CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

12k Positionpapers Brabantse verstedelijkingsbeleid

gemeenteraad 20 maart 2024, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel RWB Strategisch Agenda en Concept Actieprogramma 2024-202810.841 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Brabant in transitie: naar een nieuwe koers voor het Brabantse verstedelijkingsbeleid Twee positionpapers voor de bouwsteen verstedelijking

Versterking van de netwerkkracht van Brabant

0

Een circulair stedelijk systeem

Inhoudsopgave Blz. Inleiding Intermezzo

1 3

Positionpaper 1: Versterking van de netwerkkracht van Brabant

1. Aanhaken op het grootstedelijk netwerk 2. Relatie stad-land 3. Complementariteit in het Brabantse netwerk

5 6 8 12

4. Versterking van de netwerkkracht van Brabant: uitgangspunten en kernopgaven

15 18 18 20 21 22

Positionpaper 2: Een circulair stedelijk systeem

1. 2. 3. 4.

Van groei door uitbreiding naar groei door herontwikkeling Aanpak groeiende leegstand in Brabant Inspelen op de veranderende rol van gemeente en ontwikkelaars De opgave voor ruimtelijke kwaliteit verandert

5. Een circulair stedelijk systeem: uitgangspunten en kernopgaven

23

Bijlage 1 Het Netwerk Bijlage 2 Literatuurlijst

25 27

1

Inleiding

Elke opgave is toegelicht in een positionpaper. Beide positionpapers besluiten we met de belangrijkste uitgangspunten en kernopgaven. De positionpapers zijn niet bedoeld als een provinciale beleidsnotitie, of als wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksnotitie. Ze geven de visie van de geïnterviewden op de nieuwe verstedelijkingsopgave in Brabant en hebben vooral een inspirerend en agenderend karakter. Om de inhoud van deze positionpapers goed te kunnen duiden, schetsen we daaraan voorgaand kort de ontwikkeling van het Brabantse stad en ommeland tot 2015.

Van groei naar transitie

Zorgen over de snelle groei van het stedelijk gebied in Brabant en het tegengaan van de vervlakking van de verschillen tussen stad en platteland. Deze factoren bepaalden het huidige verstedelijkingsbeleid1. Zo staat het in de Structuurvisie en de Verordening Ruimte (2010, actualisatie 2014); de basis lag in het Streekplan van 2002 (Brabant in Balans). Sinds enkele jaren verandert onze opgave. Niet de groei van het stedelijk gebied staat centraal, maar de transitie ervan. Brabant is zich aan het herschikken. Herbestemmen is het nieuwe bouwen, staat ook in het bestuursakkoord 2015-2019 van de provincie Noord-Brabant.

Naar een nieuw verstedelijkingsbeleid: richtinggevende principes

Uit de gesprekken komt een aantal algemene principes naar voren die richting geven aan het nieuw te formuleren verstedelijkingsbeleid voor Brabant:

Leeswijzer

Om meer grip te krijgen op de transitie waarin het verstedelijkingsproces in Brabant zich bevindt, heeft de provincie gesprekken gevoerd met interne en externe deskundigen die betrokken zijn bij de verstedelijkingsvraagstukken in Brabant. De provincie wil de inzichten uit deze gesprekken graag bespreken, uitwerken en testen met haar partners. Uit de gesprekken zijn twee hoofdopgaven voor Brabant naar voren gekomen: 1: Versterk de netwerkkracht van Brabant: de focus van het disccours ligt op de veranderende relaties binnen het Brabantse netwerk en met de omliggende Europese deltametropool. 2: Ontwikkel een meer circulair stedelijk systeem: de focus van het discours betreft de verandering in de verstedelijkingsopgave van groei door uitbreiding naar groei door herschikking en herontwikkeling.

1. De opgaven veranderen, en vragen om nieuwe, bijpassende werkwijzen, concepten, samenwerkingspartners, instrumenten en overlegvormen. Er is een balans nodig tussen ‘strak sturen’ en ‘ruimte geven’. De provincie kan ruimte geven door als één van de partners samen met stakeholders te werken aan gebiedsopgaven (pilots, lab-achtige settings). Het evenredig verdelen van aandacht en middelen over heel Brabant is niet het belangrijkste. De provincie moet zich richten op die ontwikkelingen waar zij een toegevoegde waarde heeft. Dus werken vanuit meerwaarde (‘wat kun je betekenen’). 2. De oplossing ligt niet meer op één schaalniveau, maar juist in de verbinding van opgaven en in het (voortdurend) slim schakelen tussen schaalniveaus. Ter illustratie: alleen initiatieven van onderop zullen de energieopgave niet

1

Het verstedelijkingsbeleid betreft het hele stedelijk netwerk, van steden tot dorpen en plattelandskernen. 1

3. Innoveer in je aanpak van de wisselwerking stad-land: a. Ga uit van een circulaire benadering, van een ‘plaats’insteek naar een ‘stroom’-insteek. b. Pak de opgaven in het stedelijk gebied en in het landelijk gebied aan in wisselwerking met elkaar (bijvoorbeeld energie, leegstand, landbouw, bereikbaarheid, gezondheid, landschap). c. Zoek de juiste coalities en hanteer daarbij passende samenwerkingsvormen. d. Ontwikkel nieuwe financieringsconstructies. e. Zet in op het versterken van de omgevingskwaliteit in alle dimensies: people, planet én profit.

oplossen. Alle schaalniveaus zijn daarvoor noodzakelijk. Daarbij moeten we de energieopgave verbinden met bijvoorbeeld de herstructureringsopgave van het stedelijk gebied en de transitieopgave in de landbouwsector. 3. De oplossing ligt ook niet meer binnen één sector. De focus van het ruimtelijke beleid op economische ontwikkeling van Brabant is te beperkt om die economische ontwikkeling van Brabant op termijn te waarborgen. De sturing moet verbreed worden met sociale en duurzaamheidsopgaven. 4. Je vindt de oplossing pas als je preciezer kijkt. Dus sturen vanuit kennis (hoe werkt Brabant) in plaats van sturen vanuit ambities en agenda’s. Dat betekent: sturen vanuit urgenties (wat zijn de zwakke delen die onderuit lijken te gaan) én sturen vanuit potenties (welke delen zijn booming).

4. Zet in op stedelijke transformatie, en ga daarbij uit van de specifieke kwaliteiten (de ‘plaatswaarden’) van een gebied of locatie: De identiteit van gebieden (de ‘plaatswaarde’) wordt steeds belangrijker voor het ontwikkelingsperspectief van die gebieden. Dat leidt tot meer complementariteit van de verschillende onderdelen van het netwerk.

Uit de gesprekken komt ook een aantal meer inhoudelijke principes naar voren voor het nieuwe verstedelijkingsbeleid: 1. Brabant is een stedelijk netwerk, dat onlosmakelijk is verbonden met het netwerk Nederland en Noordwest-Europa. Handel vanuit dat perspectief. Om de positie van Brabant binnen dat netwerk te vergroten, is het belangrijk dat we specifieke Brabantse kwaliteiten versterken: de wisselwerking tussen stad en land. In Brabant vind je ‘the best of both worlds’. 2. Binnen het stedelijk netwerk Brabant nemen de verschillen toe. Zorg voor een basiskwaliteit en bied daarbinnen ruimte voor het versterken van de variatie, het onderscheidend vermogen van steden en dorpen op basis van hun identiteit en meerwaarde in het netwerk.

Externe validatie

Na de gesprekken met de deskundigen die betrokken zijn bij de Brabantse verstedelijkingsvraagstukken, is het in het najaar van 2016 tijd voor een externe validatie van deze oogst. Hoe kijken deskundigen en veranderaars van buiten het Brabantse netwerk aan tegen de nieuwe opgaven? Welk advies kunnen zij ons meegeven voor de provinciale rollen in deze opgaven en voor de vernieuwing van ons beleid en instrumenten?

