bomen (H4) omvat en moet samenvattend voldoen aan: • uitgevoerd volgens de uitvraag en de eisen Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen • een waarborg voor een voor bomen geschikte, duurzame groeiplaats afgestemd op de beoogde functie en omloop • aanleg groeiplaats inclusief het vooraf controleren van de bodem en/of toe te passen bodemsubstraten • bijhouden revisietekening indien aanpassing groeiplaats door onvoorziene omstandigheden noodzakelijk is • inclusief leveren en plaatsen van voorgeschreven (of goedgekeurd Plan van Aanpak) aanvullende groeiplaatsvoorzieningen • inclusief het afwerken van de groeiplaats • inclusief het verwerken en afvoeren van vrijkomende materialen Aanvullend (indien specifiek voorgeschreven): • (optioneel) doormengen van de bestaande bodem ‘verrijken of verschralen’ (groeiplaatsverbetering art. 4.18a) • (optioneel) keuren van bomensubstraten of grond- en bodemmengsels, inclusief bodemanalyses (art. 4.26a)
Uitvraagrelevante specificaties: • formuleren van de uitvraag • verwijzen in uitvraag naar eisen: Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen • voorschrijven dat Handboek Bomen 2018 bij tegenstrijdigheden in de uitvraag (indien niet specifiek anders is voorgeschreven) prevaleert • formuleren van (specifieke) uitvraag • voorschrijven van (eventuele) specifieke uitgangspunten en randvoorwaarden • voorschrijven van (eventuele) specifieke aanvullende voorzieningen • beschikbaarheid (ter beschikking stellen van) uitvraagspecifieke data, kaartmateriaal en overige stukken: - ontwerp- en werktekeningen aanleg groeiplaats (indien beschikbaar) - vooronderzoek keuringsgegevens (inclusief analyses) van bestaande bodem en/of toe te passen bodemsubstraten (indien beschikbaar) Optionele (aanvullende) uitvraagspecificaties: • (optioneel) voorschrijven van het doormengen van het bestaande bodemprofiel ‘verrijken of verschralen’ (groeiplaatsverbetering art. 4.18a) • (optioneel) voorschrijven van keuren bodem en te verwerken substraten (inclusief bodemanalyses) conform eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten (art. 4.26a)
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
77
4.1 De aanleg van groeiplaatsen voor bomen mag alleen worden uitgevoerd door of onder directe begeleiding van vakbekwaam personeel dat specifiek en vakinhoudelijk op de hoogte is van de in het Handboek Bomen gestelde eisen ten aanzien van de aanleg van groeiplaatsen voor bomen, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 6. Hij/zij moet in staat zijn om de aanleg van groeiplaatsen voor bomen volgens de gestelde eisen zelfstandig uit te voeren, te controleren en, indien nodig, te corrigeren. 4.2 De aanleg van groeiplaatsen moet voldoen aan de in hoofdstuk 4 van het Handboek Bomen 2018 gestelde eisen. Voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, zijn tevens de Algemene aanvullende bepalingen van het Handboek Bomen 2018 van toepassing als waren deze integraal opgenomen in dit hoofdstuk. 4.3 Voor zover niet specifiek anders voorgeschreven, vermeldt de opdrachtnemer, rekening houdend met de gestelde eisen, wanneer en op welke wijze de aanleg van de groeiplaatsen wordt uitgevoerd (Plan van Aanpak | Algemeen tijdschema), Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 1. De opdracht nemer borgt dat de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het goedgekeurde Plan van Aanpak.
4.4 De aanleg van de groeiplaatsen moet zodanig plaatsvinden dat de werkzaamheden in relatie tot de (directe) omgeving schadevrij en veilig worden uitgevoerd, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2 en 3. Onder schadevrij wordt tevens verstaan het voorkomen van schades aan (buur)bomen en beplantingen alsmede het voorkomen van schade aan de ondergrondse infrastructuur en de groei- en standplaats zoals bodemverdichting, bodem- c.q. toplaagverslemping, rij- en inslagsporen et cetera. Bestaande schades dienen door de aannemer voorafgaand aan het werk gemeld te worden. Voor de uitvoering van gestelde werkzaamheden kunnen op grond van landelijke wet- en regelgeving of lokale keuren of verordeningen verschillende (voor)onderzoeken, meldingen, vergunningen, ontheffingen, verklaringen et cetera benodigd zijn. Benodigde ‘vergunningen en ontheffingen’ dienen op het werk aanwezig te zijn, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 5. 4.5 De aanleg van groeiplaatsen moet zodanig worden uitgevoerd dat er sprake is van een waarborg voor een voor bomen geschikte (duurzame) groeiplaats, waarin goede wortelontwikkeling in relatie tot de gebruiksfunctie en beoogde omlooptijd, blijvend mogelijk is.
