CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

16c. Bestemmingsplan 'Kom St. Willebrord Margrietstraat 34 te St. Willebrord' - toelichting

gemeenteraad 20 juni 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Kom St. Willebrord, Margrietstraat 34 te St. Willebrord'20.956 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Toekomstvisie Puur Rucphen 2030

In de toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030', vastgesteld op 23 september 2015, worden de maatschappelijke opgaven van de gemeente voor de komende jaren benoemd. De toekomstvisie bouwt voort op bestaand beleid en is geen aanleiding geweest tot een inhoudelijke koerswijziging. Wel zijn de perspectieven op deelterreinen en de onderlinge dwarsverbanden verder versterkt, zodat de inzet van de gemeente effectiever kan zijn. De toekomstvisie is opgesteld in intensieve samenspraak met bewoners, ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Radicaal anders wordt de rol van de overheid en de invulling van regionale samenwerking: van burgerparticipatie naar overheidsparticipatie, en van samenwerking omdat 't moet, naar samenwerking omdat 't loont. De inhoudelijke en bestuurlijke keuzes zijn uitgewerkt in de volgende perspectieven: ▪ Aantrekkelijk wonen; ▪ Vrijetijdseconomie; ▪ Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen; ▪ Overheidsparticipatie; ▪ Regionale samenwerking. De gemeente Rucphen wil haar aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag rustig en landelijk willen wonen, maar wel dichtbij (groot)stedelijke voorzieningen en werk. De gemeente Rucphen handelt vanuit de overtuiging dat de meeste inwoners goed in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun huidige en toekomstige woon- en leefsituatie. Meegroeien met de samenleving is het uitgangspunt.

Zelf bouwen zit in de genen van de inwoners van de gemeente. (Collectief) particulier opdrachtgeverschap wordt dan ook gestimuleerd. Aandachtspunten bij (zelf)realisatie zijn groene inpassing, duurzaamheid (isolatie/energie) en levensloopbestendigheid. Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de bouw van woningen waardoor vooral keuze 1 van belang is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van drie woningen en betreft een particulier initiatief. Dit past binnen het uitgangspunt om mee te groeien met de samenleving en het stimuleren van particulier opdrachtgeverschap. Voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de kaders van de toekomstvisie Puur Rucphen 2030. 4.4.2

Structuurvisie Rucphen 2030

De gemeenteraad van Rucphen heeft bij besluit van 11 december 2013 de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ vastgesteld. In de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen. De visie gaat over de leefruimte van het gehele grondgebied van Rucphen. De structuurvisie is het richtinggevende ruimtelijke relevante afwegingskader. De Structuurvisie bestaat uit twee delen: 1. Deel A, de beleidsvisie, bevat onze voornemens en ambities met betrekking op de toekomstige ruimte van Rucphen. 2. De projecten en de haalbaarheid ervan worden behandeld in deel B: het projectenplan. De visie heeft een looptijd tot 2030. Het projectenplan wordt regelmatig geactualiseerd. Uit figuur 12 blijkt dat het plangebied ligt in ‘Versterken uitstraling dorpskernen’. Om de woonkwaliteit en de recreatieve aantrekkelijkheid van de gemeente te vergroten is versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk. De grote kernen zijn stenig en hebben hun relatie met het buitengebied verloren. Het Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 29 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

gemeentelijk beleid is gericht op herstel van deze relatie. In het groenstructuurplan is aangegeven hoe: landschappelijke dooradering van de dorpen, een groen dorpshart en groene dorpsranden. Rode initiatieven worden hieraan getoetst en moeten daaraan bijdragen. De vier twee-onder-een kapwoningen worden gerealiseerd op de inbreidingslocatie Margrietstraat 34. Dit initiatief draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woonkern St. Willebrord en het versterken van de leefbaarheid. De ontwikkeling past binnen de kaders van de toekomstvisie zoals beschreven in de Structuurvisie Rucphen 2030.

