13b Bijlage 2d - Bijlage bij de toelichting - Deel 2
Tekst van het document
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4. Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), Transect Archeologisch Onderzoek en Advies, rapportnummer 21100008, 16 juni 2022
Bijlagen toelichting 211300 | 10-03-2023
Transect-rapport 3727 Zegge, Kapelstraat 26 Gemeente Rucphen (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
I.S.J. Beckers MA
Versie
Versie 2.0 (definitief)
Projectcode
21100008
Datum
16-06-2022
Opdrachtgever
Schoenmakers Advies
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Molenzicht 2 4881 BW Zundert Uitvoerder
Transect Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Onderzoeksmelding
5137411100
Bevoegde overheid
Gemeente Rucphen
Adviseur bevoegde overheid
Regioarcheologen Programmabureau RWB
Status
Nog niet goedgekeurd
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (06-12-2021)
Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven (Senior archeoloog)
Datum
Paraaf
21-12-2021
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting In opdracht van Schoenmakers Advies heeft Transect in november en december 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Kapelstraat 26 te Zegge (gemeente Rucphen). Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen en aanvullen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Op basis van het archeologisch vooronderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: • Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van het Brabantse dekzandgebied. Het gebied rondom Zegge heeft een relatief lage ligging gehad en is daarom gedurende de Bronstijd deel gaan uitmaken van een veengebied. Het veengebied is ontgonnen in de Late Middeleeuwen. Op basis hiervan kunnen archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum aanwezig zijn. Als een archeologische vindplaats aanwezig is zal deze bestaan uit de resten van een jachtkamp en zal zich manifesteren als een vondststrooiing van bewerkt vuursteen en houtskool in een eventueel aanwezige podzolbodem.
Omdat het plangebied deel heeft uitgemaakt van een veengebied worden geen archeologische resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen verwacht. • Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het zuidwesten van het plangebied een smederij heeft gestaan. Deze smederij was in ieder geval aanwezig in de periode 1830-1880, maar is mogelijk nog ouder. Mogelijk archeologische resten uit deze periode bestaan uit funderingsresten, resten van beer- en waterputten en een vondstconcentratie van baksteenfragmenten en metaalslak in de humeuze bovengrond. De resten van de smederij (en oudere archeologische resten) kunnen verstoord zijn geraakt tijdens de bouw van een woning in ca. 1889, tijdens de bouw van de garage in het noordoosten van het plangebied en door een in 2000 in het gebied uitgevoerde sanering. • Uit het booronderzoek blijkt dat de oorspronkelijke podzolbodem (op een verploegde BChorizont in boring 6 na) niet meer aanwezig is. Het dekzand als archeologisch relevante niveau is niet meer intact. In het noorden van het plangebied is ook de top van de C-horizont en dus ook het potentiële archeologische sporenniveau afgetopt. In dit deel van het plangebied worden daarom geen archeologische waarden meer verwacht. Dit geldt ook voor de zone rondom boring 2, omdat hier een sanering is uitgevoerd. Uit de extra boring (boring 6) blijkt dat deze sanering plaatselijk is geweest.
• In het zuiden van het plangebied lijkt de top van de C-horizont intact gebleven en is dus sprake van een potentieel archeologisch sporenniveau. In het zuidwesten van het plangebied is een concentratie van baksteenfragmenten en resten smeedafval (slakken) aangetroffen. De kans is dus aanwezig dat nog resten van de smederij in de zuidwesthoek van het plangebied aanwezig zijn. Het potentiële archeologische sporenniveau bevindt zich op 60-70 cm -mv, maar ondieper, vanaf ca. 40 cm -mv, kunnen nog funderingsresten aanwezig zijn. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om een de huidige bebouwing te slopen en een appartementengebouw te realiseren. Hiertoe dient de bestemming van het plangebied gewijzigd te worden van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ en zijn graafwerkzaamheden noodzakelijk. In het noordelijke deel van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Omdat uit het onderzoek blijkt dat in het zuiden van het plangebied een potentieel archeologisch sporenniveau en/of resten van een smederij uit de 19e eeuw aanwezig kunnen zijn, adviseren wij om hier vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (bijlage 7). Vanwege de geringe omvang van (dit deel van)
het plangebied is het verstandig om een doorstart te maken naar een opgraving als de resultaten van het proefsleuvenonderzoek hier aanleiding toe geven. De wekwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Wanneer er onverhoopt tijdens de graafwerkzaamheden toch resten gevonden worden, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze van archeologische waarde zijn geldt een meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10. Deze melding kan dan bij de gemeente als bevoegde overheid plaatsvinden. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Rucphen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5.
Beleidskader
7
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
8
7.
Beschrijving bekende archeologische kenmerken
10
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
13
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
19
10.
Resultaten veldonderzoek
21
11.
Beantwoording onderzoeksvragen
23
12.
Conclusie en Advies
24
13.
Geraadpleegde bronnen
26
Bijlage 1: Archeologische Beleidskaart gemeente Rucphen
28
Bijlage 2: Geomorfologische kaart
30
Bijlage 3: Hoogtekaart
31
Bijlage 4: Bodemkaart
32
Bijlage 5: Archeologische informatie (bron: Archis3)
33
Bijlage 6: Boorpuntenkaart
35
Bijlage 7: Advieskaart
35
Bijlage 8: Foto’s van boringen
37
Bijlage 9: Boorbeschrijvingen
39
1. Aanleiding In opdracht van Schoenmakers Advies heeft Transect1 in november 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Kapelstraat 26 te Zegge (gemeente Rucphen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de wijziging van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van een appartementengebouw. In het plangebied geldt in het bestemmingsplan “Kom Zegge” de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ met de gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 2’. In de zone met deze dubbelbestemming geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en dieper dan 50 cm -mv archeologisch onderzoek verplicht is. Omdat het bestemmingsplan gewijzigd moet worden van bedrijf naar wonen is archeologisch vooronderzoek nodig, om de archeologische waarde van het terrein te inventariseren. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Beckers, 2021).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologische en geomorfologische kaartmateriaal geraadpleegd. Ook is informatie opgevraagd bij heemkundekring "Den Lande van Zegge" (per e-mail, op 24-11-2021).
