19b2 TOELICHTING t NL.IMRO.0840.2584K0034-ON01
Tekst van het document
Op de planlocatie worden maatregelen getroffen wat betreft wateropvang en duurzaam bouwen. Prettig samenleven Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen bij de maat en schaal in de dorpen en het buitengebied. Zo behouden we de unieke waarden. Ontwikkelingen moeten passen in het straatbeeld. Vanwege leefbaarheid en duurzaamheid is het belangrijk om bij de ruimtelijke opzet te gaan voor kwaliteit. Om die reden wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen per woning minimaal 75 m2 groen (inclusief waterberging) gerealiseerd. Op de planlocatie wordt rekening gehouden met de inpassing in het straatbeeld, daarnaast wordt er minimaal 75 m2 groen per woning gerealiseerd.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 27 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 12: Uitsnede Omgevingsvisie Rucphen
De 19 woningen worden gerealiseerd op aan de Noorderstraat, aan de zuidkant van de kern van St. Willebrord. Om de woonkwaliteit van de gemeente te vergroten is versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk. Dit initiatief draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woonkern St. Willebrord. 4.4.2
Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024
De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Belangrijke uitdagingen zijn er zoals op het gebied van betaalbaarheid van woonlasten voor starters, het uitgangspunt van langer thuis blijven wonen door ouderen, verduurzaming van de woningvoorraad en de toewijzing van passende sociale huisvesting voor onze inwoners. Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. De Woningwet 2015 gaat er van uit dat tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties zogenaamde prestatieafspraken gemaakt worden, die gebaseerd zijn op een actuele gemeentelijke woonvisie. Hiermee is de noodzaak van een actuele eigentijdse woonvisie helder, waarbij het de uitdaging blijft om binnen de wet- en regelgeving te blijven zoeken naar lokale optimalisatie van visie en ambities. Traditioneel is de woonvisie een belangrijk instrument in de woningbouwopgave voor de gemeente. Dat geldt zeker ook voor deze woonvisie. Echter wordt in deze woonvisie naast het perspectief van het bouwen tevens het perspectief van het wonen belicht. Daarmee heeft deze woonvisie zich ontwikkeld tot een brede WOONvisie voor de periode 2020-2024.
In de gemeentelijke Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid/ doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Deze vertaalslag zorgt ervoor dat de Woonvisie 2020-2024 het woonkompas bij uitstek is, gebaseerd op onder andere de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 en de Structuurvisie Rucphen 2030. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 28 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Het initiatief past binnen de Woonvisie van Rucphen. De te realiseren woningen zijn bedoeld voor starters en doorstromers in de gemeente Rucphen. 4.4.3
Groenbeleidsplan Groen R, 2022
De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaatadaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal. Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang.
Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstructuurplan gemeente Rucphen 2009). Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen. Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn: ▪ Groen en identiteit; ▪ Groen en natuur; ▪ Groen en de gezondheid; ▪ Groen en klimaatadaptatie; ▪ Groen en de CO2 opgave; ▪ Groen en de landbouw. In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daar van te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren.
De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn. Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente. Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten. Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen. Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier. ▪ Principe 1 We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen; ▪ Principe 2 We zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven; ▪ Principe 3 De gemeente wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; ▪ Principe 4 Aan groen werken we samen.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 29 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. De planlocatie is gelegen aan de Noorderstraat. Deze straten zijn op de groenstructuurkaart beide aangemerkt als hoofdstructuur bomen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel in de omgeving gelegen groenstructuren. Het groenstructuurplan heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom. Er zijn concrete afspraken gemaakt met de gemeente en vastgelegd over de landschappelijke inpassing. Hierbij is in ruime mate vorm gegeven aan een goede landschappelijke inpassing, waardoor het gebied groen is ingepast en een duidelijk onderscheid groen en stedelijk is gerealiseerd. Het groengebied blijft in eigendom van de gemeente op basis van een afgesproken demarcatie.