2

Intermezzo:

van Brabant. In de jaren 90 hadden de dorpen en steden van Brabant ieder een groeiklasse: elke kern kreeg de groei die paste bij haar omvang. Omdat Brabant steeds meer verstedelijkte, zijn de afgelopen decennia gebieden aangewezen

Het verstedelijkingsbeleid in Brabant tot 2015

waar die verstedelijking geconcentreerd moest worden. Dit zijn de conurbatiegebieden uit de jaren 80, de stadsregio’s uit de jaren 90 en de

Het Brabantse ruimtelijke beleid vindt haar oorsprong in de overtuiging om het

stedelijke regio’s uit het begin van deze eeuw. Die vingen de groei op die ontstond

welvaartsvraagstuk door de industrialisatie van Brabant zó te sturen dat er zo min

door immigratie van buiten Brabant.

mogelijk beweging van de bevolking nodig was. Dus: behoud van “het eigen

sociaal en plaatselijk milieu en tegelijkertijd zoveel als mogelijk vrijheid van de ondernemer inzake de plaatsing van industrie, beïnvloed door

De meest recente afspraken voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen maken

overheidsmaatregelen op het gebied van vestigingsvoorwaarden van industrie, huisvesting, onderwijs” (welvaartsplan van de Quay uit 1947) ed.

meer landelijke regio’s zonder centrumstad hebben de mogelijkheid om (naast hun

zowel de ontwikkeling van regionale als lokale bedrijventerreinen mogelijk. De lokale terreinen) meer grootschalige terreinen te ontwikkelen voor de eigen grootschalige bedrijven. Alle gemeenten in het landelijk gebied mogen woningen bouwen voor migratiesaldo-nul2. De helft van de landelijke gemeenten heeft echter een negatief migratiesaldo en sommige van hen kampen met krimp.

Verschil aanpak stedelijk gebied en buitengebied De uitbraak van de varkenspest in 1997 zette de problematiek van de intensieve veehouderij hoog op de agenda, en daarmee de kwaliteit en ontwikkeling van het buitengebied. Sindsdien is er een duidelijke scheiding in de provinciale aanpak van het stedelijk gebied en buitengebied. De provincie heeft een uitgebreid ruimtelijk beleid voor het landelijk gebied en een globaal beleid (regio’s maken afspraken) en een meer afstandelijke houding met betrekking tot het stedelijk gebied. Dit vanuit de basisgedachte: het platteland is van de provincie, het stedelijk gebied van de gemeente. Daarnaast ondersteunt de provincie (onder meer met alliantiemakelaars) tien streeknetwerken. Gevolg: het typisch Brabantse verstedelijkingspatroon, waarbij elke gemeente (en vaak zelfs elke kern binnen die gemeente) zijn eigen voorzieningen, woningen en bedrijventerreinen kreeg. Met als resultaat de nevel, sterrenhemel of het Mozaïek

2

De gemeenten in de landelijke regio’s hebben geen taak voor de opvang van de binnenlandse en buitenlandse migratie. De stedelijke regio’s wel. 3

Samenwerking Sinds de eeuwwisseling staat ook de relatie tussen de stedelijke regio’s op de agenda: vanaf 2001 vormen de vijf grootste Brabantse steden (de B5) samen met de provincie het bestuurlijke netwerk Brabantstad. Daar spreekt men over ruimtelijke ontwikkeling en bereikbaarheid. De samenwerking richt zich op lobby, kennisdeling, investeren en onderlinge beleidsafstemming en strategievorming. Met als doel: versterking van de agglomeratiekracht van Brabantstad. Daarnaast spreekt de provincie in de vier regionale ruimtelijke overleggen (RRO’s) met gemeenten over de stedelijke planologie en maken zes GGA-gebieden afspraken over de investeringen in de bereikbaarheid en de infrastructuur van regio’s.

4

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Positionpaper 1

Brabant is geen Vlaamse Ruit of Zuidvleugel van de Randstad, en wil dat ook niet worden. Brabant is een conglomeraat van stadsregio’s met stadland kwaliteiten: the best of both worlds. De netwerken van stadsregio’s en de relatie tussen stad en land zijn de kracht van Brabant: ze zorgen voor de belangrijke combinatie van traditie en moderniteit (kernwaarden). Het gaat om ‘wat voeg ik toe’, om netwerkkracht; het gaat niet over metropoolvorming, maar over de relatie stad-land. Het begrip Mozaïekmetropool is te vlak, dat gaat je niet helpen bij het formuleren van de ambitie van Brabant.” (Hans Mommaas)

Versterking van de netwerkkracht van Brabant Uit de gesprekken komt een duidelijke rode draad naar voren. De volgende stap in de ontwikkeling van het Brabantse stedelijk netwerk is dat Brabant moet inzetten op haar unieke kwaliteiten:

“Een veel genoemd doel van het Brabantse verstedelijkingsbeleid is het versterken van de agglomeratiekracht van Brabant teneinde een top-kennis en innovatieregio te worden. Daarbij is het vergroten van de concurrentiekracht van Brabant t.o.v. bijvoorbeeld de Randstad een leidend principe. Belangijker voor Brabant is het vergroten van de netwerkkracht:

“Een onderscheidende kwaliteit van Brabant t.o.v. de Randstad is dat je in Brabant dorps kunt leven, maar wel overal snel kunt zijn. Voor innovatie is het van belang dat er een verbinding is tussen ‘local buzz’ en ‘global pipeline”. Die interactiemilieus, de buzz-plekken zijn de plekken waar de ontmoetingen plaatsvinden.” (Pieter Tordoir) Het versterken van de netwerkkracht van Brabant binnen de NoordwestEuropese metropoolregio betekent dat we ervoor moeten zorgen dat: 1. de steden goed aanhaken op het grootstedelijk netwerk. De ontwikkeling van Brabant als onderdeel van het grootstedelijk netwerk van Nederland en daarmee als onderdeel van de Noordwest-Europese metropoolregio. 2. we ons bewuster worden van de betekenis van de relaties tussen stad en land: de groene kwaliteiten van Brabant in samenhang met het netwerk van dorpen en steden. De nieuwe opgaven (vergrijzing, krimp, energietransitie, logistiek e.d.) zetten we in om tot vernieuwing en versterking van de relatie van de stedelijke gebieden met het omliggende landelijke gebied te komen.

5

3. de relaties tussen en binnen de stedelijke regio’s verstevigen. Daarbij zetten we de toenemende verschillen binnen het Brabantse stedelijke netwerk in om te komen tot meer complementariteit van de onderdelen binnen het Brabants stedelijk netwerk.

De belangrijkste ruimtelijk economische relaties van Brabant met haar omgeving zijn:  De Brainport: het gebied Eindhoven-Tilburg-’s-HertogenboschNijmegen, uitblinkend in hightech en Agrofood. Met sterke relaties met de Food Valley NL (Wageningen), Utrecht en Noord-Limburg.  De Delta (sterk in chemie, maintenance, biobased en logistiek) wordt gevormd door de strategische ligging van Breda tussen Rotterdam en Brussel/Antwerpen/Gent.  De logistieke corridor van Rotterdam via Tilburg, Eindhoven en Venlo richting het Duitse achterland.

1. Aanhaken op het grootstedelijk netwerk

“Brabant is na de Randstad het meest geïntegreerde stedelijke netwerk. Er is sprake van een geïntegreerd geheel van stadsregio‘s, streken en stedelijke netwerken, maar het lijkt alsof er om Brabant een greppel ligt .”(Pieter Tordoir).

Een belangrijk verschil met de Randstad is het zwakker ontwikkelde ovsysteem in Brabant. Brabant is minder hoogstedelijk. Om het grootstedelijke netwerk verder te ontwikkelen zijn snelle verbindingen belangrijk. Met weinig tussenstops, hoofdstedelijke interactiemilieus en knooppunten die aantrekkelijk zijn om te wonen. Reizen combineren met werken in de trein, leidt ook tot minder tijdverlies. (Pieter Tordoir) Het spoor is kansrijk, zeker in combinatie met de fiets! (Ludger Schrauwen) De grote auto-afhankelijkheid van Brabant wordt gezien als een zwakte van Brabant (Pieter Tordoir), maar de Brabantse steden zelf zien ook de voordelen: de autobereikbaarheid is een onderscheidende kwaliteit van Brabant ten opzichte van de Randstad. Het geeft veel vrijheid en is snel. Mensen willen én én; ze zijn gericht op auto én ov, en dat kan in Brabant! (ambtelijke werkgroep B5). De (voorstads)haltes die met de auto vanuit de omliggende regio goed bereikbaar zijn en ruime parkeermogelijkheden hebben (bijv. Best, Breda-Prinsenbeek, Oss), kunnen zich ontwikkelen tot regionaal transferpunt tussen auto en Intercitynetwerk.

