CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

13b2 TOELICHTING t NL.IMRO.0840.2584K0034-ON01

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 29 november 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘‘Kom St, Willebrord, Noorderstraat ong, naast nr. 96a. St. Willebrord’19.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting

bestemmingsplan “Kom St. Willebrord, Noorderstraat ong. naast 96a te St. Willebrord” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

ontwerp 2023-07-24 NL.IMRO.0840.2584K0034-ON01

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Colofon

Titel:

Bestemmingsplan “Kom St. Willebrord, Vosdonkseweg te St. Willebrord”

Ontwerp: Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Projectnummer:

MJ2006

Rapportnummer

MJ2006.01

Datum:

24 juli 2023

Status:

ontwerp

Ontwerp:

p.m.

Definitief:

--

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 2 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Toelichting Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 3 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding & doel .................................................................................................................................. 6 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ......................................................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................................... 7 1.4 Planvorm................................................................................................................................................ 7 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 8 Hoofdstuk 2 De huidige situatie ................................................................................................................. 9 2.1 Beschrijving plangebied ......................................................................................................................... 9 2.2 Ruimtelijke structuur ...........................................................................................................................

10 2.3 Functionele structuur .......................................................................................................................... 11 2.4 Verkeer ................................................................................................................................................ 12 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie ............................................................................................................ 13 3.1 Ruimtelijke structuur ........................................................................................................................... 13 3.2 Functionele structuur .......................................................................................................................... 13 3.3 Stedenbouwkundige verantwoording ................................................................................................. 15 3.5 Bouwplan ............................................................................................................................................. 15 Hoofdstuk 4 Beleidskader......................................................................................................................... 16 4.1 Algemeen .............................................................................................................................................

16 4.2 Europees- en Rijksbeleid ..................................................................................................................... 16 4.3 Provinciaal beleid ................................................................................................................................ 19 4.4 Gemeentelijk beleid............................................................................................................................. 27 Hoofdstuk 5 Relevante (Milieu)aspecten .................................................................................................. 34 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 34 5.2 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................................ 34 5.3 Bodem ................................................................................................................................................. 36 5.4 Water ................................................................................................................................................... 38 5.5 Ecologie ...............................................................................................................................................

40 5.6 Wegverkeerslawaai ............................................................................................................................. 42 5.7 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 43 5.8 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 46 5.9 Externe Veiligheid ................................................................................................................................ 47 5.10 Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 49 5.11 Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................................ 49 Hoofdstuk 6 Juridische aspecten .............................................................................................................. 51 6.1 Inleiding ............................................................................................................................................... 51 6.2 Algemene toelichting verbeelding .......................................................................................................

51 6.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................ 51 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 53 7.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 53 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 53

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 4 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Afzonderlijke bijlagen: 1. Archeologische bureau- en verkennend booronderzoek, Econsultancy, rapportnummer 3461.001, 21 maart 2017 2. Verkennend bodemonderzoek, Econsultancy, rapportnummer 3109.001, 22 december 2016 3. Ecologische quickscan, Brabant Eco, rapportnummer 2023-BE-0624, 7 juni 2023 4. Akoestisch onderzoek, Kraaij Akoestisch Adviesbureau, rapportnummer VL.2070.R01, 4 april 2023 5. Standaardadvies Brandweer 2022 6. Stikstofberekening, 1 mei 2023 7. Aanmeldnotitie m.e.r. 8. Omgevingsdialoog

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 5 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding & doel

Het initiatief is om op de locatie ten noorden van de Vosdonkseweg ongenummer te St. Willebrord 19 grondgebonden woningen te realiseren. Momenteel heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch’. Het stedenbouwkundig verkavelingsplan voorziet in de realisatie van 8 twee-onder-een-kap woningen en 11 rijwoningen met bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen. Door de toevoeging van deze 19 woningen kan invulling gegeven worden aan de actuele vraag naar woningen in de kern van St. Willebrord. Het bovenstaande initiatief draagt bij aan de gestelde doelstellingen omtrent het behoud van de leefbaarheid in de dorpskernen. De vigerende bestemmingsplannen ‘Kom St. Willebrord’, ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’ en ‘Buitengebied Rucphen 2020’ staan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling niet toe. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader. 1.2

Ligging en begrenzing plangebied

De planlocatie is gelegen ten zuiden van de kern van St. Willebrord. St. Willebrord maakt onderdeel uit van de gemeente Rucphen. De gemeente Rucphen is gelegen in de provincie Noord-Brabant. De planlocatie is gelegen tussen de Vosdonkseweg, de Krommestraat en de Noorderstraat. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente RPN, sectie F, nummer 5070 en 5071.

