CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

14b B1.3 t NL.IMRO.0840.9000B0073-DEF01 2024-01-30 1

gemeenteraad 20 maart 2024, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020, Klein Zundertseweg 15 te Sprundel'23.067 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting

bestemmingsplan “Buitengebied Rucphen 2020, Klein Zundertseweg 15 te Sprundel” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

vaststelling 2024-01-30 NL.IMRO.0840.9000B0073-DEF01

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Colofon

Titel:

Bestemmingsplan “Buitengebied Rucphen 2020, Klein Zundertseweg 15 te Sprundel”

Ontwerp: Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Projectnummer:

210090

Rapportnummer

210090.01

Datum:

30 januari 2024

Status:

vaststelling

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 2 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Toelichting Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 3 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding & doel .................................................................................................................................. 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ......................................................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................................... 7 1.4 Planvorm................................................................................................................................................ 7 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 7 Hoofdstuk 2 De huidige situatie ................................................................................................................. 8 2.1 Ruimtelijke structuur ............................................................................................................................. 8 2.2 Functionele structuur ..........................................................................................................................

10 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie ............................................................................................................ 12 3.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 12 3.2 Ruimtelijke structuur ........................................................................................................................... 12 3.2 Functionele structuur .......................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 4 Beleidskader......................................................................................................................... 16 4.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 16 4.2 Europees- en Rijksbeleid ..................................................................................................................... 16 4.3 Provinciaal beleid ................................................................................................................................ 19 4.4 Gemeentelijk beleid.............................................................................................................................

29 Hoofdstuk 5 Relevante (Milieu)aspecten .................................................................................................. 39 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 39 5.2 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................................ 39 5.3 Bodem ................................................................................................................................................. 42 5.4 Water ................................................................................................................................................... 43 5.5 Ecologie ............................................................................................................................................... 46 5.6 Wegverkeerslawaai ............................................................................................................................. 47 5.7 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 48 5.8 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................................

51 5.9 Externe Veiligheid ................................................................................................................................ 53 5.10 Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 55 5.11 Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................................ 55 Hoofdstuk 6 Juridische aspecten .............................................................................................................. 56 6.1 Inleiding ............................................................................................................................................... 56 6.2 Algemene toelichting verbeelding ....................................................................................................... 56 6.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................ 56 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 58 7.1 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................

58 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 58 Afzonderlijke bijlagen: 1. Akoestisch onderzoek, Kraaij Akoestisch Adviesbureau 2. Verkennend bodemonderzoek, Moerdijk Bodemsanering B.V. 3. Stikstofberekeningen Klein Zundertseweg 15 te Sprundel 4. Standaardadvies Brandweer 2022 5. Standaard Verantwoording Groepsrisico 6. Omgevingsdialoog

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 4 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding & doel

Figuur 1: Luchtfoto planlocatie

Op de locatie Klein Zundertseweg 15 te Sprundel is het bedrijf Traycon Projecten B.V. gevestigd. Het bedrijf is gespecialiseerd in het aanleggen van container-, trayvelden en teeltvloeren voor de zachtfruit- en boomkwekerijsector. Binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’ heeft de locatie Klein Zundertseweg 15 de enkelbestemming ‘Bedrijf’, de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’. Op de locatie zijn verschillende maatvoeringsaanduidingen ten behoeve van de hoogte en oppervlakte van de bedrijfsgebouwen aanwezig en zijn er enkele gebiedsaanduidingen van toepassing. De aangrenzende gronden ten westen en ten zuidoosten van het bestemmingsvlak bedrijf zijn in eigendom van initiatiefnemer en worden gedeeltelijk ingezet voor de bedrijfsvoering op Klein Zundertseweg 15. Deze gronden hebben momenteel nog de agrarische bestemming. Het bedrijf aan de Klein Zundertseweg 15 heeft binnen het bestaande bestemmingsvlak en bouwvlak ruimte tekort om haar werkzaamheden op een efficiënte manier uit te kunnen voeren. Door de intensivering van de teeltsectoren waarin het bedrijf actief is, heeft het bedrijf meer werkzaamheden en worden er grotere projecten uitgevoerd. Om de continuïteit van Traycon Projecten B.V. te waarborgen, is uitbreiding en optimalisatie van het bedrijf benodigd.