Figuur 11: Groenstructuurkaart kern Sint Willebrord, Groenbeleidsplan Groen R
4.4.4
Boombeleid gemeente Rucphen
De gemeente Rucphen streeft de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het bomenbestand. De aspecten gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde zijn de drie bepalende pijlers. Het behouden en versterken van de boomstructuur, het vergroten van de biodiversiteit en klimaatadaptief maken van de gemeente zijn daarbij uitgangspunt. Door het benoemen van de essentiële groenstructuur van de dorpen kan gericht worden gewerkt aan het groene geraamte. Dit wordt tevens bereikt door het stellen van heldere inrichtings- en beheereisen. De gemeente Rucphen is zich als groene gemeente bewust van het belang van een goede biodiversiteit. Waarbij we inzetten op goede robuuste en fijnmazige netwerken, een duidelijke en passende soortkeuze en het stimuleren van milieu- en natuureducatie. Het draait bij de waardering van de bomen over de beleving door de gebruikers. Van de Rucphense Bossen tot de kleine landschapselementen in het buitengebied en van de bomenlanen tot de bomen in de woonstraten binnen de dorpen. Met een bomenbestand van circa 14.000 bomen is er gemiddeld 0,6 boom per inwoner, dat is vergelijkbaar met het landelijke gemiddelde van 0,5 boom per inwoner. Een groot aantal van de bomen binnen de gemeente is aangewezen als waardevol, deze bomen zijn opgenomen op de groene kaart. Ze dragen op een bijzondere manier bij aan de groene uitstraling van de gemeente.
De planlocatie is gelegen aan de Noorderstraat. Deze straten zijn beiden aangemerkt als hoofdstructuur van gemeentelijke bomen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel in de omgeving gelegen groenstructuren. Het groenstructuurplan heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 30 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 14: Uitsnede Boombeleid kaart
4.4.5
Nota Parkeernormen Rucphen
De Nota parkeernormen Rucphen is een bijlage van het Gemeentelijk Verkeers‐ en Vervoerplan. In de Nota parkeernormen Rucphen worden de gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen vastgesteld. De normen zijn vastgesteld om in de toekomst te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte en de bereikbaarheid en leefbaarheid van de verschillende kernen van de gemeente Rucphen te waarborgen. Het aspect parkeren komt in paragraaf 3.2.2 aan bod, het parkeren dient te voldoen aan de nota parkeernormen. 4.4.6
Waterplan Rucphen, visie en maatregelen
De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de verschillende waterthema’s die spelen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wateropgave. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de gemeente Rucphen in 2050. De drie hoofdthema’s zijn de waterstructuur, water in de omgeving en waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. Het plangebied is niet gelegen binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor het plangebied. 4.4.7
Nota Archeologie Gemeente Rucphen
Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Het aspect archeologie is in paragraaf 5.2 verder uitgewerkt.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 31 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.4.8
Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030
De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Duurzaam ondernemen is een van de ambities binnen de visie. De gemeente is samenwerking met bedrijven een platform Duurzaamheid aan het ontwikkelen ter bevordering van duurzaam ondernemen.
Hierbij liggen bijvoorbeeld kansen om op grote bedrijfsdaken zonnepanelen te plaatsen. Voor duurzaam bouwen is de ambitie om bestaande bedrijfsgebouwen aan Energielabel B te laten voldoen. Een duurzame samenleving heeft hoge natuurwaarden en een goede waterkwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. Circulaire economie In 2014 heeft de gemeente Rucphen het Convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant ondertekend. In het convenant is aangegeven wat de deelnemende gemeenten belangrijk vinden. Voor het verduurzamen van de nieuwe woningbouw, de bestaande woningvoorraad, bestaande utiliteitsgebouwen en het gemeentelijk vastgoed, moeten, in samenspraak met de partners, uitvoeringsprogramma’s worden opgesteld en mogelijk ook kaders worden vastgesteld om de uitvoering van concrete activiteiten te bevorderen.