Figuur 13: Uitsnede Structuurvisie Rucphen 2020

4.4.3

Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024

De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Belangrijke uitdagingen zijn er zoals op het gebied van betaalbaarheid van woonlasten voor starters, het uitgangspunt van langer thuis blijven wonen door ouderen, verduurzaming van de woningvoorraad en de toewijzing van passende sociale huisvesting voor onze inwoners. Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. De Woningwet 2015 gaat er van uit dat tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties zogenaamde prestatieafspraken gemaakt worden, die gebaseerd zijn op een actuele gemeentelijke woonvisie. Hiermee is de noodzaak van een actuele eigentijdse woonvisie helder, waarbij het de uitdaging blijft om binnen de wet- en regelgeving te blijven zoeken naar lokale optimalisatie van visie en ambities. Traditioneel is de woonvisie een belangrijk instrument in de woningbouwopgave voor de gemeente. Dat geldt zeker ook voor deze woonvisie. Echter wordt in deze woonvisie naast het perspectief van het bouwen tevens het perspectief van het wonen belicht. Daarmee heeft deze woonvisie zich ontwikkeld tot een brede WOONvisie voor de periode 2020-2024.

In de gemeentelijke Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid/ doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Deze vertaalslag zorgt ervoor dat de Woonvisie 2020-2024 het woonkompas bij uitstek is, gebaseerd op onder andere de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 en de Structuurvisie Rucphen 2030. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen.

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 30 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het aantal inwoners van de gemeente Rucphen groeit nog beperkt verder, met een ontgroening aan de onderkant en een sterke vergrijzing aan de bovenzijde. Met name door de afname van de gemiddelde woningbezetting, is er dus een behoefte om het aantal woningen uit te breiden. Door de sterke vergrijzing zal een groot deel van de toe te voegen woningen wel levensloopbestendig moeten worden gerealiseerd. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor met name starterswoningen, om starters/jongeren kansen te bieden in de dorpen binnen de gemeente Rucphen. In de woonvisie wordt er van uitgegaan dat voor de komende 5 jaar een behoefte bestaat aan 500 nieuwe woningen. Achterblijvende nieuwbouw in de afgelopen jaren door de economische crisis en momenteel juist een verhitte koopmarkt leiden tot een behoefte aan 50-100 nieuwbouwwoningen per jaar. Benadrukt wordt een behoefte aan goedkope en middeldure koopwoningen tot € 300.000,-. De te realiseren 500 nieuwbouwwoningen van 2020-2024 in de gemeente Rucphen zijn gedifferentieerd naar kern en naar woningtype. Dit zijn de ambities per kern, vraag en aanbod bepalen uiteindelijk de concrete invulling per kern. Voor de kern St. Willebrord is de woningbouwambitie gesteld op in totaal 130 woningen.

Figuur 104: woningbouwambitie voor St. Willebrord

De nieuwe woningen zijn geschikt voor doorstromers, waardoor er weer nieuwe starterswoningen vrijkomen. Met onderhavig initiatief wordt voorzien in vier twee-onder-een kapwoningen, passend binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in St. Willebrord. 4.4.4

Groenbeleidsplan Groen R, 2022

De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaatadaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal. Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang.

Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstructuurplan gemeente Rucphen 2009). Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen. Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn: ▪ Groen en identiteit; ▪ Groen en natuur; Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 31 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ ▪ ▪

Groen en de gezondheid; Groen en klimaatadaptatie; Groen en de CO2 opgave; Groen en de landbouw.

In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daar van te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren. De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn. Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente. Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten. Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen.

Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier. ▪ Principe 1 We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen; ▪ Principe 2 We zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven; ▪ Principe 3 De gemeente wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; ▪ Principe 4 Aan groen werken we samen. De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. De planlocatie ontsluit aan de Margrietstraat. Ten oosten van de planlocatie is een strook basis groenstructuur gelegen. Daarnaast is de Tulpstraat aangemerkt als nevenstructuur bomen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel in de omgeving gelegen groenstructuren. Het groenstructuurplan heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom.

Figuur 11: Groenstructuurkaart kern Sint Willebrord, Groenbeleidsplan Groen R

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 32 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.4.5

Groene Kaart

De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt.

Figuur 15: Uitsnede Groene Kaart

Volgens de uitsnede van de Groene Kaart, weergegeven in figuur 15 zijn er geen relevante waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde in of in de directe nabijheid van het plangebied. De voorwaarden die zijn opgesteld in het Visiedocument Groenbeleid vormen daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.4.6

Waterplan Rucphen, visie en maatregelen

De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de verschillende waterthema’s die spelen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wateropgave. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de gemeente Rucphen in 2050. De drie hoofdthema’s zijn de waterstructuur, water in de omgeving en waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. Het plangebied is niet gelegen binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor het plangebied.