Het initiatief is om de bestaande erfverharding aan de westzijde van de loods te legaliseren, nieuwe erfverharding aan de achterzijde van het bedrijf aan te leggen en de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing in de Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 5 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

vorm van een kantoor en bedrijfsloods mogelijk te maken. Daarnaast wordt er ruimte gemaakt voor een landschappelijke inpassing rondom de planlocatie. Aan de zuidzijde van het terrein wordt een wadi aangelegd voor de opslag van het hemelwater afkomstig van het bedrijfsterrein en de bebouwing. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken wordt het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ vergroot van circa 5.535 m2 naar circa 9.768 m2. Ook het bouwvlak wordt van 5.535 m2 vergroot naar circa 7.790 m2. Daarnaast wordt de functieaanduiding gewijzigd van ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’ naar ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch-technisch hulpbedrijf”. Als laatste wordt de oppervlakte aanduiding ter plaatse van het bouwvlak van ‘maximum bebouwd oppervlak 847 m2’ naar ‘maximum bebouwd oppervlak: 1658 m2’. Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’ staat de gewenste ruimtelijke ontwikkeling niet toe. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. In de collegevergadering van 10 januari 2023 is besloten onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de verzochte ontwikkeling. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader. 1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sprundel. Sprundel maakt onderdeel uit van de gemeente Rucphen. De gemeente Rucphen is gelegen in de provincie Noord-Brabant. Het plangebied grenst aan de Klein Zundertseweg. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente RPN, sectie T, nummers 1643, 1676, 1677 en 2080.

Figuur 2: Topografische kaart met de planlocatie

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 6 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de planlocatie vigeert het bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 16 december 2020. 1.4

Planvorm

Het bestemmingsplan “Buitengebied Rucphen 2020, Klein Zundertseweg 15 te Sprundel” is vervat in een verbeelding, regels en gaat vergezeld met een toelichting. Verbeelding Op de verbeelding, met het nummer NL.IMRO.0840.9000B0073-DEF01, zijn onder meer de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven met bijbehorende verklaringen, het zogenaamde renvooi. De verbeelding legt de verbinding tussen de bestemmingen die op de kaart aanwezig zijn aangegeven en de regels. De kaart is getekend op schaal 1:1000. Regels De regels bevatten juridische regeling betreffende het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden die in het plan zijn inbegrepen. De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgang- en slotregels. De regels worden conform landelijke richtlijnen SVBP2012 en IMRO2012 toegepast en het gemeentelijk handboek. Toelichting In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichtte onderzoeken opgenomen. Daarnaast dient een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg, deel uitmaken van de toelichting. 1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de omschrijving van het project. De toekomstige situatie wordt in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 van de onderbouwing wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor de ontwikkeling van het plangebied relevant is. De relevante (milieu)aspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van geluid, bodemgesteldheid, milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en ecologie beschreven. In hoofdstuk 6 komen de juridische aspecten aan bod. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid beschreven.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 7 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Ruimtelijke structuur

2.1.1

Bebouwingsstructuur

De huidige situatie

In de omgeving van de planlocatie, ten zuiden van Sprundel, komen langs de gebiedsontsluitingswegen bebouwingsclusters voor in de vorm van burgerwoningen, boerderijen (veehouderijen) en tuin- en akkerbouwbedrijven. De woningen zijn vrijstaand gepositioneerd en vormen gezamenlijk een bebouwingslint met doorzichten naar het achterliggende landschap. De bebouwing dateert van verschillende bouwperioden. 2.1.2

Wegenstructuur

De Klein Zundertseweg gaat richting het noorden over in de Waterstraat en richting het zuiden over in de Sprundelsebaan. Deze wegen verbinden Sprundel met het buitengebied van gemeente Rucphen en gemeente Zundert. 2.1.3

Groen- en waterstructuur

Gemeente Rucphen is een landelijke en groene gemeente, waar de landbouw een belangrijke economische functie in het buitengebied heeft. Deze functie is tevens de belangrijkste beheerder van het buitengebied. In de omgeving van de planlocatie komen diverse (waardevolle) natuur- en landschapselementen voor. Denk hierbij aan houtwallen, bosjes en landschapsbomen. Rondom de gehele planlocatie zijn categorie B-watergangen aanwezig. In de directe nabijheid ontbreken categorie A-watergangen. 2.1.3

Bestaande situatie plangebied

Op de locatie Klein Zundertseweg 15 te Sprundel is het bedrijf Traycon Projecten B.V. gevestigd. Het bedrijf is gespecialiseerd in de aanleg van teeltvloeren, containervelden en overige werkzaamheden voor de agrarische sector. In de navolgende figuur is het aanlegproces van een teeltvloer in een kas, het aanlegproces van een containerveld en de uitvoering van overige werkzaamheden van Traycon Projecten B.V. weergegeven. Een voorbeeld van de overige werkzaamheden is het plaatsen van palen ten behoeve van stellingenteelt. De werkzaamheden vinden plaats op locatie bij agrariërs.

