16e. Bestemmingsplan 'Kom St. Willebrord Margrietstraat 34 te St. Willebrord' - bijlagen toelichti
Tekst van het document
2022003047/1 2410.94.221 Margrietstraat 34 te Sint Willebrord 11-Jan-2022
Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. De analyse resultaten hebben alleen betrekking op het beproefde object. De grondmonsters worden tot 4 weken na datum ontvangst bewaard en watermonsters tot 2 weken na datum ontvangst. Zonder tegenbericht worden de monsters nadien afgevoerd. Indien de monsters langer bewaard dienen te blijven verzoeken wij U dit exemplaar uiterlijk 1 werkdag voor afloop van de standaardbewaarperiode ondertekend aan ons te retourneren. Voor de kosten van het langer bewaren van monsters verwijzen wij naar de prijslijst.
Bewaren tot: Datum:
Naam:
Handtekening:
Wij vertrouwen erop uw opdracht hiermee naar verwachting te hebben uitgevoerd, mocht U naar aanleiding van dit analysecertificaat nog vragen hebben verzoeken wij U contact op te nemen met de afdeling Verkoop en Advies.
Met vriendelijke groet, Eurofins Analytico B.V.
Ing. A. Veldhuizen Technical Manager
Eurofins Analytico B.V. Gildeweg 42-46 NL-3771NB Barneveld +31 (0)34 242 63 00 Info-env@eurofins.nl www.eurofins.nl
Venecoweg 5 B-9810 Nazareth +32 (0)9 222 77 59 belgie-env@eurofins.be www.eurofins.be
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer Uw monsternemer
2410.94.221 Margrietstraat 34 te Sint Willebrord
Certificaatnummer/Versie Startdatum analyse Datum einde analyse Rapportagedatum Bijlage Pagina
R. Snijder
Analyse
Eenheid
1
2022003047/1 11-Jan-2022 13-Jan-2022 13-Jan-2022/09:23 A,B,C 1/2
Metalen
S
Barium (Ba)
µg/L
48
S
Cadmium (Cd)
µg/L
<0.20
S
Kobalt (Co)
µg/L
<2.0
S
Koper (Cu)
µg/L
2.5
S
Kwik (Hg)
µg/L
<0.050
S
Molybdeen (Mo)
µg/L
3.9
S
Nikkel (Ni)
µg/L
<3.0
S
Lood (Pb)
µg/L
<2.0
Zink (Zn)
µg/L
<10
S
Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen
S
Benzeen
µg/L
<0.20
S
Tolueen
µg/L
<0.20
S
Ethylbenzeen
µg/L
<0.20
S
o-Xyleen
µg/L
<0.10
S
m,p-Xyleen
µg/L
<0.20
S
Xylenen (som) factor 0,7
µg/L
0.21
BTEX (som)
µg/L
<0.90
S
Naftaleen
µg/L
<0.020
S
Styreen
µg/L
<0.20
1)
Vluchtige organische halogeenkoolwaterstoffen
S
Dichloormethaan
µg/L
<0.20
S
Trichloormethaan
µg/L
<0.20
S
Tetrachloormethaan
µg/L
<0.10
S
Trichlooretheen
µg/L
<0.20
S
Tetrachlooretheen
µg/L
<0.10
S
1,1-Dichloorethaan
µg/L
<0.20
S
1,2-Dichloorethaan
µg/L
<0.20
S
1,1,1-Trichloorethaan
µg/L
<0.10
S
1,1,2-Trichloorethaan
µg/L
<0.10
S
cis 1,2-Dichlooretheen
µg/L
<0.10
Nr. Uw monsteromschrijving
1
01 (400-500)
Opgegeven monstermatrix
Monster nr.
Water (AS3000)
12501331
Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende en geaccrediteerde verrichting S: AS SIKB erkende en geaccrediteerde verrichting V: VLAREL erkende verrichting
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
W: Waals Gewest erkende verrichting
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
TESTEN RvA L010
Analysecertificaat Uw project/verslagnummer Uw projectnaam Uw ordernummer Uw monsternemer
2410.94.221 Margrietstraat 34 te Sint Willebrord R. Snijder
Eenheid
1
trans 1,2-Dichlooretheen
µg/L
<0.10
CKW (som)
µg/L
<1.6
Analyse
S S
Tribroommethaan
µg/L
<0.20
S
Vinylchloride
µg/L
<0.10
S
1,1-Dichlooretheen
µg/L
<0.10
S
1,2-Dichloorethenen (Som) factor 0,7
µg/L
0.14
S
1,1-Dichloorpropaan
µg/L
<0.20
S
1,2-Dichloorpropaan
µg/L
<0.20
S
1,3-Dichloorpropaan
µg/L
<0.20
Dichloorpropanen som factor 0.7
µg/L
0.42
Minerale olie (C10-C12)
µg/L
<10
Minerale olie (C12-C16)
µg/L
<10
Minerale olie (C16-C21)
µg/L
<10
Minerale olie (C21-C30)
µg/L
<15
Minerale olie (C30-C35)
µg/L
<10
Minerale olie (C35-C40)
µg/L
<10
Minerale olie totaal (C10-C40)
µg/L
<50
S
Certificaatnummer/Versie Startdatum analyse Datum einde analyse Rapportagedatum Bijlage Pagina
2022003047/1 11-Jan-2022 13-Jan-2022 13-Jan-2022/09:23 A,B,C 2/2
1)
Minerale olie
S
Nr. Uw monsteromschrijving
1
01 (400-500)
Opgegeven monstermatrix
Monster nr.