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens (verkennende fase). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O).
Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? • Is de oorspronkelijke podzolbodem nog aanwezig? • Hoe dik is het humeuze dek en hoe is het humeuze dek opgebouwd? Zijn tijdens het booronderzoek concentraties van aardewerk en bouwmateriaal gevonden? • In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Heeft de sanering in 2000 een grote impact gehad? • Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).
2
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Rucphen
Plaats
Zegge
Toponiem
Kapelstraat 26
Kaartblad
49F
Centrumcoördinaat
94.744 / 396.698
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied bestaat uit het perceel van de Kapelstraat 26 te Zegge (gemeente Rucphen). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. In het plangebied is momenteel Ahmeds Garagebedrijf gevestigd. In het noordoosten bevindt zich de werkplaats van het autobedrijf. De overige delen van het plangebied zijn verhard met klinkers. Kadastraal omvat het plangebied perceel 2755, Sectie A van de kadastrale gemeente Rucphen. De begrenzing van het plangebied wordt gevormd door de grenzen van dit perceel en het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 870 m2.
3
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven; bron kaart: www.opentopo.nl).
Figuur 2: Luchtfoto van het plangebied (met zwarte lijnen aangegeven; bron kaart: google maps).
4
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Wijziging Bestemmingsplan
Oppervlakte plangebied
870 m2
Planvorming
Bouw appartementengebouw
Omvang verstoringen
Aanleg fundering (diepte ca. 80 cm -mv)
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden (aanleg bouwput)
Diepte verstoring
80 cm -Mv
Het voornemen bestaat om de huidige werkplaats te slopen en in het zuidwestelijke deel van het plangebied een nieuw appartementengebouw te realiseren. Deze zal opgedeeld worden is zes appartementen, drie op de begane grond en drie op een bovenverdieping. In het noordoosten van het plangebied zal een berging gebouwd worden. De omtrek van de nieuwe bebouwing is op een situatietekening weergegeven in figuur 3. De nieuwe bebouwing zal gefundeerd worden ‘op staal’: ter plaatse van de nieuwe funderingsbalken zal tot circa 80 cm -Mv gegraven worden. Om deze herontwikkeling in het gebied mogelijk te maken, is een wijziging van het bestemmingsplan van bedrijf naar wonen nodig. De bodemingrepen zullen naar verwachting het bodemarchief en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden aantasten.
5
Figuur 3: Tekening van de toekomstige situatie in het plangebied. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: CGA Mol Bouwadvies).
6
5. Beleidskader Onderzoekskader
Wijziging bestemmingsplan
Beleidskader
Bestemmingsplan Kom Zegge
Onderzoeksgrens
Bij een oppervlakte van 100 m2 en 50 cm -mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. In het bestemmingsplan “Kom Zegge” geldt de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’ met de gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 2’. Deze waarde is gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen (bijlage 1; Weterings-Korthorst et al., 2019). Op deze kaart heeft het plangebied een waarde 2: historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen van jagerverzamelaars.
In de zone met deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en dieper dan 50 cm -mv archeologisch onderzoek verplicht is.2 Vanwege de regels uit het bestemmingsplan en de benodigde wijziging van het bestemmingsplan is voor het onderzoeksgebied archeologisch onderzoek nodig (zie hoofdstuk 4). In het kader van de omgevingsvergunning dient de aanvrager een archeologisch onderzoekrapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rucphen in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNA-waarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.
2 http://www.ruimtelijkeplannen.nl
7
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Brabants Zandgebied
Geomorfologie
Terrasafzettingswelvingen, met dekzand
Maaiveld
6,1 m +NAP
Bodem
Laarpodzolgronden
Grondwatertrap
GWT VI
Landschapsgenese Het plangebied is gelegen in het Brabants zandgebied. In de ondergrond van het plangebied komt op een diepte van ca. 2 m +NAP (ca. 4 m –mv) de Formatie van Stramproy voor.3 De afzettingen van deze Formatie zijn in het Vroeg-Pleistoceen, in de periode van 2,2 tot 0,85 miljoen jaar geleden, afgezet. De afzettingen bestaan uit door de wind aangevoerd zand (eolische afzettingen) en door beken en kleine rivieren uit Midden-België aangevoerd zand. Het plangebied maakt deel uit van een tektonisch opheffingsgebied en daarom ligt deze relatief oude Formatie nu relatief dicht onder het oppervlak. 4 De afzettingen van de Formatie van Stramproy worden afgedekt door afzettingen van de Formatie van Boxtel, afgezet tijdens de laatste ijstijd (Weichselien, 114.000 tot 9700 v. Chr.). In de basis komt een pakket door sneeuwsmeltwater vervoerd en afgezet leem en zand voor (fluvio-periglaciale afzettingen). In dit pakket komen daarom afwisselend zand- en leemlagen voor. Het wordt afgedekt door dekzand (Laagpakket van Wierden). Het dekzand dateert uit een koude en droge periode gedurende het Weichselien. Er was een geringe hoeveelheid vegetatie en daarom konden grote hoeveelheden zand door de wind verplaatst worden. Het dekzand is afgezet is dekzandruggen, welvingen, kopjes en vlaktes en in het dekzandgebied zijn veel lokale hoogteverschillen ontstaan.