Uit onderzoek naar de dagelijkse verplaatsingsstromen binnen het Brabantse netwerk blijkt dat de provinciegrens zich scherp aftekent: de Maas en de landsgrens met België zijn daarbij bepalend. Er is opvallend weinig contact met naburige gemeenten over de provinciegrens. Drie steden vormen de schakels met de (inter-)nationale omgeving: Breda schakelt met de zuidvleugel van de Randstad en met België, ‘sHertogenbosch met de noordvleugel van de Randstad en met Nijmegen, Eindhoven met Limburg en (via ’s-Hertogenbosch) met de noordvleugel. Nijmegen en Utrecht vormen feitelijk met Brabantstad één stedelijk netwerk omdat daar veel kenniswerkers wonen die in Brabant werken (Pieter Tordoir). Ook zijn dit voor Brabantse studenten belangrijke universiteitssteden. Het is voor de Brabantse steden belangrijk een goede aansluiting te houden op het grootstedelijk netwerk. Dat betekent onder meer versterking van het hoogstedelijk karakter (omgeving station/centrum) en een betere aansluiting op het grootstedelijk ov-netwerk (Amsterdam, Düsseldorf). (Joks Janssen)

Op dit moment verkennen de regio’s Amsterdam-Utrecht, Rotterdam-Den Haag en Brainport Eindhoven in de Ruimtelijk Economische Ontwikkelingsstrategie (REOS) de samenwerking tussen de noord- en de

6

zuidvleugel van de Randstad met de regio Eindhoven. Deze regio’s functioneren als afzonderlijke stedelijke netwerken. De afstanden zijn te groot om van een samenhangend functioneel stedelijk netwerk te kunnen spreken, al zijn er wel belangrijke relaties op het niveau van het weekly, monthly of yearly urban system. Om de steden en regio’s meer van elkaars potentie te laten profiteren is het nodig dat voor een groot deel van de inwoners van de individuele steden de reistijd naar andere steden acceptabel is (Agglomeratievoordelen en de REOS, positionpaper, Atlas voor gemeenten). Het gaat niet alleen om bereikbaarheid. Binnen REOS, of eigenlijk het stedelijk netwerk van heel Nederland, is het belangrijk om strategische keuzes te maken. Zo is het niet wenselijk om zowel in Helmond, Wageningen als Assen een Automotive campus te ontwikkelen (Willem van Hal).

Betere samenwerking tussen stad en ommeland In Brabant bestaan er krachtige relaties tussen grote Brabantse steden en de omliggende gemeenten in stadsregionale verbanden. Méér nog dan tussen steden met vergelijkbare omvang elders in het land. Vooral de band Breda-Tilburg is sterk, de schakel ’s-Hertogenbosch-Eindhoven is nog zwak. De relaties tussen naburige gemeenten op streekniveau versterken zich. Vooral de wat oudere generatie drijft deze trend. Die betreft vooral het gebruik van voorzieningen en sociale relaties. Clusters van naburige gemeenten vormen voor de meeste mensen de dagelijkse leefomgeving. Dat betekent dat het belangrijk is dat in stadsregio’s en streken gemeenten samen werken. Zodat die leefomgeving optimale kwaliteit en diversiteit kan krijgen of behouden, en er geen regionale overschotten of tekorten ontstaan (Brabantse netwerken).

Daily urban system Voor het bevorderen van de netwerkkracht van het Brabantse stedelijke netwerk is het belangrijk zicht te hebben op het daily urban system (de dagelijkse verplaatsingen vanwege woon-werkverkeer, zakelijke relaties, sociale contacten en voorzieningen). Binnen Brabant zijn een aantal daily urban systems te onderscheiden; daarnaast zijn er duidelijke relaties tussen de grote steden. Streekverbanden staan op hun beurt weer onder invloed van de naastgelegen grote steden. Stadsregio’s en streken worden in Brabant gescheiden door de Brabantse natuurgebieden, de grote rivieren, de Peel, de Kempen en Het Groene Woud. Er lijkt een tweedeling te ontstaan tussen het oudere (35-plus) en het jongere deel van de Brabantse bevolking. Het oudere deel is voor de dagelijkse verplaatsingen vooral gericht op de eigen regio, in de eigen auto. Jongeren hebben een groter aandeel in fiets- en ov-gebruik en verplaatsen zich vaker over grotere afstanden (tussen de grotere steden van Brabantstad en daarbuiten).

Uit Brabantse Netwerken, kartering van verplaatsingsstromen en motieven. Ruimtelijke Economisch Atelier Tordoir, Amsterdam

7

2. Relatie stad-land

Stadse wethouders pakken inmiddels een actievere rol in de streeknetwerken, maar op het niveau van de hele gemeentelijke organisatie is er nog geen goede samenwerking tussen stad en platteland (Joks Janssen). De steden investeren veel in het platteland, maar andersom zie je die beweging nog niet. Binnen het netwerk van steden en ommeland moet het gesprek gevoerd worden over wat een ieder bijdraagt aan het functioneren van het netwerk. De huidige aanpak (B5, RRO’s, streeknetwerken, de Brabantse dorpenderby, et cetera) werkt de scheiding tussen stad en land in de hand. Uit recente provinciale publicaties en onderzoeken (Het Nieuwste Brabant, Midsize Brabant, het bestuursakkoord) komt duidelijk naar voren dat Brabant moet gaan denken een regio waar steden en ommeland niet meer zonder elkaar kunnen en nauw samenwerken aan opgaven en ambities.

Het landschap tussen de steden. Hiermee onderscheidt Brabant zich van andere metropoolregio’s in de wereld. De kracht ligt niet alleen in de betekenis voor het vestigingsklimaat, maar ook in de kansen voor innovatie door de opgaven in het landelijk gebied en de stad met elkaar te verknopen. De huidige aanpak van de provincie kenmerkt zich door een scheiding tussen het buitengebied en het stedelijk gebied. Die komt onder andere voort uit de basisgedachte: het platteland is van de provincie, het stedelijk gebied van de gemeente. Dit heeft geleid tot een uitgebreid en gedetailleerd provinciaal ruimtelijk beleid voor het buitengebied en een globaal beleid (regio’s maken afspraken) en een meer afstandelijke houding met betrekking tot het stedelijk gebied. De aanpak is nog te weinig gericht op de relatie tussen stedelijk en buitengebied. Genoeg aanleidingen dus om de huidige provinciale sturing en beleid voor stad en ommeland te onderzoeken, te herzien en opnieuw te formuleren (Joks Janssen). Die kansen liggen op meerdere schaalniveaus: a. Brabant in relatie tot omliggende metropoolregio: plaats Brabant in het zee-achterlandperspectief van de Noord-Europese delta. b. Binnen het Brabants stedelijk netwerk: in de periode tot 2040 vragen een aantal ontwikkelingen om vernieuwing van de relatie van de steden/dorpen met het buitengebied van Brabant.

De belangrijkste zijn: o trek naar de stad/stedelijke regio’s o ontwikkelingen binnen de agrarische sector in relatie tot

Uit Atlas voor gemeenten: indeling gemeenten op basis van relaties tussen kernen (daily urban system)

o

8

het stedelijk systeem transitie naar duurzame energie

a.

Kansen voor Brabant in relatie tot omliggende metropoolregio

Deze nationale omgevingsvisie geeft een beeld van de Nederlandse ontwikkeling in de Noord-Europese delta op de lange termijn. De opgave is dit deltaperspectief te koppelen aan de Brabantse omgevingsvisie: plaats de positie van Brabant in het zee-achterlandperspectief (Pieter Tordoir). In dat perspectief kan Brabant een belangrijke rol spelen. Zo scoort Brabant op het gebied van productie, hightech en logistiek.

Brabant is het relatief groene gebied in het hart van de verstedelijkte gebieden van de Randstad, de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied. Het kent geen grote steden als Amsterdam of Rotterdam met grote open landschappen eromheen. Het heeft een aantrekkelijk intensief gebruikt landschap en veel verschillende woonmilieus. Het Brabants stedelijk netwerk bestaat uit aantrekkelijke (middelgrote) steden, stadsdorpen en dorpen. Brabant concurreert niet met omliggende grootstedelijke regio’s, maar voegt een eigen kwaliteit toe. Het is belangrijk voor Brabant om die unieke kwaliteiten te versterken en te verbinden met de thema’s uit de nationale omgevingsvisie, zoals energietransitie, klimaatverandering, sociaaleconomische structuurverandering en bereikbaarheid.