4.6 Onder de aanleg of het bewerken van een groeiplaats wordt tevens verstaan de afwerking van het maaiveld en de afvoer en verwerking van vrijkomende materialen. 4.7 Het open maaiveld, of indien aanwezig de boomspiegel van de groeiplaats (al dan niet voorzien van een mulchlaag), moet geëgaliseerd, vrij van ‘onkruiden’ en vrij van ongerechtigheden zoals puin, glasscherven, grondkluiten (diameter grondkluiten maximaal 10 cm) et cetera worden opgeleverd. Het onkruidvrij maken van het maaiveld mag uitsluitend mechanisch (met de hand) worden uitgevoerd. Vrijkomende onregelmatigheden en restmaterialen, waaronder puin, maar ook organische restmaterialen (zoals graszoden, onkruiden en dergelijke), worden beschouwd als vrijkomend materiaal en mogen niet (of alleen met expliciete toestemming) in of rond de groeiplaats worden verwerkt.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
H4 | EISEN AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
78 4.8 Indien een groeiplaats wordt gerealiseerd of bewerkt tussen (bestaande) te handhaven bomen moeten werkzaamheden in relatie tot de bestaande bomen, voor zover niet specifiek anders voorgeschreven, buiten de kwetsbare boomzone van de te handhaven bomen worden uitgevoerd (art. 4.9). KWETSBARE BOOMZONE = KROONPROJECTIE + 1,5 M (Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen | art. 2.16).
4.9 Werkzaamheden en activiteiten binnen de kwetsbare boomzone van bestaande bomen mogen uitsluitend in overleg en met toestemming (goedgekeurd Plan van Aanpak) worden uitgevoerd, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2.3. Voor de uitvoering van werkzaamheden in de directe omgeving van bestaande bomen gelden de eisen en randvoorwaarden Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen. 4.10 Grondwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg (realisatie) of het bewerken van groeiplaatsen, zoals graven, zuigen, mengen, spitten, egaliseren, bestraten, aftrillen et cetera mogen niet onder te natte (verzadigde) of te droge (overzicht 4.27), met sneeuw bedekte of bevroren bodemomstandigheden worden uitgevoerd (voor kleigronden kan in overleg bodembewerking van een bevroren bodem wel worden toegestaan). Grondwerkzaamheden mogen nooit leiden tot verslemping of structuurbederf van de bodem. Wanneer (grond)werkzaamheden als gevolg van weers-, terrein- of bodemomstandigheden structuur bederf van de bodem (kunnen) veroorzaken (bijvoorbeeld tijdens en direct na aanhoudende of zware regen) dan moeten deze werkzaamheden (tijdelijk) zolang als nodig (in overleg) worden onderbroken.
Plasvorming (op een onverhard maaiveld) duidt op bodemverslemping of structuurbederf en dient direct gemeld en in overleg hersteld te worden, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2. 4.11 De aanleg of bewerking van een groeiplaats moet, met inachtneming van de gestelde eisen, w orden gerealiseerd op de (tekening) aangegeven (voorgeschreven) locaties en volgens de in het bestek of werk omschrijving en werktekening voorgeschreven inrichting en maatvoering (inhoud m3, lengte, breedte en diepte, l x b x d), inclusief de levering en het plaatsen van eventueel specifiek voorgeschreven aanvullende voorzieningen (Bijlage aanvullende voorzieningen 4.37). Indien locatie, maatvoering en inrichting van de te realiseren groeiplaatsen bomen niet specifiek in de uitvraag zijn weergegeven, dan moet deze door de aannemer in het (goedgekeurde) Plan van Aanpak nader uitgewerkt en gemotiveerd zijn. Voor een ‘Bomenontwerp’ gelden de eisen en randvoorwaarden van Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp. REVISIETEKENING Groeiplaatsen die door (onvoorziene) omstandigheden moeten worden aangepast (uitsluitend met toestemming) moeten schriftelijk in het logboek worden gemeld en worden aangepast op de door de aannemer op te stellen revisietekening. Uitgangspunt is dat de beoogde inhoud (m3) ondanks de aanpassing gewaarborgd blijft.
4.12 Indien de aanleg van de groeiplaats moet worden gerealiseerd onder een verharding, dan moeten de inrichting, de gebruikte (bomen)substraten en constructies (fig. 4.12) en de verwerking ervan alsmede het puinof zandcunet en de toe te passen (verhardings)constructie voor de aan te leggen groeiplaats zijn afgestemd op de inrichtingseisen voor bomen in de verharding (art. 4.5). Indien deze afstemming naar het oordeel van de opdrachtnemer niet of onvoldoende in het bestek (uitvraag) is gewaarborgd, dan moet de aannemer dit voorafgaand aan de inschrijving schriftelijk melden en motiveren (Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | Algemeen ‘Onjuistheden en/of onduidelijkheden’).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
79
Ontzilt cunet- en voegzand heeft doorgaans nog een te hoge zoutbelasting (uitspoeling van zout) en is alleen toegestaan indien het voldoende is ontzilt. Als maximaal zoutgehalte geldt een EC-waarde van < 1,5 mS/cm.