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 33 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.4.7

Nota uiterlijk van bouwwerken

De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. 4.4.8

Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030

De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Duurzaam ondernemen is een van de ambities binnen de visie. De gemeente is samenwerking met bedrijven een platform Duurzaamheid aan het ontwikkelen ter bevordering van duurzaam ondernemen.

Hierbij liggen bijvoorbeeld kansen om op grote bedrijfsdaken zonnepanelen te plaatsen. Voor duurzaam bouwen is de ambitie om bestaande bedrijfsgebouwen aan Energielabel B te laten voldoen. Een duurzame samenleving heeft hoge natuurwaarden en een goede waterkwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. Circulaire economie In 2014 heeft de gemeente Rucphen het Convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant ondertekend. In het convenant is aangegeven wat de deelnemende gemeenten belangrijk vinden. Voor het verduurzamen van de nieuwe woningbouw, de bestaande woningvoorraad, bestaande utiliteitsgebouwen en het gemeentelijk vastgoed, moeten, in samenspraak met de partners, uitvoeringsprogramma’s worden opgesteld en mogelijk ook kaders worden vastgesteld om de uitvoering van concrete activiteiten te bevorderen.

Deze concrete activiteiten hebben grotendeels te maken met isoleren en duurzame energieopwekking, maar ook het gebruik maken van duurzame materialen en het onderwerp circulaire economie zijn hierbij van belang. De toenemende schaarste van grondstoffen en het belang van een duurzame samenleving vraagt om een circulaire benadering van grondstoffen. Het ultieme doel is dat er helemaal geen sprake meer is van afval, maar dat al het afval opnieuw als grondstof wordt ingezet. Dit wordt ook wel circulaire economie genoemd. Hooguit blijft een restfractie over waar geen betere toepassing voor is dan verbranding ten behoeve van energieopwekking. De gemeente heeft het doel gesteld van een afvalscheiding van 75% in 2024 met als ultieme doel een afvalloze samenleving. Voor de korte termijn streeft de gemeente het doel na van 100 kg restafval per inwoner in 2024. Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 34 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Beoordeling In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m² openbaar groen per nieuwe woning. Dit uitgangspunt is niet één op één toe te passen bij (kleinschalige) stedelijke inbreidingslocaties. Per plan wordt bekeken hoe aan de doelstelling invulling gegeven kan worden. Op de planlocatie is aan de oostzijde ruimte om invulling te geven aan de 75 m² groen per woning. Hier wordt een groene rand gerealiseerd, waardoor een begin wordt gemaakt met de groene dooradering op de hoek van de Margrietstraat en de Tulpstraat. Met de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw vindt tevens een plaatselijke kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte plaats.

Figuur 17: Ontwerp nieuwe situatie Margrietstraat 34

De planlocatie Margrietstraat 34 is getoetst aan de ambities die beschreven zijn in de Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen. Het wijzigen van de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ naar ‘Wonen’ heeft positieve gevolgen op het gebied van duurzaamheid. Het onderhavig bestemmingsplan laat overigens geen nieuwe ontwikkelingen toe die binnen de bestemming ‘Bedrijf’ vallen. Het verkeer met bedrijfsmatige doeleinden neemt daarom af rondom de planlocatie. De ontwikkeling op de planlocatie voldoet aan de ambitie om de CO²uitstoot door het verkeer te verminderen. Daarnaast is duurzaamheid het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouw woningen op de locatie Margrietstraat 34. De woningen dienen te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), daarnaast worden de nieuw te realiseren woningen gasloos uitgevoerd. Tijdens de verdere uitwerking van het ontwerp van de woningen wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk gebruiken van duurzame bouwmaterialen. De ontwikkeling op de planlocatie heeft ook te maken met de ambities Groen en Water. In de huidige situatie bestaat de planlocatie bijna geheel uit verhard oppervlak. In het voorliggend bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van vier twee-onder-een kapwoningen met tuin aanwezig is mogelijk gemaakt.

