12b-6 NL.IMRO.0840.9000B0063-ON01 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 2 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH VOORONDERZOEK ZOEKSESTRAAT (ONG.) TE SCHIJF GEMEENTE RUCPHEN
Archeologisch vooronderzoek Zoeksestraat (ong.) te Schijf Opdrachtgever
Ruimte voor Ruimte CV Postbus 79 5201 AB ‘s Hertogenbosch
Rapportnummer
14954.002
Versienummer1
1
Datum
18 juni 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 010-7640828 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
R.S. Verheij, MSc drs. A.J. Wullink
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. F.F.J.M. Top
Paraaf
© Econsultancy bv, Rotterdam Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
14954.002
Toponiem
Zoeksestraat (ong.)
Opdrachtgever
Ruimte voor Ruimte CV
Gemeente
Rucphen
Plaats
Schijf
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Rucphen, Sectie Q, gedeeltelijk perceel 346
Omvang plangebied
Circa 2.000 m2
Kaartblad
49F (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 97485 / Y: 389900
Bevoegde overheid
Gemeente Rucphen Binnentuin 1 4715 RW Rucphen
T: 0165-349500 E: gemeente@rucphen.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Programmabureau RWB Drs. L. Weterings-Korthorst Postbus 503 4870 AM Etten-Leur
T: 076-5027229 E: leonie.weterings@west-brabant.eu
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5072628100
Archeoregio NOaA
4: Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Rotterdam; Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerders
Econsultancy, R.S. Verheij, MSc & drs. A.J. Wullink
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Ruimte voor Ruimte CV een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Zoeksestraat (ong.) te Schijf in de gemeente Rucphen. De initiatiefnemer heeft het voornemen om een vrijstaande woning te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig), verkennende fase door middel van boringen. Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied laatglaciaal dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) op oudere lokaal-terrestrische afzettingen van de Formatie van Stramproy wordt verwacht. In het eerste deel van het Holoceen zijn in het dekzand podzolbodems gevormd en wordt het gebied geschikt voor bewoning. In de Bronstijd vernat het gebied en vindt er veenvorming plaats, waardoor het gebied ongeschikt wordt voor bewoning. Het gebied wordt in de Late Middeleeuwen ontgonnen, waarbij door plaggenbemesting een matig dik eerddek ontstaat.
Het plangebied heeft een hoge verwachting voor resten uit het Paleolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor de Bronstijd, maar alleen als in de top van het dekzand nog een intacte podzolbodem aanwezig is. De verwachting voor de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen, wanneer het gebied waarschijnlijk te nat is voor bewoning of overveend, is laag. Tot slot heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het deel met een intacte podzolbodem in de top van de dekzanden een hoge archeologische verwachting heeft voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor de Bronstijd (ter plaatse van boring 1 en 2). In het gedeelte van het plangebied waar de podzolbodems niet aanwezig zijn (ter plaatse van boring 3 en 4) kan deze verwachting naar laag worden bijgesteld. De verwachting voor resten uit het IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is voor het gehele plangebied laag, omdat het overveend is geweest. De verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft in en direct onder het eerddek middelhoog voor het gehele plangebied. Econsultancy adviseert om de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’ te handhaven.
Dit betekent dat bij toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden dieper dan 50 cm –mv en groter dan 100 m2 eerst verder onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend booronderzoek om de verwachting voor het Laat-Paleolithicum – Bronstijd te toetsen en in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Neolithicum – Nieuwe tijd te toetsen. Het karterend booronderzoek kan zich beperken tot het oostelijke gedeelte van het plangebied, daar waar een deels intacte podzolbodem aanwezig is en het gebied hoger dan 11,9 m NAP ligt (figuur 13). Het proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Rucphen), die vervolgens een besluit neemt.
Rapport 14954.002 versie 1
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de gemeente Rucphen of de provincie Noord-Brabant).