De positionering van Brabant als stedelijk netwerk met belangrijke groene kwaliteiten in het midden van de Noord-Europese Delta biedt meer kansen die Brabant nog onvoldoende opmerkt. Een voorbeeld is de Biesbosch, het grootste nationaal park van Brabant. Het ligt in de periferie van Brabant, maar op een steenworp afstand van Rotterdam en de rest van de zuidvleugel van de Randstad. (Voor de Rotterdammer zou de afweging moeten worden: gaan we naar hotel New York of naar het Biesboschmuseum?) De Zuiderwaterlinie biedt ook een unieke kans voor het daily of weekly urban system van de zuidvleugel van de Randstad: hier is een interessant verhaal te vertellen over de culturen en geschiedenis van Brabant en Holland. Bovendien liggen er interessante kansen voor de Brabantse wateropgave (Marco Vermeulen). Gebieden die tot nu toe in de ‘periferie’ lagen, worden kansrijk om te onderzoeken op hun potenties in het urban system van het grotere geheel. Die kansen liggen er bijvoorbeeld ook voor de Brabantse Wal/Kalmthoutseheide (binnen de periferie van de regio Antwerpen)en het hele rivierengebied van de Maas (relatie Noord-Limburg, KAN-gebied, zuidvleugel/Drechtsteden).

9

b.

Plantlab in ’s-Hertogenbosch). Naar verwachting ontwikkelt de landbouw zich de komende tijd in twee richtingen (uitvoeringsagenda Brabantse agrofood). Enerzijds ontstaan er grote bedrijven die produceren voor de hele Noordwest-Europese markt (met aandacht voor dier, mens en milieu). Anderzijds blijven er kleinere bedrijven, voor de lokale en regionale markt. Besef van gelaagdheid in het economisch systeem (kennis, kunde, productie) is nodig om tot innovatie en verduurzaming van dat systeem te komen en zo Brabant als innovatieregio op de kaart te houden (Joks Janssen).

Kansen binnen het Brabantse stedelijk netwerk

We zien in Brabant een aantal ontwikkelingen in de relatie tussen stad en ommeland.

Trek naar de stad/stedelijke regio’s Het aantal stedelingen neemt toe, en daarmee de behoefte aan mogelijkheden in het landschap rond die steden voor de beleving van natuur, rust en ruimte, voor sport en andere recreatievormen. De aantrekkelijkheid van het Brabantse landschap voor het woon- en werkklimaat, wordt belangrijker. De steden spelen een belangrijke rol in de dynamiek en kwaliteit van het landelijk gebied van Brabant. Steden als ’s-Hertogenbosch (de Groene Delta), Eindhoven (de Groene Corridor) en Tilburg (ontwikkeling stadsregionale parken) beseffen dat investeren in de kwaliteit van het landschap goed is voor het vestigingsklimaat van de stad. Zij investeren in de interactie tussen stad en land: in deze overgangszones groeit de kleinschalige economie, de relatie tussen stad en land, en verbetert de kwaliteit van het landschap (Joks Janssen).

Transitie naar duurzame energie Het Brabantse landschap levert niet alleen rust, natuur, ruimte en voedsel voor de stedeling, maar biedt ook ruimte voor waarschijnlijk de grootste toekomstige ruimtevraag van Brabant: het energievraagstuk. De ambitie om in Brabant energieneutraal te zijn in 2050 kan niet gerealiseerd worden binnen het stedelijk gebied, daar is het landelijk gebied voor nodig (Jeroen Kroonen). De mate waarin en de wijze waarop de energieopgave leidt tot een transformatie van het Brabantse landschap en steden, is afhankelijk van ontwikkelingen op alle schaalniveaus en van de relaties daartussen. Het realiseren van de energietransitie is zo omvangrijk dat die niet op gemeentelijk, regionaal of provinciaal schaalniveau kan worden opgelost. Het nationale schaalniveau is onmisbaar in het oplossen van dit vraagstuk (Marco Vermeulen en Dutch Smart Thermal Grid3). Van onze behoefte aan energie is slechts 30% behoefte aan elektriciteit (bijv. te winnen met wind of zon4) en 70% een behoefte aan warmte of koeling.

Ontwikkelingen binnen de agrarische sector in relatie tot het stedelijk systeem Landbouw bevindt zich in het buitengebied, de verwerking en productie vindt plaats in de middelgrote steden, de kennisontwikkeling in de vier grote Brabantse steden. Landbouw en bedrijvigheid lopen steeds meer in elkaar over: Er ontstaan nieuwe verdienmodellen door het verkorten van de ketens (het hele proces van big tot worst, op één bedrijf). Ook op hightechgebied vindt ontwikkeling plaats, gericht op het optimaal verwerken van alle onderdelen van het vee of het plantaardig materiaal (bijvoorbeeld medicijnen uit slachtafval), op de productie van hoogwaardige grondstoffen (biobased economy) en op industrial farming (bijvoorbeeld kweken in lege bedrijfspanden of kantoorgebouwen zoals

3

Dutch Smart Thermal grid: Strategie voor de verduurzaming van de warmtevoorziening van

Nederland, studie van PBL en Studio Marco Vermeulen, 2016 4

Biomassa heeft een te lage opbrengst. Het reserveren van ruimte voor de productie van

biobrandstoffen zal niet leiden tot een substantiële bijdrage aan de energiebehoefte. 10

Duurzame winning energie voor warmte en koeling Geothermie kan in heel Nederland, en dus ook in Brabant, een belangrijk bijdrage leveren aan de transitie naar duurzame energie5. In de Nederlandse bodem is voldoende geothermie aanwezig om de komende 26.000 jaar te voorzien in onze warmtebehoefte. Geothermie heeft veel potentie en een zeer beperkte ruimtelijke impact. De maatschappelijke acceptatie zal groot zijn. Isolatie en energiebesparing kunnen de behoefte aan warmte en koeling aanzienlijk verminderen. Hiervoor zijn enorme investeringen nodig in het bestaande vastgoed. Herstructurering van het bestaande stedelijk gebied moet daarom zo veel mogelijk gepaard gaan met isolatie van gebouwen en woningen.

financieel mogelijk maken sloop van overbodige agrarische bedrijfsgebouwen, op gebiedsniveau, niet op individueel bedrijfsniveau vanwege mogelijk verrommeling van het landschap), het afboeken van overschotten in de planning voor bedrijventerreinen en woningbouwlocaties, en tot de ontwikkeling van nieuwe natuur (in Duitsland kiest men voor Wind im Wald). Zonnevelden hebben net als windturbines een ruimtelijke impact, terwijl er ook ruimte nodig is voor de productie van voedsel en biobased grondstoffen. Dit betekent dat de ambities voor de ontwikkeling naar een biobased economy, een duurzame landbouw én een energieneutraal Brabant direct met elkaar te maken hebben (Marco Vermeulen). We moeten slimme combinaties maken voor landbouw (industrial farming), energiebesparing en -winning en de mogelijkheden in het stedelijk gebied daarbij betrekken.

Duurzame winning elektriciteit Windturbines hebben een ruimtelijke impact en geven geluidshinder. Er is in het dichtbebouwde Brabantse landschap weinig ruimte voor (grootschalige) winning van windenergie. Het is goed mogelijk dat er op zee en in de kustprovincies onvoldoende capaciteit is en dat aanvullende locaties in het binnenland simpelweg nodig zijn. Wind kan een basis zijn voor een nieuw verdienmodel in het landelijk gebied (denk bijv. aan

5

Geothermie: De interessante geothermievelden in Nederland liggen in Zuid-Holland en

Noord-Holland, Friesland en Groningen. In Brabant liggen enkele kleinere velden (o.a. bij Helmond en Tilburg). De energieopgave van Brabant zal om die reden in nationaal , provinciaal en regionaal perspectief gezien moeten worden: circulair denken begint niet altijd bij de projectdefinitie, maar heeft alle schaalniveaus en afstemming daartussen nodig. Hoe meer kleinschalige initiatieven, hoe moelijker om op een hoger schaalniveau (rijk, provincie) tot een collectief systeem te komen. Kijk naar de ontwikkeling van het dijkensysteem in Nederland: dat begon ook met de bescherming tegen het water met een individuele aanpak (terpen, dorpsdijken). Dat leidde tot onvoldoende bescherming. (Marco Vermeulen)

11

3. Complementariteit in het Brabantse netwerk

c. steden en dorpen onderling binnen een streek of regio d. de centra en de randen van dorpen en steden Complementaire strategieën voor de onderdelen van het netwerk, op alle schaalniveaus, zijn nodig om te komen tot innovatie en vernieuwde positiebepaling binnen de veranderende ruimtelijk economische context van Brabant.