Deze concrete activiteiten hebben grotendeels te maken met isoleren en duurzame energieopwekking, maar ook het gebruik maken van duurzame materialen en het onderwerp circulaire economie zijn hierbij van belang. De toenemende schaarste van grondstoffen en het belang van een duurzame samenleving vraagt om een circulaire benadering van grondstoffen. Het ultieme doel is dat er helemaal geen sprake meer is van afval, maar dat al het afval opnieuw als grondstof wordt ingezet. Dit wordt ook wel circulaire economie genoemd. Hooguit blijft een restfractie over waar geen betere toepassing voor is dan verbranding ten behoeve van energieopwekking. De gemeente heeft het doel gesteld van een afvalscheiding van 75% in 2024 met als ultieme doel een afvalloze samenleving. Voor de korte termijn streeft de gemeente het doel na van 100 kg restafval per inwoner in 2024. Beoordeling In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m² openbaar groen per nieuwe woning. Dit uitgangspunt is niet één op één toe te passen bij (kleinschalige) stedelijke inbreidingslocaties. Per plan wordt bekeken hoe aan de doelstelling invulling gegeven kan worden. Duurzaamheid is het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouw woningen op de planlocatie.
De woningen dienen te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), daarnaast wordt de woning gasloos uitgevoerd. Tijdens de verdere uitwerking van het ontwerp van de woning wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk gebruiken van duurzame bouwmaterialen.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 32 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De ontwikkeling op de planlocatie heeft ook te maken met de ambities Groen en Water. In het plan is voorzien in 75 m² openbaar groen per nieuwe woning. De bestemming ‘groen’ krijgt een oppervlakte van circa 1.934 m2 in de beoogde ontwikkeling, in totaal is minimaal 1.425 m2 benodigd voor het toevoegen van 19 woningen. Er wordt ruim voldoende groen toegevoegd op de planlocatie. De ontwikkeling op de planlocatie voldoet aan de ambitie om wateroverlast bij hevige, langdurige regenval te beperken en de ambitie om binnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, per woning, 75 m² groen in de openbare ruimte te realiseren. 4.4.9
Bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’
Op het plangebied het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’. Het bestemmingsplan is op 8 maart 2023 vastgesteld. Daarnaast vigeert het ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’. Op 13 december 2017 is het ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’ vastgesteld. Het parapluplanbestemmingsplan ziet toe op twee onderwerpen, namelijk op het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid en het herstellen van het overgangsrecht. Op het zuidelijke gedeelte van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 16 december 2020. Het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’ de bestemming ‘Agrarisch’. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’ de bestemming ‘Verkeer’. Over het plangebied liggen gedeeltelijk de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – 4’, ‘geluidzone – weg’ en ‘overige zone – beperkingen veehouderij’. Over het gehele plangebied ligt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – obstakelbeheerzone’. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ is het niet mogelijk om 19 wooneenheden op te richten. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien. In figuur 15 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 15: Uitsnede plankaart behorend bij Bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 33 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Relevante (Milieu)aspecten
Algemeen
De planlocatie is gelegen aan de zuidkant van de kern St. Willebrord, aan de Noorderstraat. Het voornemen is om met het bouwplan het oprichten van maximaal 19 woningen mogelijk te maken. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op de planlocatie uiteengezet. 5.2
Cultuurhistorie en archeologie
5.2.1
Cultuurhistorie
Figuur 16: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (Provincie Noord-Brabant)
Sinds 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg hiervan is het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) gewijzigd. Kort gezegd geldt nu voor cultuurhistorie, wat al sinds 2007 voor archeologie Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 34 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
geldt. Ook voor cultuurhistorie moet nu in elk bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het gaat daarbij niet alleen om cultuurhistorische objecten, ook historische geografie hoort hierbij. Om te bepalen of op de planlocatie sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening dient te worden gehouden, is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 16) is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘West-Brabantse Venen’. Daarnaast zijn de Noorderstraat en de Krommestraat aangemerkt als lijnen van redelijk hoge waarde. Door de beoogde ontwikkeling worden de historische lijnen van de Noorderstraat en de Krommestraat niet aangetast. De regio West-Brabantse Venen bestaat uit van een zwak golvend dekzandlandschap op een oudpleistocene ondergrond met afsluitende kleilagen. De winning en het transport van turf hebben het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de turfhoofden.