Figuur 3: Werkzaamheden Traycon Projecten B.V.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 8 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het werkgebied van Traycon Projecten B.V. strekt zich door heel Europa. Het grootste gedeelte van de werkzaamheden worden binnen Nederland en België uitgevoerd. In de omgeving van Rucphen, Breda, EttenLeur en Zundert is de agrarische sector sterk vertegenwoordigd. Ten behoeve van deze werkzaamheden zijn werktuigen, zoals tractoren, kranen en shovels benodigd. Als het project dicht bij de bedrijfslocatie is gelegen rijden de werknemers zelf met hun landbouwwerktuigen naar de locatie van het project. Op het moment dat de afstand naar de projectlocatie te groot is worden de werktuigen door middel van vrachtwagens vervoerd naar de projectlocatie. Een greep welke werktuigen gebruikt worden door Traycon Projecten B.V. en hoe deze vervoerd worden naar de locatie is weergegeven in de navolgende figuur.

Figuur 4: Werktuigen en vervoer van werktuigen van Traycon Projecten B.V.

Op de locatie Klein Zundertseweg 15 te Sprundel is een bedrijfsloods, kantoor, bedrijfswoning en buitenterrein aanwezig. De bedrijfsloods wordt voornamelijk gebruikt voor het stallen van de landbouwmachines en het onderhoud van de landbouwwerktuigen welke binnen het bedrijf gebruikt worden. In totaal zijn er bij Traycon Projecten B.V. 18 personen werkzaam. De bestaande bedrijfsloods beschikt over een onderverdeling in kantoorruimte, kantineruimtes, stalling van machines en werktuigen en een klein gedeelte als werkplaats voor kleine onderhoudswerkzaamheden aan machines en werktuigen. De loods heeft een gezamenlijke oppervlakte van circa 887 m 2. Rondom de bedrijfsloods is verharding aanwezig, wat wordt gebruikt voor het laden en lossen van vrachtwagens en bestelbussen, voor parkeerplaatsen en voor de tijdelijke opslag van wat volumineuze goederen welke benodigd zijn voor het werk op locaties van derden. Het bedrijf beschikt over een bouwvlak en bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ met een oppervlakte van circa 5.535 m2, met functieaanduiding voor ‘aannemersbedrijf’. Deze functieomschrijving komt niet volledig overeen met de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten op locatie. In het bestemmingsplan Rucphen 2020 lijkt hier dan ook een foutieve functieaanduiding te zijn toegekend, aangezien het bedrijf ten tijden van de opstelling van dit bestemmingsplan al actief was op locatie.

Conform de begripsbepalingen van het vigerend bestemmingsplan sluit het bedrijf namelijk naadloos aan bij een ‘agrarisch technisch hulpbedrijf’. Binnen het bouwvlak zijn enkele maatvoeringen aanwezig, namelijk ‘maximum bebouwd oppervlak – 847 m2’ en ‘maximum bouwhoogte: 6,75 m’ en ‘maximum goothoogte: 4 m’.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 9 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 5: Bestaande situatie

2.2

Functionele structuur

2.2.1

Wonen

In de omgeving van het plangebied komt de functie wonen een aantal keer voor. Over het algemeen bestaat de omgeving van het plangebied uit vrijstaande woningen met daarbij bijgebouwen. Op de functiekaart (figuur 6) is met geel aangegeven, waar de functie wonen aanwezig is. 2.2.2

Detailhandel en horeca

In de directe omgeving komt geen horecagelegenheden of detailhandel voor. 2.2.3

Bedrijven en kantoren

In de omgeving van het plangebied zijn diverse agrarische bedrijven gevestigd. Dit betreffen met name tuin- en akkerbouwbedrijven, die ook het gebruik van het landschap in de omgeving in grote mate bepalen. Ook zijn er in de omgeving enkele veehouderijen gesitueerd. 2.2.4

Maatschappelijke voorzieningen

Rondom het plangebied zijn geen maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Deze voorzieningen zijn in de kern van Sprundel gevestigd. 2.2.5

Sport en recreatie

In de omgeving van het plangebied zijn geen sport- en recreatiefuncties aanwezig. Sportgelegenheden bevinden zich aan rondom de kern van Sprundel. Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 10 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 6: Functiekaart omgeving plangebied

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 11 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Toekomstige situatie