Beluchtingssysteem: Voor het borgen van de zuurstofintreding is de toepassing van een samengesteld beluchtingssysteem bij groeiplaatsen onder een (gesloten of elementen)verharding regel. Indien het beluchtingssysteem niet specifiek in de uitvraag is voorgeschreven dient het beluchtingssysteem nader in het Plan van Aanpak te worden uitgewerkt. De keuze en plaatsing van het beluchtingssysteem moeten zijn afgestemd op de (hoge) belastingseisen die bij het verwerken van de bomensubstraten noodzakelijk zijn (met name bij de toe passing van bijvoorbeeld bomengranulaat). Het te plaatsen beluchtingssysteem moet de groeiplaats gelijkmatig voorzien van een goede luchtcirculatie via de meervoudige, met de buitenlucht verbonden luchtkokers (zie Bijlage overzicht 4.37a aanvullende voorzieningen Beluchtingssysteem ‘permanent’).
GRONDUITWISSELING MET BOMENSUBSTRATEN: BOMENGROND, BOMENZAND OF BOMENGRANULAAT GEEN UITWISSELING NATUURLIJKE GROEIPLAATS BESTAANDE BODEM GEBRUIK BESTAANDE BODEM
BOMENGROND
BOMENGRANULAAT WORTELBUNKERS
BOMENZAND
OPEN PLANTSTROOK GEEN BELASTINGSEISEN
RIJWEGEN + PARKEERSTROKEN ZWARE TOT MAXIMALE BELASTINGSEISEN
FIETS+ VOETPAD LICHTE TOT MATIGE BELASTINGSEISEN
AANPLANTEN IN BESTAANDE BODEM INDIEN BODEM GESCHIKT
BOMENGROND
SANDWICH + BOMENZAND
BOMENGROND
BOMENGRANULAAT
CAPILLAIRE ZONE
BOMENZAND CAPILLAIRE ZONE GWST | GHG
WORTELBUNKER ZELFDRAGENDE CONSTRUCTIE INWENDIG ZONDER BELASTINGSEISEN
FIGUUR 4.12 Toepassingsvoorbeelden: Inrichting groeiplaats bomen | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
Cunet- en voegzand: Bij de aanleg van een groeiplaats onder een open of elementenverharding (bijvoorbeeld (gras)tegels of klinkers) mogen de verharding en het onderliggende cunet de infiltratie (regenwater) en diffusie (lucht) niet verstoren. Door gebruik te maken van grof cunet- en voegzand worden de infiltratie en diffusie in de regel beter geborgd.
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
80 4.13 De bewerkings- (of ontgravings)diepte van een groeiplaats voor bomen met een grondwaterstand tot 120 cm -m.v. (grondwaterprofiel), moet voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, standaard gerelateerd zijn aan de diepte van de grondwaterstand, zogenaamd ‘GWST-gerelateerd’. GWST-gerelateerd houdt in dat de gereduceerde zone of Gemiddeld Hoogste Voorjaars Grondwaterstand (GHVG) + 10 cm maatgevend is voor de feitelijke bewerkingsdiepte (art. 4.15), mits er op die diepte nog een toereikend zuurstofgehalte is (O2% ten minste 12 - 16%, streefwaarde ≥ 16 - 18%), of beoogde bodembewerking een beperkte zuurstofhuishouding kan verbeteren. De GWST en daarmee de bewerkingsdiepte per groeiplaats kan op korte afstand afwijken als gevolg van (lokaal) afwijkende grondwaterstanden. De bewerkingsdiepte moet (in het werk) dan steeds per groeiplaats aan de lokale situatie worden aangepast (zie figuren 4.13a en 4.13b.) en wel zodanig dat de gestelde inhoud van de groeiplaats (m3) gewaarborgd blijft. Aanpassingen moeten op de revisietekening worden bijgehouden (art. 4.11). REKENVOORBEELD BEWERKINGSDIEPTE GRONDWATERPROFIEL: GWST-GERELATEERD GHVG = 80 cm -m.v., bewerkings-/ontgravingsdiepte GHVG = 120 cm -m.v., bewerkings-/ontgravingsdiepte
= -80 + 10 = 70 cm -m.v. = -120 + 10 = 110 cm -m.v.
