14c Ruimtelijke onderbouwing incl. bijlagen d.d. 19-04-2023 1
Tekst van het document
P 22/44
aanwezig en er worden geen relevante groenstructuren gekapt. Conform de situatietekening zoals opgenomen in paragraaf 2.3 wordt met onderhavig initiatief voorzien in groenvoorzieningen, waarmee richting de omgeving ten opzichte van de huidige situatie een groenere uitstraling van het besluitgebied is gewaarborgd. De ontwikkeling heeft voorts geen invloed op in de omgeving gelegen groenstructuren. Het onderhavige initiatief betreft immers slechts een wijziging op perceelsniveau. Aan het Groenstructuurplan wordt in paragraaf 3.4.6 nader getoetst. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de Groen R groenbeleid van de gemeente Rucphen. 3.4.5 Visiedocument Groenbeleid Rucphen en Groene Kaart, 2008 Toetsingskader Het ‘Visiedocument Groenbeleid Rucphen’ beschrijft de waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan.
Ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedssfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen.
Uitsnede Groene Kaart Schijf met planlocatie met rode contour aangeduid.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 23/44
Beoordeling Uit de Groene Kaart blijkt dat binnen het besluitgebied geen houtopstanden aanwezig zijn. In de huidige situatie is het aangrenzende lijnvormige groenelement in de praktijk niet meer aanwezig. Met het planvoornemen worden geen relevante groenstructuren gekapt. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de Groene Kaart. Conform de situatietekening (paragraaf 2.3) wordt met onderhavig initiatief voorzien in groenvoorzieningen, waarmee ook richting de omgeving ten opzichte van de huidige situatie een groenere uitstraling van de planlocatie is gewaarborgd. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de Groene Kaart. Er zijn vanuit het visiedocument groenbeleid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.4.6 Groenstructuurplan Rucphen Toetsingskader Met het Groenstructuurplan Gemeente Rucphen ‘Landschap onthuld' zet de gemeente een beleidslijn uit voor de toekomst van het groen in de vijf kernen. Door de relatie met het landschap buiten de bebouwde kom te herstellen en meer variatie te bieden op wijkniveau wordt een duurzaam ‘frame’ aangelegd met een lange levensduur. Door groenstructuren te ontwikkelen die gerelateerd en ontleend zijn aan en geïnspireerd zijn op de ontstaansgeschiedenis, het omliggende landschap, de stedenbouwkundige opbouw en de verkeer- en ontsluitingsstructuur houden de dorpskernen hun ‘eigen’ verhaal overeind.
Beoordeling Op de Groenstructuurkaart is de Sint Antoniusstraat te Schijf aangemerkt als 'Maken landelijke dooradering kernen'. De grootste uitdaging en winstkans tot het verankeren van een sterke en herkenbare groenstructuur ligt in de landschappelijke dooradering. De landelijke lanen die de kernen onderling verbinden en de gemeente verbinden met andere gemeenten vormen als het ware de basis voor de gemeentelijke groenstructuur. De verbindingswegen kennen meestal een rijke cultuurhistorie en leiden langs de meest relevante historische plekken en gebouwen. Bomenlanen die nu vaak eindigen bij het binnenkomen van de bebouwde kom zetten we zover mogelijk door tot in het centrum van het dorp. Deze lanen vormen tevens de dorpsentrees en de wegen die door bewoners en bezoekers het meest worden gebruikt worden. Daar waar de wijken meer tuinachtig mogen ingericht zorgt een robuuste en herkenbare landschappelijke dooradering voor een groene dorpse sfeer en landschappelijke beleving. Het onderhavige initiatief betreft slechts een wijziging op perceelsniveau. Gezien binnen het besluitgebied in de huidige situatie geen sprake is van groenstructuren, wordt met de toevoeging van bomen conform de situatietekening en een groene aankleding van de dakterrassen, een bijdrage geleverd aan de ambitie om te komen tot een landelijke dooradering van de kernen.