Water (AS3000)
12501331
Q: door RvA geaccrediteerde verrichting A: AP04 erkende en geaccrediteerde verrichting S: AS SIKB erkende en geaccrediteerde verrichting
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
V: VLAREL erkende verrichting W: Waals Gewest erkende verrichting
Dit certificaat mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. BNP Paribas S.A. 227 9245 25 Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV IBAN: NL71BNPA0227924525 en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), BIC: BNPANL2A het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) KvK/CoC: 09088623 en door de overheid van Luxemburg (MEV). BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Akkoord Pr.coörd.
VA TESTEN RvA L010
Bijlage (A) met de opgegeven deelmonsterinformatie behorende bij het analysecertificaat. 2022003047/1 Pagina 1/1 Monster nr. Barcode
Uw monsteromschrijving Boornr
12501331
Van
Tot
Uw datum monstername
Monsteromsch./Monstername ID
01 (400-500)
0692152977
01
400
500
11-Jan-2022
1
0801027649
01
400
500
11-Jan-2022
2
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
Bijlage (B) met opmerkingen behorende bij analysecertificaat 2022003047/1 Pagina 1/1 Opmerking 1)
De toetswaarde van de som is gelijk aan de sommatie van 0,7*RG
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
.
Bijlage (C) met methodeverwijzingen behorende bij analysecertificaat 2022003047/1
Analyse
Pagina 1/1
Methode
Techniek
Methode referentie
Barium (Ba)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Cadmium (Cd)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Kobalt (Co)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Koper (Cu)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Kwik (Hg)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Molybdeen (Mo)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Nikkel (Ni)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Lood (Pb)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Zink (Zn)
W0421
ICP-MS
pb 3110-3 en NEN-EN-ISO 17294-2
Metalen
Vluchtige Aromatische Koolwaterstoffen
Aromaten (BTEXN)
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Xylenen som AS3000
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Styreen
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Vluchtige organische halogeenkoolwaterstoffen
VOCl (11)
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Tribroommethaan (Bromoform)
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
Vinylchloride
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,1-Dichlooretheen
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
DiClEtheen som AS3000
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,1-Dichloorpropaan
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,2-Dichloorpropaan
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
1,3-Dichloorpropaan
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
DiChlprop. som AS3000
W0254
HS-GC-MS
pb 3130-1
W0215
GC-FID
pb 3110-5
Minerale olie
Minerale olie (C10-C40)
Nadere informatie over de toegepaste onderzoeksmethoden alsmede een classificatie van de meetonzekerheid staan vermeld in ons overzicht "Specificaties analysemethoden", versie juni 2020.
Eurofins Analytico B.V.
Gildeweg 42-46 Venecoweg 5 NL-3771NB Barneveld B-9810 Nazareth +31 (0)34 242 63 00 +32 (0)9 222 77 59 Info-env@eurofins.nl belgie-env@eurofins.be www.eurofins.nl www.eurofins.be
BNP Paribas S.A. 227 9245 25 IBAN: NL71BNPA0227924525 BIC: BNPANL2A KvK/CoC: 09088623 BTW/VAT: NL 8043.14.883.B01
Eurofins Analytico B.V. is ISO 14001: 2015 gecertificeerd door TÜV en erkend door het Vlaamse Gewest (OVAM en Dep. Omgeving), het Brusselse Gewest (BIM), het Waalse Gewest (DGRNE-OWD) en door de overheid van Luxemburg (MEV).