AANLEG GROEIPLAATS ‘GRONDWATERGERELATEERD’
GWST GHG | GVG
FIGUUR 4.13A Aanleg groeiplaats: grondwater-gerelateerd (variabel op korte afstand) | Handboek Bomen 2018
GHG + 10CM GHG | GVG GWST
FIGUUR 4.13B Aanleg groeiplaats: grondwater-gerelateerd (afgestemd op GHVG + 10 cm) | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
81
Voorwaarde voor het plaatsen van wortelpijlers is dat er op die diepte nog een toereikend bodemzuurstof gehalte is (O2% ten minste 12 - 16%). Zie bijlage overzicht aanvullende voorzieningen 4.37f ‘Wortelpijlers’ (nadere uitwerking volgens uitvraag of Plan van Aanpak). Wortelpijlers die worden aangebracht door storende lagen kunnen ook ongewenst kwelwater of moerasgas doen vrijkomen (art. 4.23). Voor het plaatsen van wortelpijlers is daarom gericht vooronderzoek noodzakelijk. 4.14 De bewerkings- (of ontgravings)diepte op een hangwaterprofiel, voor zover niet specifiek anders voor geschreven, bedraagt standaard bij de aanleg of (her)inrichting van een groeiplaats 100 cm -m.v., mits er op die diepte nog een toereikend zuurstofgehalte is, O2% minimaal 12 - 16%, streefwaarde ≥ 16 - 18% (art. 4.17). Bij de inrichting van groeiplaatsen op een hangwaterprofiel is de mogelijkheid tot infiltratie van regen water essentieel voor een voldoende vochtvoorziening (Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp). 4.15 Bij de inrichting van groeiplaatsen mag een ontgraving of bodembewerking nooit plaatsvinden tot in het grondwater of binnen de verzadigde bodemzone net boven het grondwater. Ontgraving of bodembewerking op een grondwaterprofiel (GWST tot ca. 120 cm -m.v.), voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, uitvoeren tot 10 cm boven de grondwaterstand GHVG (art. 4.13 en 4.16).
4.16 Een te ontgraven (of uitgegraven) groeiplaats mag op de bodem nooit verzadigd of volgelopen zijn met (grond)water. Indien de bodem van de ontgraven groeiplaats toch is verzadigd of volgelopen met grond- of regenwater moet dit (in overleg) worden verholpen vóórdat de groeiplaats verder bewerkt of ingevuld wordt. Dit omdat anders het in te vullen bomensubstraat of de te verwerken grond in direct contact komt met (grond) water en daarmee verzadigd raakt, waardoor nadere verwerking en bewerking onmogelijk worden zonder dat de structuur van de bodem daarbij verloren gaat (structuurbederf door te hoog vochtgehalte, overzicht 4.27). HOGE GRONDWATERSTAND Bij een hoge grondwaterstand (GWST ≤ 0,7 m - m.v.) kan met behulp van (grof) drainagezand (laagdikte ca. 5 tot 10 cm) de capillaire vochtnalevering (VN) vanuit het grondwater worden geminimaliseerd (‘droge voeten’) en daarmee structuurbederf (verzadiging) van het in te vullen substraat worden voorkomen. Zie bijlage overzicht aanvullende voorzieningen 4.37m ‘Drainagesysteem/drainagezand’ (nadere uitwerking ‘maatwerk’ volgens uitvraag of Plan van Aanpak).
Bij hoge grondwaterstanden kan ook de toepassing van een (kunstmatig) verhoogd maaiveld of een bakconstructie (met o pstaande rand boven het maaiveld), een permanente drainage of andere aanvullende voorziening mogelijk een technische oplossing of alternatief bieden (bijlage overzicht 4.37m aanvullende voorzieningen, nadere uitwerking ‘maatwerk’ volgens uitvraag of Plan van Aanpak). Binnen bodemprofielen onder een verharding met een GHG ≤ 0,6 m -m.v. dient als regel de keuze voor de aanplant van bomen (zeer) terughoudend benaderd te worden. Optioneel onder deze omstandigheden is het gebruik van vochttolerante bomen met een (sterk ver)korte omlooptijd of eventueel bomen van de 3e grootte en (kleine) vormbomen met een goede vochttolerantie (Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp | art.1.21). Bij de aanleg of bewerking van een groeiplaats in een slecht ontwaterde omgeving kan een nieuw aangelegde of bewerkte (gespitte) groeiplaats fungeren als ‘afwateringspunt’. Extra aandacht voor een goede afwatering (bijvoorbeeld drainage) is dan noodzakelijk om te voorkomen dat de nieuwe groeiplaats gaat fungeren als ‘afwateringsput’. Specifieke constructies kunnen de groeiplaats van bomen combineren met waterbuffering en wateropvang en daarmee mogelijke overlast en problemen van overtollig water (hevige regenbuien) voorkomen of beperken.