De ontginning van het veen hebben de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Door de ontwikkeling op de planlocatie worden cultuurhistorische waarden van de West-Brabantse Venen niet aangetast. 5.2.2
Archeologie
Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. De archeologen van de Regio West Brabant adviseren de gemeente hierin.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 35 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 17: Uitsnede Archeologische beleidskaart Rucphen
Op de archeologische waarden‐ en verwachtingskaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. In figuur 17 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat de planlocatie is gelegen het gebied: ▪ Geen archeologische verwachting (verstoord of vrij gegeven): de status van het archeologisch onderzoek is onbekend. Archeologisch onderzoek Op 21 maart 2017 is door Econsultancy een rapportage uitgebracht over het archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek welke in februari 2017 is uitgevoerd. Het volledige rapport is als afzonderlijke bijlage toegevoegd in bijlage 1. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plan-gebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy.
Selectiebesluit Het advies van het bevoegd gezag betreffende het selectiebesluit is om in te stemmen met het advies van Econsultancy.nl om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is voor het plangebied namelijk vastgesteld dat de voor archeologie relevante bodemlagen zijn verstoord. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische waarden is daarom laag. Geadviseerd wordt om de Archeologische Monumentenzorg af te ronden en het plangebied vrij te geven voor de geplande bouwactiviteiten. De dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ in het bestemmingsplan voor het plangebied wordt verwijderd. 5.3
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Econsultancy is op 18 mei 2022 (rapportnummer 18470.001) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan bijlage 2. Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 36 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, zeer fijn zand. De bovengrond is bovendien matig humeus. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Gezien het feit dat de ondergrond en het grondwater tijdens voorgaand onderzoek reeds zijn onderzocht is in onderhavig onderzoek enkel de bovengrond onderzocht. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. De onderzoeksresultaten komen overeen met de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek. Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd.
Er bestaan volgens Econsultancy met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de verkoop en ontwikkeling van de onderzoekslocatie. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak humeus, matig siltig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend en zwak roesthoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Hierbij wordt opgemerkt dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden niet conform de NEN 5707 ("Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond") zijn uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek is met betrekking tot de parameter asbest derhalve indicatief. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink.
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen grondtransactie, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 37 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.4
Water
5.4.1
Beleid waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Figuur 18: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 38 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 19: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta
5.4.2
Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen
De planlocatie is gelegen buiten een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloedsgebied. In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen waterlopen. 5.4.3
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de geprojecteerde bebouwing op de planlocatie geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Het totale plangebied omvat een oppervlakte van circa 7.954 m². Op de locaties worden 19 woningen toegevoegd. Voor de toename van het verhard oppervlak is onderstaande retentie berekend.
Plangebied waarvan verhard in bestaande situatie
7.954 m2
Uitgeefbaar Parkeren (semi-verhard) Infra
4.028 m2
Groen
337,5 m2 1.646,5 m2 1.942 m2 7.954 m2
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Verhard oppervlakte % 60 0 100
m2 2.416,8 m2 0 m2 1.646,5 m2
0
0 m2 4.063,3 m2
Pagina 39 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) 243,80 m3
=
4.063,3
x
1
x
0,06
In totaal dient er 243,80 m3 gecompenseerd te worden in de vorm van waterretentie. De Gemiddeld Hoogste Grondwatertrap bedraagt volgens de Keurkaart van de Brabantse Delta 0,8 meter onder maaiveld ter hoogte van de planlocatie. De compensatie kan plaatsvinden in de vorm van een wadi in de aan te leggen strook groen op gemeentegrond. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de vorm van de compensatie bepaald. De compensatie vindt plaats binnen de planlocatie, er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om dit te borgen is een bepaling in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. 5.4.4
Watertoets
Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. 5.5
Ecologie
5.5.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.5.2
Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Door Brabant Eco is op 7 juni 2023 (rapportnummer 2023- BE-0624) een ecologische quickscan uitgevoerd om aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld te brengen en mogelijke effecten daarop in beeld te brengen. Bepaald is of de ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000 gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming en aanvullend de gemeentelijk AVP zijn beschermd. De volledige rapportage is toegevoegd aan bijlage 3 van de afzonderlijke bijlagen. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland / EHS. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied liggen op een afstand van 14 tot 16 km. Het betreft de gebieden Ulvenhoutse Bos, Hollands Diep en Brabantse Wal.