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3. Ecologische quickscan, Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, rapportnummer 2112-1, 5 januari 2022
Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen
Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Ecologische quickscan
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
2
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
J.F.G. Maassen
Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St.Willebrord Ecologische quickscan Datum 5-1-2022
3
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
4
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch 06-12571130 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 btw-id NL001289728826 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71
Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag In opdracht van
Contactpersoon
2112-1 J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen Adviesbureau Schoenmakers Molenzicht 2 4881 BW Zundert J.F.G. Maassen, Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord Mw. A. Tuitelaars (Schoenmakers advies)
Status Datum
Definitief 5-1-2022
Wijze van citeren
© 2022 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
5
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
6
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Inhoud 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Inrichting en het huidig gebruik van het plangebied 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.4 Bijzondere provinciale beschermingszones Onderzoeksresultaat 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 4.2.2 Provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen, amfibieën en vissen 4.3.6 Ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Toetsing aan de Wet natuurbescherming en provinciale regelgeving 5.2 Vervolgstappen en samenvatting Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling Bijlage 6 – Werken met gedragscode
7
9 9 9 10 10 11 11 11 14 15 14 14 17 18 19 19 20 20 21 24 24 24 26 28 30 32 33 34 34 38 39 39 39 39 41 43 44 45 47 51 52
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
8
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen tot sanering van de huidig bebouwing op een locatie, gelegen binnen de gemeente Rucphen en de bebouwde kom van St. Willebrord, waarop adres Margrietstraat 34 is gevestigd. Het plangebied bestaat uit 2 percelen die kadastraal geregistreerd staan als Gemeente Rucphen, sectie D, no 6095 en no 6096 met ieder een oppervlak van 720 m2. De beoogde ontwikkeling na de sloop van de huidige bebouwing betreft de bouw van 4 nieuwe woningen. Adviesbureau Schoenmakers te Zundert heeft de opdracht om deze ontwikkeling mogelijk te maken binnen de gestelde wettelijke kaders. Deze wettelijke kaders eisen ook een ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan flora en fauna om vast te stellen of deze ontwikkeling tot overtredingen van de Wet natuurbescherming of provinciale regelgeving ter bescherming van natuur en landschap kunnen betekenen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.
Het plangebied gelegen op de kadastrale percelen gemeente Rucphen 6095 en 6096. Bron: Schoenmakers
1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag beoordeeld en/of doet
9
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.
1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden •
Provinciale regelgeving op de onderdelen o Groenblauwe mantel o Natuur Netwerk Brabant
•
Gemeentelijke regelgeving op het onderdeel o APV-bomenkap
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.
10
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied Fig.1. Ligging van het plangebied (binnen rode stip) binnen de bebouwde kom van St. Willebrord. Luchtfoto: Google Earth
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van St. Willebrord op een hemelsbrede afstand van 0,6 km zuidwestelijk van het dorpshart met als meest markante element de St. Willebrordkerk met omringende pastorietuin. De pastorie tuin met veel monumentale bomen vormt het meest substantiele groenelement binnen het verstedelijkt gebied rond het dorpscentrum. Het plangebied ligt op een afstand van 0,5 km van het buitengebied aan de westrand van de bebouwde kom. De directe omgeving rond het plangebied betreft een dicht bebouwde woonomgeving met weing openbaar groen. De stedelijke bebouwing is hier van een kleinschalig type met zowel vrijstaande woningen als meerdere woningen onder één kap en van een dorps karakter. Het plangebied met zijn bedrijfsbebouwing is binnen deze bebouwde omgeving een afwijkend element.
2.2. Inrichting en huidig gebruik van het plangebied Fig.2 Het gehele plangebied is rood omkaderd. De gele stippellijnen geven de bestaande bebouwing weer die in zijn geheel gesloopt wordt.
11
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van St. Willebrord aan de noordwest kant van de kruising tussen de Margrietstraat en Leeuwerikstraat/Tulpstraat. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de Margrietstraat, de ontsluitingskant naar het plangebied vanaf de openbare weg. Aan de oostkant grenst het terrein aan een smal gemeenteplantsoen dat gelegen is tussen de begrenzing van het plangebied en de Tulpweg (de voortzetting en verlengde van de Leeuwerikweg aan de noordkant van de kruising). Aan de overige zijden grenst het plangebied aan de tuinen en erven van de naburige woningen. Het aangrenzend gemeenteplantsoen bevat drie grote bomen, houtopslag en een ondergroeiing van laag gemeentegroen. De 3 bomen betreffen 2 zilversparren van een monumentale omvang en een beuk van een iets geringere stamdiameter. Onder deze bomen groeit houtopslag van vlier, kornoelje en esdoorn en is een dichte onderbegroeiing aangeplant van gemeentegroen met veel lage bodembedekkende wintergroene struikjes (cotoneaster horizontalis). De gehele onderbegroeiing is recent nogal op en slordige wijze gekortwiekt. Na informatie van omwonende is hier nog niet zo lang geleden een grotere boom gerooid. De 3 grote bomen staan bijzonder dicht op de erfgrens met het plangebied waardoor de kronen overhangen over het plangebied en hinder kunnen opleveren bij uitvoering van de plannen.
Tijdens het veldbezoek is dit plantsoen daarom ook meegenomen als onderdeel van het onderzoeksgebied.
Zicht op plantsoen vanaf de Tulpstraat.
De zilversparren op de erfgrens.