Figuur 1: Topografische kaart met daarop de planlocatie

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 6 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 2: Luchtfoto planlocatie Vosdonkseweg

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De planlocatie Noorderstraat ligt in het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’. Op 8 maart 2023 is het bestemmingsplan vastgesteld. Daarnaast vigeert het ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’. Dit parapluplan is op 13 december 2017 vastgesteld en ziet toe op twee onderwerpen, namelijk op het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid en het herstellen van het overgangsrecht. 1.4

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Noorderstraat ong. naast 96a te St. Willebrord’ is vervat in een verbeelding, regels en gaat vergezeld met een toelichting. Verbeelding Op de verbeelding, met het nummer NL.IMRO.0840.2584K0034-ON01, zijn onder meer de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven met bijbehorende verklaringen, het zogenaamde renvooi. De verbeelding legt de verbinding tussen de bestemmingen die op de kaart aanwezig zijn aangegeven en de regels. De kaart is getekend op schaal 1:500. Regels De regels bevatten juridische regeling betreffende het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden die in het plan zijn inbegrepen. De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgang- en slotregels. De regels worden conform landelijke richtlijnen SVBP2012 en IMRO2012 toegepast en het gemeentelijk handboek. Toelichting In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoeken opgenomen. Daarnaast dient een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg, deel uit te maken van de toelichting.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 7 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de omschrijving van het project. De toekomstige situatie wordt in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 van de onderbouwing wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor de ontwikkeling van de planlocatie relevant is. De relevante (milieu)aspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van geluid, bodemgesteldheid, milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en ecologie beschreven. In hoofdstuk 6 komen de juridische aspecten aan bod. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid beschreven.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 8 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving plangebied

2.1.1

Algemeen

De huidige situatie

De planlocatie Noorderstraat is gelegen in de gemeente Rucphen, een landelijke gemeente in het westen van de provincie Noord-Brabant. De gemeente bestaat uit de kernen Rucphen, Sprundel, Schijf, St. Willebrord en Zegge. Binnen de gemeente Rucphen zijn er verschillen in het ruimtelijk structuurbeeld aanwezig; iedere dorpskern heeft zijn eigen karakter. 2.1.2

Ontstaansgeschiedenis

De geschiedenis van de dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot 1125. Het gebied tussen de Rucphense Achterhoek, de Sprundelse Luienhoek, de Ettense Hoge Donk en de Hoevense Heul werd aangeduid als 't Heike. In 1292 werd het oostelijk deel van het gebied door de Heer van Breda uitgegeven ter vervening. Na de beëindiging van de turfwinning omstreeks 1500 werden de vrijkomende gronden benut voor de landbouw. De slechtere gronden raakten begroeid met gagelstruweel en heide. Pas in 1636 werd melding gemaakt van een zekere bewoonde kern op 't Heike, waar geleidelijk meer mensen kwamen te wonen. In 1841 werd de nederzetting met circa 500 inwoners een zelfstandige parochie met de naam St. Willebrord en werd deze afgesplitst van Sprundel. Toen vervolgens de kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op tot een echt dorp. Na 1940 is St. Willebrord uitgegroeid tot het grootste kerkdorp in de gemeente Rucphen.

Figuur 3: Uitsnede historische kaart 1890 – 1899

2.1.3

Planlocatie

De planlocatie is gelegen, tegen de dorpskern van St. Willebrord, ten noorden van de Vosdonkseweg. De Vosdonkseweg is een belangrijke verbindingsweg in de gemeente Rucphen. In de omgeving van de planlocatie bevinden zich voornamelijk vrijstaande woningen.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 9 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 4: Omgeving planlocatie

2.2

Ruimtelijke structuur

2.2.1

Bebouwingsstructuur

In St. Willebrord bestaat er een duidelijke relatie tussen het landschap en het occupatiepatroon. Van oorsprong is de kern St. Willebrord een lintvormige nederzetting. St. Willebrord ontwikkelde zich langs de Dorpsstraat, een oude verbindingsweg. Na de bouw van de kerk in de tweede helft van de 19e eeuw, ontwikkelde het dorp zich rondom de kerk en het kerkhof. De kerk en het kerkhof, met zijn dominante boombeplanting en bijbehorend park, zijn mede door hun hogere ligging vanuit de omgeving duidelijk aanwezig en bepalen voor een belangrijke mate de identiteit van het dorp. De bebouwing lans de Dorpsstraat is het meest karakteristieke element in de ruimtelijke opbouw van St. Willebrord.