Om de stikstofdepositie die de ontwikkeling met zich mee brengt te kunnen berekenen, is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Uit de stikstofdepositieberekeningen in bijlage 5 volgt dat er geen Natura 2000 gebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jaar wordt overschreden. In de berekening wordt geen depositie getoond, omdat deze lager is dan 0,00 mol/ha/jaar.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 40 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Daarnaast worden er geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen. Een toetsing aan het NNN/NNB-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. De planlocatie is niet gelegen binnen de Groenblauwe mantel. Op basis van de aard van de voorgenomen ingreep en planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot de Groenblauwe mantel uitgesloten worden. 5.5.3
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantsoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdierensoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. De habitat van amfibieën, reptielen en vissen bestaat voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op de planlocatie aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat de locatie één of meer van deze beschermde soorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. Resultaten onderzoek Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de herinrichting van het plangebied worden hierdoor ook geen overtredingen verwacht ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Het plangebied is intensief in gebruik voor de teelt van mais en mede door de bemesting ongeschikt voor vleermuizen en vogelsoorten, deze soorten kunnen enkel foerageren op of boven het agrarisch perceel. Echter zijn er in de omgeving voldoende overige foerageermogelijkheden.
Kleine marterachtige zouden theoretisch gezien kunnen voorkomen in de groenstrook rondom het plangebied. Als deze groenstrook blijft behouden of het plangebied wordt voorzien van natuurlijke erfbegrenzing, zijn er geen nadelen te verwachten op het voorkomen van kleine marterachtige. Door de locatie na de bouw geheel landschappelijk in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming o De ingreep zal naar verwachting leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is mogelijk van toepassing. o Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum.
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. o In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. o Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 41 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. 5.6
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. Op 4 april 2023 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een Akoestisch onderzoek (rapport: VL.2070.R01) uitgevoerd.
De volledige rapportage is toegevoegd aan bijlage 4 van de afzonderlijke bijlagen. Advies Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Vosdonkseweg wordt overschreden en alle onderzochte maatregelen om de geluidbelasting vanwege deze weg te reduceren niet doeltreffend zijn of op problemen stuiten van stedenbouwkundige, praktische, financiële aard of verkeers- en vervoerskundige aard, zal een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Rucphen voor de geluidbelasting vanwege deze weg. De aan te vragen hogere waarde bedraagt 56 dB vanwege de Vosdonkseweg. Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Noorderstraat in de huidige situatie wordt overschreden en ten tijde van dit onderzoek nog geen besluit is vastgesteld om het gebied bij de Nachtegaalstraat her in te richten, en alle andere maatregelen om de geluidbelasting vanwege deze weg te reduceren niet doeltreffend zijn of op problemen stuiten van praktische of financiële aard, zal ook een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden bij de gemeente Rucphen voor de geluidbelasting vanwege deze weg. De aan te vragen hogere waarde bedraagt 51 dB vanwege de Noorderstraat. Indien ten tijde van het indienen van de aanvraag hogere waarde voornoemd besluit om de overgang naar 30 km/u gebied op de Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 42 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Noorderstraat te verleggen naar de komgrens bij de rotonde wel is vastgesteld, kan de aanvraag hogere grenswaarde achterwege blijven. In combinatie met een aanvraag hogere waarde dienen ook maatregelen te worden getroffen in de vorm van voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie om ook een goed woon- en leefklimaat in de woningen te waarborgen. Hierbij dient uitgegaan te worden van de eisen in het Bouwbesluit. De hogere waarde vanwege wegverkeerslawaai bedraagt ten hoogste 56 dB (vanwege de Vosdonkseweg). Hierbij dient de karakteristieke geluidwering van de woningen ten minste aan GA,k = 28 dB (56 dB + 5 dB aftrek – 33 dB) voor een verblijfsgebied te voldoen. Voor een verblijfsruimte geldt een 2 dB lagere eis. Om zondermeer een goed woon- en leefklimaat te garanderen in de woningen, wordt geadviseerd de benodigde geluidwering te dimensioneren op de gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle geluidbronnen van het wegverkeer. De gecumuleerde geluidbelasting van de meest kritisch gelegen zuidzijde van de planlocatie is in onderhavige situatie gelijk aan de geluidbelasting vanwege de meest maatgevende bron alleen, zodat in dit geval de benodigde geluidwering op basis van het Bouwbesluit ook voldoende is om een goed woon- en leefklimaat in de woningen te waarborgen.