Algemeen

Op de locatie Klein Zundertseweg 15 te Sprundel is het bedrijf Traycon Projecten B.V. gevestigd. Het bedrijf is gespecialiseerd in het aanleggen van container-, trayvelden en teeltvloeren voor de zachtfruit- en boomkwekerijsector. De agrarische sector is continu in verandering. Op dit moment is er een ontwikkeling gaande door de intensivering van de teeltsectoren zoals de zachtfruit- en boomteeltsector. Door deze intensivering schakelen veel teeltbedrijven over naar substraatteelt waardoor meer container-, trayvelden en foliekassen worden gerealiseerd. Het bedrijf aan de Klein Zundertseweg 15 heeft binnen het bestaande bestemmingsvlak en bouwvlak ruimte tekort om haar werkzaamheden op een efficiënte manier uit te kunnen blijven voeren. Door de intensivering van de teeltsectoren waarin het bedrijf actief is, heeft het bedrijf meer werkzaamheden en worden er grotere projecten uitgevoerd. Om de continuïteit van Traycon Projecten B.V. te waarborgen, is uitbreiding en optimalisatie van het terrein en de bebouwing benodigd. De bebouwing zal dusdanig worden gepositioneerd zodat de interne verkeersbewegingen zo efficiënt mogelijk over het terrein kunnen bewegen. Met de benodigde uitbreiding van de bebouwing kunnen meer waardevolle machines en werktuigen inpandig worden gestald. Tevens is het kantoorgebouw en kantineruimte aan uitbreiding toe.

Het bedrijfsterrein wordt uitgebreid met verharding, voor zowel het parkeren van de werknemers en bezoekers, alsmede op- en overslagterrein voor het laden en lossen van vrachtwagens en bestelbussen. Ook dient er ruimte te zijn voor buitenopslag van wat tijdelijke volumineuze goederen, zoals teeltdoeken, straatwerk en leidingwerk. Voor deze uitbreiding en herinrichting van het bedrijfsterrein is uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ en het bouwvlak benodigd. 3.2

Ruimtelijke structuur

Het eerste onderdeel is het vergroten van het bestemmingsvlak en gedeeltelijk het bouwvlak aan de westzijde van het bedrijf. De initiatiefnemer heeft aan de westzijde van de planlocatie erfverharding gerealiseerd. Op d.d. 24 september 2020 is er tijdens een controle geconstateerd dat de gerealiseerde erfverharding in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Dit gedeelte van het buitenterrein wordt gebruikt voor het parkeren van auto’s van werknemers en van wat opslag van volumineuze goederen . Het tweede onderdeel is het vergroten van het bestemmings- en bouwvlak aan de zuidoostzijde van het bedrijf. De initiatiefnemer heeft het perceel RPN, sectie T, nummer 1643 aan de zuidoostzijde van het bedrijf aangekocht waar voorheen een boomteeltbedrijf van derden was gevestigd. Om het bedrijf beter te kunnen inrichten is de initiatiefnemer voornemens gedeeltelijk verharding op dit perceel toe te passen. De verharding zal gebruikt worden voor het laden en lossen van de machines van het bedrijf, welke op locatie bij agrariërs werkzaamheden uitvoeren. Momenteel vindt dit plaats aan de zijkant van de bedrijfsloods, en is gelet op de beperkte ruimte niet efficiënt. Het voornemen is om het bestaande bestemmingsvlak van circa 5.535 m2 uit te breiden naar circa 9.768 m2. Daarnaast is het voornemen om het bouwvlak uit te breiden van circa 5.535 m2 naar circa 7.790 m2.

Ten derde heeft de locatie in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’ de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’ gekregen. Deze aanduiding is niet passend bij het bedrijf. Traycon Projecten B.V. levert diensten en goederen aan de agrarische sector, teeltoplossingen. Het voornemen is om de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf' te wijzigen in de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch technisch hulpbedrijf'. Het vierde onderdeel bestaat uit het uitbreiden van het bestaande kantoor en de bedrijfsloods. De uitbreiding van het kantoor is noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf. De uitbreiding van de bedrijfsloods is ten behoeve van het opslaan van diverse goederen en het stallen van de werktuigen van Traycon Projecten B.V. De gewenste uitbreiding van de bebouwing is niet passend binnen de geldende maatvoeringsaanduiding. De

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 12 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

maatvoerinsaanduiding dient te worden aangepast van ‘maximaal bebouwd oppervlak: 847 m2’ naar ‘maximaal bebouwd oppervlak: 1658 m2’. Rondom het bestemmingsvlak wordt de locatie zorgvuldig ingepast met landschappelijke inpassing. Tevens wordt er aan de zuidzijde van het terrein een waterberging aangelegd, zodat hier hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak op een natuurlijke wijze kan infiltreren. In de volgende figuur is de beoogde situatie weergegeven.