Figuur 5: Bebouwingstructuur rondom de planlocatie

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 10 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2.3

Functionele structuur

2.3.1

Wonen

In de omgeving van de planlocatie komt overwegend de functie wonen voor. Over het algemeen bestaat de omgeving van de planlocatie uit eengezinswoningen. Op de functiekaart (figuur 6) is met geel aangegeven, waar de functie wonen aanwezig is. 2.3.2

Detailhandel en horeca

In de omgeving van de planlocatie is geen detailhandel en horeca aanwezig, deze functies bevinden zich in het centrum van St. Willebrord.

Figuur 6: Functiekaart omgeving planlocatie

2.3.3

Bedrijven en kantoren

In de directe omgeving van de planlocatie geen bedrijven gevestigd. In de verdere omgeving zijn enkele bedrijven gevestigd. De locaties (figuur 6) van de bedrijven is met paars aangegeven. Verder zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen zelfstandige kantoren aanwezig. 2.3.4

Maatschappelijke voorzieningen

In de omgeving van de planlocatie zijn geen maatschappelijke voorzieningen gevestigd, deze zijn in het centrum van St. Willebrord gevestigd. Daar bevinden zich onder andere een Rooms-katholieke kerk en twee basisscholen. 2.3.5

Sport en recreatie

Rondom de directe omgeving van de planlocatie zijn geen sport- en recreatieve voorzieningen aanwezig. Deze zijn elders in St. Willebrord gevestigd.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 11 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2.4

Verkeer

2.4.1

Verkeerstructuur

De planlocatie grenst aan de westzijde aan de Noorderstraat, de verbindingsweg tussen de kern Sprundel en het centrum van St. Willebrord. Aan de oostzijde grenst de planlocatie aan de Krommestraat, dit is een doodlopende straat. De planlocatie is gelegen ten noorden van de Vosdonkseweg. De Vosdonkseweg is een belangrijke verbindingsweg in de gemeente Rucphen en verbindt de kernen St. Willebrord en Sprundel met de rijksweg A58. 2.4.2

Parkeren

In de kern St. Willebrord vindt het parkeren, zowel plaats op eigen terrein als aan de openbare weg. Aan de Noorderstraat en de Krommestraat wordt er deels op eigen terrein en deels aan de openbare weg geparkeerd. 2.4.3

Openbaar vervoer

In St. Willebrord bevindt zich één bushalte, aan de Noorderstraat. Vanaf hier rijdt lijn 312 richting Roosendaal en Breda.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 12 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijke structuur

3.1.1

Bebouwingsstructuur

Toekomstige situatie

De planlocatie ligt ten zuiden van de kern St. Willebrord. Het betreft een inbreidingslocatie. Het voornemen is om 19 woningen te realiseren, waarvan 8 twee-onder-een-kap woningen en 11 rijwoningen. De planlocatie is gelegen in het bestaand stedelijk gebied.

Figuur 7: Verkaveling

3.1.2

Groenstructuur

In de huidige situatie bestaat de groenstructuur voornamelijk uit tuin- en erfbeplanting. Door de beoogde ontwikkeling wordt op de planlocatie per woning tuin- en erfbeplanting aangebracht. Daarnaast wordt er per woning 75 m2 openbaar groen gerealiseerd. 3.2

Functionele structuur

3.2.1

Algemeen

Het initiatief op de planlocatie bestaat uit het oprichten van 19 grondgebonden woningen. In de bestaande situatie heeft de planlocatie de bestemming ‘Agrarisch’. De planlocatie krijgt voor een groot gedeelte de bestemming ‘Wonen’, hierbij worden bouwvlakken met de bouwaanduidingen ‘twee-aaneen’ en ‘aaneengebouwd’ toegevoegd. De rest van de planlocatie krijgt de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 13 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.2.2