Binnen het plangebied is groen verder schaars en beperkt zich tot een kleine voortuin van woning en een grasstrook naast de noordelijk ingang tot het terrein. De voortuin bevat wat kleine bomen (kers en gewone es) en een sieraanplant van een subtropisch karakter. De rest van het terrein bestaat uit bestrating en bebouwing. De bebouwing neemt het grootste oppervlak in beslag. De hoofdbebouwing bestaat uit een woonhuis met daaraan middels een tussenstuk van 2 verdiepingen hoog geschakelde bedrijfsbebouwing. Het woonhuis en een deel van de bedrijfsbebouwing bevatten een dakkap. De dakkap van het woonhuis is bekleed met geglazuurde dakpannen en die van het bedrijfsgebouw met golfplaten zonder ondersteunend dakbeschot of plafonds. Onder de golfplaten is een zolderruimte aanwezig die voor opslag in gebruik is. De ander helft van het bedrijfsgebouw is waarschijnlijk later aangebouwd en bevat evenals het aansluitend tussenstuk dat een verdieping hoger is, een plat dak. De buitengevels van dit gehele bebouwingscomplex zijn opgetrokken uit okerkleurige bakstenen. De bedrijfsbebouwing was oorspronkelijk gebouwd voor de functie van timmerwerkplaats. Ten tijde van het veldbezoek was de bebouwing in gebruik als garagebedrijf en voor opslag. Andere bebouwing op het terrein is een langwerpige lage loods die volgestouwd is met bouwmaterialen langs de gehele westrand van het terrein.
Het dak bestaat uit asbest golfplaten zonder dakbeschot of plafonds. De gevels bestaan deels uit hout en deels uit baksteen Een kleine lage loods is aan de noordrand van het terrein aanwezig tussen de hiervoor beschreven loods en
12
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
bedrijfsgebouw. Het terrein rond de genoemde bebouwing is bestraat met klinkers en betonelementen.
Tussenstuk tussen woonhuis en bedrijfsgebouw, gezien vanuit het westelijk deel van het erf.
Zicht op het plangebied vanaf de kruising Margrietstraat/Tulpstraat.
Tussenstuk tussen woonhuis en bedrijfsgebouw, gezien vanuit het oostelijk deel van het erf. Rechts bedrijfsgebouw.
Zolder van het bedrijfsgebouw.
loods langs westelijke terreingrens.
Binnenkant van loods.
13
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. De beoogde ontwikkelingen betreft de sloop van alle bestaande bebouwing en het amoveren van het spaarzame groen. De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van 4 woningen, ieder met een klein bijgebouw. Het resterende grondgebied krijgt een nieuwe groene inrichting. Het plangebied bevat geen substantiële groenstructuren, echter grenst wel aan een groenstructuur die op gemeentegrond staat en kapvergunningplichtige bomen bevat. Er zijn geen voornemen tot ingrepen aan deze groenstructuur. Echter het kan niet uitgesloten worden dat ingrepen nodig zijn aan overhangende boomkronen om de bouw mogelijk te maken.
huidige situatie
nieuwe situatie
14
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).
3.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermt voornamelijk soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud.
Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor soorten die onder de Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3). In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren.
De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel 3.10 lid 1b.
15
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring, en daarmee de bescherming van de functionele leefomgeving, niet van toepassing.
Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb
Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb
Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ontheffingsplicht Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving van de Flora- en faunawet). Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb).
In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient bij de ontheffingsaanvraag de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten:
16
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
• aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna.
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen: Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •
•
Europees beschermde gebieden (Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5.) De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Deze gebieden zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5. Nationaal/provinciaal beschermde gebieden (provinciale omgevingsverordening). Dit zijn natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vallen. Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De bescherming van deze gebieden is op provinciaal niveau geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen.
Europees beschermd gebied (Natura 2000-gebied) Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest strikte bescherming. Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen.
17
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets. Nationaal en provinciaal beschermd gebied (NNN-gebied) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn in principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. In de Interim omgevingsverordeningen van de provincie 2020 van de provincie is de doelstelling en regelgeving met betrekking tot NNN/NNB-gebied vastgelegd. Overige provinciale beschermingszones Voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied zijn door de provincie NoordBrabant de agrarische structuur en de groenblauwe structuur ingesteld.
De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen.
3.4 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.
18
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN), en bijzonder provinciale beschermingszones (Groenblauwe mantel). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in het verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; d.d.27-12-2021
Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 22-12 -2021 tussen 11.15 en 12.15 uur en uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de 2 graden C, half bewolkt, weinig wind en droog. Een weertype dat als tamelijk zonnig en fris winterweer getypeerd kan worden. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie.