“Van belang voor steden en dorpen (XL-L-M-S) is: weten wie je bent, wat je onderscheidt, een goed netwerk in de samenleving binnen je stad, complementariteit in een ruimer netwerk, voorbij de onderlinge concurrentiestrijd. Van hiërarchie in netwerken naar complementariteit in netwerken, afscheid nemen van de gedachte dat je een complete stad of dorp moet zijn. Er zijn een paar complete steden in Brabant, verder specialiseren.” (Jeroen Niemans)

a.

De veranderende relatie tussen centrumsteden, middelgrote steden en ommeland

De economische kracht en demografische groei van Brabant vindt steeds meer plaats in de vier grote stadsregio’s van Brabant6. De jongere beroepsbevolking trekt naar de stadsregio’s rond Eindhoven, Tilburg, Breda en ‘s-Hertogenbosch, waar ook de economische groei zich concentreert. Bedrijven richten zich meer op de grote steden en zoeken een plek die aansluit bij de arbeidsmarkt. Tekort aan arbeidskrachten zal het landelijk gebied minder interessant maken voor bedrijven (Marnic Aarts). Door vergrijzing en krimp op het platteland ontstaan er andere verhoudingen tussen stad en platteland. De groeiende aandacht voor de grotere stad leidt tot veranderingen binnen het stedelijke netwerk van Brabant. Samenwerking tussen steden en ommeland wordt steeds belangrijker. Stad en platteland vullen elkaar steeds meer aan: het ommeland heeft de steden nodig voor voorzieningen, werkgelegenheid,

“De nieuwe opgave voor het Brabantse stedelijk netwerk komt erop neer dat elk onderdeel van dat netwerk zich bewuster moet worden van zijn eigen identiteit en kernkwaliteiten, om daarmee de eigen positie te versterken en op zoek te gaan naar sociale veerkracht.” (Hans Mommaas) Toenemende verschillen Binnen het Brabantse steden- en dorpennetwerk nemen de verschillen toe: tussen groei en krimp, en tussen stad en platteland. Dit is het gevolg van demografische, maatschappelijke en technologische ontwikkelingen, maar ook van het Vinexbeleid. De toenemende verschillen bieden kansen voor complementariteit van de onderdelen binnen het netwerk, maar we moeten tegelijkertijd de basiskwaliteit van (onderdelen van) het netwerk niet uit het oog verliezen. In Brabant is de aandacht lang naar de uitersten gegaan: de B5 en het platteland. De actuele ontwikkelingen dwingen tot een nauwkeuriger blik op de delen in Brabant die aandacht nodig hebben: van sturen vanuit ambities en agenda’s naar sturen vanuit ‘weten hoe het zit’. De veranderingen binnen het Brabantse netwerk spelen zich af op meerdere schaalniveaus. Er is sprake van toenemende verschillen tussen: a. de centrumsteden, middelgrote steden en ommeland b. de periferie en het hart van Brabant

6

Het inwonertal van Brabant is sinds 2000 met iets meer dan 143.000 mensen toegenomen.

Van deze groei is ruim 85% (123.000) in het stedelijk gebied terecht gekomen, waarvan het leeuwendeel (zo’n 90.000) in de vijf grootste steden. Bij elkaar genomen groeide de bevolking van Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Tilburg (de B5) sinds 2000 met 11,7%. Dat is ruimschoots boven het Brabants gemiddelde (6,1%). In het landelijk gebied lag de bevolkingsgroei in diezelfde periode op 2,6%.Anno 2016 woont 68,6% van de Brabantse bevolking in het stedelijk gebied. Ruim één op de drie Brabanders (35%) woont in de B5, die vandaag de dag samen 861.500 inwoners hebben.

12

Gemeenschappelijke visie

onderwijs, ontmoeting en cultuur. De steden hebben het ommeland nodig voor landelijk wonen, rust, ruimte, recreatie, maar ook voor de ontwikkeling van de agrofoodsector, biobased economy, energietransitie, water- en klimaatopgaven. Het succes van het regionale netwerk is niet afhankelijk van het zo lang mogelijk vasthouden van voorzieningen in de eigen gemeente, maar in het investeren in een netwerk met naburige plaatsen: als gemeenten in Brabant samenwerken in een regionaal netwerk creëren ze “borrowed size”. (Midsize NL)

Een gemeenschappelijke visie op de ruimtelijke economische ontwikkeling van de centrumstad, de midsize stad en de omliggende dorpen is noodzakelijk om tot een goede afstemming te komen over bereikbaarheid, woon- werkgebieden en voorzieningen binnen regio’s. De regio zal moeten kiezen voor een aantal centrumdorpen. Houd hier de voorzieningen in stand door concentratie van voorzieningen uit de regio, zorg voor een (bus)verbinding van de centrumdorpen met de omliggende steden, en creëer er aantrekkelijke woonmilieus voor ouderen (Joks Janssen).

De middelgrote steden waren ooit het centrum van hun eigen ommeland. Ze combineerden werkgelegenheid, een goed voorzieningenpakket en een betaalbaar groen en suburbaan woonklimaat. Nu maken deze steden deel uit van een stedelijk netwerk van centrumstad en kleine dorpen, waarbinnen ze positie moeten kiezen (Midsize Brabant). In de afgelopen decennia hebben de middelgrote steden geprofiteerd van de demografische en economische groei. Met de actuele economische en demografische ontwikkelingen zijn deze voordelen weg (zie ook Midsize Brabant, een verkenning voor de Brabantse middelgrote steden); ze kampen met krimp, vermindering van de sociale veerkracht en leegstand. Ze staan voor de opgave af te kicken van hun groeiverslaving.

b.

Veranderingen in de relatie ’periferie’ en het ‘hart’ van Brabant

De verschillen in ontwikkeling tussen gebieden langs de rand en die in het hart van Brabant nemen toe. Zo hebben enkele regio’s in Brabant te maken met krimp en een negatief migratiesaldo, terwijl andere regio’s groeien. De streken met een negatief migratiesaldo zijn West-Brabant, het Land van Heusden en Altena en het Land van Cuijk. De middelgrote steden binnen het hart van Brabant (het gebied tussen Eindhoven, ‘sHertogenbosch, Tilburg en Breda) hebben het minder moeilijk dan de steden daarbuiten, zoals Bergen op Zoom en Roosendaal.

De middelgrote steden hebben wel een duidelijke positie als het gaat om de logistieke opgave van Brabant. Alle midsize steden (behalve Uden) hebben een sterk logistiek profiel en beschikken over een terminal voor overslag via spoor of water (Mark Spanjer). Midsize Brabant heeft ook kansen om sterk te blijven in hoogwaardig MKB en sterk lokaal genestelde clusters. Ze bieden geen aantrekkelijke woonmilieus voor hoger opgeleide kenniswerkers. Die liggen wel in de centrumstad of omliggende dorpen (Pieter Tordoir).

c.

Veranderingen in de relaties tussen steden en dorpen binnen een streek of regio

De verschillen binnen regio’s nemen toe: enerzijds dorpen en midsize steden met een gemengde bevolking en leefstijl, anderzijds armere vergrijzende gemeenschappen. De dorpen behoren tot de rijkste gemeenten in Brabant (onder andere Sint Anthonis, Gemert, Boekel staan in de Brabantse top tien, bron: Sociale Scheidslijnen in Brabant, Brabant Kennis). De relatief rijke bevolking woont hier in een mooie landelijke omgeving, in de nabijheid van de voorzieningen van de omliggende steden. Maar ook binnen het Brabantse dorpenlandschap tekenen zich

13

steeds meer verschillen af. Niet alle dorpen hebben voldoende aantrekkingskracht om de trek van de hoger opgeleiden naar de steden en de toenemende vergrijzing tegen te gaan. Het verschil tussen de chique dorpen en de arbeidersdorpen wordt groter. Daarbij is het goed om te beseffen dat de kleine dorpen relatief goed voor zichzelf opkomen. In de grotere dorpen is minder sociale cohesie. Zij kunnen hun punt richting de gemeente minder goed maken (Miranda Reitsma). d.