Verkeer en parkeren

Verkeer Grenzend aan de planlocatie is een bestaande verkeersstructuur aanwezig, de te realiseren planontwikkeling wordt hierop aangesloten. Er wordt een straat toegevoegd tussen de Noorderstraat en de Krommestraat. Parkeren De gemeente Rucphen hanteert de Nota Parkeernormen Rucphen voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid. In de nota is per functie uitgegaan van de maximale norm van het CROW. Ten aanzien van het parkeren worden de parkeernormen gehanteerd die gelden voor een ‘overige bebouwde kom’, waarbij de gemeente Rucphen gebruik maakt van haar eigen parkeernorm die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW. Onderstaand de parkeernorm uit de nota parkeernormen van de gemeente Rucphen. De doelgroepen voor de te realiseren woningen op de planloctie zijn starters en doorstromers. Er worden 8 woningen onder de betaalbaarheidsgrens die vast is gesteld door de Rijksoverheid gerealiseerd en 11 woningen voor voornamelijk doorstromers. De woningen zijn koopwoningen. Tabel 1: Parkeernormen, Nota Parkeernormen Rucphen Parkeren naar stedelijkheidsgraad: overige bebouwde kom Min. Koop, huis, twee-onder-een-kap 2.2 per woning Koop, huis, tussen/hoek 2 per woning

Aandeel bezoekers 0.3 pp per woning (zit in de norm) 0.3 pp per woning (zit in de norm)

Tabel 2: Berekening benodigde bruto aantal parkeerplaatsen Berekening aantal bruto benodigde parkeerplaatsen naar aanleiding van de uitgangspunten Aantal Norm Aanwezig Koop, huis, twee-onder-een-kap 8 17.6 Koop, huis, tussen/hoek 11 22 Subtotaal 19 39.6 42.6 Aandeel bewoners Aandeel bezoekers Totaal

19

33.9 5.7 39.6 40

Tabel 3: Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen Theoretisch Berekeningsaantal aantal Enkele oprit zonder garage 1 0.8 Lange oprit zonder garage of 2 1.0 carport Dubbele oprit zonder garage 2 1.7 Garage zonder oprit (bij 1 0.4 woning) Garagebox (niet bij woning) 1 0.5 Garage met enkele oprit 2 1.0 Garage met lange oprit 3 1.3 Garage met dubbele oprit 3 1.8 Privé parkeerterreinen of 1 1 -garages Parkeerplaatsen in openbare 1 1 ruimte

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Balans

42.6 42

3 2

opmerkingen Min. 5 meter diep Min. 10 meter diep 4.5 meter breed

Min. 5 meter diep Min. 10 meter diep 4.5 meter breed

Pagina 14 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Tabel 4: Aanwezige parkeervoorzieningen Rekenfactoren parkeervoorzieningen bij woningen Theoretisch Berekeningsaantal aantal Enkele oprit zonder garage 0 0.8 Lange oprit zonder garage of 0 1.0 carport Dubbele oprit zonder garage 0 1.7 Garage zonder oprit (bij 0 0.4 woning) Garagebox (niet bij woning) 0 0.5 Garage met enkele oprit 1 1.0 Garage met lange oprit 4 1.3 Garage met dubbele oprit 3 1.8 Privé parkeerterreinen of 0 1 -garages Parkeerplaatsen in openbare 31 1 ruimte Totaal

Totaal 0 0 0 0 0 1 5.2 5.4 0 31 42.6 42

Uit tabel 4 blijkt dat er in totaal 42 parkeerplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied. Dit voldoet aan de parkeernorm uit de Nota Parkeren van de gemeente Rucphen. 3.3

Stedenbouwkundige verantwoording

3.3.1

Randvoorwaarden en uitgangspunten

Het doel van het stedenbouwkundig ontwerp is het inpassen op bestaande gebouwde omgeving. Om dit te bewerkstelligen dient een aantal ruimtelijke uitgangspunten gehanteerd te worden: ▪ inpassen in de huidige ruimtelijke structuur; ▪ behouden van het dorpskarakter; ▪ overgang tussen de kern en het buitengebied; ▪ het creëren van voldoende privacy d.m.v. achtertuin bij eengezinswoning; ▪ bouw- en goothoogte dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing; ▪ de woningen dienen goed bereikbaar te zijn voor brandweer e.d.; ▪ voldoende parkeergelegenheid; ▪ een goed woon- en leefklimaat. 3.3.2

