14c. Bestemmingsplan 'Kom St. Willebrord Margrietstraat 34 te St. Willebrord' - toelichting
Tekst van het document
Toelichting
bestemmingsplan “Kom St. Willebrord, Margrietstraat 34 te St. Willebrord” Planstatus: Datum: Plan identificatie:
ontwerp 2023-04-04 NL.IMRO.0840.2584K0040-ON01
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Colofon
Titel:
Bestemmingsplan “Kom St. Willebrord Margrietstraat 34 te St. Willebord”
Ontwerp: Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Projectnummer:
212280
Rapportnummer
212280.01
Datum:
4 april 2023
Status:
ontwerp
Ontwerp:
p.m.
Definitief:
--
Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 2 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Toelichting Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 3 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding & doel .................................................................................................................................. 6 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ......................................................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................................... 7 1.4 Planvorm................................................................................................................................................ 7 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 8 Hoofdstuk 2 De huidige situatie ................................................................................................................. 9 2.1 Beschrijving plangebied ......................................................................................................................... 9 2.2 Ruimtelijke structuur ...........................................................................................................................
10 2.3 Functionele structuur .......................................................................................................................... 11 2.4 Verkeer ................................................................................................................................................ 12 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie ............................................................................................................ 14 3.1 Ruimtelijke structuur ........................................................................................................................... 14 3.2 Functionele structuur .......................................................................................................................... 14 3.3 Stedenbouwkundige verantwoording ................................................................................................. 16 3.5 Bouwplan ............................................................................................................................................. 17 Hoofdstuk 4 Beleidskader......................................................................................................................... 18 4.1 Algemeen .............................................................................................................................................
18 4.2 Europees- en Rijksbeleid ..................................................................................................................... 18 4.3 Provinciaal beleid ................................................................................................................................ 21 4.4 Gemeentelijk beleid............................................................................................................................. 29 Hoofdstuk 5 Relevante (Milieu)aspecten .................................................................................................. 37 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 37 5.2 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................................ 37 5.3 Bodem ................................................................................................................................................. 41 5.4 Water ................................................................................................................................................... 41 5.5 Ecologie ...............................................................................................................................................
44 5.6 Wegverkeerslawaai ............................................................................................................................. 45 5.7 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 47 5.8 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 50 5.9 Externe Veiligheid ................................................................................................................................ 51 5.10 Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 53 5.11 Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................................ 53 Hoofdstuk 6 Juridische aspecten .............................................................................................................. 55 6.1 Inleiding ............................................................................................................................................... 55 6.2 Algemene toelichting verbeelding .......................................................................................................
55 6.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................ 55 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 58 7.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 58 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 58
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 4 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Afzonderlijke bijlagen: 1. Archeologisch onderzoek, 2. Verkennend bodemonderzoek, Moerdijk Bodemsanering B.V., rapportnummer 2410.94.221.r1, 21 februari 2022 3. Ecologische quickscan, Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, rapportnummer 2112-1, 5 januari 2022 4. Akoestisch onderzoek, Kraaij Akoestisch Adviesbureau, rapportnummer VL.2189.R01, 4 maart 2022 5. Parkeeronderzoek, Groen Licht Verkeersadviezen, projectnummer Adv/SO,01-22, juni 2022 6. Standaardadvies Brandweer 2021 7. Standaard Verantwoording Groepsrisico 8. Omgevingsdialoog
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 5 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding & doel
Het initiatief is om op de locatie aan de Margrietstraat 34 te St. Willebrord vier twee-onder-een-kap woningen te realiseren. Momenteel heeft het perceel de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is één woning aanwezig, welke in de beoogde situatie zal worden herbouwd. Het stedenbouwkundig verkavelingsplan voorziet in de realisatie van vier twee-onder-een-kap woningen met bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen. Door de toevoeging van deze drie woningen kan invulling gegeven worden aan de actuele vraag naar woningen in de kern van St. Willebrord. Het bovenstaande initiatief draagt bij aan de gestelde doelstellingen omtrent het behoud van de leefbaarheid in de dorpskernen. De vigerende bestemmingsplannen ‘Kom St. Willebrord’ en ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’ staan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling niet toe. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
De planlocatie is gelegen ten zuiden van de kern van St. Willebrord. St. Willebrord maakt onderdeel uit van de gemeente Rucphen. De gemeente Rucphen is gelegen in de provincie Noord-Brabant. De planlocatie is gelegen aan de Margrietstraat 34. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente RPN, sectie D, nummer 6095 en 6096.