Echter neemt de gecumuleerde geluidbelasting aan de westzijde van het plan wel in beperkte mate toe ten opzichte van alleen de maatgevende bron. Daarom wordt geadviseerd bij de west- en oostgevel van de bouwvlakgrenzen wel uit te gaan van de gecumuleerde geluidbelasting. Een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van minimaal 26 dB voor verblijfsgebieden is daarbij al voldoende. Voor een verblijfsruimte grenzend aan deze westelijke voorgevel geldt een 2 dB(A) lagere eis. Indien bij de nieuwbouw gebruik gemaakt wordt van een gebalanceerd ventilatiesysteem met mechanische toe- en afvoer wordt een geluidwering van 28 dB vrij eenvoudig behaald. Of alsnog een nadere berekening van de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie noodzakelijk is, is ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie. Het ontwerp besluit hogere waarden dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter visie te worden gelegd. 5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. Het planlocatie is aan de zuidkant van St. Willebrord gelegen.
In de directe omgeving van de planlocatie komt hoofdzakelijk de functie ‘wonen’ voor. Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het om een rustige woonwijk gaat. 5.7.2
Milieuzones
Alle bedrijven in een straal van 150 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 43 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Tabel 5: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘rustige woonwijk’ Afstand in meters
GEVAAR
Milieu cat.
GELUID
omschrijving
STOF
adres
GEUR
bedrijf
Richtafstand bouwvlak tot omgevingstype rustige woonwijk
Agrarisch bedrijf
De Vlaanders 34
Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
2
10
10
30
10
90 meter
Nutsvoorziening
Leeuwerikstraat 11
2
0
0
30
10
118 meter
Agrarisch bedrijf
Krommestraat 22
Gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen) Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)
2
10
10
30
10
138 meter
De planlocatie ligt niet binnen de milieuzonering van een in de omgeving gevestigd bedrijf. Bestaande omliggende, en eventueel toekomstige bedrijven worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling. 5.7.3
Geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woningen aan de Noorderstraat te St. Willebord kan gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie.
De gemeente Rucphen kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Rucphen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 3 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 44 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 3 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De woningen op de planlocatie kunnen gezien worden als geurgevoelige objecten in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van februari 2021 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn.
Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit onderstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van geuremissie.
Figuur 20: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de omgeving van de planlocatie zijn enkele agrarische bedrijven gevestigd. In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Aan de Berkstraat 2a is een veehouderij gevestigd waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn. Het bouwvlak op de planlocatie Turfstraat is op circa 700 meter afstand van het bestaande agrarisch bouwvlak aan Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 45 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
de Berkstraat 2a. De afstand van 50 meter wordt hiermee behaald. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden. Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen op de planlocatie. 5.8
Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Bij inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2.
De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Er vindt op de planlocatie een toevoeging plaats van 19 woningen. Een project wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling op de planlocatie een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling op de planlocatie zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de ontsluitingswegen van de planlocatie. Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3%. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op de planlocatie zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3% grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties.
De coördinaten van de planlocatie zijn bij benadering: ▪ x = 99880 ▪ y = 396040 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2020: PM10: 17.99 μg/m3 en NO2: 16.81 μg/m3 2025: PM10: 16.60 μg/m3 en NO2: 14.39 μg/m3 2030: PM10: 15.44 μg/m3 en NO2: 12.15 μg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie.
Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023
Pagina 46 van 54
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit te bepalen wordt gebruik gemaakt van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van de planlocatie zowel in de huidige situatie als voor 2025 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. 5.9