Volgens de Turfdatabase heeft het plangebied oorspronkelijk deel uitgemaakt van een veengebied. Het betreft hier de zogenaamde Vlaamse Moer. 5 Gedurende het Holoceen verslechterde de waterhuishouding in dit gebied geleidelijk, waarbij in veel zones steeds meer veenvorming plaatsvond. Volgens de Atlas van Holoceen Nederland is de zone van het plangebied tussen ca. 1500 en 500 v. Chr. deel gaan uitmaken van een veengebied.6 Uiteindelijk groeiden enkele zones met veenvorming aan elkaar zodat een uitgestrekt veengebied ontstond waar het gebied rondom Zegge toe behoorde. Dit veengebied, de Vlaamse Moer, is ontgonnen in de periode tussen 1280 en 1412. Hierbij werd het veen afgegraven voor de turfproductie en het restveen is uiteindelijk vermengd geraakt met de bouwvoor. 7 Geomorfologie Op de geomorfologische kaart maakt het plangebied deel uit van een door de ligging in een bebouwde dorpskern niet-gekarteerde zone. Het plangebied ligt echter wel in het verlengde van een zone met Terrasafzettingswelvingen, met dekzand (kaartcode 3L12a, bijlage 2). Door tektonische opheffing is het plangebied deel gaan uitmaken van een terras waar relatief ondiep Vroeg-Pleistocene afzettingen aanwezig zijn. Deze zijn afgedekt door dekzandwelvingen.
3 http://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 4 Tebbens 2016 5 https://gis.provincieantwerpen.be/Turfdatabank/LSCH6b.pdf 6
Vos et al. 2018
7 Leenders 2013
8
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat de maaiveldhoogte licht oploopt van het zuiden van het plangebied naar het noorden, van 6 tot 6,2 m +NAP ligt (bron: www.ahn.nl; bijlage 3). Op ca. 50 m ten oosten van het plangebied is een langgerekte, noord-zuid-lopende verhoging zichtbaar. Waarschijnlijk is dit de dekzandrug die op de geomorfologische kaart ten noorden van de kern van Zegge gekarteerd is en verder naar het zuiden doorloopt.8 Bodem Volgens de bodemkaart ligt het plangebied in een zone met laarpodzolgronden, ontwikkeld in leemarm en zwak lemig fijn zand (kaartcode cHn21; bijlage 4). Laarpodzolgronden worden gekenmerkt door een 30 tot 50 cm dikke humeuze bovengrond. Dit humeuze plaggendek is ontstaan door jarenlange plaggenbemesting in de periode vanaf de Late Middeleeuwen.9 Grondwatertrap De grondwatertrap in het plangebied is VI. Dit betekent over het algemeen dat er sprake is van relatief droge gronden, waarbij de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) tussen 40 en 80 cm –Mv. wordt aangetroffen en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) op dieper dan 120 cm –Mv. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat zowel organische als anorganische archeologische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven, voor zover deze beneden 120 cm –Mv. liggen.
Onverbrande organische resten die binnen 120 cm –Mv. liggen zijn naar verwachting door oxidatie aangetast dan wel gedegradeerd.
8
https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
9 Damoiseaux 1982
9
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Hoge verwachting
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied maakt op de Archeologische MonumentenKaart (AMK) geen deel uit van een AMKterrein. Archeologische verwachting Op de gemeentelijke verwachtingskaart (bijlage 1) kent het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging in de dorpskern van Zegge. Het omliggende gebied heeft een lage archeologische verwachtingswaarde vanwege de relatief lage ligging van het gebied van Zegge in de gemeente Rucphen.10 Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden (bron: Archis3). In de omgeving van het plangebied is wel eerder onderzoek uitgevoerd in het kader van nieuwbouwplannen of herontwikkelingen: • Op 120 m ten oosten van het plangebied bevindt zich de locatie Zegge-Oost. Deze locatie is in 2010 onderzocht door middel van een bureauonderzoek. Het noordelijk deel van de locatie heeft volgens het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachtingswaarde. In het zuiden van de locatie is de bovengrond waarschijnlijk afgegraven.
Vanwege de hoge archeologische verwachtingswaarde werd in het gebied een verkennend booronderzoek geadviseerd. Dit onderzoek is heden nog niet uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienummer 2307700100; rapport niet beschikbaar). • In 2018 is voor de locatie Onze Lieve Vrouwestraat 101, op ca. 150 m ten westen van het plangebied, een gecombineerd archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek werd geconcludeerd dat in het gebied een middelhoge archeologische verwachting was voor archeologisch resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge archeologische verwachtingswaarde voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Tijdens het booronderzoek werd een 70 tot 200 cm dik humeus ophogingsdek aangetroffen, dat gerelateerd werd aan de ontwikkeling van het dorp Zegge sinds de 14e eeuw. De top van dit dek was echter tot een variërende diepte verstoord geraakt en daarom werden in het gebied geen archeologische waarden verwacht. Daarom is geadviseerd het gebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling (Archis-zaakidentificatienummer 4043377100).11 • In 2006 is een bureauonderzoek uitgevoerd voor de wijk Stokhasselt, op ca. 150 m ten zuiden van het plangebied. De onderzoekers concluderen dat in het gebied nog archeologische waarden uit de Steentijd tot en met de Nieuwe Tijd aanwezig kunnen zijn, maar dat door recente stedenbouw
10
Weterings-Korthorst et al., 2019
11 van der Zee 2018
10
de bovengrond veelal verstoord is geraakt. Daarom werd eerst een verkennend booronderzoek geadviseerd, om de mate van verstoring goed in beeld te krijgen. Dit booronderzoek is vooralsnog niet uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienummer 2142428100).12 Op ca. 280 m ten westen van het plangebied zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Tijdens het uitvoeren van een bureauonderzoek op de locatie Hooghei II werd aangetoond door informatie van de perceeleigenaar en milieu hygiënische boringen dat de locatie relatief sterk verstoord was geraakt. Verder archeologisch onderzoek werd daarom niet noodzakelijk geacht (Archis-zaakidentificatienummer 2256282100).13 Bij een onderzoek van de Hoefstraat 12 werd geconcludeerd dat het gebied oorspronkelijk laag gelegen moet hebben. In de 19e of 20e eeuw is het gebied opgehoogd om het geschikt voor bewoning te maken. Op basis van de bodemopbouw werd geconcludeerd dat in het gebied geen archeologische waarden verwacht hoeven te worden (Archis-zaakidentificatienummer 4745097100 en Archisvondstlocatie 1227254).14 Op een andere locatie langs de Hoefstraat is direct onder het maaiveld een 40 tot 80 cm dik cultuurdek aangetroffen. De oorspronkelijke bodem is niet meer intact.