De situering van de Sint Antoniusstraat blijft verder ongewijzigd waardoor mogelijkheden ten aanzien van verdere lokale groenambities niet worden belemmerd. Conclusie Onderhavig initiatief is passend binnen het Groenstructuurplan van de gemeente Rucphen.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 24/44
3.4.7 Nota uiterlijk van bouwwerken Toetsingskader De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Beoordeling en conclusie Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. 3.4.8 Visie Duurzaamheid 2019-2030 en beleidsregel groennorm Toetsingskader De gemeente Rucphen heeft de 'Visie Duurzaamheid 2019-2030' vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving.
De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. Om maatwerk toe te kunnen passen is de ‘Beleidsregel groennorm gemeente Rucphen’ opgesteld. Dit als nadere uitwerking van de ambitie uit de Visie duurzaamheid 2019-2030. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst aan deze nieuwe beleidsregel. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. Beoordeling en conclusie In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m2 openbaar groen per nieuwe woning. Dit uitgangspunt is niet één op één toe te passen bij (kleinschalige) stedelijke inbreidingslocaties. Per plan wordt bekeken hoe aan de doelstelling invulling gegeven kan worden. Aangezien hier sprake is van toevoeging van woningen binnen een bestaand bouwperceel, aan een bestaande weg en in het bestaande lint is er geen ruimte om invulling te geven aan de 75 m 2 groen per woning.
Wel wordt met de toevoeging van bomen conform de ontwerptekening (paragraaf 2.3) en een groene aankleding van de dakterrassen de groene dooradering van de Sint Antoniusstraat doorgetrokken. Daarmee is ter plaatse tot een maatwerkoplossing gekomen, indachtig de Visie Duurzaamheid. Gezien de volledige verharding van het perceel in de huidige situatie, vindt concluderend met de nieuwbouw een plaatselijke kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte plaats.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 25/44
4
Planologisch relevante (milieu)aspecten
4.1
Inleiding
Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Volgens artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit, zoals het verlenen van een omgevingsvergunning, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de uitkomsten van dit onderzoek worden neergelegd in een toelichting bij dit besluit. Ten behoeve van onderhavig project heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal planologische- en milieuaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. 4.2
Bodem
Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling In verband met de voorgenomen herontwikkeling is door Moerdijk Bodemsanering B.V. in augustus 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Sint Antoniusstraat 32 te Schijf. Rapportage hiervan is als bijlage 1 gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Het doel van een verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie is de werkwijze conform de NEN 5725 (vooronderzoek) en de NEN 5740 (uitvoering verkennend onderzoek) gehanteerd. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) is gebleken dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden ten aanzien van bodemverontreiniging. Op basis van de veld- en analyseresultaten dient de tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie formeel gezien verworpen te worden. De verhoging in het grondwater is echter zeer gering en kan als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 26/44
Conclusie De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit vormt geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers. 4.3
Waterhuishouding
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.
Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Met het Waterbeheerprogramma 2022–2027 bepaalt Brabantse Delta de doelstellingen en strategie. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050). Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Die kerntaken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Het besluitgebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta.
De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de waterparagraaf zijn uitgevoerd, of voor zover; b. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; c. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; d. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. e. de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 27/44
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Uitsnede van de Keurkaart Beschermde Gebieden van het waterschap Brabantse Delta waarop het besluitgebied is aangeduid met een gele ster. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2022. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 De gemeente Rucphen heeft samen met het Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 opgesteld. De term verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Hierbij is er voor de gemeente sprake van drie zorgplichten: a. zorgplicht voor inzameling en transport stedelijk afvalwater; b. zorgplicht voor afvloeiend hemelwater; c. zorgplicht voorkomen structureel nadelige gevolgen van grondwater. De gemeente dient zorg te dragen voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. De uitvoering van werkzaamheden wordt
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 28/44
intern integraal afgestemd en bij voorkeur gecombineerd met wegbeheer en reconstructie van de openbare ruimte zodat kosteneffectief 'werk-met-werk' gemaakt kan worden. Voorgesteld wordt om te kiezen voor risicogestuurd rioolbeheer. Hiermee kan naar verwachting voldoende invulling worden gegeven aan de gemeentelijke zorgplicht en kan de stijging van de rioolheffing op een aanvaardbaar niveau worden gehouden, conform de ambities van de betrokken overheidsinstanties. Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat het besluitgebied niet gelegen is binnen een beschermd gebied. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het besluitgebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied. De percelen van het besluitgebied beslaan een totale oppervlakte van circa 700 m 2. De beoogde appartementen zijn voorzien op gronden die momenteel volledig bebouwd en verhard zijn. De verhardingstoename ten gevolge van de herontwikkeling binnen het besluitgebied conform onderhavig planvoornemen bedraagt derhalve 0 m 2.