Conclusies

Het Mozaïek van Brabant, waarin iedere kern op haar eigen schaalniveau compleet was, staat door sociale, technologische en economische ontwikkelingen (schaalvergroting) onder druk. De tijd waarin elke gemeente in alles wilde voorzien, is voorbij. De opgave voor elke gemeente is zichzelf te zien als onderdeel van een netwerk waar ieder zijn eigen waardevolle bijdrage aan levert. Sterke steden als motor voor het landelijke gebied. Voor de concentratie van stedelijkheid hebben de steden draagvlak nodig in de omliggende landelijke gemeenten (Joks Janssen). Maar ook de omliggende landelijke gemeenten moeten keuzes maken om het voorzieningenniveau levensvatbaar te houden: wat zijn de aantrekkelijke woonkernen, waar kunnen we een goed pakket van centrumvoorzieningen duurzaam in stand houden en waar niet. De onderste laag van de voorzieningen verdwijnt, alle diensten schalen op, iedere laag schaalt vervolgens op (Peter van Geffen). Afstemming is wezenlijk, de markt doet dat niet uit zichzelf maar heeft er wel belang bij. Op een aantal plekken in Brabant ontstaat als gevolg van het verdwijnen van voorzieningen een nieuwe dynamiek: burgers gaan steeds vaker gezamenlijk aan de slag met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de leefbaarheid van hun wijk of dorp of het vernieuwen van het aanbod van welzijn en zorg.

Veranderingen in de relatie tussen de centra en de randen van dorpen en steden

Brabant kent niet zo’n scherpe sociale tweedeling (kansloos-kansrijk) als sommige delen van de Randstad. De studie Brabantse Netwerken constateert wel een trend in deze richting, vooral op lokaal niveau. De harten van de grote steden worden steeds meer de plek van de kansrijken, de omliggende naoorlogse wijken die van de kansarmen. Ook binnen de dorpen ontstaan grotere verschillen. In de rijkere dorpsranden gaat de relatief jongere bevolking met de auto naar de omliggende steden, terwijl het oudere, armere en vaak eenzamere deel van de bevolking zich richt op de voorzieningen in het dorp zelf. Hier ligt een actuele herstructureringsopgave. Verloedering in de wijken rond het centrum heeft direct effect op het functioneren en de aantrekkelijkheid van het dorpscentrum (Ingrid van Lankvelt en Kees Peters). Tegelijkertijd leidt deze ontwikkeling tot meer druk op de betaalbaarheid van de (publieke en commerciële) voorzieningen in de steden. Dit komt door een gebrek aan schaarste: perifere ontwikkelingen tasten het draagvlak van centrumvoorzieningen aan, Ook maken mensen uit een veel groter gebied (de regio) gebruik van stedelijke voorzieningen, terwijl alleen de inwoners van de centrumstad betalen voor het in stand houden ervan (Jeroen Niemans).

14

4. Versterking van de netwerkkracht van Brabant: uitgangspunten en kernopgaven

Verbreed het B5 overleg naar een Brabantoverleg waarin vanuit wisselende coalities Brabantse, soms provinciegrens-overschrijdende opgaven worden besproken met de relevante partners binnen en buiten Brabant. c) Zet naast een Brabantbreed overleg in op integrale samenwerking binnen regio’s/streken/stadsregio’s (bijvoorbeeld op basis van het daily urban system). Binnen deze nieuwe overlegstructuren willen we samenwerken met partijen vanuit gedeelde opgaven en belangen én vanuit onze specifieke provinciale toevoegingen daaraan. De aard van de provinciale inbreng (lobby, investeren, faciliteren, agenderen en dergelijke) verschilt per schaalniveau. b)

De analyse uit deze eerste positionpaper, ‘De versterking van de netwerkkracht van Brabant’, leidt tot twee uitgangspunten en drie kernopgaven voor het verstedelijkingssbeleid van de provincie Brabant: De uitgangspunten 1: Sturen vanuit weten hoe het zit, ‘hoe werkt Brabant’

We willen de netwerkkracht van Brabant vergroten door intensievere samenwerking op de verschillende schaalniveaus. Dan is het belangrijk te weten ‘hoe Brabant werkt’. Dat betekent weten welke plekken en structuren in Brabant van belang zijn op het niveau van: a. de Noordwest-Europese metropoolregio (yearly urban system), b. de Nederlandse Deltametropool (monthly urban system) c. Brabant(stad) (weekly urban system) d. De (sub)regio (daily urban system) Daarbij brengen we in beeld welke zwakke delen onderuit lijken te gaan (sturen vanuit urgenties) en welke delen booming zijn (sturen vanuit potenties). De rol van de provincie ligt op het middelste schaalniveau: het bovenregionale niveau.

De kernopgaven

De kernopgaven spelen op alle schaalniveaus. Daartussen schakelen is dus het uitgangspunt bij de hoofdopgaven om de Brabantse netwerkkracht te versterken. 1.Versterken van de identiteit

Door versteviging en vernieuwing van de Brabantse stad-landrelaties versterken we de Brabantse identiteit ten opzichte van haar omgeving (Deltametropool en ABC regio). Dit betekent het ontwikkelen van een beleid, gericht op het versterken van de eigen identiteit van gebieden op de verschillende schaalniveaus: a) De stad-landkwaliteit van Brabant ten opzichte van de meer verstedelijkte omliggende regio’s van de Noordwest-Europese metropool. b) De identiteit van de Brabantse regio’s/gebieden ten opzichte van elkaar maar ook met elkaar. Dat betekent het versterken van het eigen regionale DNA, en tegelijkertijd van de complementariteit van regio’s.

2: Samenwerken in Brabant in wisselende coalities

We kunnen de netwerkkracht van Brabant vergroten als we de bestaande overlegstructuren verbreden/vernieuwen op alle schaalniveaus: a) Onderhoud goede bestuurlijke overlegtafels met alle omliggende regio’s: naast REOS (overleg met de noord- en zuidvleugel van de Randstad), is overleg met Brussel en Vlaanderen, Gelderland, Limburg en Duitsland minstens zo belangrijk (via Interreg en VND).

15

c) De identiteit van de onderdelen binnen die regio’s ten opzichte van elkaar (wat voegt iedere kern/streek toe aan het netwerk binnen de regio).

b)

Dit doen we door: a) de samenwerking tussen steden en omliggende gemeenten (ommeland) te vergroten en zo de kansen voor het verder ontwikkelen van de stad-land kwaliteit (’the best of both worlds’) beter te benutten; b) ruimte te geven aan complementariteit en specialisatie van de onderdelen van het Brabantse netwerk; c) goede afstemming binnen (sub)regio’s te stimuleren en de ontwikkeling te richten op diversiteit en het voorkomen van overschotten; d) middelen in te zetten op de ontwikkelingen waar de provincie (ten opzichte van gemeenten of andere partijen) een meerwaarde kan hebben; e) de aandacht voor de stad-landrelatie ook op het metropolitane niveau te brengen; f) samen met regio’s de belangrijkste opgaven te benoemen ter verbetering van de kwaliteit en bereikbaarheid van het landschap; g) de potenties te benutten van cultuurhistorische landschappen, complexen en gebouwen ter bevordering van de identiteit en de plaatswaarde van gebieden.

c) d)

e)

f)

2: Vergroten van de innovatiekracht

Om innovatie door economische ontwikkeling te stimuleren en op termijn te waarborgen, is het belangrijk onze focus op het beleid verbreden. Dat betekent sociale én duurzaamheidsopgaven toevoegen aan de sturing: a) ontwikkelen van aantrekkelijke knooppunten oftewel ontmoetingsplekken: bijvoorbeeld bij kennisinstellingen en campussen,