Rapport 14954.002 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 12 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 5 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 10 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 11
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 12 Methoden ........................................................................................................................ 12 Resultaten ....................................................................................................................... 13 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 13
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 16 BRONNEN .......................................................................................................................................... 17
Rapport 14954.002 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel 1. Tabel 2.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13.
Ligging van het plangebied Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Het plangebied op de paleogeografische kaart Het plangebied op de geomorfologische kaart Maaiveldhoogte in het plangebied Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op historisch kaartmateriaal Archeologische waarden en onderzoeken Archeologische beleidskaart Boorpuntenkaart Maaiveldhoogte per boring Advies
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Archeologische monumenten Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Boorprofielen
Rapport 14954.002 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Ruimte voor Ruimte CV een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Zoeksestraat (ong.) te Schijf in de gemeente Rucphen. De initiatiefnemer heeft het voornemen om een vrijstaande woning te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Econsultancy is gecertificeerd volgens de BRL 4000 Archeologie2, voor de KNA-protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004, zoals vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (KNA-protocol 4002, hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen (IVO-O; KNAprotocol 4003, hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek en in relatie tot de geplande bodemverstoringen wordt geadviseerd of en in welke vorm vervolgonderzoek nodig is (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in mei en juni 2021 door R.S. Verheij, MSc en A.J. Wullink (senior KNA-prospector).
Het rapport is gecontroleerd door ir. F.F.J.M. Top.
2 SIKB, 2018; zie ook www.sikb.nl
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 1 van 17
2 2.1
BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 40023, volgens specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform het opgestelde beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Rucphen. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05). Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); relevante (wetenschappelijke) literatuur en historisch kaartmateriaal; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Rucphen; Heemkundevereniging.
Het bouwarchief is niet geraadpleegd, omdat het plangebied nooit bebouwd is geweest.
3 SIKB, 2018
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 2 van 17
2.3
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van Schijf, ten zuiden van de kern aan de Zoeksestraat. Het plangebied ligt te midden van weilanden en bos, ten westen ligt de Hoeksestraat en ten noorden de Nieuwe Zoek. Ten zuiden van het plangebied liggen twee percelen met bebouwing. Het plangebied ligt in de kadastrale gemeente Rucphen, sectie Q en beslaat een deel van perceel 346. De oppervlakte van het plangebied is circa 2.000 m2. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 enfiguur 2. Huidige situatie Het plangebied beslaat een weiland, omgeven door andere landerijen en bebost gebied. De oostzijde van het plangebied grenst aan de Zoeksestraat. In figuur 3 is de huidige situatie weergegeven. Vigerend beleid Volgens het vigerend bestemmingsplan buitengebied Rucphen4 uit 2020 heeft het grootste deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm –mv. De noordwestelijke en zuidwestelijke hoek van het plangebied hebben geen dubbelbestemming.
De dubbelbestemmingen zijn afgeleid van de gemeentelijke beleidskaart en de bijbehorende beleidsnota.5 Milieukundige situatie Te gelijker tijd met het archeologisch onderzoek is door Econsultancy ook een milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd.6 Uit dit onderzoek is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met lood en/of kwik. In de ondergrond zijn geen verontreinigen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en zink en is ook sterk verontreinigd met kobalt en nikkel. De sterke verontreinigingen in het grondwater zijn, mede gelet op het ontbreken van een verontreinigingsbron op en in de directe omgeving van het plangebied en het ontbreken van een kobalt- en nikkelverontreiniging in de bodem, te relateren aan de verhoogde regionale gehalten van metalen in het grondwater. Geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en mate van verontreiniging, er geen reden bestaat voor een nader onderzoek en er geen belemmeringen bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voor de bestemmingsplanwijziging van het plangebied. Verder zijn er tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 wordt niet noodzakelijk geacht. 2.4
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer heeft het voornemen om in het plangebied een vrijstaande woning te realiseren. In deze fase van de planvorming zijn geen exacte bouwplannen bekend. Er wordt uitgegaan van een fundering op staal en een maximale ontgravingsdiepte tot 1 m –mv.