Er is in de nieuwe situatie sprake van een verkleining van het verhard oppervlak wat zorgt voor een betere waterinfiltratie en minder hittestress. Voor de groencompensatie op de planlocatie is gekozen voor een maatwerkoplossing. Aan de oostzijde van de planlocatie wordt groen ontwikkeld door de gemeente. Voor de woningen wordt groen ontwikkeld door de initiatiefnemer. Op deze maatwerkoplossing het college een positief advies gegeven in het

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 35 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

kader van de Visie Duurzaamheid. De ontwikkeling op de planlocatie voldoet aan de ambitie om wateroverlast bij hevige, langdurige regenval te beperken.

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 36 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Relevante (Milieu)aspecten

Algemeen

De planlocatie is gelegen in de kern van St. Willebrord, aan de Margrietstraat. Het voornemen is om met het bouwplan het oprichten van maximaal vier twee-onder-een-kap woningen mogelijk te maken. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op de planlocatie uiteengezet. 5.2

Cultuurhistorie en archeologie

5.2.1

Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 37 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 18) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, welke van provinciaal cultuurhistorisch belang is.

Figuur 18: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (Provincie Noord-Brabant)

Cultuurhistorische landschappen Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De West-Brabantse Venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in Oost-Brabant waren hier geen beeklopen, waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-Brabantse veen weggeslagen. Grote delen van de resterende venen zijn door de mens afgegraven en ontgonnen. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 38 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het onderhavig plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. Historische geografie De Margrietstraat is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. Het betreft hier herkenbare en relatief gave elementen van het historisch landschap. De lijnen zijn representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de aanwezige structuren er vinden geen wijzigingen plaats die van invloed kunnen zijn op de historische geografie van de Margrietstraat. De ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied. 5.2.2

Archeologie

Gemeentelijk beleid Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Op de archeologische waarden‐ en verwachtingskaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. In figuur 19 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in een archeologisch waardevol gebied met een hoge archeologische verwachting (waardevol gebied 2).

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 39 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 19: Uitsnede Archeologische beleidskaart Rucphen

Op de archeologische waarden‐ en verwachtingskaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. In figuur 19 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat de planlocatie is gelegen in de gebieden: ▪ Archeologisch waardevol gebied 2: historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen van jager-verzamelaars; Archeologisch waardevol gebied 2: Verwachtingswaarde archeologie – hoog Deze beleidscategorie omvat de categorie ‘hoge archeologische verwachting’ van de archeologische verwachtingskaart. Het betreft historische kernen met naar verwachting een hoge dichtheid aan archeologische sporen. De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing: ▪ oppervlakte plangebied tot 100 vierkante meter; ▪ diepte bodemingreep tot 50 centimeter onder maaiveld. Archeologisch onderzoek Op 4 maart 2022 is door Transect b.v. een rapportage uitgebracht over het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek welke in februari 2022 is uitgevoerd. Het volledige rapport is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan de afzonderlijke bijlagen. Op basis van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting voor het plangebied naar laag worden bijgesteld.

De natuurlijke ondergrond in het plangebied bestaat uit dekzand, waarin geen sporen van bodemvorming zijn waargenomen. Abrupt op het dekzand is een moderne verstoringslaag aanwezig, waarin veel gele zandbrokken aanwezig zijn. De aanwezigheid van zandbrokken wijst erop dat de top van de Chorizont is omgewerkt en opgenomen in het verstoringspakket. Op basis hiervan en de NAP-waarden van de top van het dekzand wordt ingeschat dat in het plangebied verstoringen van circa 50 tot 120 cm van de top van het dekzand aanwezig zijn. Het archeologisch relevante niveau is hiermee reeds verdwenen. De verstoringen zijn vermoedelijk veroorzaakt door diverse bouw- en sloopwerkzaamheden in het gebied tussen 1880 en het heden. Advies Op basis van het vooronderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting. Wij adviseren daarom om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag (in deze de gemeente Rucphen). Bovenstaande vormt een advies.

Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Rucphen) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 40 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.3

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is op 21 februari 2022 (rapportnummer 2410.94.221.r1) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Onderstaand zijn in het kort de belangrijkste onderzoeksresultaten beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 2). Conclusie: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen.

Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. - In bovengrondmengmonster M01 is een licht verhoogd gehalte aan kwik aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. - In bovengrondmengmonster M02 is een matig verhoogd gehalte aan zink aangetroffen; evenals licht verhoogde gehalten aan cadmium en lood. De nader onderzoekswaarde voor zink wordt overschreden. - In ondergrondmengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In grondwatermonster GW01 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Aanvullend onderzoek: Naar aanleiding van het matig verhoogde gehalte aan zink in bovengrondmengmonster M02 zijn de vier grondmonsters uit dit mengmonster separaat onderzocht op zink. Hierbij zijn in de bovengrond ter plaatse van de boringen 5, 6 en 8 licht verhoogde gehalten aan zink aangetroffen. In de bovengrond ter plaatse van boring 9 is geen verhoogd gehalte aan zink aangetroffen. Mogelijk is in het analyseproces een verstoring opgetreden, waardoor het zink gehalte tijdens de eerste meting verhoogd is aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese heterogeen ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de grond overschrijden de nader onderzoekswaarden (na uitsplitsing) echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht.

De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. 5.4

Water

5.4.1

Beleid waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 41 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Figuur 20: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 42 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 21: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta

5.4.2

Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen

De planlocatie is gelegen buiten een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloedsgebied. Daarnaast zijn er geen waterlopen (van categorie A of B) en/of waterpartijen in de directe nabijheid aanwezig. 5.4.3

Riolering en infiltratie

Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de geprojecteerde bebouwing op de planlocatie geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties waarbij de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Het totale plangebied van de Margrietstraat 34 omvat een oppervlakte van circa 1.443 m². Op de locatie worden maximaal drie woningen toegevoegd.

Momenteel is de planlocatie bijna volledig verhard. Een groot gedeelte van het perceel zal in gebruik genomen worden als tuin bij de te realiseren woningen. De toename van de verharding bedraagt hierdoor niet meer dan 500 m². Het is daarom niet nodig om te voorzien in een extra voorziening voor infiltratie- of retentie. 5.4.4

Watertoets

Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 43 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. 5.5

Ecologie

5.5.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.5.2

Gebiedsbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland / EHS. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied liggen op een afstand van 15 km. Het betreft de gebieden Ulvenhoutse Bos, Hollands Diep en Brabantse Wal. Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Daarnaast heeft het Rijk de Handreiking ‘Woningbouw en Aerius’ van het Rijk opgesteld. In deze handreiking is opgenomen dat een woningbouwplan tot 50 grondgebonden woningen op minimaal 7 kilometer afstand van Natura 2000 gebieden resulteert in een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar.

De woningbouw op de planlocatie blijft ver onder deze grens, er kan dus geconcludeerd worden dat er geen stikstofdepositie bijdrage op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden door het realiseren van het bouwplan zal plaatst vinden. Daarnaast worden er geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen. Een toetsing aan het NNN/NNB-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. De planlocatie is niet gelegen binnen de Groenblauwe mantel. Op basis van de aard van de voorgenomen ingreep en planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot de Groenblauwe mantel uitgesloten worden. 5.5.3

Beschermde soorten

Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten mogelijk in het plangebied worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is op 5 januari 2022 (rapportnummer: 2112-1) een ecologische quickscan uitgevoerd. Het onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd. Soortgroep van vaatplanten Wnb §3.2 en §3.3 Het plangebied toont een inrichting die geheel ongeschikt is om beschermde plantensoorten te verwachten. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en groeiplekken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen geheel uitgesloten worden. Soortgroep van soorten die beschermd zijn middels de Vogelrichtlijn Wnb §3.1

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 44 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Negatieve effecten op broedvogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn worden niet verwacht. Indien onverwachts toch een broedgeval bij aanvang van de werkzaamheden of tijdens de uitvoering daarvan wordt vastgesteld, dient het broedseizoen in acht wordt genomen (zie hoofdstuk 6 van de ecologische quickscan). Soortgroep van soorten die beschermd zijn middels de Vogelrichtlijn Wnb §3.1 Binnen het plangebied en de invloedsfeer daarvan worden op basis van het veldbezoek geen negatieve effecten verwacht op jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen en leefgebied van vogels die wettelijk als strikt beschermd worden aangemerkt. Soortgroep van beschermde zoogdiersoorten(vleermuizen) Wnb §3.2 Verblijfplekken van vleermuizen binnen het plangebied en invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling worden niet verwacht en daarmee geen negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen. Op basis van inrichting wordt het plangebied momenteel van geen betekenis geacht binnen het leefgebied van vleermuizen.