Figuur 1: Topografische kaart met daarop de planlocatie
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 6 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 2: Luchtfoto planlocatie Margrietstraat 34
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De planlocatie ligt in het ‘Bestemmingsplan Kom St. Willebrord’. Op 27 september 2012 is het bestemmingsplan vastgesteld. Daarnaast vigeert het ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’. Dit parapluplan is op 13 december 2017 vastgesteld en ziet toe op twee onderwerpen, namelijk op het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid en het herstellen van het overgangsrecht. Op dit moment is de gemeente bezig met het vernieuwde bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’. Het ontwerp bestemmingsplan lag ter inzage van 23 juni tot en met 4 augustus 2022. Het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’ de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ met bijbehorende bouwvlakken en de bestemming ‘Tuin’. Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met daarbij de gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 2’. Over het plangebied liggen daarnaast de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone - 3’ en ‘vrijwaringszone – obstakelbeheerzone’. Ter plaatse van het bouwvlak van de bestemming ‘Wonen’ zijn de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ en de maatvoeringaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 10m; maximum goothoogte: 6m’ opgenomen. Ter plaatse van het bouwvlak van de bestemming ‘Bedrijf’ is de maatvoeringaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 6m; maximum goothoogte 3m’ opgenomen. Binnen de bestemmingen is het niet mogelijk om vier wooneenheden op te richten.
Voorliggend bouwplan is dan ook strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien. 1.4
Planvorm
Het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Margrietstraat 34 te St. Willebrord’ is vervat in een verbeelding, regels en gaat vergezeld met een toelichting. Verbeelding Op de verbeelding, met het nummer NL.IMRO.0840.2584K0040-ON01, zijn onder meer de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven met bijbehorende verklaringen, het zogenaamde renvooi. De
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 7 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
verbeelding legt de verbinding tussen de bestemmingen die op de kaart aanwezig zijn aangegeven en de regels. De kaart is getekend op schaal 1:500. Regels De regels bevatten juridische regeling betreffende het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden die in het plan zijn inbegrepen. De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgang- en slotregels. De regels worden conform landelijke richtlijnen SVBP2012 en IMRO2012 toegepast en het gemeentelijk handboek. Toelichting In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichtte onderzoeken opgenomen. Daarnaast dient een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg, deel uitmaken van de toelichting. 1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de omschrijving van het project. De toekomstige situatie wordt in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 van de onderbouwing wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor de ontwikkeling van de planlocatie relevant is. De relevante (milieu)aspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van geluid, bodemgesteldheid, milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en ecologie beschreven. In hoofdstuk 6 komen de juridische aspecten aan bod. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid beschreven.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 8 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving plangebied
2.1.1
Algemeen
De huidige situatie
De planlocatie is gelegen in de gemeente Rucphen, een landelijke gemeente in het westen van de provincie Noord-Brabant. De gemeente bestaat uit de kernen Rucphen, Sprundel, Schijf, St. Willebrord en Zegge. Binnen de gemeente Rucphen zijn er verschillen in het ruimtelijk structuurbeeld aanwezig; iedere dorpskern heeft zijn eigen karakter. 2.1.2
Ontstaansgeschiedenis
De geschiedenis van de dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot 1125. Het gebied tussen de Rucphense Achterhoek, de Sprundelse Luienhoek, de Ettense Hoge Donk en de Hoevense Heul werd aangeduid als 't Heike. In 1292 werd het oostelijk deel van het gebied door de Heer van Breda uitgegeven ter vervening. Na de beëindiging van de turfwinning omstreeks 1500 werden de vrijkomende gronden benut voor de landbouw. De slechtere gronden raakten begroeid met gagelstruweel en heide. Pas in 1636 werd melding gemaakt van een zekere bewoonde kern op 't Heike, waar geleidelijk meer mensen kwamen te wonen. In 1841 werd de nederzetting met circa 500 inwoners een zelfstandige parochie met de naam St. Willebrord en werd deze afgesplitst van Sprundel. Toen vervolgens de kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op tot een echt dorp. Na 1940 is St. Willebrord uitgegroeid tot het grootste kerkdorp in de gemeente Rucphen.