Figuur 7: Beoogde situatie Klein Zundertseweg 15

3.1.2

Groenstructuur

Rondom vrijwel de gehele locatie zullen landschapsbomen in rij en hakhoutsingels worden aangeplant. Daarmee wordt de locatie vanuit alle windrichtingen uit het zicht genomen. Deze bomen en hakhoutsingels geven een landschappelijke meerwaarde aan de ontwikkeling. Daarnaast wordt er een Brabantse haag aangeplant om de afscherming van het bedrijfsbestemmingsvlak te waarborgen. Tot slot zal er aan de zuidzijde van het terrein een natuurlijke waterberging worden aangelegd met daaromheen bloemrijk grasland. In de waterberging kan het hemelwater afkomstig van de bebouwing en het terrein op natuurlijke wijze infiltreren, bij een teveel aan water kan er middels een knijpvoorziening worden geloosd op de aldaar aangrenzende watergang. De waterberging in combinatie met het kruidenrijk grasland, de haag, de landschapsbomen en hakhoutsingels leveren een grote ecologische verbetering voor de omgeving van het plangebied.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 13 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.2

Functionele structuur

3.2.1

Algemeen

Het voornemen is om het bestaande bestemmingsvlak met de bestemming ‘Bedrijf’ van circa 5.535 m2 uit te breiden naar circa 9.768 m2. Daarnaast is het voornemen om het bouwvlak uit te breiden van circa 5.535 m2 naar circa 7.790 m2. Momenteel heeft het bedrijf de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’. Deze aanduiding is niet passend bij het bedrijf. Het voornemen is om de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf' te wijzigen in de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch technisch hulpbedrijf'. De gewenste uitbreiding van de bebouwing is niet passend binnen de geldende maatvoeringsaanduiding. De maatvoeringsaanduiding dient te worden aangepast van ‘maximaal bebouwd oppervlak: 847 m2’ naar ‘maximaal bebouwd oppervlak: 1658 m2’. De maatvoeringen ‘maximum bebouwd oppervlak – 847 m2’ en ‘maximum bouwhoogte: 6,75 m’ en ‘maximum goothoogte: 4 m’ blijven ongewijzigd gehandhaafd. De gebiedsaanduidingen ‘overige zone – openheid’ en ‘vrijwaringszone – obstakelbeheerzone’ worden uit het vigerend bestemmingsplan ongewijzigd overgenomen. Ter hoogte van de groenelementen en het waterelement wordt de bestemming ‘Groen- Landschapselement’ toegevoegd met functieaanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting Klein Zundertsweg 15’. 3.2.2

Verkeer en parkeren

Verkeer De planlocatie is gelegen aan de Klein Zundertseweg 15. Het bedrijf heeft twee bestaande ontsluitingen aan deze weg en zijn voldoende breed en lang voor groot en klein (vracht)verkeer. Het is niet benodigd om aanpassingen aan deze in- en uitritten te voorzien. Het terrein wordt dusdanig ingericht dat vrachtverkeer binnen het terrein kan keren. De interne en externe verkeersafwikkeling wordt met de herinrichting van het bedrijf verbeterd. Er wordt een nieuw laad- en losterrein voorzien. Parkeren De gemeente Rucphen hanteert de Nota Parkeernormen Rucphen voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid. In de nota is per functie uitgegaan van de maximale norm van het CROW. Ten aanzien van het parkeren worden de parkeernormen gehanteerd die gelden voor het ‘buitengebied’, waarbij de gemeente Rucphen gebruik maakt van haar eigen parkeernorm die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW. Onderstaand de relevante parkeernormen uit de nota parkeernormen van de gemeente Rucphen. Tabel 1: Parkeernorm volgens Nota Parkeernormen Rucphen

Om voldoende parkeerplaatsen te voorzien binnen de inrichting, wordt aangesloten bij de gemeentelijke parkeernomen. Het bedrijf voorziet in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en tevens een uitbreiding van het bestemmingsvlak, om het buitenterrein optimaal in te kunnen richten.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 14 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Op het landbouwmechanisatiebedrijf zijn tegelijkertijd momenteel 18 personen werkzaam. Gelet op de aard van het bedrijf kan worden aangesloten bij het type ‘bedrijf arbeidsextensief / bezoekers extensief’. De hoeveelheid werknemers is namelijk niet te vergelijken met de hoeveelheid werknemers bij arbeidsintensief (industrie, laboratorium etc.). En daarbij kan worden opgemerkt dat er op locatie nauwelijks werkzaamheden plaatsvinden, de werkzaamheden vinden op locatie van derden plaats. Met dit bestemmingsplan wordt het maximaal oppervlak aan bedrijfsgebouwen vastgelegd op 1.658 m2. Op basis van deze bedrijfsvloeroppervlak kan worden bepaald dat er afgerond 18 parkeerplaatsen moeten worden voorzien. Dit komt dus volledig overeen met het feitelijk aantal werknemers. Ten westen van de bedrijfsbebouwing, op het binnenterrein, wordt voldoende ruimte voorzien om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. Ook is er daarnaast voldoende ruimte voor het parkeren van busjes en auto’s waarmee de werknemers vanaf de Klein Zundertseweg 15 naar locaties van derden kunnen reizen. De parkeervoorzieningen worden dus ruimschoots binnen eigen terrein voorzien. Wat betreft de verkeersgeneratie kan worden gesteld dat per 100 m2 bedrijfsgebouwen 4,8 verkeersgeneratie per etmaal wordt berekend.