Op basis van de eisen van waterschap Brabantse Delta behoeft in dat geval niet te worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een retentievoorziening. Hoewel geen sprake is van een bergingseis vanuit het waterschap, wordt bij de inrichting van het terrein door middel van het toevoegen van groen (zie ontwerptekening in paragraaf 2.3), rekening gehouden met de kans op wateroverlast vanwege een versteende omgeving. In zijn algemeenheid is voor de waterhuishouding in nieuwe projecten de realisatie van een duurzaam gescheiden systeem uitgangspunt. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op (niet vervuilde) terreinverhardingen, zoveel als mogelijk apart dient te worden ingezameld en dat alleen het vervuilde afvalwater via het bestaande riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die getransporteerd wordt naar de rioolzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen. Voor onderhavig project wordt het schone hemelwater zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze afgevoerd. Het toekomstig vuilwater kan worden aangeboden aan de bestaande gemeentelijke riolering.
In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de beleidskaders ten aanzien van waterhuishouding en dat de waterhuishouding binnen het besluitgebied wordt gerespecteerd. 4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 29/44
voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beoordeling Het besluitgebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.
In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. Het besluitgebied is gelegen aan de Sint Antoniusstraat, in het kader van historische geografie een lijn van 'redelijk hoge waarde'. De voorgenomen plannen doen echter geen afbreuk aan deze waarde. Ter hoogte van het besluitgebied is reeds sprake van bebouwing. Door deze bebouwing te continueren, blijft het straatbeeld op eenzelfde wijze begeleid. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het besluitgebied met relevantie voor onderhavige ontwikkeling.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 30/44
Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het besluitgebied.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart. Het besluitgebied is geduid met een gele ster. Bron: Provincie Noord-Brabant, 2022.
4.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 31/44
door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Om het aspect archeologie goed mee te wegen in een gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en verschillende archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart. Beoordeling Op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen liggen de gronden van onderhavig besluitgebied binnen een gebied gekenmerkt door historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten en een hoge archeologische verwachting. Op deze gronden is op basis van het vigerende bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming (Waarde – Archeologie 3) toegekend mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden ter plaatse. Voor gronden binnen dit gebied geldt een onderzoeksplicht bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m 2 en een diepte van 50 cm.
De voorgenomen ingrepen in het besluitgebied zullen deze grenzen overschrijden. Om die reden is hier sprake van een archeologische onderzoeksplicht. Derhalve is in augustus 2022 door Transect een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het besluitgebied aan de Sint Antoniusstraat 32 te Schijf. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). Rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een terrasafzettingswelving afgedekt door een dekzandwelving aan de rand van de historische kern van Schijf ligt. Voor de top van het dekzand geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode LaatPaleolithicum – Late Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen is een esdek opgebracht die een dikte heeft van minimaal 50 cm, gebaseerd op de kartering van hoge zwarte enkeerdgronden in het plangebied. Voor de Nieuwe Tijd geldt een lage archeologische verwachting aangezien er geen bebouwing zichtbaar is op historische kaarten. Sporen van landgebruik uit de Nieuwe Tijd kunnen wel worden verwacht. De bouw van de huidige bebouwing en de aanleg van nutsvoorzieningen hebben geleid tot een verstoring van de ondergrond van het plangebied tot dieptes van 80-120 cm -Mv.
Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat het plangebied inderdaad ter plaatse van een dekzandwelving ligt. In boring 1 is een BC-horizont aanwezig in de top van het dekzand op een diepte van 35 cm -Mv (13,6 m +NAP), in de overige boringen is echter tot in de C-horizont sprake van een modern verstorings- of ophoogpakket met rood puin, industrieel wit aardewerk en draadnagels. Dit reikt tot een diepte van 45-95 cm -Mv (12,7-13,4 m +NAP), ter plaatse van de bestaande bebouwing reikt dit tot een diepte van 80-120 cm -Mv. Hierdoor is sprake van een sterk versnipperd en aangetast archeologisch relevant niveau en is sprake van een lager verwachting op de aanwezigheid van intacte archeologische resten uit alle periodes. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Rucphen). De rapportage van het archeologisch vooronderzoek is beoordeeld door de regio-archeoloog van de RWB. Uit de beoordeling volgt dat het advies betreffende het selectiebesluit is om in te stemmen met het advies van Transect
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 32/44
archeologie om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is voor het plangebied namelijk vastgesteld dat de voor archeologie relevante bodemlagen zijn verstoord. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische waarden is daarom klein. Geadviseerd wordt om de Archeologische Monumentenzorg af te ronden en het plangebied vrij te geven voor de geplande bouwactiviteiten. De dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ in het bestemmingsplan kan voor het plangebied verwijderd worden. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig voornemen. Geadviseerd wordt om het besluitgebied vrij te geven voor de geplande bouwactiviteiten. 4.6
Ecologie
4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld', gelegen op Belgisch grondgebied op circa 8,5 kilometer afstand tot het besluitgebied. Op Nederlands grondgebied is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied de ‘Brabantse Wal' op een afstand van circa 12 kilometer.
Natura 2000gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het besluitgebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden zullen optreden bij de realisatie van het project. Wel dient een berekening te worden gemaakt voor het plan betreffende de stikstofdepositie. Op het aspect stikstof wordt in navolgende paragraaf ingegaan. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich op circa 400 meter diverse ecologische verbindingszones in de vorm van Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen gebieden/landschapselementen. De aard en omvang van de voorgenomen ingreep in het plangebied kan redelijkerwijs tijdelijk worden genoemd en daarmee geen negatief blijvend effect veroorzaken ten aanzien van het op afstand aanwezige NNN/NNB-gebieden. Op basis van de door Veldbiologische Werken uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming, als bijlage 3 gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing, wordt geconcludeerd dat de voorgenomen plannen niet leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden en/of Natuurnetwerk Nederland / Natuurnetwerk Brabant (NNBgebieden).
Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 33/44
4.6.2 Stikstof Toetsingskader Het besluitgebied is gelegen op circa 8,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied op Belgisch grondgebied ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld'. Op Nederlands grondgebied is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied de ‘Brabantse Wal' op een afstand van circa 12 kilometer. Dit betreffen gebieden die beschermd zijn krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling In januari 2023 is door De Roever Omgevingsadvies voor onderhavige ontwikkeling een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4.
Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.
Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In juli/augustus 2022 is door Veldbiologische Werken een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Rapportage hiervan is als bijlage 3 gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden niet wetsovertredend kunnen zijn. Voor alle soortgroepen valt het redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt ten aanzien van de Wet natuurbescherming dan wel de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven voorwaarden. Er zijn geen strikte
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 34/44
tegenstrijdigheden geconstateerd tussen realisatie van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. In algemene zin dient de Zorgplicht in acht te worden genomen. Indien een soort die niet in de rapportage wordt genoemd op het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake deskundige en een maatregel toe te passen zodat de wet niet wordt overtreden. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.7
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, bestemmingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art. 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Aantal rijstroken
Stedelijk Buitenstedelijk Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer 3 of 4
350 m 350 m
600 m 400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het besluitgebied is niet gelegen binnen een akoestisch relevante onderzoekszone in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ wordt het uitvoeren van akoestisch onderzoek echter wel noodzakelijk geacht door het bevoegd gezag, gelet op de ligging binnen de invloedssfeer
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 35/44
van enkele wegen in de 30 km/uur-zone en de aanwezigheid van klinkerverharding aan de Sint Antoniusstraat. Aan de hand van dit onderzoek kan eveneens getoetst worden of voldaan wordt aan de geluidseisen van het Bouwbesluit of dat aanvullende gevelmaatregelen benodigd zijn. In juli 2022 is door De Roever Omgevingsadvies derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 5 gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 57 dB bedraagt ter plaatse van de voorgevel van het gebouw (begane grond en 1e verdieping). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 57 – 33 = 24 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels dient te worden gedaan. De geluidniveaus ter plaatse van de gewenste appartementen variëren van 36 tot 57 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Geconcludeerd kan worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.8
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-brochure onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het besluitgebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als gemengd gebied: in de directe omgeving komen naast woningen ook bedrijvigheid, horeca, dienstverlening en detailhandelsfuncties voor. Richtafstanden kunnen derhalve met één afstandstrap worden verlaagd. Onderhavige ontwikkeling is gericht op het realiseren van woningen, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd.
Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van deze functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De beoogde appartementen bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijvigheid. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Inrichting
Locatie
Max. Milieucategorie
Richtwaarde VNG (gemengd gebied)
Afstand tot besluitgebied
Detailhandel
Sint Antoniusstraat 36
1
0 meter
10 meter
Bedrijf
Sint Antoniusstraat 35
2
10 meter
15 meter
Bedrijf
Sint Antoniusstraat 23
2
10 meter
20 meter
Detailhandel
Sint Antoniusstraat 21
1
0 meter
30 meter
Bedrijf
Sint Antoniusstraat 41
3.1
30 meter
35 meter
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 36/44
Dienstverlening
Sint Antoniusstraat 21
1
0 meter
40 meter
Horeca
Sint Antoniusstraat 40-42
1
0 meter
40 meter
In bovenstaande tabel is gemeten vanaf de grens van het besluitgebied tot de grens van de hindergevende bestemming. Relevante bedrijvigheid vindt doorgaans op nog grotere afstand plaats. Uit de tabel is af te lezen dat voor alle omliggende bedrijvigheid aan de richtafstanden kan worden voldaan. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen is daarmee gewaarborgd. Omgekeerd betekent dit ook dat onderhavige ontwikkeling omliggende bedrijven niet in hun bedrijvigheid belemmert. Bovendien geldt dat de bestaande tussenliggende woonbestemmingen maatgevend zijn voor omliggende hindergevende bestemmingen. Conclusie Binnen het besluitgebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. 4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Specifiek voor LPG-tankstations is tevens de 'circulaire effectafstanden LPG-tankstations' relevant. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPGtankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).
In de circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat besluitgebied niet is gelegen binnen de contouren of het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het tankstation aan de Sint Antoniusstraat 23 betreft overigens een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg. Hierbij is geen sprake van een Bevi-inrichting en dient enkel voldaan te worden aan een risico-contour van 20 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan waardoor geen sprake van een belemmering ten aanzien van onderhavig plan. Voor het overige zijn er geen andere relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het besluitgebied. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het besluitgebied. Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 37/44
4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het besluitgebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd.
Hieruit blijkt dat het besluitgebied is gelegen op een afstand van circa 6 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de risicokaart geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen vaste veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de A58 tot het besluitgebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord.
dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te beoordelen of er in de directe omgeving van het besluitgebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk aardgasleiding is gelegen op een afstand van circa 900 meter tot het besluitgebied. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het besluitgebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 38/44
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg • 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling • 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg • 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 39/44
Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 8 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Rucphenseweg op een afstand van circa 1,8 kilometer. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatse van het besluitgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Uitsnede luchtkwaliteitskaart. Met de gele ster is globaal het besluitgebied geduid. Bron: nsl-monitoring.nl, 2022.
Tot slot blijkt uit hoofdstuk 2 dat het aantal verkeersbewegingen binnen het besluitgebied als gevolg van onderhavig planvoornemen zal afnemen. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het besluitgebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het besluitgebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant in verband met onderhoud, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 40/44
a. b. c. d. e.
hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.
Beoordeling Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3.
Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a.
de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
datum referentie
19 april 2023 220493_AdB_RO_0001_v2.0
P 41/44
Beoordeling Met het onderhavige planvoornemen is er sprake van de nieuwbouw van woningen. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op de realisatie van acht woningen (netto toevoeging van zeven woningen). Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.