16

rond knooppunten van openbaar vervoer in de grote steden, maar ook kleinschaliger in de middelgrote steden en dorpen; voorkomen dat bezoekersintensieve functies verdwijnen naar de periferie van steden en dorpen; de landbouw meer benaderen als onderdeel van de hele economische keten; de ontwikkeling van toenemende sociale verschillen binnen het stedelijke gebied opnemen in het sociaal-ruimtelijk economische beleid van de provincie en regionale netwerken/gemeenten; agenderen van het gezondheidsvraagstuk bij gemeenten en regio’s en partijen op het gebied van gezondheid en inrichting met elkaar in gesprek brengen; inzetten op transitie naar duurzame energie op alle schaalniveaus: 1. De provincie agendeert op nationaal niveau het belang van een collectieve aanpak voor de ontwikkeling van geothermie (Dutch smart Thermal Grid) in combinatie met de ontwikkeling van wingebieden voor wind- en zonne-energie. 2. De provincie onderzoekt de mogelijkheden van een Brabants smart thermal grid. 3. De provincie ontwikkelt een beleid waarin traditionele scheidingen tussen natuur, landbouw, industrie en energiewinning plaats maken voor nieuwe mengvormen (ontschotten en innoveren). Daarbij benutten we het gedachtegoed van de IABR voor Mozaïek Brabant. 4.

De provincie agendeert de realisatie van energielandschappen op regionaal schaalniveau en zorgt voor afstemming van de ontwikkelingsmogelijkheden tussen de verschillende schaalniveaus (nationaal, provinciaal en regionaal).

3: Verbeteren van de bereikbaarheid

Netwerken bestaan bij de gratie van goede verbindingen. Basisopgave7 voor de verdere ontwikkeling van het Brabantse netwerk is investeren in het netwerk ten behoeve van: a) snellere ov-verbinding van Eindhoven met het grootstedelijk netwerk van de Europese Delta-metropool (Amsterdam, Düsseldorf, Brussel, Aken en Luik); b) snellere ov-verbindingen van de vier Brabantse steden met de zuidvleugel, Utrecht en Nijmegen; c) snellere ov-verbindingen tussen de Brabantse steden onderling; d) een goede aansluiting van de middelgrote en kleine gemeenten op het hoogwaardige ov-netwerk; e) de bereikbaarheid van Brabant voor de binnenvaart, als belangrijke schakel tussen Rotterdam en het achterland. De ontwikkelingen in de logistieke sector vragen ook om een visie op stadslogistiek.

7

Deze opsomming pretendeert niet de complete bereikbaarheids- en mobiliteitsopgave te benoemen. Dit zijn de hoofdpunten, zoals die voren zijn gekomen uit de gesprekken ten behoeve van de bouwsteen/evaluatie verstedelijking. 17

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Positionpaper 2

Om tot een meer circulair stedelijk systeem te komen is het belangrijk dat we: 1. inzetten op groei door herbestemming en herontwikkeling 2. de groeiende leegstand in Brabant aanpakken 3. beter inspelen op de veranderde rol van gemeenten en ontwikkelaars 4. én op de veranderde ruimtelijke kwaliteitsopgave

Een circulair stedelijk systeem De tweede rode draad die duidelijk uit de gesprekken naar voren komt, is de oproep om het verstedelijkingsproces te benaderen als een circulair systeem. Herbestemmen helpt tegen leegstand, bij de veranderende ruimtelijke kwaliteitsopgave, bij het beter matchen van vraag en aanbod en bij het herdefiniëren van de relatie tussen stad en land. Een circulaire benadering biedt bovendien kansen om beter in te spelen op de veranderde rol van overheden en ontwikkelaars.

1. Van groei door uitbreiding naar groei door herbestemming

Herbestemmen is het nieuwe bouwen Rond de eeuwwisseling groeiden steden en dorpen nog 100 meter per jaar naar elkaar toe. Dat zijn 3000 voetbalvelden vol, elk jaar. Als je dat niet stopt, dan verdubbelt het stedelijk gebied elke 50 jaar (Pieter van Geel, Ontwerpen aan Brabant 2050). In de nieuwe periode groeit het stedelijk gebied minder hard, hebben detailhandel, voorzieningen en kantoren minder ruimte nodig, en is grootschalige gebiedsontwikkeling grotendeels verleden tijd. De vastgoedmarkt bevindt zich in een transitie. Dat komt door demografische ontwikkeling (krimp, vergrijzing), schaalvergroting en technologische ontwikkeling (o.a. internetwinkelen en het nieuwe werken). De economische recessie maakte dit proces versneld zichtbaar. Ook nieuwe thema’s als energietransitie en vergrijzing vragen om een focus op het bestaand stedelijk gebied. Herbestemmen is het nieuwe bouwen. Belangrijke aandachtgebieden voor stedelijke vernieuwing zijn de centrumgebieden van steden en dorpen, de periferie van de centrumgebieden en de wijken uit de jaren 60 en 70.

18

versterking van de netwerkkracht van Brabant’. Een circulaire benadering van de verstedelijkingsopgave, leidt tot een versterking van de concentratieplekken. Het verder ‘vernevelen’ van het verstedelijkingspatroon werkt dat juist tegen. Concentratie betekent dat alles fysiek dicht bij elkaar is en dat stromen op korte afstand kunnen schakelen.

Het is belangrijk in beeld krijgen hoe toekomstbestendig de verschillende delen van het bestaand stedelijk gebied zijn. Wat zijn de leeglooplocaties van de toekomst? Wat zijn bijvoorbeeld toekomstbestendige kantorenlocaties en bedrijventerreinen? Welke cultuurhistorische waardevolle complexen (iconen van Brabant) vragen binnen de komende periode om een nieuwe invulling? Met financiële arrangementen kunnen we de ontwikkeling van nieuwe terreinen (met name voor de logistiek) koppelen aan de herinrichting van bestaande terreinen en deprogrammering van bestaand aanbod. (Mark Spanjers)

Een circulaire benadering van de verstedelijkingsopgave sluit uitbreiding van het stedelijk gebied niet uit, maar leidt tot bouwen op de beste plek in het netwerk (plaatswaarde benutten) en duurzaam en energieneutraal bouwen.

In plaats van het beheersen van de verstedelijking hebben we beleid nodig dat zich richt op stedelijke vernieuwingsprocessen. Daarvoor is het nodig om woonprogramma’s te koppelen aan transitieopgaven in het stedelijk gebied binnen de regio. Op dit moment verdelen we de woningbouwopgaven per gemeente. Voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is het beter om de woningbouwopgave te koppelen met andere doelen. Wat zijn de beste plekken in de (woon)regio om te bouwen, gezien de aard van de woningvraag? Wat sluit aan bij het ov? Hoe zit het met de bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, herstructurering en mogelijke herbestemming?

Circulaire benadering van stad én land Door de vervlechting van stad en land in Brabant kunnen we duurzame kringlopen ontwikkelen. Bepaalde kwaliteiten en voorzieningen kunnen op een efficiënte manier gekoppeld en uitgewisseld worden (IABRBrabantstadatelier, Weven aan het stedelijk tapijt, 2015). In het IABRBrabantstadatelier is het watersysteem van beken, rivieren en kanalen de ‘sleutel’ voor een gecombineerde aanpak van opgaven. Een volgende stap is: onderzoeken of het verrijken met andere stromen leidt tot een samenhangende, circulaire aanpak van stad en land (‘het circulaire mozaïek van Brabant’). Zo kan er een prachtig bindend concept ontstaan voor de Omgevingsvisie van Brabant. (Anne van Kuijk).