Op basis van de vierkante meters aan bedrijfsgebouwen laat de berekening een verkeersgeneratie van afgerond 80 zien. Gelet op de feitelijke situatie (aan- en afrijden van de personenauto’s en aan- en afrijden van de bedrijfsmatige machines en werktuigen) en het aantal werknemers binnen het bedrijf, dan is deze gestelde verkeersgeneratie een representatieve weerspiegeling van de feitelijk aanwezige verkeersgeneratie. De Klein Zundertseweg kan deze verkeersgeneratie verwerken.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 15 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de Klein Zundertseweg 15 te Sprundel opgenomen. 4.2

Europees- en Rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten, die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequenties voor het plangebied. Het plangebied ligt wel in de radarverstoringsgebieden behorend bij vliegbasis Woensdrecht en radarstation Herwijnen. In het bestemmingsplan is hiervoor de aanduiding ‘vrijwaringszone – radar’ opgenomen. Bij deze aanduiding behoren de volgende bouwregels:

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 16 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

a.

mogen binnen een afstand van 15 km van de radarantenne van Vliegbasis Woensdrecht geen gebouwen worden opgericht hoger dan de denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf de radarantenne op Vliegbasis Woensdrecht op 48 m + NAP, oplopend met 0,25 graden tot een hoogte van 113 m + NAP; b. geldt voor windturbines, in aanvulling op het bepaalde onder a en naast de bouwregels zoals opgenomen in de artikelen 3 tot en met 25, dat geen windturbines mogen worden opgericht met een tiphoogte hoger dan 90 m + NAP. Het plangebied ligt op een afstand van circa 18 kilometer van de radarantenne van Vliegbasis Woensdrecht, daarnaast omvat de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied geen oprichting van een windturbine. Door de beoogde ontwikkeling worden radarbeelden niet verstoord. 4.2.3

Nationaal Milieubeleidsplan 4

Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: ▪ transitie naar duurzame energiehuishouding; ▪ transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; ▪ transitie naar duurzame landbouw. Dit NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. 4.2.4

Wet op de archeologische monumentenzorg (nota belvedère)

In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. Het plangebied is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016).

Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2021 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 17 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen, samen met de Nota Archeologie en de bijbehorende verordening. Zie verder paragraaf 4.4.7. 4.2.5

Water

Het Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Watertoets Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.

Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor de planontwikkeling. 4.2.6

Ecologie

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017). Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. Het plangebied valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 18 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

schadebestrijding. Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, het plangebied moet worden getoetst op de aanwezigheid van beschermde soorten: de ‘natuurtoets’. Het aspect ecologie wordt in paragraaf 5.5 verder uiteengezet. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2022 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 4.3.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 19 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur. 3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda. 5. Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 20 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 8: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2014

Uit figuur 8 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het ‘Landelijk gebied – Gemengd landelijk gebied’. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie wil het volgende bereiken in het landelijke gebied: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie 2. Ruimte voor agrarische ontwikkeling 3. Een duurzame land- en tuinbouw 4. Versterking van het landschap Binnen het landelijk gebied onderscheidt de provincie twee perspectieven: 1. gemengd landelijk gebied 2. accent agrarisch ontwikkeling De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd agrarisch gebied is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, bijvoorbeeld op vrijkomende locaties.

In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de Groenblauwe mantel is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Binnen gemengd agrarisch gebied zijn sterke agrarische clusters aanwezig zoals voor de intensieve veehouderij, glasconcentratiegebieden, boomteelt en vollegrondsgroente. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden worden in beginsel gerespecteerd. In deze clusters wil de provincie de aanwezige agrarische functie behoeden voor verstoring. Daarom wil de provincie dat de menging van functies in deze agrarische clusters beperkt blijft. De uitbreiding van het agrarisch technisch hulpbedrijf is passend binnen het gemengd landelijk gebied. De omgeving betreft een gemengd gebied met een afwisseling van woningen en agrarische bedrijven. De ontwikkeling leidt niet tot een verstoring van omliggende agrarische functies. Tevens kan worden opgemerkt dat de het een agrarisch technisch hulpbedrijf betreft wat volledig is gericht op het uitvoeren van diensten voor

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 21 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

de agrarische sector, welke sterk vertegenwoordigd is in de omgeving van het plangebied. De beoogde uitbreiding is niet in strijd met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant. 4.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Naar verwachting treedt in 2024 de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: ▪ Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; ▪ Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; ▪ Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; ▪ Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; ▪ Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; ▪ Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. De Interim omgevingsverordening geldt tot dat de Omgevingswet in werking treedt, vanaf dat moment geldt de Omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant.