Omdat het oorspronkelijke bodemprofiel verstoord is geraakt, werden in het gebied geen archeologische waarden meer verwacht (Archis-zaakidentificatienummer 5076710100).15 De locatie AM de Jongstraat, op ca. 350 m ten noorden van het plangebied, is onderzocht door een bureauonderzoek en een karterend booronderzoek. Uit het bureauonderzoek bleek dat de locatie een hoge archeologische verwachtingswaarde had voor het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge archeologische verwachtingswaarde voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Uit het booronderzoek bleek dat de podzolbodem deels bewaard was gebleven. Door middel van karterende boringen is het gebied gecontroleerd op de aan- of afwezigheid van vuursteenvindplaatsen. Omdat hierbij geen archeologische indicatoren zijn gevonden, werden in het gebied geen archeologische waarden verwacht. (Archiszaakidentificatienummers 2369642100 en 2389155100).16 Op ca. 400 m ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich de woningbouwlocatie Hooghei. In dit gebied zijn in twee fases archeologische booronderzoeken uitgevoerd. Omdat hierbij geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, werden in het gebied geen archeologische waarden verwacht. (Archis-zaakidentificatienummer 2117237100).17 De locatie Lage Zegstraat 2-8, op ca.
450 m ten zuidwesten van het plangebied, is in 2010 onderzocht door middel van een gecombineerd bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Direct onder het maaiveld werd een geroerd humeus pakket aangetroffen, dat direct naar beneden toe overging in de C-horizont van het dekzand. Het humeuze pakket leek recente geroerd te zijn. Vanwege de bodemverstoringen en de relatief natte omstandigheden van het gebied worden geen archeologische waarden verwacht. De locatie is daarom vrijgegeven voor de voorgenomen woningbouw (Archis-zaakidentificatienummer 2284535100).18
•
•
•
•
Informatie uit overige bronnen Tijdens het onderzoek is de heemkundekring van Zegge geraadpleegd (per e-mail op 24-11-2021). Tot op heden is hierop geen reactie ontvangen. Samengevat valt uit de uitgevoerde onderzoeken op te maken dat het dorp Zegge in een relatief laaggelegen deel van het dekzandlandschap lag. Vanaf het Neolithicum is dit deel van het dekzandlandschap langzaam ‘verdronken’ in een veenmoeras. Het werd pas weer toegankelijk als 12 Van Dijk et al., 2006 13 Schutte, 2013 14 Kalisvaart, 2020 15 Van der Zee, 2022 16 Van Putten, 2012 en Van Putten, 2013 17
Geraeds, 2006 Kramer, 2010
18 De
11
gevolg van de ontginning van het veen in de Late Middeleeuwen. In de dorpskern werden daarom alleen archeologische waarden uit de perioden Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd verwacht. Binnen het onderzoeksgebied van 500 m zijn in de diverse onderzoeken nog geen archeologische waarden gevonden. Uit diverse booronderzoek blijkt dat de bovengrond sterk verstoord is geraakt in de 19e en de 20e eeuw.
12
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype
Veenontginningen
Cultuurhistorische elementen
Nee
Aard historisch landgebruik
Erf
Historische bebouwing aanwezig
Nee
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Historische situatie Zegge maakte in de Late Middeleeuwen deel uit van de Vlaamse Moer, een ontoegankelijk veengebied ten oosten van Roosendaal. In de periode tussen 1280 en 1287 is de concessie uitgegeven door de heer van Breda om dit gebied te ontginnen. Het gebied werd ontgonnen in acht blokken met een min of meer gelijke grootte. Tijdens de periode van de veenontginningen werd op grote schaal veen gewonnen voor de turffabricage.19 In 1459 werd een Mariakapel bij Roosendaal vermeld; het betreft hier waarschijnlijk de Mariakapel in het centrum van Zegge. De plaatsnaam Zegge is veel jonger. De plaats is waarschijnlijk genoemd naar de in het veen aanwezige zegge-plant. Uiteindelijk is door samenvloeiing van een aantal gehuchten langs de Oude Lieve Vrouwestraat het dorp Zegge ontstaan.20 Historische kaarten Op de kaart van Adans uit 1765 is het dorp Zegge in beeld gebracht. Op deze kaart strekt het zich voornamelijk langs de Oude Lieve Vrouwestraat uit. De Kapelstraat lijkt onbebouwd alhoewel de kaarten uit deze periode vaak niet alle bebouwing in een gebied laten zien. Op de kadastrale minuutkaart uit de periode tussen 1811 en 1832 is in de zuidwestelijke hoek van het plangebied een gebouw afgebeeld. Volgens de bij de kaart horende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafelen (OAT) woonde hier Jan van den Lijnden, een smid. Waarschijnlijk betrof het hier dan ook een smederij.
De overige percelen waren in gebruik als tuin of als bouwland. Op een hulpkaart van het kadaster uit 1886 is de smederij nog afgebeeld. De smederij moet in de periode tussen 1886 en 1889 zijn gesloopt, want op een hulpkaart van het kadaster uit 1889 is iets ten noordoosten van de vroegere smederij een woning gebouwd. Op een hulpkaart van het kadaster uit 1968 is deze woning nog wel zichtbaar maar op een hulpkaart uit 1969 is deze verdwenen. De woning is waarschijnlijk aan het einde van de jaren ’60 van de vorige eeuw gesloopt. Op de hulpkaart van 1969 is in het noordoosten van het plangebied een grage afgebeeld. Op de kaart uit 1980 is te zien dat door het plangebied een weg loopt met een noordwestzuidoost oriëntatie. Volgens de gegevens van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) dateert de huidige garage uit 1987. 21 De historische ontwikkeling is aan de hand van topografisch kaartmateriaal te volgen in figuren 4 tot en met 9. Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen in het plangebied (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffe.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl).