Soortgroep van beschermde zoogdieren (grondgebonden) Wnb §3.2 Op basis van inrichting en ligging ten opzichte van de bekende habitatgebieden kunnen negatieve effecten die tot verstoring, beschadiging of vernietiging van verblijfplekken van strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten tot gevolg hebben, uitgesloten worden; noch kan er sprake zijn van aantasting van beschermd functioneel leefgebied voor de instandhouding van verblijfplekken. Soortgroep van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten Wnb §3.3 Negatieve effecten op verblijfplekken van grondgebonden zoogdiersoorten waarvoor het middelzware beschermingsregiem (‘andere soorten’) zonder vrijstelling geldt worden binnen de invloedsfeer van de ingrepen niet verwacht. Om een overtreding te voorkomen dient bij het aantreffen van soorten waarvoor een vrijstelling geldt de zorgplicht in acht worden genomen (zie bijlage 5 en hoofdstuk 6 van de ecologische quickscan). Soortgroepen van reptielen, amfibieën en vissen Wnb §3.2 Het plangebied toont een inrichting en ligging ten opzichte van de bekende habitatgebieden waardoor negatieve effecten ten gevolge van de voorgenomen herontwikkeling op voortplantingsplekken en functioneel leefgebied van strikt beschermde reptielen, amfibieën en vissen geheel uitgesloten kunnen worden.

Soortgroepen van reptielen, amfibieën en vissen Wnb § §3.3 Het plangebied toont een inrichting waardoor negatieve effecten op de voortplantingsplekken en -biotoop van middelzwaar beschermde reptielen, amfibieën en vissen waarvoor geen vrijstelling geldt geheel uitgesloten kunnen worden. Wel dient bij het aantreffen van een aantal beschermde amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt de zorgplicht in acht worden genomen indien deze aangetroffen worden. Soortgroepen van ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, slakken en kreeften) Wnb §3.2 en §3.3 Het plangebied vertoont een inrichting die geheel ongeschikt is om beschermde soorten uit deze categorieën te verwachten. Bomenkap Wnb §4 In het kader van de ontwikkeling worden binnen de kadastrale begrenzing van het plangebied geen bomen of houtopstanden geamoveerd die kapvergunningsplichtig zijn of beschermd zijn middels Wnb §4 art 4. Conclusie - Als de voorzorgsmaatregelen die in hoofdstuk 6 van de ecologische quickscan vermeldt in acht worden genomen, wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht. - Overtredingen van de regelgeving van de Interim omgevingsverordening NB met betrekking tot de gebiedsbescherming zijn niet aan de orde. 5.6

Wegverkeerslawaai

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 45 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten; woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging.

Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de geluidsbelasting van de aan het plangebied gelegen wegen onderzocht door middel van een akoestisch onderzoek. De geluidsbelasting van deze wegen zal worden berekend op de nieuwbouw en worden getoetst aan (kwalitatieve) eisen voor een goede ruimtelijke ordening. Op 4 maart 2022 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek (rapport: VL.2189.R01) uitgevoerd. Beoordeling akoestisch woon- en leefklimaat De berekende geluidbelasting vanwege de niet geluidgezoneerde Margrietstraat, Tulpstraat en Leeuwerikstraat samen bedraagt op de gevels van de nieuwbouwwoningen ten hoogste 48 dB, inclusief 5 dB aftrek. Daarmee wordt overal voldaan aan de richtwaarde van 48 dB in lijn met de Wgh voor een goed akoestisch woon- en leefklimaat.