4
www.ruimtelijkeplannen.nl Weterings-Korthorst e.a., 2019 6 Econsultancy-rapport 14954.001 5
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 3 van 17
2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 1.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden op Formatie van Stramproy.
Geomorfologie
Terrasafzettingswelvingen
Bodemkunde
Hoge zwarte enkeerdgronden
Grondwatertrap
VII
Landschappelijke ontwikkeling en geologie Het plangebied ligt in het zuidwesten van Brabant, in het Brabants zandgebied. Aan of nabij het maaiveld liggen in dit gebied afzettingen van de Formatie van Stramproy.7 Deze afzettingen zijn voornamelijk door kleine rivieren die vanuit België in noordelijke en oostelijke richting afwaterde, afgezet in het Vroegen Midden-Pleistoceen. Een deel van deze afzettingen heeft een eolische oorsprong. In dit gebied zijn door de pleistocene zeespiegel bewegingen rivierterrassen ontstaan. In het Laat-Glaciaal, het laatste deel van de laatste ijstijd, (13.000 – 10.000 jaar geleden) is op de rivierterrassen een dun pakket eolisch dekzand afgezet. Dit dekzand betreft het Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel. In het eerste deel van het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) vindt er bodemvorming plaats in de top van de pleistocene afzettingen, echter wordt er vanaf het Atlanticum (8.000 – 5.000 jaar geleden) veen gevormd die het dekzand deels afdekt. De veenvorming begint in de beekdalen, maar breidt zich uiteindelijke uit (rond 600 v. Chr.) over grote delen van West-Brabant.8 Alleen de hoger gelegen rivierterrassen worden niet overdekt met veen. Volgens de Turfdatabank van provincie Antwerpen9 is het plangebied afgedekt geweest door veen. Dit veengebied is Schijf met een oppervlakte van 149,55 ha.
Volgens de paleografische kaarten is het plangebied overveend geweest in de periode Bronstijd – Nieuwe tijd (figuur 4). Het veen is vanaf de Late Middeleeuwen (tussen 1250 en 1750 na Chr.) afgegraven ten behoeve van de turfwinning.10 Door de winning van het turf zijn de oudere dekzanden en terrasafzettingen wederom aan het maaiveld komen te liggen. Volgens de turfdatabank is Schijf in tussen 1357 en 1422 uitgegeven voor turfwinning. Het plangebied ligt binnen deze uitgifte. Het veengebied ten noorden van het plangebied, Rucphen, is in 1357 uitgegeven voor agrarische ontginning en turfwinning. Dit gebied heeft een oppervlakte van 1403,08 ha. Naast het gebied Schijf ligt een gebied van 102,91 ha, de 228½ bunder, wat in 1553 is uitgegeven voor turfwinning. Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart van Nederland (figuur 5) ligt het grootste gedeelte van het plangebied op terrasafzettingswelvingen en de noordwestelijke hoek op een dekzandrug. Ten westen en ten zuiden van het plangebied ligt een dekzandrug. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een terrasafzettingsvlakte.
7 Mulder e.a., 2003 8 Leenders, 2013 9 Turfdatabank 10 Leenders, 2013
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 4 van 17
Op het Actueel hoogtebestand van Nederland (AHN3; figuur 6) is de dekzandrug duidelijke te onderscheiden van de terrasafzettingswelvingen en -vlakte. Het maaiveld van de terrasafzettingswelvingen ligt tussen 12,3 en 14,3 m NAP, het maaiveld van de dekzandrug tussen 13,3 en 15 m NAP en het maaiveld van de terrasafzettingsvlakte tussen 11,9 en 121,6 m NAP. In het plangebied ligt het maaiveld tussen de 11,8 en 12,1 m NAP. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland (figuur 7) komen in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden voor. Dit zijn oude bouwlandgronden met een humushoudende bovengrond, de eerdlaag, van minimaal 50 cm tot een meter dik. Deze gronden zijn ontstaan door het ‘potstalsysteem’, waarbij heidenplaggen werden gestoken die dienden als strooisellaag in de stallen. De combinatie van mest, plaggen en zand, werd gefermenteerd en vervolgens op de akkers gebracht als bemesting. Dit leidde tot ophoging van de akkers.11 Rondom het plangebied komen veld- en laarpodzolgronden voor. Laarpodzolbodems zijn veldpodzolbodems met een matig dikke (30 – 50 cm) eerdlaag, die in de Late Middeleeuwen vanaf de ontginning is ontstaan door plaggenbemesting.12 Kenmerkend voor veld- en laarpodzolbodems is een humusinspoelingshorizont (Bh(s)-horizont). Verder komende rondom het plangebied vlak- en duinvaaggronden voor.