Opmerking De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de plangebied en directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
19
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Ligging Het plan is omgeven door een ring Natura 200-gebieden die allen op een ruime hemelsbrede afstand die varieert 13 tot 17 km van het plangebied gelegen zijn. De dichtst nabije Natura 2000-gebied zijn de Schietvelden-noord op Belgisch/Vlaams grondgebied op 13 km zuidelijk van het plangebied en, op Nederlands grondgebied, het Ulvenhoutse Bos aan de zuidkant van Breda op ongeveer dezelfde afstand in oostelijke richting. Op iets grotere afstand van 15 km hemelsbreed zuidwestelijk ligt eveneens op Belgisch grondgebied de Kalmthoutse Heide en aansluitend daarop verder in westelijke richting op Nederlands grondgebied: de Brabantse Wal, Markiezaat en Oosterschelde. Het dichtst nabije Natura 200-gebiedgebied in noordelijke richting is het Hollands Diep op een hemelsbreed een afstand van 17 km. Overige Natura 2000-gebieden liggen op veel grotere afstanden van het plangebied. De Schietvelden-noord, Brabantse Wal en de Kalmthoutse Heide bevatten kwetsbare en stikstofgevoelige natuur van vochtige heide en zwak gebufferde vennen. Het Ulvenhoutse Bos is een Natura 2000-gebied van een relatief gering oppervlak dat bestaat uit een combinatie van vochtige en droge bossen. De vochtige beek begeleidende bossen en de iets drogere eiken-haagbeukenbossen kennen een bijzondere bosflora als gevolg van uittreding van kwalitatief hoogwaardig kwelwater.
Het Hollands Diep, Markiezaat en Oosterschelde bevat robuustere en meer kust gebonden natuur van moeras, natte graslanden en open water.
Fig.4 Ligging van het plangebied (rode stip waar de pijl naar wijst) ten opzichte van Nederlands Natura 2000 gebied (rood gearceerd) en Belgisch Natura 2000gebied (blauw gemarkeerd) Bron: Bron: Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant
Toelichting wettelijk kader Externe werking De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting, de interne werking, ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Effecten-beoordeling Oppervlak Het plangebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake.
20
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Stikstof De factor stikstofuitstoot is in dit geval de enige mogelijke factor die een externe werking op grotere afstand kan genereren. Bij ingang van de nieuwe Stikstofwet per 1 juli 2021 geldt wettelijk bij projecten en werken alleen de uitstoot die in de gebruiksfase structureel plaats vindt en niet de uitstoot die van tijdelijk aard is voor de uitvoering van een project of het werk. In dit geval als gevolg van bouw en sloopwerkzaamheden. Na de uitvoerende fase kan verwacht worden dat de nieuwbouw en de verkeersbewegingen die deze genereren een nieuwe en meer structurele bron van stikstofuitstoot is. De meest nabije Natura 2000-gebieden liggen zowel op Belgisch/Vlaams als Nederlands grondgebied. Naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van Staten in 2014 mag voor een project in Nederland voor Vlaams Natura 2000-gebied een drempelwaarde vastgesteld worden conform de Belgische/Vlaamse wetgeving.
Deze drempelwaarde 1*) zijn aanzienlijk lager dan die gesteld worden door de Nederlands overheid en sluiten daarom een overtreding van de Belgische wetgeving uit indien aangetoond kan worden dat de uitstoot beneden de Nederlandse normen blijven voor Nederlands Natura 2000-gebied dat op ongeveer dezelfde afstand van het plangebied ligt. Echter gelet op de aard en de schaal van de projectontwikkeling en afstanden tot Natura 2000gebieden ligt zowel in de uitvoerende fase en gebruiksfase een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied niet voor de hand die tot kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde drempelwaarden betekenen op basis van zowel de Belgische /Vlaamse overheid als Nederlandse overheid gestelde normen. Ter onderbouwing van deze conclusie wordt mogelijk door het bevoegde een Aeriusberekening vereist. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000 gebied die tot kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde drempelwaarden betekenen worden op basis wat betreft omvang, aard, ligging en de door de Rijksoverheid en Vlaams/Belgische overheid gestelde normen wat betreft depositiewaarden niet verwacht. Ter onderbouwing van deze conclusie met betrekking tot Nederland Natura 2000-gebied dient mogelijk een Aeriusbereking aangeleverd te worden om aan te tonen dat een en toetsing aan de Natura 2000 wetgeving niet noodzakelijk is.
1*) Bron: Atmosferische stikstofdepositie en Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen in Vlaanderen; 2015 uitgave Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
4.2.2 Provinciale beschermingszones. Ligging NNN-gebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom geïsoleerd van de meest nabije NNB-structuren. Deze liggen op ruime afstanden die varieert tussen betreft 2 -4 km hemelsbreed van het plangebied. Op 3 km zuidwestelijk liggen de Rucphense Bossen; een uitgestrekt droog bosgebied met als dominerend beheertype N16.03 Droog bos met productie. Op een afstand van rond de 4 km zuidoostelijk ligt het grote aanééngesloten NNN-gebied bestaande uit de Turfvaart/ Bijloop, de Lage Maten, Oude Buisse Heide en het landgoed de Moeren. Aan dit gebied is de status van Natte natuurparel toegekend en bevat droog en vochtig bos, natte heide en zwak gebufferde waters.