Figuur 3: Uitsnede historische kaart 1890 – 1899
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 9 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 4: Omgeving planlocatie Margrietstraat
2.2
Ruimtelijke structuur
2.2.1
Bebouwingsstructuur
In St. Willebrord bestaat er een duidelijke relatie tussen het landschap en het occupatiepatroon. Van oorsprong is de kern St. Willebrord een lintvormige nederzetting. St. Willebrord ontwikkelde zich langs de Dorpsstraat, een oude verbindingsweg. Na de bouw van de kerk in de tweede helft van de 19e eeuw, ontwikkelde het dorp zich rondom de kerk en het kerkhof. De kerk en het kerkhof, met zijn dominante boombeplanting en bijbehorend park, zijn mede door hun hogere ligging vanuit de omgeving duidelijk aanwezig en bepalen voor een belangrijke mate de identiteit van het dorp. De bebouwing langs de Dorpsstraat is het meest karakteristieke element in de ruimtelijke opbouw van St. Willebrord.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 10 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 5: Bebouwingstructuur rondom de planlocatie Margrietstraat
2.3
Functionele structuur
2.3.1
Wonen
In de omgeving van de planlocatie komt overwegend de functie wonen voor. Over het algemeen bestaat de omgeving van de planlocatie uit eengezinswoningen. Op de functiekaart (figuur 6) is met geel aangegeven, waar de functie wonen aanwezig is. 2.3.2
Detailhandel en horeca
In de omgeving zijn diverse functies zoals horecagelegenheden en detailhandel aanwezig. Deze functies zijn verspreid gevestigd rondom de planlocatie. Met oranje is de functie horeca/detailhandel aangegeven (figuur 6).
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 11 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 6: Functiekaart omgeving planlocatie
2.3.3
Bedrijven en kantoren
In de omgeving van het plangebied zijn verspreid enkele bedrijven gevestigd. De positie (figuur 6) van de bedrijven is met paars aangegeven. De bedrijven binnen de kern bestaan uit kleinschalige bedrijven met milieucategorie 1 en 2. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen zelfstandige kantoren aanwezig. 2.3.4
Maatschappelijke voorzieningen
In de omgeving van de planlocatie zijn geen maatschappelijke voorzieningen gevestigd, deze zijn in het centrum van St. Willebrord gevestigd. Daar bevinden zich onder andere een Rooms-katholieke kerk en twee basisscholen. 2.3.5
Sport en recreatie
Rondom de directe omgeving van de planlocatie zijn geen sport- en recreatieve voorzieningen aanwezig. Deze zijn elders in St. Willebrord gevestigd. 2.4
Verkeer
2.4.1
Verkeerstructuur
Het plangebied is gelegen in de dorpskern van Sint Willebrord. Het plangebied is gelegen aan de Margrietstraat. De Margrietstraat is een erftoegangsweg welke hoofdzakelijk dient voor bestemmingsverkeer en welke via de Kaaistraat en de Bremstraat zijn aansluiting vindt op de Poppestraat. De Poppestraat verbindt het dorp met de snelweg A58. 2.4.2
Parkeren
In de kern St. Willebrord vindt het parkeren, zowel plaats op eigen terrein als aan de openbare weg. Aan de Margrietstraat wordt er op eigen terrein geparkeerd. Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 12 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
2.4.3
Openbaar vervoer
In St. Willebrord bevindt zich één bushalte, aan de Noorderstraat. Vanaf hier rijdt lijn 312 richting Roosendaal en Breda.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 13 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 3 3.1
Ruimtelijke structuur
3.1.1
Bebouwingsstructuur
Toekomstige situatie
De planlocatie Margrietstraat ligt in de kern St. Willebrord. Het voornemen is om vier twee-onder-een-kap woningen te realiseren. De planlocatie is gelegen in het bestaand stedelijk gebied.