Vanwege het uitstel van de Omgevingswet naar begin 2024, kan ook de Omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant nog niet in werking treden. In de Interim omgevingsverordening zijn al veel wijzigingen vanuit de Omgevingsvisie doorgevoerd. Nu de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld, stellen Gedeputeerde Staten voor om een aantal urgente onderwerpen die in de Omgevingsverordening zijn opgenomen, alvast via een wijziging van de Interim omgevingsverordening in werking te laten treden. Voor onderhavig bestemmingsplan wordt nu uitgegaan van de Interim omgevingsverordening geconsolideerde versie van 21-03-2023. In figuur 9 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor het plangebied Klein Zundertseweg 15. Uit figuur 9 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen zowel het ‘Landelijk gebied – Gemengd landelijk gebied’. Tevens ligt het plangebied binnen de werkingsgebieden ‘Stalderingsgebied’ en ‘Attentiezone stiltegebied’.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 22 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 9: Uitsneden kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening, Noord-Brabant

Vanuit het werkingsgebied ‘Landelijk gebied – Gemengd landelijk gebied’ gelden er regels voor een agrarisch technisch hulpbedrijf. De huidige aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’ is niet passend bij de diensten en werkzaamheden van het gevestigde bedrijf ter plaatse. Het voornemen is dan ook om de e functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf' te wijzigen in de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch technisch hulpbedrijf', waarmee het weer aansluit bij de werkelijke situatie. Een foutieve situatie wordt daarmee hersteld. Gezien de ontwikkeling en het feit dat er al jarenlang sprake is van een agrarisch-technisch hulpbedrijf in het gemengd landelijk gebied’, wordt hieronder getoetst aan de regels voor een bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf in het landelijk gebied. Artikel 3.60 bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf of een bestaand agrarisch-verwant bedrijf die: a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; b. bepalen dat de omvang ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; c. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; d.

kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

Ad a.

In de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan wordt opgenomen dat op locatie specifiek een agrarisch-technisch hulpbedrijf is toegestaan. De planologische gebruiksactiviteit is daarmee vastgelegd.

Ad b.

Het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ krijgt een oppervlakte van 9.768 m2, waarmee wordt voldaan aan de voorwaarde.

Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 23 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Ad c.

Er is geen sprake van mestbewerking.

Voor de toetsing aan de voorwaarden uit ad. d sub 1, 2 en 3 wordt er aansluiting gezocht bij het Diep-RondBreed principe van de provincie. Hieronder wordt nader uitgewerkt dat het initiatief aan de Klein Zundertseweg 15 passend is binnen de ontwikkelingsrichting en bijdraagt aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Het initiatief leidt niet tot een belemmering op of aantasting van het laagniveau (diep). In de toelichting van het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het initiatief niet leidt tot een aantasting van archeologische, cultuurhistorische of aardkundige waarden. Groenstructuren in de omgeving blijven behouden. Verder leidt het initiatief niet tot een belemmering van waarden uit de NNB- of Natura 2000 gebieden. Om aan te tonen dat de bedrijfsactiviteiten (bestaand en nieuw) niet zorgen voor een hinder binnen het nabij gelegen stiltegebied, is er een akoestisch onderzoek aan dit bestemmingsplan toegevoegd. De geluidbelasting blijft ruimschots onder de hindergrenzen. De bodemkwaliteit op locatie is onderzocht, waaruit is gebleken dat de bodemgesteldheid niet leidt tot een belemmering voor de ontwikkeling. De ontwikkeling op locatie voorziet niet in een aantasting van de bodemkwaliteit.

Ook op het gebied van tijd kan worden opgemerkt dat er op locatie door de jaren heen al sprake is geweest van bedrijfsactiviteiten (opeenvolgend in de vorm van mestbewerking, agrarisch loonbedrijf en nu een agrarisch technisch hulpbedrijf). Door het bedrijf nu verder te ontwikkelen kan er nog jarenlang een toekomstbestendig bedrijf worden geëxploiteerd. De Klein Zundertseweg betreft een gebiedontsluitingsweg tussen de gemeente Rucphen en Zundert, wat voor de ligging van het bedrijf een strategisch pluspunt is. Het kan vanuit deze locatie snel de klantenkring bereiken, welke overwegend bestaat uit teeltbedrijven die goed vertegenwoordigd zijn in de regio. De functie is passend op het gebied van bedrijven en milieuzonering, het ligt op voldoende afstand van omliggende (gevoelige) functies. Tot slot kan wordt opgemerkt dat de uitbreiding van het bedrijf bijdraagt aan een verkeerveilige situatie op de Klein Zundertseweg. Door meer manoeuvreerruimte te bieden op locatie blijft de Klein Zundertseweg volledig vrij van bedrijfsmatige activiteiten (laden en lossen). De Klein Zundertseweg betreft een infrastructuur die de verkeersaantrekkende werking van bedrijvigheid goed kan verwerken.