21
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Overige provinciale beschermingszones De Interim omgevingsverordening NB 2021 duidt het plangebied aan als gelegen buiten de landschappelijke structuur van de ‘Groenblauwe mantel’, ‘Attentiegebied waterhuishouding en de gebieden voor ‘Behoud en herstel van watersystemen’.
Fig.6 Ligging ten opzichte van NNN-gebied. Het plangebied ligt binnen de rode stip. Groen: NNN/NNB-gebied. Oranje en gearceerd: NNB-gebied met de status van Natte Natuurparel. Bron: Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant Bron: Interim omgevingsverordening NB.
Fig.6 Ligging ten opzichte van de groenblauwe mantel en Attentiegebied waterhuishouding. Het plangebied ligt binnen de rode stip. Verklaring: blauwe arcering: blauwgroene mantel; lichtbruine kleur: Attentiegebied waterhuishouding. Bron: Interim omgevingsverordening NB
Beleidskader Interim omgevingsverordening NB §3.2.3 artikel 3.15 en 3.16 NNN-gebied De Interim omgevingsverordening NB stelt in §3.2.3 artikel 3.16 lid 1 en 3, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. Interim omgevingsverordening NB §3.2.3 artikelen 3.26 en 3.27 Waterhuishouding In §3.2.3 artikel 3.26 en 3.27 van de Interim omgevingsverordening NB worden regels gesteld ter bescherming van de waterhuishouding binnen NNB-gebied met betrekking tot grondwerkzaamheden, aanleggen van drainagesystemen en oppervlakte verharding voor projecten gelegen binnen de daarvoor aangewezen attentiezones. Interim omgevingsverordening NB §3.2.4 art.3.32 Blauwgroene mantel Paragraaf 3.2.4 art.3.32 lid 1 en 2 van de Interim omgevingsverordening NB stelt regels binnen de Groenblauwe mantel voor versterking en bescherming van samenhangende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden. Effectenbeoordeling NNN-gebied
22
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS -gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) liggen op voldoende afstand om negatieve effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNB-gebied ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling aantasten, geheel uit te sluiten. Overige provinciale beschermingszones -Het plangebied ligt buiten de Attentiezone waterhuishouding en het zoekgebied voor Behoud en herstel van watersystemen waardoor en overtredingen van de artikelen 3.26 en 3.27 ter bescherming van de waterhuishouding binnen NNB-gebied ook uitgesloten kunnen worden. - Door de ligging van het plangebied buiten de landschappelijke provinciale beschermingszone van Groenblauwe mantel kunnen overtredingen van §3.2.4 art.3.3.2 van de Interim omgevingsverordening NB uitgesloten kunnen worden. Conclusie Door de ligging, omvang en aard van de planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot §3.2.3 artikel 3.15 en 3.16 (NNB-gebied), NB §3.23 artikel 3.26 (Attentiezone waterhuishouding) en §3.2.4 art.3.32 lid 1 en 2 van de Interim omgevingsverordening NB uitgesloten worden.
23
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten Bescherming en voorkomen Habitatrichtlijn Een viertal inheemse plantensoorten zijn strikt beschermd middels bijlage 4 van de Habitatrichtlijn. Deze vaatplanten betreffen de drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. Voor bijlage 4-soorten geldt de strikte bescherming ook buiten hun prioritair aangewezen habitatgebieden. Genoemde soorten zijn te strikt gebonden aan een hoogwaardig natuurlijk milieu van water, moerassen en vochtige heide en blauwgraslanden om buiten natuurlijk gebied te verwachten. Nationale bescherming Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel van zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd. Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn. Bronnenonderzoek en veldwaarnemingen Binnen de 1 km-straal vermelden de NDFF-gegevens geen beschermde plantensoorten.
Binnen 1 tot 5 km-straal worden een relatief groot aantal beschermde akkeronkruiden als dreps, glad biggenkruid, akkerboterbloem en akkerogentroost vermeld. Tijdens het veldbezoek werden buiten de tuin- en sieraanplant alleen wat algemene onkruiden tussen bestratingsmateriaal en dergelijke die men verwachten kan waargenomen. Effectenbeoordeling Het plangebied wordt vrijwel geheel in beslag genomen door bestrating en bebouwing en biedt daarom weinig vestigingsmogelijkheden voor planten. De kleine lapjes open bodem zijn in gebruik als siertuin of begroeit met vegetatie van een sterk verstoord type. De natuurlijke standplaatsen van de vele beschermde akkeronkruiden die voor de omgeving (binnen de 1-5 km) door de NDFF-gegevens vermeld worden, betreffen die van winter- en zomergraanakkers die nog op de traditionele extensieve wijze beheerd worden. Dit type akkerbouw is vrijwel uit het landschap verdwenen en de zeldzame akkeronkruiden vinden hooguit nog een natuurlijke standplaats al relictvegetatie in akkerreservaten. Twijfelachtig is daarom of de vele soorten die de NDFF-gegevens vermelden allen een geheel natuurlijke herkomst hebben. Waarschijnlijk betreft het veelal een afkomst uit zaadmengsels, gelet op het toenemende gebruik van zaadmengsels om bermen en akkerranden op te fleuren. Voor deze soorten van open en bewerkte bodem ontbreekt elke habitat binnen het onderzoeksgebied.