19 De Kramer 2010, Leenders 2013 20
Croonen Adviseurs en IDDS Archeologie 2011; van der Zee 2018
21 https://bagviewer.kadaster.nl
13
Huidig gebruik en bodemverstoringen In het noordoosten bevindt zich een garage. De overige delen van het plangebied zijn verhard met een klinkerverharding. In de Omgevingsrapportage van de omgevingsdiensten in de provincie NoordBrabant is vermeld dat het plangebied in 2000 volledig is gesaneerd. In het rapport is niet vermeld hoe diep hierbij is gegraven. In hoeverre de bodem in de rest van het plangebied intact gebleven is, zal aan de hand van boringen te velde moeten worden bepaald.
14
Figuur 4: Uitsnede van de kaart van Rucphen en omgeving van H. Adan uit 1765 met de locatie van het plangebied (de rode cirkel). Het noorden is beneden.
Figuur 5: Locatie van het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit de periode tussen 1811 en 1832.
15
Figuur 6: Locatie van het plangebied op de Bonnekaart uit 1870.
Figuur 7: Hulpkaart uit het kadaster uit 1889 met de locatie van de nieuwgebouwde woning en de smederij (vaag, op de achtergrond).
16
Figuur 8: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1937.
Figuur 9: Locatie van het plangebied op de hulpkaart van het kadaster uit 1969.
17
Figuur 10: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1980.
Figuur 11: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1995.
18
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Hoog
Periode
Nieuwe Tijd
Complextypen
Resten van een smederij
Stratigrafische positie
Direct onder het maaiveld, in een circa 100 cm dik humeus dek
Aanwezigheid en dichtheid Het plangebied ligt in de dorpskern van Zegge. Waarschijnlijk ligt op circa 50 m ten oosten van het plangebied een dekzandrug. Door de ligging op de rand van de dekzandrug ligt het plangebied in een zogenoemde gradiëntzone en is daarom geschikt geweest voor bewoning in het Laat-Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum. Tijdens en na het Neolithicum ging de zone rondom Zegge deel uitmaken van een uitgestrekt veengebied. Het plangebied is waarschijnlijk bedekt geweest met een veenpakket. In de periode van veengroei (Neolithicum-Middeleeuwen) was het gebied ontoegankelijk en weinig geschikt voor bewoning. Het veengebied van Zegge is in de 14 e en 15e eeuw grootschalig ontgonnen en het meest veen is gewonnen voor de turffabricage. Op basis van het historisch kaartmateriaal wordt langs de Kapelstraat geen bewoningslint uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd verwacht maar bestond de bebouwing tot het einde van de 19 e eeuw uit verspreid liggende bebouwing. In de zuidwestelijke hoek van het plangebied is een smederij geweest. Deze is waarschijnlijk in de periode 1886-1889 gesloopt voor een woning. Deze woning is in de jaren ’60 van de vorige eeuw gesloopt waarna in het noordoosten van het gebied een garage is gesticht. In 2000 is een grootschalige sanering uitgevoerd. De kans is groot dat door recente bodembewerkingen de bovengrond verstoord is geraakt.
Stratigrafische positie Een eventuele vuursteenvindplaats uit het Laat-Paleolithicum kan aanwezig zijn in een bodemlaag in de top van het dekzand (zoals de laag van Usselo) De resten van een vuursteenvindplaats uit het Mesolithicum of Neolithicum worden in de podzolbodem verwacht, als deze intact is gebleven. Een dergelijke podzolbodem zal zich onder een ca. 50 tot 100 cm dik humeus dek bevinden, gevormd door jarenlange plaggenbemesting en (sub)recente bodembewerkingen. Eventuele resten uit de Nieuwe Tijd bevinden zich waarschijnlijk in dit humeuze dek. Complextypen, prospectiekenmerken en -beperkingen Een eventuele archeologische vindplaats uit het Laat-Paleolithicum, Mesolithicum of Neolithicum zal bestaan uit de resten van een jachtkamp en zal zich manifesteren als een vondstspreiding van vuursteenartefacten en/of houtskool. Een archeologische vindplaats uit de Nieuwe Tijd manifesteert zich als een concentratie van aardewerkfragmenten en resten baksteen in de humeuze toplaag. Eventuele muurfunderingen en resten van bijvoorbeeld beer- en waterputten kunnen op elke diepte in dit humeuze dek aanwezig zijn. Om binnen het plangebied systematisch naar de aanwezigheid van vindplaatsen te kunnen zoeken, dienen eerst de mate van intactheid van de bodem en de landschappelijke opbouw van het plangebied te worden vastgelegd.
Dit kan door middel van het uitvoeren van verkennende boringen.
19
Tabel 1: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel
1
Archeologische verwachting Datering
2 3 4
Complextype Omvang Diepteligging
5
Gaafheid en conservering
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Reden Middelhoog Laat-Paleolithicum-Neolithicum Vanwege de ligging in een gradiëntzone was het gebied geschikt voor bewoning, vanwege de verwachte grootschalige bodemverstoringen wordt de verwachting op resten uit deze periode getemperd. Geen Neolithicum-Middeleeuwen Het plangebied maakte deel uit van een veengebied. Middelhoog Late Middeleeuwen Na de ontginning in de 14e en 15e eeuw was het gebied bewoonbaar, de meeste bewoningsresten worden echter langs de Oude Lieve Vrouwestraat verwacht. Hoog Nieuwe Tijd Smederij in de zuidwesthoek van het plangebied. Jachtkampjes, resten van een agrarische nederzetting, resten van een smederij 870 m2 (omvang van het plangebied) In de top van het dekzand (Laat-Paleolithicum), in de (podzol)bodem en de top van de C-horizont (Mesolithicum en Neolithicum), in het 50 tot 100 cm dikke humeuze dek (Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd) Door recente bodembewerkingen, onder andere een grootschalige sanering in 2000, zullen mogelijke archeologische resten verstoord zijn geraakt. Voor de vroegere perioden het hele plangebied, voor de resten uit de Nieuwe Tijd de zuidwesthoek van het plangebied. Archeologische vindplaatsen manifesteren zich door een vondstspreiding van vuursteenartefacten en houtskool (LaatPaleolithicum-Mesolithicum) en door een concentratie van aardewerk en bouwmateriaal in het humeuze dek (Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd).