De ontwikkeling binnen het plangebied zorgt voor een evenwicht tussen people, planet en profit (rond).Het bedrijf is gespecialiseerd in het aanleggen van container-, trayvelden en teeltvloeren voor de zachtfruit- en boomkwekerijsector. De agrarische sector is continu in verandering. Veel teeltbedrijven schakelen over naar substraatteelt waardoor meer container-, trayvelden en foliekassen worden gerealiseerd. Door de intensivering van de teeltsectoren waarin het bedrijf actief is, heeft het bedrijf meer werkzaamheden en worden er grotere projecten uitgevoerd. Om de continuïteit van Traycon Projecten B.V. te waarborgen, is uitbreiding en optimalisatie van het terrein en de bebouwing benodigd. Deze uitbreiding van de werkzaamheden zorgt tevens voor een uitbreiding van de werkgelegenheid, maar geeft dus ook teeltbedrijven in de omgeving de mogelijkheid zich voor te kunnen bereiden voor de toekomst. Traycon Projecten B.V. is immers in staat om de klanten te kunnen bedienen bij hun wensen. Voor de agrarische sector is de ontwikkeling van Traycon Projecten B.V. dus een positieve ontwikkeling. Daarbij spoort Traycon Projecten B.V.

ook individuele agrariërs aan/geeft het individuele agrariërs de kans om hun bedrijven op het gebied van wateropslag en teelt te optimaliseren, om vervuilende effecten van teelttoepassingen of waterafspoeling naar oppervlaktewaterlichamen, het grondwater of de bodem te voorkomen. In indirecte zin draagt de het bedrijf dan ook bij het verminderen van de klimaatbelasting. De uitbreiding van het bedrijf gaat gepaard met de aanleg van robuuste landschappelijke inpassing. Zo wordt er rondom het plangebied een robuuste singel van bomen, knip- en scheerhaag en hakhoutsingels aangebracht, waarmee de locatie grotendeels uit het directe zicht wordt gehaald voor de omgeving. Verder zal er een natuurlijke waterberging worden aangebracht met daaromheen kruidenrijk grasland. Hiermee wordt de druk op het watersysteem in de omgeving verminderd en zal het grondwater op natuurlijke wijze worden aangevuld. Dit draagt bij aan de ambities en doelstelling van het in de omgeving gelegen gebied ‘attentiegebied waterhuishouding’. Daarmee draagt de ontwikkeling ook bij aan de ontwikkeldoelstellingen in de omgeving. Door een verdeling van hoge, middelhoge en lage biotopen wordt er op ecologisch vlak meerwaarde behaald voor de omgeving. Vanuit de initiatiefnemer, de omgeving en de overheid is er draagvlak voor de ontwikkeling (breed).

Het bedrijf is een agrarisch technisch hulpbedrijf op het gebied van het aanleggen van diverse teeltmogelijkheden en watervoorzieningen, waarbij de markt zich met name richt op de agrarische sector. Deze afzetmarkt is goed vertegenwoordigd in de regio van het bedrijf en sluit dan ook aan bij de behoeften vanuit de omgeving. Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024

Pagina 24 van 62

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Initiatiefnemer heeft tevens een omgevingsdialoog uitgevoerd waarbij duidelijk is geworden dat de omwonenden geen bezwaren hebben bij de ontwikkeling van het bedrijf. De gemeente Rucphen heeft aangegeven om in principe medewerking te verlenen, dus op overheidsniveau is er draagvlak voor de ontwikkeling. De omgeving, meer specifiek het gebied ten zuidwesten van Spurncel, bestaat uit diverse verbindingswegen met een verscheidenheid aan functies. De omgeving van de planlocatie kan getypeerd worden als een omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Binnen de Interim omgevingsverordening is het gebied aangewezen als ‘Landelijk gebied – Gemengd landelijk gebied’. Het zijn gebieden waar een gemengde plattelandseconomie en/of een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Naast de functie ‘wonen’ zijn er in de directe omgeving diverse agrarische en nietagrarische bedrijven gevestigd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13922770/1