Zie bijlage overzicht aanvullende voorzieningen groeiplaatsen bomen 4.37p ‘Waterbuffer | waterberging’ (nadere uitwerking ‘maatwerk’ volgens uitvraag of Plan van Aanpak).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
Wortelpijlers: middels het plaatsen van verticale wortelpijlers kan vanuit de groeiplaats indirect contact gemaakt worden met een dieper gelegen grondwaterstand; bijvoorbeeld door het plaatsen van wortelpijlers tot aan het grondwater op bijvoorbeeld 200 cm -m.v. Wortelpijlers kunnen ook gebruikt worden voor het doorbreken van (beneden de bewerkingsdiepte gelegen) storende lagen. Via deze zogenoemde wortelpijlers groeien de wortels door de storende laag heen of via de wortelpijler naar het dieper gelegen grondwater.
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
82 BODEMBEWERKING 4.17 Bodembewerking en gronduitwisseling kan, indien voorgeschreven (of goedgekeurd Plan van Aanpak) ook plaatsvinden in de bodemzone tot 150 cm -m.v., mits deze dieper gelegen bodemzone voor wortelgroei geschikt is (onder andere zuurstofwaarde minimaal 12 - 16%). Voor bomengrond met een (hoog) gehalte organische stof van 8 tot 12% geldt een maximale verwerkings diepte van 100 cm -m.v., zodat een overmatige negatieve invloed op de bodemzuurstofhuishouding (O2%) wordt voorkomen. (art. 4.27). Beneden de 100 cm -m.v. is de toepassing van verschraalde bomengrond (organische stof 5 - 8%) mogelijk, mits voorzien van een meervoudig beluchtingssysteem (zie bijlage aan vullende voorzieningen groeiplaatsen bomen art. 4.37a Beluchtingssysteem ‘permanent’). 4.18a Optioneel (indien voorgeschreven): het ter verbetering van de (potentiële) groeiplaats verrijken van een bestaand (schraal) zandprofiel in een opengrondsituatie middels het doormengen van de bodem met een hoogwaardig bomensubstraat. Het bomensubstraat (bijvoorbeeld: mengverhouding 1 : 5 of 1 : 4 met bomengrond met een organische-stofgehalte van 8 tot 12%) moet homogeen worden doorgemengd en moet voldoende stabiel (uitgerijpt, respiratieproef < 5 mmol O2/kg) zijn zodat bodemzuurstofproblemen na verwerking in de bodem worden voorkomen (art. 4.17, 4.19, 4.21 en 4.27).
Uitwerking volgens uitvraag of Plan van Aanpak. Voor bomengrond gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten | art. 3.11 en 3.12). Voor sommige boomsoorten kan juist een verschraling van de groeiplaats wenselijk zijn omdat de boom soort de voorkeur geeft aan een schralere groeiplaats. Bestaande (zwarte) grond kan ter verschraling dan bijvoorbeeld worden doorgemengd met zoet zand (nader uitwerking ‘maatwerk’ volgens uitvraag of Plan van Aanpak). 4.19 Bij de uitvoering van bodembewerkingen en gronduitwisseling mogen geen onverteerde of half verteerde organische materialen in of door de bodem worden verwerkt, zoals het ‘doorspitten of doormengen’ van de strooisellaag, blad, graszoden, verse organische mest et cetera, met uitzondering van specifiek in de uitvraag voorgeschreven of in het goedgekeurde ‘Plan van Aanpak’ gemotiveerde (groeiplaatsverbeterende) materialen. 4.20 Bij de uitvoering van bodembewerkingen en gronduitwisseling mogen zuurstofloze (anaerobe) bodemlagen niet worden doorgemengd met de zuurstof houdende (aerobe) bodemlagen en mag de bestaande toplaag (0 tot 20 cm) niet worden verwerkt met andere, dieper gelegen of opgebrachte bodemlagen (art. 4.21).
CONTROLE GROEIPLAATS 4.21 Groeiplaatsen die worden gerealiseerd in een bestaande bodem (open grond zonder uitwisseling) moeten, voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, als onderdeel van de aanleg worden beoordeeld (gecontroleerd) op een voor bomen geschikte bodemsamenstelling en water- en zuurstofhouding (art. 4.27), waarin goede wortelontwikkeling in relatie tot de gebruiksfunctie en het beoogde eindbeeld blijvend mogelijk is (art. 4.5). Een bestaande bodem met storende lagen (art. 4.22) of bodemverdichtingen (open grond) van meer dan 2,0 MPa moeten binnen de beoogde groeiplaats, als onderdeel van de aanleg, worden doorgespit (art. 4.19 en 4.20) en daarbij homogeen worden (na)verdicht tot een verticale indringingsweerstand van 1,3 tot 1,5 MPa. Een groeiplaats moet na bewerking vrij zijn van kruiden die zich door wortelstok kunnen vermeerderen en vrij zijn van grondkluiten (maximale kluitdiameter 10 cm) en ongerechtigheden zoals puin, stenen, bouwhout, metaal, glasscherven, plastic et cetera. Aangetroffen ongerechtigheden worden beschouwd als v rijkomend materiaal (art. 4.25).