Figuur 7: Verkaveling Margrietstraat
3.1.2
Groenstructuur
In de huidige situatie bestaat de groenstructuur enkel uit tuin- en erfbeplanting. Door de beoogde ontwikkeling wordt op de planlocatie per woning tuin- en erfbeplanting aangebracht. Daarnaast wordt er een strook openbaar groen aangelegd. 3.2
Functionele structuur
3.2.1
Algemeen
Het initiatief op de planlocatie Margrietstraat bestaat uit het oprichten van maximaal vier twee-onder-een-kap woningen. In de bestaande situatie heeft de planlocatie de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’. De planlocatie Margrietstraat krijgt voor het grootste gedeelte de bestemming ‘Wonen’, hierbij worden bouwvlakken met de bouwaanduidingen ‘twee-aaneen’ toegevoegd. De rest van de planlocatie krijgt de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Groen’.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 14 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3.2.2
Verkeer en parkeren
Verkeer Grenzend aan de planlocatie is een bestaande verkeersstructuur aanwezig, de te realiseren planontwikkeling sluit aan op de Margrietstraat. Parkeren De gemeente Rucphen hanteert de Nota Parkeernormen Rucphen voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid. In de nota is per functie uitgegaan van de maximale norm van het CROW. De indeling naar prijzen van woningen heeft een onderverdeling van goedkoop, midden en duur. Ten aanzien van het parkeren worden de parkeernormen gehanteerd die gelden voor een ‘overige bebouwde kom’, waarbij de gemeente Rucphen gebruik maakt van haar eigen parkeernorm die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW. Onderstaand de parkeernorm uit de nota parkeernormen van de gemeente Rucphen. Tabel 1: Parkeernormen, Nota Parkeernormen Rucphen Parkeren naar stedelijkheidsgraad: overige bebouwde kom Min. Koop, huis, vrijstaand 2.3 per woning Koop, huis, twee-onder-een-kap 2.2 per woning Koop, huis, tussen/hoek 2 per woning Huur, huis, sociale huur 1.6 per woning
Aandeel bezoekers 0.3 pp per woning (zit in de norm) 0.3 pp per woning (zit in de norm) 0.3 pp per woning (zit in de norm) 0.3 pp per woning (zit in de norm)
Tabel 2: Berekening benodigde bruto aantal parkeerplaatsen Berekening aantal bruto benodigde parkeerplaatsen naar aanleiding van de uitgangspunten Aantal Norm Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Totaal
0 4 0
0 8.8 0
4
8.8 9
Tabel 3: Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen Theoretisch Berekeningsaantal aantal Enkele oprit zonder garage 1 0.8 Lange oprit zonder garage of 2 1.0 carport Dubbele oprit zonder garage 2 1.7 Garage zonder oprit (bij 1 0.4 woning) Garagebox (niet bij woning) 1 0.5 Garage met enkele oprit 2 1.0 Garage met lange oprit 3 1.3 Garage met dubbele oprit 3 1.8 Privé parkeerterreinen of 1 1 -garages Parkeerplaatsen in openbare 1 1 ruimte Tabel 4: Aanwezige parkeervoorzieningen t.b.v. Margrietstraat Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen Theoretisch Berekeningsaantal aantal Enkele oprit zonder garage 0 0.8 Lange oprit zonder garage of 0 1.0 carport Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Opmerkingen Min. 5 meter diep Min. 10 meter diep 4.5 meter breed
Min. 5 meter diep Min. 10 meter diep 4.5 meter breed
Totaal 0 0
Pagina 15 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Dubbele oprit zonder garage Garage zonder oprit (bij woning) Garagebox (niet bij woning) Garage met enkele oprit Garage met lange oprit Garage met dubbele oprit Privé parkeerterreinen of -garages Parkeerplaatsen in openbare ruimte
4 0
1.7 0.4
6.8 0
0 0 0 0 0
0.5 1.0 1.3 1.8 1
0 0 0 0 0
0
1
0 Totaal
6.8 7