Sanering in 2000, diverse bouw- en sloopactiviteiten.
20
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek In navolging van het bureauonderzoek heeft een archeologisch booronderzoek plaatsgevonden. Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9 (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Beckers 2021). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied 6 boringen gezet (boringen 1-6). De locaties van de boringen zijn opgenomen op de kaart in bijlage 6. De boringen hebben een diepte tot maximaal 180 cm –Mv. en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Foto’s van de boringen zijn opgenomen in bijlage 8. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 9. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet. De coördinaten van de boorpunten zijn met een meetlint aan de hand van de lokale topografie bepaald. De hoogte is zo goed mogelijk afgeleid van het AHN. Boring 6 is tussen boring 1 en 2 gezet om beter beeld te krijgen van de omvang van een sanering. Veldwaarnemingen In het noordoosten van het plangebied bevindt zich een garagebedrijf.
Ten noorden daarvan is een kleine binnentuin aanwezig. De overige delen van het plangebied zijn verhard met een klinkerverharding, en een grindlaag in het zuidwesten van het plangebied (voor een foto zie het voorblad van het rapport). Lithologie en bodemopbouw Alle aangetroffen bodemlagen zijn opgebouwd uit kalkloos, zwak siltig, matig fijn zand. De ondergrond van het plangebied bestaat uit een zandpakket, dat in de basis uit lichtgrijs zand bestaat en in de top uit geel zand met roestvlekken. Het betreft hier een pakket dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) en het oorspronkelijke moedermateriaal of de C-horizont. In boring 6 gaat de gele Chorizont op 90 cm -Mv naar boven toe oever in een laag geelbruin zand met grijze vlekken. Het betreft hier waarschijnlijk een restant van een BC-horizont die verploegd is. De natuurlijke ondergrond gaat op een variërende diepte van 60 tot 115 cm -mv scherp naar boven toe over in een humeus zandpakket dat uit diverse lagen is opgebouwd. In de boringen 1 en 6 is tussen 40 en 70 cm -mv een grijze, zwak humeuze laag aanwezig met relatief veel baksteenfragmenten en stukken smeedsafval (slakken). Deze laag is lichtgrijs gevlekt. In de boringen 3 en 4 bestaat het humeuze pakket uit twee lagen met een donkergrijze vulling en met enkele baksteenfragmenten, waarvan de bovenste laag iets donkerder is.
Het humeuze pakket reikt hier tot 110 á 115 cm -Mv. Waarschijnlijk is hier een esdek aangetroffen. In boring 5 bestaat het humeuze pakket uit een donkergrijze bouwvoor met enkele baksteenfragmenten tussen 20 en 60 cm -Mv. Het humeuze pakket wordt afgedekt door een 15 tot 35 cm dikke, lichtgrijze of gele, opgebrachte zandlaag. In de zone bij boring 2 reikt het opgebrachte pakket tot 110 cm -Mv. De bovengrond is hier verstoord geraakt door een sanering. Archeologische indicatoren In de boringen zijn in de humeuze bovengrond baksteenresten en slakken gevonden. Deze zijn niet nauwkeurig en met zekerheid te dateren. Deze zijn hierom ook niet verzameld. In het zuidwesten van het plangebied is een concentratie met baksteenmateriaal en smeedsafval (slakken) aangetroffen. Mogelijk zijn hier nog resten van een smederij bewaard gebleven.
21
Archeologische interpretatie De oorspronkelijke podzolbodem in de top van het dekzandpakket is , op een verploegde BC-horizont in boring 6 na, niet meer aanwezig. De podzolbodem is opgenomen in het humeuze pakket. De oorspronkelijke top van de C-horizont met roestvlekken is in het noorden van het plangebied duidelijk afgetopt. Hier is een relatief diep reikend, humeus akkerdek aangetroffen. De top van de C-horizont (en een mogelijk archeologisch sporenniveau) lijkt wel intact te zijn gebleven in het zuiden van het plangebied. Dit niveau ligt op 60 á 70 cm -Mv. In de zone rondom boring 2 is een sanering uitgevoerd en daarom is hier het oorspronkelijke bodemprofiel tot diep in de C-horizont verstoord geraakt. In het zuidwesten van het plangebied is een concentratie van baksteenfragmenten en smeedsafval aangetroffen in een gevlekte, zwak humeuze laag tussen 40 en 70 cm -Mv. Waarschijnlijk betreft het hier een ‘leeflaag’ met resten van de smederij in het begin van de 19 e eeuw . De smederij bevond zich in de zuidwestelijke hoek van het plangebied. In het zuiden van het plangebied en specifiek in het zuidwesten van het plangebied, kan nog een potentieel archeologisch sporenniveau bewaard zijn gebleven. In het noorden van het plangebied worden geen archeologische waarden meer verwacht.
In het zuiden van het plangebied is nog nader archeologisch onderzoek nodig om de aan- of afwezigheid van archeologische waarden vast te stellen. Een goede methode hiervoor is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
22
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied heeft deel uitgemaakt van een dekzandgebied dat tussen 1500 en 500 v. Chr. deel ging uitmaken van een veengebied. Het veengebied is in de Late Middeleeuwen ontgonnen. In het noorden van het plangebied is door intensieve akkerbouw een dik humeus pakket ontstaan.
2.
Is de oorspronkelijke podzolbodem nog aanwezig? De oorspronkelijke podzolbodem is grotendeels in het humeuze dek opgenomen. In boring 6 is een verploegd restant van de BC-horizont gevonden.
3.