Woningtypologieën

De bouwhoogte van de grondgebonden woningen sluit aan op de bestaande bouw- en goothoogte van de omgeving. 3.5

Bouwplan

De beoogde ontwikkeling, het oprichten van 19 grondgebonden woningen, sluit aan op de bestaande bebouwingsstructuur van St. Willebrord. De kavels sluiten aan op het bestaand stedelijk gebied.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 15 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de planlocatie opgenomen. 4.2

Europees- en Rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. Op de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor de planlocatie. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten, die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Op de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequenties voor de planlocatie.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 16 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.2.3

Nota Wonen

De Nota Wonen: Wonen in de 21e eeuw is opgezet onder het motto "de burger centraal”. Daarbij wordt veel aandacht besteed aan de individualisering van de samenleving. De nota gaat uit van: meer keuzevrijheid voor burgers, aandacht voor maatschappelijke waarden en een betrokken overheid bij beheerste marktwerking. Het gaat om het principe van prestatie en tegenprestatie die als basis dient voor transacties tussen de partijen. Dit wil niet zeggen dat er geen wetgeving meer noodzakelijk is. 4.2.4

Nationaal Milieubeleidsplan 4

Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: ▪ transitie naar duurzame energiehuishouding; ▪ transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; ▪ transitie naar duurzame landbouw. Dit NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. 4.2.5

Wet op de archeologische monumentenzorg (nota belvedère)

In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. De planlocatie is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016).

Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2021 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen, samen met de Nota Archeologie en de bijbehorende verordening. Zie verder paragraaf 4.4.6.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 17 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.2.6

Water

Het Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Watertoets Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.

Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor de planontwikkeling. 4.2.7

Ecologie

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017). Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding.

Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 18 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, de planlocatie moet worden getoetst op de aanwezigheid van beschermde soorten: de ‘natuurtoets’. Het aspect ecologie wordt in paragraaf 5.5 verder uiteengezet. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2024 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 4.3.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. 2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 19 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda. 5. Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.

Figuur 8: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2014

Uit figuur 8 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de ‘Stedelijke structuur – Kernen in het landelijk gebied’. Stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, zijn een belangrijke kwaliteit van Brabant. De vijf grote steden Tilburg, Breda, 'sHertogenbosch, Eindhoven en Helmond, zijn met de omliggende suburbane gebieden uitgegroeid tot de brandpunten van de verstedelijking in Noord-Brabant. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad. De groene geledingszones tussen de steden en (suburbane) kernen verbinden de steden met het omliggende landelijke gebied en vervullen een belangrijke rol als stedelijk uitloopgebied. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de stedelijke structuur in Brabant. De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen). De zoekgebieden voor verstedelijking zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

De keuze voor de zoekgebieden verstedelijking is tot stand gekomen na een integrale afweging vanuit de gebiedskwaliteiten (hanteren lagenbenadering) samen met gemeenten en waterschappen. Dit proces heeft plaatsgevonden in het kader van de opstelling van de uitwerkingsplannen van het streekplan van 2002. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. De provincie stuurt op een concentratie van verstedelijking. De sturing op

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 20 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

de kernen in het landelijk gebied sluit daarom aan op de sturing voor stedelijke concentratiegebieden. Hier zijn alleen elementen opgenomen in aanvulling/afwijking op teksten van het stedelijk concentratiegebied. Het plan op de locatie Noorderstraat voorziet in een inbreiding in het bestaand stedelijk gebied. Het betreft hier zorgvuldig ruimtegebruik. Met de inbreiding wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, het plan aan de Noorderstraat vindt zijn aansluiting op het bestaand stedelijk gebied. Het beoogde plan past binnen de beleidslijnen van de SVRO. 4.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

In 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: - Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; - Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; - Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; - Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; - Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; - Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Het ontwerp van de Interim omgevingsverordening is in april vastgesteld. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. In figuur 9 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie. Uit figuur 9 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’. Over de planlocatie ligt de aanduidingen ‘Stalderingsgebied’.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 21 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 9: Uitsneden kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening, Noord-Brabant