Binnen het plangebied worden vier twee-onder-een kapwoningen gerealiseerd. Voor dit type woning geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woningen. Derhalve dienen er in totaal 4 x 2,2 = 8,8 (afgerond 9) parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Er zijn 4 dubbele opritten zonder garage aanwezig binnen het plangebied. Op basis van de tabel ‘Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen’ zijn er 4 x 1,7 = 6,8 (afgerond 7) parkeerplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Op basis van het voorliggende plan kan geconcludeerd worden dat er twee parkeerplaatsen te weinig aanwezig zijn. Om te kunnen onderbouwen dat in de omgeving van de planlocatie in de parkeerbehoefte kan voorzien worden, is een parkeeronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in juni 2022. Het volledige onderzoek met kenmerk Adv/SO/01/22 is toegevoegd aan de afzonderlijke bijlagen. Uit het onderzoek komt naar voren dat tijdens de zaterdagavond (19:00- 20:00 uur) de hoogste parkeerdruk wordt gemeten in het onderzoeksgebied. De zaterdagavond wordt derhalve als maatgevend moment aangemerkt. Het volgende valt op: - Op het drukste moment in het onderzoeksgebied rond Margrietstraat 34, bedraagt de parkeerdruk 45% (incl. foutparkeerders en bijzondere plaatsen). - Op dat moment zijn er in het onderzoeksgebied nog 124 parkeerplaatsen onbezet (waaronder 1 gehandicaptenplaats).
- Uitgaande van een maximale toegestane parkeerdruk van 85% bedraagt de restcapaciteit 89 parkeerplaatsen. Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de parkeerdruk in de omgeving van de Margrietstraat maximaal 45% is. Hierdoor is er voldoende ruimte om de twee parkeerplaatsen die er te weinig zijn op de planlocatie naar parkeerplaatsen in de omgeving te verwijzen. 3.3
Stedenbouwkundige verantwoording
3.3.1
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Het doel van het stedenbouwkundig ontwerp is het inpassen op bestaande gebouwde omgeving. Om dit te bewerkstelligen dient een aantal ruimtelijke uitgangspunten gehanteerd te worden: ▪ inpassen in de huidige ruimtelijke structuur; ▪ behouden van het dorpskarakter; ▪ overgang tussen de kern en het buitengebied; ▪ het creëren van voldoende privacy d.m.v. achtertuin bij eengezinswoning; ▪ bouw- en goothoogte dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing; ▪ de woningen dienen goed bereikbaar te zijn voor brandweer e.d.; ▪ voldoende parkeergelegenheid; ▪ een goed woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 16 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3.3.2
Woningtypologieën
De bouwhoogte van de grondgebonden woningen sluit aan op de bestaande bouw- en goothoogte van de omgeving. 3.4
Bouwplan
De beoogde ontwikkeling, het oprichten van vier twee-onder-een kapwoningen, sluit aan op de bestaande bebouwingsstructuur van de Margrietstraat. De kavels sluiten aan op het bestaand stedelijk gebied. De hoogte van het gebouw (10 meter) zal aansluiten bij de bebouwing in de omgeving bestaande uit twee bouwlagen met een kap. In figuur 8 wordt een impressie weergegeven van het plan.
Figuur 8: Sfeerimpressie toekomstige bebouwing
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 17 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Algemeen
Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de planlocatie Margrietstraat opgenomen. 4.2
Europees- en Rijksbeleid
4.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. Op de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor de planlocatie. 4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten, die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Op de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequenties voor de planlocatie.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 18 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.2.3
Nota Wonen
De Nota Wonen: Wonen in de 21e eeuw is opgezet onder het motto "de burger centraal”. Daarbij wordt veel aandacht besteed aan de individualisering van de samenleving. De nota gaat uit van: meer keuzevrijheid voor burgers, aandacht voor maatschappelijke waarden en een betrokken overheid bij beheerste marktwerking. Het gaat om het principe van prestatie en tegenprestatie die als basis dient voor transacties tussen de partijen. Dit wil niet zeggen dat er geen wetgeving meer noodzakelijk is. 4.2.4
Nationaal Milieubeleidsplan 4
Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: ▪ transitie naar duurzame energiehuishouding; ▪ transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; ▪ transitie naar duurzame landbouw. Dit NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. 4.2.5
Wet op de archeologische monumentenzorg (nota belvedère)
In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. De planlocatie is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016).
Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2022 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen, samen met de Nota Archeologie en de bijbehorende verordening. Zie verder paragraaf 5.2.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 19 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.2.6
Water
Het Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Watertoets Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.
Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor de planontwikkeling. 4.2.7
Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017). Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding.
Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 20 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, de planlocatie moet worden getoetst op de aanwezigheid van beschermde soorten: de ‘natuurtoets’. Het aspect ecologie wordt in paragraaf 5.5 verder uiteengezet. 4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018
Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2022 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 4.3.2
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. 2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 21 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda. 5. Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.
Figuur 7: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2014
Uit figuur 9 blijkt dat de planlocatie Margrietstraat 34 is gelegen binnen de ‘Stedelijke structuur – Kernen in het landelijk gebied’. Stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, zijn een belangrijke kwaliteit van Brabant. De vijf grote steden Tilburg, Breda, 'sHertogenbosch, Eindhoven en Helmond, zijn met de omliggende suburbane gebieden uitgegroeid tot de brandpunten van de verstedelijking in Noord-Brabant. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad. De groene geledingszones tussen de steden en (suburbane) kernen verbinden de steden met het omliggende landelijke gebied en vervullen een belangrijke rol als stedelijk uitloopgebied. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de stedelijke structuur in Brabant. De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen). De zoekgebieden voor verstedelijking zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
De keuze voor de zoekgebieden verstedelijking is tot stand gekomen na een integrale afweging vanuit de gebiedskwaliteiten (hanteren lagenbenadering) samen met gemeenten en waterschappen. Dit proces heeft plaatsgevonden in het kader van de opstelling van de uitwerkingsplannen van het streekplan van 2002.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 22 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. De provincie stuurt op een concentratie van verstedelijking. De sturing op de kernen in het landelijk gebied sluit daarom aan op de sturing voor stedelijke concentratiegebieden. Hier zijn alleen elementen opgenomen in aanvulling/afwijking op teksten van het stedelijk concentratiegebied. Het plan op de locatie Margrietstraat voorziet in een inbreiding in het bestaand stedelijk gebied. Het betreft hier zorgvuldig ruimtegebruik. Met de inbreiding wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, het plan aan de Margrietstraat vindt zijn aansluiting op het bestaand stedelijk gebied. Het beoogde plan past binnen de beleidslijnen van de SVRO. 4.3.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
In 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: - Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; - Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; - Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; - Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; - Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; - Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.
Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Het ontwerp van de Interim omgevingsverordening is in april vastgesteld. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. In figuur 10 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie Margrietstraat 34. Uit figuur 10 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’. Over de planlocatie ligt de aanduiding ‘Stalderingsgebied’.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 23 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 8: Uitsneden kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening, Noord-Brabant
Op de planlocatie wordt de bestaande woning gesloopt en herbouwd. In totaal worden drie extra woningen opgericht. De woningen worden opgericht binnen het stedelijk gebied en worden opgericht op een te slopen locatie. In de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen waaraan gehouden moet worden bij de ontwikkeling van bovenstaand initiatief. De ontwikkeling binnen de planlocatie kan binnen de Interim omgevingsverordening onderverdeeld worden in twee onderdelen. Dit zijn de onderdelen ‘oprichten woningen’ en ‘algemene regels’. Hieronder wordt elk onderdeel getoetst aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderdeel 1: Oprichten woningen Het initiatief is om op de planlocatie Margrietstraat 34 maximaal drie nieuwe woningen op te richten. In artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor nieuwbouw van woningen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 24 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit. Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. De planlocatie Margrietstraat 34 is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de kern van Sint Willebrord. De locatie betreft een inbreidingslocatie. Het perceel wordt ingevuld met passende woningbouw welke wordt aangesloten op het bestaand stedelijk gebied. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern Sint Willebrord wordt hiermee bevordert. De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.