Hoe dik is het humeuze dek en hoe is het humeuze dek opgebouwd? Zijn tijdens het booronderzoek concentraties van bouwmateriaal en aardewerk gevonden? In het zuidwesten van het plangebied is tussen 40 en 70 cm -mv een gevlekte, zwak humeuze laag met baksteenfragmenten en resten smeedsafval gevonden. Waarschijnlijk is dit een ‘leeflaag’ uit de 19e eeuw toe de hier gelegen smederij actief was. In het zuidoosten van het plangebied bestaat het humeuze dek uit een 40 cm dikke bouwvoor. In het noorden van het plangebied is een relatief dik akkerdek aangetroffen. De top van de C-horizont lijkt in dit pakket te zijn opgenomen.
4.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Heeft de sanering in 2000 een grote impact gehad? In het noorden van het plangebied is de top van de C-horizont en het potentiële archeologische vondsten- en sporenniveau niet meer aanwezig. In het zuiden van het plangebied kan nog wel een potentieel archeologisch sporenniveau in de top van de C-horizont aanwezig zijn. Dit potentiële archeologische niveau ligt op 60 á 70 cm -mv. Eventuele funderingsresten in het zuidwesten van het plangebied kunnen aanwezig zijn in de zwak humeuze laag op 40 tot 70 cm -mv. Het potentiële archeologische sporenniveau in het zuiden van het plangebied is plaatselijk verstoord geraakt door het uitvoeren van een sanering in de zone rondom boring 2. Omdat in boring 6 nog een restant van een BC-horizont is aangetroffen, is het niveau in de top van de Chorizont waarschijnlijk goed intact gebleven in het zuiden van het plangebied (bijlage 7).
5.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? In het noorden van het plangebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. In het zuiden van het plangebied geldt op basis van de verwachte resten van de smederij een hoge archeologische verwachtingswaarde.
23
12. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het archeologisch vooronderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: • Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van het Brabantse dekzandgebied. Het gebied rondom Zegge heeft een relatief lage ligging gehad en is daarom gedurende de Bronstijd deel gaan uitmaken van een veengebied. Het veengebied is ontgonnen in de Late Middeleeuwen. Op basis hiervan kunnen archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum aanwezig zijn. Als een archeologische vindplaats aanwezig is zal deze bestaan uit de resten van een jachtkamp en zal zich manifesteren als een vondststrooiing van bewerkt vuursteen en houtskool in een eventueel aanwezige podzolbodem. Omdat het plangebied deel heeft uitgemaakt van een veengebied worden geen archeologische resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen verwacht. • Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het zuidwesten van het plangebied een smederij heeft gestaan. Deze smederij was in ieder geval aanwezig in de periode 1830-1880, maar is mogelijk nog ouder. Mogelijk archeologische resten uit deze periode bestaan uit funderingsresten, resten van beer- en waterputten en een vondstconcentratie van baksteenfragmenten en metaalslak in de humeuze bovengrond.
De resten van de smederij (en oudere archeologische resten) kunnen verstoord zijn geraakt tijdens de bouw van een woning in ca. 1889, tijdens de bouw van de garage in het noordoosten van het plangebied en door een in 2000 in het gebied uitgevoerde sanering. • Uit het booronderzoek blijkt dat de oorspronkelijke podzolbodem (op een verploegde BChorizont in boring 6 na) niet meer aanwezig is. Het dekzand als archeologisch relevante niveau is niet meer intact. In het noorden van het plangebied is ook de top van de C-horizont en dus ook het potentiële archeologische sporenniveau afgetopt. In dit deel van het plangebied worden daarom geen archeologische waarden meer verwacht. Dit geldt ook voor de zone rondom boring 2, omdat hier een sanering is uitgevoerd. Uit de extra boring (boring 6) blijkt dat deze sanering plaatselijk is geweest. • In het zuiden van het plangebied lijkt de top van de C-horizont intact gebleven en is dus sprake van een potentieel archeologisch sporenniveau. In het zuidwesten van het plangebied is een concentratie van baksteenfragmenten en resten smeedafval (slakken) aangetroffen. De kans is dus aanwezig dat nog resten van de smederij in de zuidwesthoek van het plangebied aanwezig zijn. Het potentiële archeologische sporenniveau bevindt zich op 60-70 cm -mv, maar ondieper, vanaf ca. 40 cm -mv, kunnen nog funderingsresten aanwezig zijn.
Advies In het plangebied bestaat het voornemen om een de huidige bebouwing te slopen en een appartementengebouw te realiseren. Hiertoe dient de bestemming van het plangebied gewijzigd te worden van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ en zijn graafwerkzaamheden noodzakelijk. In het noordelijke deel van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Omdat uit het onderzoek blijkt dat in het zuiden van het plangebied een potentieel archeologisch sporenniveau en/of resten van een smederij uit de 19e eeuw aanwezig kunnen zijn, adviseren wij om hier vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (bijlage 7). Vanwege de geringe omvang van (dit deel van) het plangebied is het verstandig om een doorstart te maken naar een opgraving als de resultaten van het proefsleuvenonderzoek hier aanleiding toe geven. De wekwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Wanneer er onverhoopt tijdens de graafwerkzaamheden toch resten gevonden worden, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze van archeologische waarde zijn geldt een meldingsplicht 24
conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10. Deze melding kan dan bij de gemeente als bevoegde overheid plaatsvinden. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Rucphen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
25
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Archeologische Beleidskaart gemeente Rucphen (Weterings-Korthorst et al., 2019) • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.pdok.nl • www.ahn.nl • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • geoloket.odru.nl • www.dinoloket.nl • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • www.tracesofwar.com • Turfdatabank Lijst met afbeeldingen Figuur 1: Ligging van het plangebied (bron: www.pdok.nl) Figuur 2: Luchtfoto van het plangebied (met zwarte lijnen aangegeven; bron kaart: google maps). Figuur 3: Tekening van de toekomstige situatie in het plangebied. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: CGA Mol Bouwadvies). Figuur 4: Uitsnede van de kaart van Rucphen en omgeving van H. Adan uit 1765 met de locatie van het plangebied (de rode cirkel). Het noorden is beneden. Figuur 5: Locatie van het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit de periode tussen 1811 en 1832. Figuur 6: Locatie van het plangebied op de Bonnekaart uit 1870.