Natuurlijke en duurzame standplaatsen van beschermde plantensoorten en van andere soorten die enige botanische waarden vertegenwoordigen, kunnen geheel uitgesloten worden binnen het plangebied. Conclusie Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en groeiplekken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen uitgesloten worden.
4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Voorkomen en bescherming Habitatrichtlijn
24
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
Onder de Europese bescherming van de Habitatrichtlijn vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel bever, otter, noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. De groep van vleermuizen wordt in een apart hoofdstuk behandeld. Nationaal bescherming zonder vrijstelling Voor soorten die onder de nationale bescherming vallen gelden ruimere mogelijkheden voor ontheffing en vrijstelling dan voorgaande categorie van strikt beschermde soorten. Een verbod tot verstoring, zoals dit vastgelegd is in art.3.5 lid 4 voor zoogdiersoorten die vallen onder de Habitatrichtlijn is voor deze beschermingsgroep niet van toepassing. Dit impliceert daar de verblijfplekken alleen beschermd zijn tegen een directe fysieke aantasting en voor het functioneel leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken, geen strikte bescherming geldt. Voor een aantal zeer algemene soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling en is alleen de zorgplicht van toepassing. Deze vrijstelling geldt o.a. kleine zoogdieren als bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel en grotere dieren als ree, vos, haas en konijn.
Een bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt alleen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland en sinds 2019 ook de provincie Overijssel en Drenthe. Deze soorten komen vrij algemeen voor en zijn moeilijk vast te stellen. Voor alle soorten uit deze middelzware beschermingsregiem, al of niet vrijgesteld, geldt de zorgplicht. Dit impliceert dat onnodig doden of schade te berokkenen niet is toegestaan. Bronnenonderzoek en waarnemingen Bronnenonderzoek De NDFF-gegeven vermelden binnen de 0-5 km-straal buiten vleermuizen geen Habitatrichtlijnsoorten. Pas binnen de 5-10 km-straal worden de bever en otter vermeld. Uit het middelzware beschermingsregiem van andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt vermelden de NDFF-gegevens alleen de eekhoorn binnen de 1 km-straal. Binnen de 1-5 km-straal wordt de boommarter, steenmarter en bunzing vermeldt. Waarnemingen Er werden tijdens het veldbezoek geen waarnemingen van zoogdieren gedaan.
Effectenbeoordeling Habitatrichtlijn Uitgezonderd van vleermuizen ligt het plangebied in het algemeen te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van soorten waarvoor het strikte beschermingsregime van de Habitatrichtlijn geldt om deze te verwachten Andere soorten Op basis van de verspreidingsgegevens, habitatgebruik en landschapskenmerken kunnen met enige kans binnen de omgeving van het plangebied eekhoorn, steenmarter en kleine marterachtigen als bunzing en wezel verwacht worden uit de middelzware beschermingscategorie van ‘Andere soorten’ waarvoor geen vrijstelling geldt. Het plangebied toont een grote ongeschikt om verblijfplekken van genoemde soorten te verwachten. Weliswaar kan de eekhoorn vanuit zijn optimale habitatgebieden die in een bosrijkere omgeving liggen dan waarbinnen het plangebied ligt, over het stedelijke gebied uitzwerven en het aangrenzend plantsoen met zijn hoge bomen op een incidentele wijze bezoeken. Echter de kans hierop is klein en op basis van het veldonderzoek kunnen verblijfplekken in de naburige bomen en ander groen waar de voorgenomen ingrepen van invloed op kan zijn zijn, geheel uitgesloten worden. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten.
De steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. Kleine marterachtigen leiden een
25
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
meer verborgen leven en zijn daarom moeilijker op te sporen tijdens een eenmalig veldbezoek. Deze zullen de dicht bebouwde en gecontroleerde verstedelijkte omgeving van het plangebied vermijden en meer de stadsranden opzoeken waar nog kleinschalige natuurlijke elementen aanwezig zijn. De bebouwing binnen het plangebied is te intensief en te gecontroleerd in gebruik om marterachtigen, en zeker steenmarter, ongestoorde schuilgelegenheid te bieden. Althans deze zal al snel opgemerkt worden. Verblijfplekken kunnen vrijwel uitgesloten worden. Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen de bebouwde omgeving in het algemeen een aantal kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Echter deze vinden binnen de begrenzing van het plangebied ook weinig ongestoorde verblijfsmogelijkheden en beschutting. Voor de egel ontbreekt beschuttend groen en deze zal zijn toevlucht nemen tot het aangrenzende plantsoen waar de bodembedekkende lage sieraanplant goede schuilgelegenheid en overwinteringsmogelijkheden biedt. Voor genoemde soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen bij het aantreffen daarvan.