Op de planlocatie worden 19 woningen opgericht. De woningen worden opgericht binnen het stedelijk gebied. In de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen waaraan gehouden moet worden bij de ontwikkeling van bovenstaand initiatief. De ontwikkeling binnen de planlocatie kan binnen de Interim omgevingsverordening onderverdeeld worden in twee onderdelen. Dit zijn de onderdelen ‘oprichten woningen’ en ‘algemene regels’. Hieronder wordt elk onderdeel getoetst aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderdeel 1: Oprichten woningen Het initiatief is om op de planlocatie 19 nieuwe woningen op te richten. In artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor nieuwbouw van woningen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 22 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit. Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de dorpskern van St. Willebrord. Het perceel ligt in de kern van St. Willebrord, met passende woningbouw wordt aangesloten op de omgeving. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern St. Willebrord wordt hiermee bevorderd. De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Het onderzoek naar de behoefte van woningen wordt door de provincie Noord-Brabant strak geregisseerd. Dit is verankerd in Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ van de Interim omgevingsverordening. In Afdeling 5.4 is bepaald dat er ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg plaats vindt tussen Gedeputeerde Staten, gemeenten, regio’s en waterschappen.

De gemeente Rucphen is ingedeeld bij de regio West-Brabant. Volgens de Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ plegen de deelnemers aan het RRO regionale afstemming en maken afspraken over de programmering en planologische voorbereiding van de bouw van woningen; informeren elkaar over de voortgang van hiervoor bedoelde voornemens en afspraken; en hebben een monitoringssysteem waarin de voortgang van de woningbouw wordt bijgehouden. Rucphen maakt deel uit van het RRO-gebied West-Brabant (18 gemeenten) en de subregio West (landelijk gebied). RRO-gebied West-Brabant valt samen met het COROP-gebied West-Noord-Brabant. Dit is conform het advies uit de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van infrastructuur en Milieu. Via de RRO's geven de Brabantse gemeenten jaarlijks inzicht in hun woningbouwplannen. Hiertoe actualiseren de gemeenten jaarlijks hun 'overzicht woningbouwcapaciteiten per gemeente', kortweg de matrix genoemd. Sinds 1 december 2016 is de Regionale Agenda Wonen 2017 van toepassing, waarin de meest actuele regionale woningbouwafspraken zijn opgenomen. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose 2016 t/m 2025 laat een behoorlijke regionale woningbouwopgave zien van circa 33.000 woningen (39.000 inclusief sloop) tot 2030.

De groei van de woningvoorraad is de afgelopen jaren echter achter blijven lopen ten opzichte van de geprognosticeerde woningbehoefte. De regio West-Brabant heeft op basis van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, de bevolkings- en woningbehoefteprognose en de gemeentelijke woningbouwontwikkelingen de regionale woningvoorraad en woningbouwopgave per gemeente voor de periode 2016 t/m 2025 bepaald. In de Regionale Agenda Wonen zijn de woningbouwcapaciteit en - opgaven per gemeente opgenomen.

Figuur 10: Woningbouwopgaven en plancapaciteiten gemeenten 2016 t/m 2025

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 23 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 515 woningen t/m 2025. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van 19 extra wooneenheden. Onderdeel 2:

Algemene regels: Bevordering ruimtelijke kwaliteit

Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); ▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, tweede lid, Bro) Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame ontwikkeling).

Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ladder voor duurzame ontwikkeling). Op 1 juli 2017 is de nieuwe ladder vastgesteld. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder kent meerdere vragen die achter elkaar worden doorlopen. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied betreft de ontwikkeling van 19 wooneenheden. Hier is sprake van een stedelijke ontwikkeling, de ontwikkeling is hierdoor ladderplichting.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 24 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Is de stedelijke ontwikkeling 'nieuw'? De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De ontwikkeling binnen het plangebied is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Voor het onderzoek naar de woonbehoefte is gekeken naar de behoefte in de relevante regio. In NoordBrabant maken gemeenten afspraken over de woonprogrammering, samen met de provincie. Dit systeem zorgt ervoor dat er in principe geen planoverschotten ontstaan. In de RRO-regio's wordt hieraan verder invulling gegeven met een Regionale Agenda Wonen. Een belangrijk onderdeel hiervan is dat de woningbouwopgave per gemeente in kaart is gebracht. Daarnaast is de plancapaciteit per gemeente in beeld gebracht, waardoor snel inzichtelijk is of er sprake is van een bepaalde behoefte in een gemeente of grotere regio. De gemeente Rucphen valt binnen het landelijk gebied van de subregio West-Brabant en omstreken. In de gemeente Rucphen bedraagt de prognose van de woningbehoefte tot 2031 475 woningen. Uit de RRO van de regio West-Brabant blijkt dat er nog ruimte is voor woningbouw. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied omvat 19 nieuwe woningen. Uit de Regionale Agenda wonen blijkt dat de regio WestBrabant hun plannen met elkaar afstemmen door ambtelijk overleg over volkshuisvesting.