Toplaag: indien er in de bestaande bodem sprake is van een onderscheidende ‘toplaag’ dan moet deze oorspronkelijke toplaag (0 tot 20 cm), indien niet anders is voorgeschreven, separaat worden verwerkt en aansluitend worden teruggeplaatst (art. 4.19 en 14.20). Indien een bodemprofiel tot meer (dieper) dan 20 cm -m.v. moet worden doorgespit of ontgraven, dan moet dus eerst (tijdelijk) deze toplaag (0 tot 20 cm) worden gescheiden. Een groeiplaats die (ook na de bodembewerking middels spitten) wordt beoordeeld als ongeschikt moet worden gemeld en in overleg (optioneel) nader worden onderzocht of heringericht.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
83
4.23 Bij de uitvoering van bodembewerkingen zoals spit- of graafwerkzaamheden alsook bij het plaatsen van wortelpijlers (art. 4.13) moet continu gewaakt worden voor het vrijkomen van gas door aardgaslekkage of eventueel in de bodem opgesloten moerasgas (CH4) of kwelwater.
Moerasgas en kwelwater kunnen in de bodem zijn opgehoopt of ingesloten onder bijvoorbeeld een afsluitende bodemlaag (bijvoorbeeld onder kleilagen in voormalige veengebieden in het westen van Nederland). Moerasgas kan ook voorkomen in oude slootbeddingen of afgedekte vuilstortplaatsen (anaerobe vertering van organische materialen). Een eventuele lekkage van gas, en het vrijkomen van moerasgas of kwelwater dient direct te worden gemeld (Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2) en in overleg direct te worden gedicht dan wel verholpen. Werkzaamheden waarbij (moeras)gas of kwelwater vrijkomt, dienen direct en zo lang als nodig (in overleg) te worden onderbroken. 4.24 Na het ontgraven (aanleg) van een groeiplaats moeten (voordat de groeiplaats weer wordt ingevuld) de zijwanden en de bodem van de groeiplaats worden doorgestoken of losgespit ter voorkoming van storende lagen door bodemversmering. Indien (toekomstige) wortelontwikkeling ook buiten de aan te leggen groeiplaats (open grond) wordt beoogd, bijvoorbeeld bij de aanleg van een groeiplaats met bomengrond in een groenstrook, dan moet de aangelegde groeiplaats direct langs de randen tot minimaal 50 cm -m.v. (diepte) worden doorgespit en worden door gemengd met het omliggende bodemprofiel waarin toekomstige wortelontwikkeling moet gaan plaatsvinden.
Hierdoor ontstaat een geleidelijke overgang vanuit de aan te leggen groeiplaats naar het omliggende bodemprofiel en worden natuurlijke wortelbarrières doorbroken en voorkomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
4.22 Bij de aanleg van een groeiplaats moeten storende bodem(top- of tussen)lagen worden voorkomen of, indien aanwezig, met behulp van bodembewerking worden doorbroken of worden afgevoerd (art. 4.21), zodat stagnering van water en bodemlucht alsook de belemmering van de wortelontwikkeling in de bodem worden voorkomen (art. 4.23 en 4.24).
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
84 H4 | EISEN VERWERKING GROND & BOMENSUBSTRATEN 4.25 Te verwerken grond of bomensubstraten moeten vrij zijn van kruiden die zich door wortelstok kunnen vermeerderen en vrij zijn van grondkluiten (maximale kluitdiameter 10 cm) en ongerechtigheden zoals puin, stenen, bouwhout, metaal, glasscherven, plastic et cetera. Aangetroffen ongerechtigheden worden beschouwd als vrijkomend materiaal. CONTROLE BODEM EN BODEMSUBSTRATEN 4.26 Controle: bomensubstraten alsmede andere te ver- of bewerken grond- of bodemmengsels moeten vooraf aan het verwerken door de opdrachtnemer worden gecontroleerd en tot aan de verwerking en afwerking beschermd worden tegen ontmenging, droogte, regen, vorst, broei en andere invloeden die de samenstelling of kwaliteit negatief (kunnen) beïnvloeden (art. 4.35). ‘Noemenswaardigheden’ (bijvoorbeeld de grondsamenstelling, bodemstructuur, zuurstof- en/of waterhuishouding (art. 4.27)) die een negatieve invloed kunnen hebben op de inrichting van de groeiplaats moeten worden gemeld (Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2) en werkzaamheden moeten op grond daarvan zolang als nodig (in overleg) worden uitgesteld of onderbroken. Te verwerken bomensubstraten moeten zijn goedgekeurd.