Voor de bosmuis en huisspitsmuis geldt deze zorgplicht niet bij het aantreffen van in bebouwing. Conclusie Negatieve effecten op verblijfplekken van beschermde landgebonden zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden ten gevolge van de voorgenomen niet verwacht, noch aantasting van beschermd functioneel leefgebied voor de instandhouding van jaarrond beschermde verblijfplekken. Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt, als huisspitsmuis, egel, veldmuis en bosmuis, kunnen nooit geheel uitgesloten worden. Voor deze soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen.
4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Bescherming en voorkomen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd.
Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.
Bronnenonderzoek en geschiktheid De NDFF-gegevens melden binnen de 1 km-straal vrij veel vleermuissoorten. Naast de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis worden soorten van een bosrijker landschap dan rond het plangebied aanwezig is vermeld, zoals als gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en de zeldzame bosvleermuis. De laatvlieger is een soort die binnen het stedelijk gebied verblijft maar foerageert langs bosranden en open terrein in parken, stadsranden en in het buitengebied. De
26
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Margrietstraat 34 te St. Willebrord
vermelde waarnemingen zijn waarschijnlijk gedaan ter hoogte van de bosrijke stadsranden op ongeveer 0,5 km westelijk van het plangebied. Op basis van omgevingskenmerken worden binnen de directe omgeving vooral soorten die veel in stedelijk gebied foerageren verwacht. De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt en vrijwel zeker ook binnen of nabij het plangebied zal foerageren. De meeste waarnemingen hebben betrekking op deze soort. Rosse vleermuis en laatvlieger worden voornamelijk doortrekkend verwacht. De gewone grootoorvleermuis wordt geheel niet in de directe omgeving van het plangebied verwacht. Waarneming Het onderzoek vond plaats op een tijd van de dag en een tijd van het jaar waarop vleermuizen niet actief zijn. Tijdens het veldbezoek kon daarom alleen onderzoek gedaan naar verblijvende vleermuizen, verblijfssporen, verblijfsmogelijkheden en naar de algehele gebiedsgeschiktheid voor vleermuizen. Er werden geen verblijvende vleermuizen geconstateerd, noch verblijfssporen. Toelichting Tijdens de veldbezoeken wordt onderzoek gedaan naar verblijfplekken, verblijfssporen en verblijfsmogelijkheden in en aan bebouwing en bomen.
Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen in het algemeen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In bomen kan verblijf gevonden in holtes, gaten en diepe spleten en achter loshangende schors. Tijdens inspecties op zicht worden zelden verblijvende vleermuizen aangetroffen. Ook sporen die wijzen op vleermuizenverblijf zijn meestal schaars. De verblijfplekken worden meestal ontdekt op basis van het gedrag van vleermuizen na het verlaten van de verblijfplek. Hiervoor is uitgebreider onderzoek nodig tijdens de uren dat vleermuizen actief zijn.
Effectenbeoordeling Verblijfplekken De bebouwing die voor sloop in aanmerking komt is onderzocht op verblijfsmogelijkheden en daarvoor als weinig geschikt beoordeeld. De woning is van buitenaf niet toegankelijk voor vleermuizen en worden te intensief bewoond om vleermuizen ongestoord vleermuizen verblijf te bieden. Aan de buitenkant zijn aanvliegbare overhangende randpannen aanwezig, echter die sluiten te strak op de muur aan om toegang tot onder de dakpannen te bieden. Ook de bekisting rond de dakgoot en andere gevelbetimmering sluit over het algemeen te strak op de muren om vleermuis toegankelijke verblijfsmogelijkheden te bieden. De loodsen en stenen schuur tonen een geringe geschikt door hun intensief bedrijfsmatig gebruik en inrichting. De dakbekleding onder de zolderruimte van de garagewerkplaats en van de loodsen bestaat uit golfplaten zonder ondersteunend en beschuttend dakbeschot en plafonds. Ook de bomen in het aangrenzend plantsoen zijn onderzocht op spechtenholen, rottingsholen en andere zaken die vleermuizen verblijf kunnen bieden. Deze werden niet geconstateerd. Verblijfplekken binnen het plangebied of binnen de invloedsfeer daarvan kunnen vrijwel uitgesloten worden. Leefgebied Het plangebied toont binnen zijn grenzen een inrichting die geheel ongeschikt is als foerageergebied van vleermuizen.