Figuur 7: Hulpkaart uit het kadaster uit 1889 met de locatie van de nieuw-gebouwde woning en de smederij (vaag, op de achtergrond). Figuur 8: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1937. Figuur 9: Locatie van het plangebied op de hulpkaart van het kadaster uit 1969. Figuur 10: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1980 Figuur 11: Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1995
26
Literatuur Beckers, I.S.J.., 2021. Zegge, Kapelstraat 25, Plan van Aanpak, intern document. Transect, Nieuwegein. Damoiseaux, J.H. 1982. Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, toelichting bij het kaartblad 49 Oost Bergen op Zoom. Wageningen: Stichting voor bodemkartering. Dijk, H. van, K. Gheysen, en De Vos, S. 2006. Van Bommels Konte tot Den Hoek, Tilburg – Stokhasselt, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek. Bilan-rapport 2006/144. Tilburg. Geraeds J.J.G., 2006: Archeologisch onderzoek Hooghei te Zegge, gemeente Rucphen: bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase, Eindhoven (Grontmij Archeologisch Rapporten 90). Kalisvaart, C.C., 2020. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). Gemeente Rucphen. Plangebied Hoefstraat 12 te Zegge, ’s-Hertogenbosch (BAAC-rapport V-19.0335) Kramer, J. de. 2010. Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Lage Zegstraat 2-8, Zegge, Gemeente Rucphen. B&G rapport 955. Noordwijk. Leenders, K.A.H.W. 2013. Verdwenen venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 12501750. Een actualisering. Woudrichem. Putten, M.J. van, 2012. Bureauonderzoek. Gemeente Rucphen. Plangebied AM de Jongstraat, ’sHertogenbosch (BAAC-rapport V-12.0150). Putten, M.J. van.
2013. Gemeente Rucphen, Plangebied AM de Jongstraat te Zegge, inventariserend veldonderzoek (karterende fase). BAAC Rapport V-12.0398. ’s-Hertogenbosch. Schutte, A.H., 2013. Archeologisch onderzoek Hooghei II te Zegge, gemeente Rucphen, Eindhoven (Grondmij Archeologische Rapporten 839). Tebbens, L.A. 2016. “Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze.” In Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied., edited by E.A.G. Ball en R.M. van Heeringen. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts, en J. Bazelmans. 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam: Prometheus. Zee, R.M. van der. 2018. Onze Lieve Vrouwestraat 101, Zegge (gemeente Rucphen) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC-rapport 4338. Amersfoort. Zee, R.M. van der, 2022. Hoefstraat-West, Zegge (gemeente Rucphen). Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek, Amersfoort.
27
Bijlage 1: Archeologische Beleidskaart gemeente Rucphen
28
29
Bijlage 2: Geomorfologische kaart
30
Bijlage 3: Hoogtekaart
31
Bijlage 4: Bodemkaart
Laarpodzolgronden
32
Bijlage 5: Archeologische informatie (bron: Archis3)
33
34
Bijlage 6: Boorpuntenkaart
Bijlage 7: Advieskaart
35
36
Bijlage 8: Foto’s van boringen
Boring 1 (uitgelegd van links naar rechts, onder naar boven).
37
Boring 4.
38
Bijlage 9: Boorbeschrijvingen
39
boring: 21N08-1 beschrijver: IB, datum: 6-12-2021, X: 94.732, Y: 396.691, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 5,99, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Zegge, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 5,99 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor
25 cm -Mv / 5,74 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, geel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond
40 cm -Mv / 5,59 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, grijs, matig fijn, kalkloos Opmerking: gele vlekken, weinig baksteenfragmenten, slakken
70 cm -Mv / 5,29 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd
Einde boring op 110 cm -Mv / 4,89 m +NAP
boring: 21N08-2 beschrijver: IB, datum: 6-12-2021, X: 94.742, Y: 396.697, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 6,18, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Zegge, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 6,18 m +NAP Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: klinker
10 cm -Mv / 6,08 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond
45 cm -Mv / 5,73 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond Opmerking: weinig baksteenfragmenten
55 cm -Mv / 5,63 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, geel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond Opmerking: sanering
70 cm -Mv / 5,48 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd Opmerking: enkele roestvlekken
Einde boring op 110 cm -Mv / 5,08 m +NAP
boring: 21N08-3 beschrijver: IB, datum: 6-12-2021, X: 94.733, Y: 396.712, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 6,04, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Zegge, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 6,04 m +NAP Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: klinker
10 cm -Mv / 5,94 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond
30 cm -Mv / 5,74 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor Opmerking: enkele baksteenfragmenten
70 cm -Mv / 5,34 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, matig fijn, kalkloos
115 cm -Mv / 4,89 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd
Einde boring op 150 cm -Mv / 4,54 m +NAP
1
boring: 21N08-4 beschrijver: IB, datum: 6-12-2021, X: 94.756, Y: 396.713, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 6,19, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Zegge, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 6,19 m +NAP Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: tegel
5 cm -Mv / 6,14 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond
20 cm -Mv / 5,99 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor
60 cm -Mv / 5,59 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, matig fijn, kalkloos Opmerking: enkele baksteenfragmenten
110 cm -Mv / 5,09 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont, volledig gereduceerd
Einde boring op 140 cm -Mv / 4,79 m +NAP
boring: 21N08-5 beschrijver: IB, datum: 6-12-2021, X: 94.753, Y: 396.685, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 6,27, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, vondstzichtbaarheid: geen, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Zegge, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 6,27 m +NAP Lithologie: niet benoemd, niet benoemd, kalkloos Opmerking: klinker
10 cm -Mv / 6,17 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond
20 cm -Mv / 6,07 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: bouwvoor Opmerking: enkele baksteenfragmenten
60 cm -Mv / 5,67 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, geel, matig fijn, kalkloos, interpretatie: dekzand Bodemkundig: C-horizont, volledig geoxideerd Opmerking: enkele roestvlekken
Einde boring op 100 cm -Mv / 5,27 m +NAP