Bomensubstraten die niet voldoen aan de gestelde eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten mogen, voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, niet (zonder toestemming) worden verwerkt. 4.26a Optioneel (indien voorgeschreven) moeten (niet gekeurde) bomensubstraten of grond- en bodem mengsels door de aannemer alsnog worden gekeurd (inclusief bodemanalyses). Voor bomensubstraten gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H3 | Leveren bomensubstraten. 4.27 Zuurstofhuishouding: bomensubstraten alsmede andere te verwerken grond- en bodemmengsels moeten organisch voldoende stabiel (uitgerijpt) zijn (maximaal zuurstofverbruik op basis van respiratieproef < 5 mmol O2/kg/uur) zodat de bodemzuurstofhuishouding niet negatief wordt beïnvloed. Een slechte bodemzuurstofhuishouding leidt tot een slechte wortelontwikkeling of zelfs tot wortelsterfte. De bodemzuurstofwaarden zijn afhankelijk van de bodemactiviteit en daarmee direct afhankelijk van de bodemtemperatuur en het bodemvochtgehalte. Bodembewerking onder te natte omstandigheden kan gemakkelijk structuurbederf van de bodem veroorzaken, bodembewerking onder te droge omstandig heden maakt een juiste verdichting moeilijk uitvoerbaar. Overzicht 4.27 geeft een beeld van de voor bomen (wortelgroei) relevante bodemlucht- en vochtwaarden.
Indicatieve veldmeting bij levering en verwerking van bodem- en bomensubstraten: zuurstofwaarde (O2%) ten minste 16 - 18%, gemeten op ten minste 50 cm diepte. Indien de gestelde waarde van 16 - 18% niet behaald wordt, dan is een extra controle op structuur, vochtgehalte, bodemluchthuishouding en respiratieproef noodzakelijk en mag verwerking uitsluitend plaatsvinden met expliciete toestemming. Het inwateren of aanplempen van de bodem of ingevulde bodemsubstraten met water bij de aanleg, inrichting of afwerking van een groeiplaats is streng verboden!
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
85
Bodemzuurstof waarde (O2%): Optimaal 19 tot 20% (maximaal ‘buitenluchtwaarde’ ca. 21%) Goed 18 tot 19% Voldoende 16 tot 18% (streefwaarde ten minste 16 - 18%) Matig 14 tot 16% Zeer matig 12 tot 14% Slecht 10 tot 12% Zeer slecht < 10% (beneden 10% risico van acute wortelsterfte) Bodemkoolzuurwaarde (CO2%): Normaal 0,5 tot 5% Te hoog > 5% Bodemgaswaarde (CH4%): Te hoog ≥ 0,5% Referentiewaarden bodemvochtkarakteristiek (indicatie vochtgehalte %, gewichtspercentage): Bodemsoort: Verwelkingspunt Veldcapaciteit Streefwaarde (te droog) (bij verwerking)
Humusarm zand Humeus zand Kleigrond
≤ 5% ≤ 10% ≤ 25%
ca. 10% ca. 35% ca. 50%
10 - 15% 15 - 20% 30 - 40%
4.27 Overzicht: Bodemlucht- en vochthuishouding bomen | Handboek Bomen 2018
VERWERKING EN VERDICHTINGSEISEN 4.28 Verwerking: bomensubstraten alsmede andere te verwerken grond- en bodemmengsels moeten bij verwerking volledig homogeen (gelijkmatig) zijn opgemengd (vrij van grondkluiten en ongerechtigheden, art. 4.25) en voldoen aan de bij verwerking (art. 4.30 tot en met 4.32) gestelde verdichtingseisen (maximale afw ijking +/- 10%), vochtgehalten en zuurstofwaarden (art. 4.27). 4.29 Verwerkingsdiepte: bomensubstraten worden voor zover niet specifiek anders voorgeschreven (standaard) toegepast tot op 10 cm boven de GHVG (art. 4.13 en 4.17). Voor bomengrond met een (hoog) gehalte organische stof van 8 tot 12% geldt een maximale verwerkingsdiepte van 100 cm -m.v. (art. 4.17).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
MONITORWAARDEN BODEMLUCHT- EN VOCHTHUISHOUDING (in relatie tot wortelgroei | in groeiseizoen)
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
86 H4 | EISEN VERWERKING BOMENSUBSTRATEN 4.30 Bomengrond: bij een gronduitwisseling met bomengrond (opengrondsituatie of in een wortelbunker/box zonder specifieke belastingseisen) moet de bomengrond volledig homogeen (gelijkmatig) opgemengd, steeds laagsgewijs (maximale laagdikte 30 - 40 cm) worden ingevuld, geëgaliseerd en telkens per laag homogeen worden verwerkt en gelijkmatig (na)verdicht, vrij van storende ‘verdichte’ tussenlagen, tot onderstaande verdichtingseisen (art. 4.28). VERDICHTINGS- EN VERWERKINGSEISEN BOMENGROND Bomengrond • laagsgewijs ingevuld • verdichting bij aanleg • vochtgehalte bij verwerking • zuurstofwaarde
maximale laagdikte 30 - 40 cm 1,3 tot 1,5 MPa (na zetting ca. 1,5 tot 1,8 MPa) 15 tot 20% (gewichtspercentage) ten minste 16 - 18%
Indringweerstand MPa: penetrometer, -graaf of -logger. Nazakkingstolerantie bomengrond zie art. 4.36.