Regionale afspraken Het onderzoek naar de behoefte van woningen wordt door de provincie Noord-Brabant strak geregisseerd. Dit is verankerd in Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ van de Interim omgevingsverordening. In Afdeling 5.4 is bepaald dat er ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg plaats vindt tussen Gedeputeerde Staten, gemeenten, regio’s en waterschappen. De gemeente Rucphen is ingedeeld bij de regio West-Brabant. Volgens de Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ plegen de deelnemers aan het RRO regionale afstemming en maken afspraken over de programmering en planologische voorbereiding van de bouw van woningen; informeren elkaar over de voortgang van hiervoor bedoelde voornemens en afspraken; en hebben een monitoringssysteem waarin de voortgang van de woningbouw wordt bijgehouden. Rucphen maakt deel uit van het RRO-gebied West-Brabant (18 gemeenten) en de subregio West (landelijk gebied). RRO-gebied West-Brabant valt samen met het COROP-gebied West-Noord-Brabant. Dit is conform het advies uit de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van infrastructuur en Milieu. Via de RRO's geven de Brabantse gemeenten jaarlijks inzicht in hun woningbouwplannen. Hiertoe actualiseren de gemeenten jaarlijks hun 'overzicht woningbouwcapaciteiten per gemeente', kortweg de matrix genoemd.
Sinds 1 december 2016 is de Regionale Agenda Wonen 2017 van toepassing, waarin de meest actuele regionale woningbouwafspraken zijn opgenomen. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose 2016 t/m 2025 laat een behoorlijke regionale woningbouwopgave zien van circa 33.000 woningen (39.000 inclusief sloop) tot 2030. De groei van de woningvoorraad is de afgelopen jaren echter achter blijven lopen ten opzichte van de geprognosticeerde woningbehoefte. De regio West-Brabant heeft op basis van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, de bevolkings- en woningbehoefteprognose en de gemeentelijke woningbouwontwikkelingen de regionale woningvoorraad en woningbouwopgave per gemeente voor de periode 2016 t/m 2025 bepaalt. In de Regionale Agenda Wonen is de woningbouwcapaciteit en - opgaven per gemeente opgenomen.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 25 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 9: Woningbouwopgaven en plancapaciteiten gemeenten 2016 t/m 2025
Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 515 woningen t/m 2025. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van drie extra wooneenheden. Onderdeel 2:
Algemene regels: Bevordering ruimtelijke kwaliteit
Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied.
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); ▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, tweede lid, Bro) Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 26 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
ontwikkeling). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ladder voor duurzame ontwikkeling). Op 1 juli 2017 is de nieuwe ladder vastgesteld. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder kent meerdere vragen die achter elkaar worden doorlopen. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie Margrietstraat 34 betreft de ontwikkeling van drie extra wooneenheden. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is kleinschalig van aard en kan daarom, conform vaste jurisprudentie, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, uit het Bro en is de ontwikkeling niet ladderplichtig.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. De beoogde ruimtelijke planontwikkeling voldoet aan de regels zoals opgesteld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.3.4
Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die in 2022 in werking gaat treden. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Met ingang van 9 april tot en met 20 mei heeft het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant ter inzage gelegen. In figuur 12 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie Margrietstraat 34. Uit figuur 12 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Stedelijk gebied’. Over de locatie ligt tevens de aanduiding ‘Stalderingsgebied’.
Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 27 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 12: Uitsnede planlocatie Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant
In artikel 4.55 zijn specifieke regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Hieronder is artikel 4.55 weergegeven. Artikel 4.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor de locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 6.2 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in het geval dat: a. een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving wordt bevorderd; b. zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden, wordt bevorderd; c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. wordt bij gedragen aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het omgevingsplan regels over: a.
een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b. het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waarvan in ieder geval sprake is bij: 1. bedrijfswoningen; 2. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven conceptversterkend werken en geclusterd worden; 3. Voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.
Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de dorpskern van St. Willebrord. Het perceel ligt in de kern van St. Willebrord, met passende woningbouw wordt aangesloten op de omgeving. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern St. Willebrord wordt hiermee bevordert. De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 515 woningen t/m 2025. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen Bestemmingsplan toelichting 212280 | 04-04-2023
Pagina 28 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van drie extra wooneenheden. Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4