Circulaire benadering verstedelijking De ontwikkeling van ‘het Nieuwste Brabant’ richt zich steeds meer op hergebruik van het bestaande Brabant en het sluiten van kringlopen. Een circulaire benadering van verstedelijking hoort ook bij een circulaire economie. Uit allerlei studies blijkt dat steden en regio’s die internationaal concurrerend willen blijven, veel zuiniger moeten omgaan met ‘stromen’ als energie, water, grondstoffen en voedsel. In de verstedelijkingsopgave vindt een verschuiving plaats van een ‘plaatsbenadering’ (places) naar een ‘stroombenadering’ (flows). In de steden en dorpen komen stromen samen. En daar ligt het verband met de eerste positionpaper, ‘De

De circulaire benadering van stad en land is dus een urgente en ook nieuwe opgave voor gebiedsontwikkeling. Het wordt steeds belangrijker om te werken vanuit een gezamenlijk belang van steden, dorpen en ommeland. (Miranda Reitsma) De transitie naar een circulair systeem heeft de schaal van stad en land nodig. Zonder schaal is er te veel versnippering van energie en zijn processen niet rendabel. Dat houdt innovatie tegen. (Maurits Kreijveld)

19

2. Aanpak groeiende leegstand in Brabant

buitengebied, in beekdalen of incourante wijken met weinig groen etc.). (Cees Jan Pen)

Ook het leegstandvraagstuk vraagt om een circulaire aanpak van verstedelijking. Leegstand speelt in alle vastgoedsegmenten in Brabant en neemt de komende jaren toe8. En toch liggen er nog veel (uitbreidings-) plannen op de plank. Daar zitten ook slechte plannen tussen: plannen op de verkeerde plek, plannen die niet voorzien in de behoefte etc. (Peter van Geffen). Het leidt tot vragen en opgaven op verschillende schaalniveaus: het schaalniveau van de regio, dat van stad en dorp en op het niveau van het gebouw zelf.

Niveau van het gebouw

De leegstandsproblematiek verschilt per regio: in West-Brabant en aan de randen van de provincie is dit een groter probleem dan in de rest van Brabant, en de middelgrote steden hebben er meer last van dan de centrumsteden. Zo staat in Helmond ongeveer de helft van de kantoren leeg. Dit hangt samen met het verschuiven van de economische ontwikkeling en demografische ontwikkeling naar bepaalde regio’s en de centrumsteden.

Leegstand is geen opzichzelfstaand, tijdelijk vraagstuk. Het is onderdeel van een ‘natuurlijk proces’ in een circulaire ontwikkeling van een gebied, een stad of een regio. We leven in een tijdperk van grote transities, en dat verklaart waarom er nu zoveel leegstand is . We moeten ons dus goed afvragen welke ruimte er in de toekomst nodig is. (Erwin van der Krabben) Neem de grote ruimtevraag van de logistieke sector. Die hangt nauw samen met de manier waarop wij nu goederen en stromen organiseren. Maar doen we dat over 10 of 20 jaar nog steeds zo? Het is belangrijke dat we ervoor zorgen dat de bebouwing, zodra die niet meer voorziet in een behoefte, gesloopt kan worden. (Mark Spanjers) Bijvoorbeeld door de afschrijving van de bebouwing en de financiering van de sloop direct te regelen bij de ontwikkeling. En door innovatieve bouwconcepten te gebruiken, die uitgaan van recycling9. Oude panden zijn dan ‘grondstof’ voor herbestemming of voor hergebruik.

Niveau stad en dorp

Toenemende leegstand in het buitengebied

Regionaal niveau

Niet elke vorm van leegstand is even zichtbaar of problematisch. Leegstand in ontmoetingsgebieden (binnensteden, stationsomgevingen, dorpscentra en wijkcentra) is gauw slecht voor de leefbaarheid, veiligheid en de economische waarde van dit soort gebieden. Leegstand in woonwijken of op bedrijventerreinen heeft dat effect minder. In sommige gebieden is leegstand een kans om te komen tot sloop, omdat vergroening en verdunning daar gewenst is (bijvoorbeeld langs snelwegen, in het

In de periode 2000-2012 zijn in Noord-Brabant ruim 4500 agrarische bedrijven gestopt. Gevolg: 3,7 miljoen m2 agrarische bebouwing staat leeg. Tot aan 2030 stoppen nog eens 4500 bedrijven waarmee er nog 8,6 miljoen m2 extra vrij komt. (Leegstand agrarische vastgoed NoordBrabant, Alterra) Agrariërs hebben vaak geen opvolger als ze met pensioen gaan, en hun financiële situatie is vaak slecht. Het herbestemmen van de vrijgekomen ruimte met woningen, bedrijven of detailhandel is meestal geen optie: het holt steden en dorpen uit, en bovendien heeft het stedelijk programma zoveel ruimte niet nodig. De markt met alternatieve

8

Er staat in Brabant 16.000.000 m2 leeg, exclusief de leegstand in VAB’s ( conceptcijfers van het onderzoek dat het EIB hier naar heeft gedaan in opdracht van de provincie NoordBrabant)

9

20

Bijvoorbeeld het Kantorenpark Hoofddorp, ontwikkeld door de Delta Development Group

3. Inspelen op de veranderende rol van gemeenten en

herbestemmingen, zoals de recreatie, raakt verzadigd. Leegstand leidt tot sluipende verwaarlozing. Om aantasting van de kwaliteit van het platteland te voorkomen, zal er veel gesloopt moeten worden. Veel stoppende agrariërs doen dat niet omdat ze denken dat de stallen nog gebruiks- of restwaarde hebben, of dat de stallen verzilverd kunnen worden in het kader van rood-voor-roodachtige constructies of herbestemming. Uit onderzoek naar sloop van agrarische stallen in Twente blijkt dat de meeste agrariërs helemaal niet bezig zijn met de toekomstige bestemming van de stallen. Ze begroten daarom geen kosten voor sloop of herbestemming. (Mastertheses Real Estate, TIAS).

ontwikkelaars De grondexploitatie was voor gemeenten een belangrijke inkomstenbron, maar de vastgoedcrisis van 2008 maakte daar ruw een eind aan (De ruimtelijke metamorfose van Nederland 1988-2015, Ries van der Wouden). Inmiddels zijn de middelen van het Rijk weg, en het bestaand stedelijk gebied mag het oplossen. Een goede ruimtelijke ontwikkeling vraagt om een visie op de bestaande stad, mét financiële paragraaf! Veel gemeenten hebben wel het eerste, maar missen die financiële onderbouwing. Terwijl ze daarmee wel problemen verwachten. De gemeenten komen daar alleen niet uit. Het is belangrijk dat alle partijen de handen ineen slaan.

Rol overheid Leegstand is niet alleen een probleem van vastgoedeigenaren. Het heeft een impact op de leefbaarheid en het economische perspectief van een gebied. Aanpak van leegstand is niet alleen belangrijk om verloedering tegen te gaan, het biedt kans op innovatie, herschikking en verrijking van het stedelijk gebied. Vastgoedeigenaren schuiven het probleem nog steeds voor zich uit. (Cees Jan Pen) De boekwaardebepaling is nog heel dominant in het geheel (Willem van Hal). De provincie Noord-Brabant heeft een programma Leegstand. Daarvoor hebben we in kaart gebracht waar we kampen met leegstand, en we zetten het onderwerp intern en extern op de agenda. Maar het ontbreekt Brabant nog aan een visie op de aanpak van leegstand. En daarmee mist ook de visie op de kracht en ontwikkelingsmogelijkheden van haar steden, dorpen en landschap. Een visie kan veel duidelijk maken: waar geven we prioriteit aan? Waar willen we vergroening of verdunning? Het gaat daarbij niet alleen om leegstand in het stedelijk gebied, maar ook in het buitengebied. (Cees Jan Pen)

Er is geen stedelijk vernieuwingsbeleid meer, en dat missen we. De strategie was lang: versterk wat al sterk is (Joks Janssen). De gemeenten dragen zo’n zware financiële molensteen, dat ze geneigd zijn zich te gedragen als voor de crisis. Want aan deprogrammeren en de verschuiving van de opgave naar het bestaand stedelijk gebied hangt een prijskaartje. En zo zit de financiële component van de opgave de verduurzaming van de verstedelijking in de weg. De provincie heeft nu alleen de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM). Die alleen is onvoldoende geëquipeerd bij het faciliteren en stimuleren van de stedelijke vernieuwingsopgave in Brabant. (Erwin van de Krabben). Daarom moet de provincie onderzoeken hoe zij gemeenten kan helpen met de financiële component van de opgave, en zorgen voor goede programmeringsafspraken. Daarnaast is het belangrijk om niet meer aanbodgericht, maar vraaggericht te werken: pas als er een initiatief komt beslissen of je daar als overheid aan meedoet. En daarbij goed kijken: wanneer kan een gemeente dit zelf, en wanneer ligt er een rol voor de provincie (Erwin van der Krabben)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13922501/1