Met betrekking tot de ontwikkeling van 19 woningen in het plangebied, kan gesteld worden dat deze regionaal is afgestemd en goedgekeurd in het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant. Binnen het plangebied worden 19 woningen gerealiseerd, hiervan vallen 8 onder de betaalbaarheidsgrens die vast is gesteld door de Rijksoverheid. Deze woningen zijn met name geschikt voor starters. De overige 11 woningen zijn voornamelijk voor doorstromers bedoeld. Uit onderzoek blijkt dat de behoefte aan dit soort woningen in de kern van St. Willebrord aantoonbaar is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie sluit hierop aan, waarbij voldaan kan worden aan de woonbehoefte binnen de regio. Het initiatief wordt vanuit de kwalitatieve en kwantitatieve afwegingen passend geacht binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking. De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. De beoogde ruimtelijke planontwikkeling voldoet aan de regels zoals opgesteld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.3.4

Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die in 2024 in werking gaat treden. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Met ingang van 9 april tot en met 20 mei heeft het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant ter inzage gelegen. In figuur 11 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie. Uit figuur 11 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Stedelijk gebied’. Over de locatie liggen tevens de aanduidingen ‘Voorkomen grondwaterverontreiniging’ en ‘Stalderingsgebied’.

Bestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 25 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 11: Uitsnede planlocatie Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant

In artikel 4.55 zijn specifieke regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Hieronder is artikel 4.55 weergegeven. Artikel 4.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor de locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 6.2 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in het geval dat: a. een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving wordt bevorderd; b. zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden, wordt bevorderd; c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. wordt bij gedragen aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het omgevingsplan regels over: a.

een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b. het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waarvan in ieder geval sprake is bij: 1. bedrijfswoningen; 2. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven conceptBestemmingsplan toelichting MJ2006 | 24-07-2023

Pagina 26 van 54

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

versterkend werken en geclusterd worden; 3. Voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.

Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de dorpskern van St. Willebrord. Het perceel ligt in de kern van St. Willebrord, met passende woningbouw wordt aangesloten op de omgeving. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern St. Willebrord wordt hiermee bevorderd. De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Voor het onderzoek naar de woonbehoefte is gekeken naar de behoefte in de relevante regio. In NoordBrabant maken gemeenten afspraken over de woonprogrammering, samen met de provincie. Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 475 woningen t/m 2031. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat ruim 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van 19 extra wooneenheden.

Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Omgevingsvisie Rucphen

De gemeenteraad van Rucphen heeft bij besluit van 2 november 2022 de ‘Omgevingsvisie Rucphen 1.0’ vastgesteld. In de ‘Omgevingsvisie Rucphen’ geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen. In de omgevingsvisie Rucphen komt al het beleid dat gaat over de leefomgeving samen. Het gaat over bouwen, milieu, gezondheid, natuur, veiligheid en water. In de omgevingsvisie heeft de gemeente Rucphen de koers voor de komende 20 tot 30 jaar uitgestippeld. Op volgende figuur is te zien dat de concentratie van dorpskernen kenmerkend is voor de gemeente Rucphen. In de noordoostelijke hoek van de gemeente vormen de drie grootste dorpen Rucphen, St. Willebrord en Sprundel samen één driehoek. Vanuit het verleden en het heden heeft de gemeente Rucphen drie ambities beschreven voor de toekomst van Rucphen rond 2040. Dit betreffen de ambities: ‘duurzaam samenleven’, ‘prettig samenleven’ en ‘ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding’. Duurzaam samenleven Om zoveel mogelijk maatregelen te nemen moet het aanpassen van de leefomgeving aan het veranderende klimaat een vanzelfsprekendheid worden. Bij nieuwe initiatieven vanuit de inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties en bij het inrichten van de openbare ruimte moet altijd bekeken worden of er maatregelen getroffen kunnen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13480066/1