Omdat de richtwaarde niet wordt overschreden is blootstelling aan geluid van deze 30 km/u wegen vanuit akoestisch oogpunt niet relevant voor het woon- en leefklimaat bij deze nieuwbouw. Onderzoek naar geluidreducerende maatregelen is daarom niet noodzakelijk. Voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening, wordt de geluidbelasting vanwege deze drie 30 km/u wegen zonder aftrek art. 110g Wgh als uitgangspunt genomen. De berekende geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 33 – 53 dB. Het akoestisch woon- en leefklimaat volgens de Kwaliteitsmaat in tabel 2.2 dient daarmee bij de nieuwbouw als ‘zeer goed’ aan de achterzijde tot ‘redelijk’ aan de voorzijde van de woningen te worden beoordeeld. De geluidbelasting zonder aftrek kan tevens als uitgangspunt dienen voor het berekenen van de benodigde geluidwering van de uitwendige gevelconstructie om ook in de nieuwe woning een goed akoestisch woon- en leefklimaat te waarborgen. Gezien het feit dat de geluidbelasting bij de planlocatie overal 53 dB of lager bedraagt, kunnen alle gevelzijden van de nieuwbouw zondermeer als geluidluw worden beschouwd.

Gelet op de ligging van de wegen ten opzichte van de nieuwbouw in combinatie met de afscherming van omliggende bebouwing, kan zondermeer worden aangenomen dat ook de buitenruimte aan de (noordelijke) achterzijde van de nieuwbouw als geluidluw te beschouwen is.

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 46 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Gelet op bovenstaande kwalificering in relatie tot de stedelijke ligging van de planlocatie en de aanwezigheid van geluidluwe gevels aan alle zijden van de woningen en een geluidluwe buitenruimte aan de achterzijde van de nieuwbouw, kan het akoestisch woon- en leefklimaat als zeer aanvaardbaar worden aangemerkt. Er is in onderhavige situatie dus sprake van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit akoestisch oogpunt is er geen belemmering voor de realisatie van het nieuwbouwplan. Bouwbesluit Aangezien de Wet geluidhinder op de nieuwbouw in onderhavige situatie niet van toepassing is, dient de uitwendige gevelconstructie vanuit het Bouwbesluit alleen te voldoen aan de minimum vereiste geluidwering van 20 dB. Omdat de geluidbelasting zonder aftrek niet meer dan 53 dB bedraagt, kan in onderhavige situatie met toepassing van deze minimaal vereiste geluidwering zondermeer een goed woonmilieu in de nieuwbouwwoningen gewaarborgd worden (53 dB – 20 dB geluidwering = 33 dB binnenwaarde). Daarom wordt een (bouwakoestisch) onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie niet noodzakelijk geacht, maar dit is uiteindelijk ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie. 5.7

Bedrijven en milieuzonering

5.7.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. Het planlocatie Margrietstraat is in de kern van St. Willebrord gelegen.

In de directe omgeving van de planlocatie komt hoofdzakelijk de functie ‘wonen’ voor. Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het om een rustige woonwijk gaat. 5.7.2

Milieuzones

Alle bedrijven in een straal van 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie. Tabel 5: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘rustige woonwijk’ Afstand in meters Richtafstand bouwvlak tot bouwvlak

GEVAAR

Milieu cat.

GELUID

omschrijving

STOF

adres

GEUR

bedrijf

Detailhandel

Margrietstraat 40

Detailhandel voor zover n.e.g.

1

0

0

10

0

16 meter

Bedrijf

Leliestraat 16

Bedrijf categorie 2

2

10

0

30

10

38 meter

Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 47 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Horeca

Leeuwenbekstraat 7a

Restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Detailhandel voor zover n.e.g.

1

10

0

10

10

61 meter

Detailhandel

Margrietstraat 15

1

0

0

10

0

85 meter

Detailhandel

Margrietstraat 17A

Detailhandel voor zover n.e.g.

1

0

0

10

0

100 meter

Garagebedrijf

Kaaistraat 46

Handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

2

10

0

30

10

175 meter

De planlocatie ligt niet binnen de milieuzonering van een in de omgeving gevestigd bedrijf. Bestaande omliggende, en eventueel toekomstige bedrijven worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling. 5.7.3

Geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.

Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woningbouw voor maximaal vier twee-onder-een kapwoningen aan de Margrietstraat 34 kan gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie.

De gemeente Rucphen kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Rucphen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De planlocatie Margrietstraat 34, is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 3 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 3 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023

Pagina 48 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De nieuwe woningen aan de Margrietstraat 34 kunnen gezien worden als een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van februari 2021 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12849370/1