4.31 Bomenzand: Bij een gronduitwisseling met bomenzand (onder verhardingen met lichte of matige belastingseisen) dient het bomenzand volledig homogeen (gelijkmatig) opgemengd steeds laagsgewijs (maximale laagdikte 20 - 30 cm) te worden ingevuld, geëgaliseerd en telkens per laag homogeen te worden verwerkt en gelijkmatig (na) verdicht, vrij van storende ‘verdichte’ tussenlagen, tot de onderstaande verdichtingseisen (art. 4.28). VERDICHTINGS- EN VERWERKINGSEISEN BOMENZAND Bomenzand (210-420 µm): • laagsgewijs ingevuld • verdichting bij aanleg • vochtgehalte bij verwerking • zuurstofwaarde
maximale laagdikte 20 - 30 cm 1,8 tot 2,0 MPa (na zetting ca. 2,0 tot 2,3 MPa) 10 tot 15% (gewichtspercentage) ten minste 16 - 18%
Bomenzand ‘grof’ (420-700 µm): • laagsgewijs ingevuld • verdichting bij aanleg • vochtgehalte bij verwerking • zuurstofwaarde
maximale laagdikte 20 - 30 cm 2,0 tot 2,2 MPa (na zetting ca. 2,2 tot 2,5 MPa) 10 tot 15% (gewichtspercentage) ten minste 16 - 18%
Indringingsweerstand MPa: penetrometer, -graaf of -logger. Nazakkingstolerantie bomenzand zie art. 4.36.
Verdichten van bomenzand volgens gestelde verdichtingseisen vindt in de regel plaats met een sleuven stamper. Extra aandacht is nodig voor een gelijkmatige en homogene verdichting ook langs de randen van de groeiplaats (art. 4.28). Voordat een nieuwe laag bomenzand op de vorige laag wordt aangebracht, moet de toplaag van de voorgaande laag oppervlakkig worden bewerkt om het ontstaan van een storende (verkitte) laag te voorkomen.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
87
VERDICHTINGS- EN VERWERKINGEISEN BOMENGRANULAAT (Basalt)lava bomengranulaat met voedingsgrond • Bij proctordichtheid • CBR-waarde • Laagsgewijs ingevuld • Vochtgehalte bij verwerking • Zuurstofwaarde • LWD-waarde • (Netto/reëel) poriënvolume • K-waarde
97% > 35% maximale laagdikte 20 - 30 cm 15 - 20% (gewichtspercentage) ten minste 16 - 18% ≥ 30 (maximaal 50 MPa) > 35% > 3 mm/min
Hardsteen bomengranulaat met voedingsgrond • Bij proctordichtheid 97% • CBR-waarde > 65% • Laagsgewijs ingevuld maximale laagdikte 20 - 30 cm • Vochtgehalte bij verwerking 15 - 20% (gewichtspercentage) • Zuurstofwaarde ten minste 16 - 18% • LWD-waarde ≥ 50 (maximaal 80 MPa) • (Netto/reëel) poriënvolume > 30% • K-waarde > 3 mm/min Hardsteen bomengranulaat met klei • Bij proctordichtheid 97% • CBR-waarde > 65% • Laagsgewijs ingevuld maximale laagdikte 20 - 30 cm • Vochtgehalte bij verwerking 20 - 25% (gewichtspercentage) • Zuurstofwaarde ten minste 16 - 18% • LWD-waarde ≥ 50 (maximaal 80 MPa) • (Netto/reëel) poriënvolume > 30% • K-waarde > 3 mm/min
LWD-waarde = Light Weight Deflectometer ‘Prima 100’ . Nazakkingstolerantie bomengranulaat zie art. 4.36.
Verdichten van bomengranulaat volgens gestelde verdichtingseisen vindt in de regel plaats met een 3 tot 6 ton trilplaat. Extra aandacht is nodig voor een gelijkmatige homogene verdichting ook langs de randen van de groeiplaats (art. 4.28). De maximale verdichting moet zodanig gereguleerd worden dat er geen sprake is van ongewenste verpulvering van de lava of breuk van het hardsteen waardoor de drager (dragend skelet) binnen het granulaat verloren gaat.