De vlakvaaggronden zijn hydrovaaggronden waarin periodieke hoge waterstanden voorkomen. Deze gronden hebben een humusarme tot matige humeuze bovengrond, omdat deze bij ontginning vaak is verdwenen De duinvaaggronden zijn xerovaaggronden en komen voor in hoge zandgronden in stuifzanden. In deze gronden is weinig bodemvorming opgetreden.13 De enkeerdgronden binnen het plangebied hebben grondwatertrap VII. Dit betekent dat de hoogste grondwaterstand (winterpeil) dieper dan 80 cm –mv staat. De grondwaterstand is van invloed op de conservering van organische archeologische resten, zoals hout, leer en bot. Deze resten worden boven de laagste grondwaterstand niet of slecht geconserveerd verwacht. 2.6
Beschrijving van het historische gebruik
Bewoningsgeschiedenis en historisch kaartmateriaal De eerste bewoning in het gebied vindplaats door jagers-verzamelaars vanaf het Mesolithicum, voornamelijk aan de randen van beekdalen. In het Neolithicum doen akkerbouw en veeteelt geleidelijk hun intrede. Landbouwers vestigen zich in westelijk Brabant voornamelijk op hogere dekzandruggen en hooggelegen flanken van deze dekzandruggen. Vondsten uit deze periode in de regio zijn tot nu toe beperkt, maar er zijn wel vuurstenen objecten aangetroffen in het gebied van Schijf. Door de stijgende grondwaterspiegel en de daarmee samenhangende veengroei raakte grote delen van het gebied onbewoonbaar. Dit geldt niet alleen voor de delen van het landschap die daadwekelijk worden overveend, maar ook voor de delen waar de grondwaterspiegel tot minder dan 30 cm onder het maaiveld stijgt.14 De veengroei begint in de beekdalen en groeit uit over alle lagergelegen delen van het landschap.
11 Sonneveld & Jongemans, 2010 12 Jongmans e.a., 2013 13 Bakker & Schelling, 1989 14 Ball e.a., 2016
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 5 van 17
Vanaf de Romeinse tijd wordt de bewoning in het gebied weer intensiever en is af te leiden aan verschillende vondsten in de regio, in Sint Willebrord. Hierna lijkt de bewoning in de regio wederom af te nemen en komt pas weer opgang vanaf de Vroege Middeleeuwen. Vanaf de 13e eeuw worden delen van het gebied uitgegeven voor turfwinning en ontginning. Het gebied van Schijf wordt tussen 1357 en 1422 uitgegeven voor turfwinning. Aangenomen kan worden dat het gebied in de eeuwen hiervoor niet wordt bewoond. De naam ‘Zwarte Schijf’ wordt voor het eerst vermeld in 1423, door de verkoop van een stuk grond. Dit betrof het gebied gelegen ‘in de Rucphense moer aan de Zwart Schive’ (Zwarte Schijf). Waarschijnlijk gaat het om een bepaald veengebied (het gebied van de Oude Zoek) wat wordt gezien als eenheid, de schijve moers. In 1442 wordt de Zwartschijf verheven tot zelfstandige parochie samen met Rucphen. De eerste bewoning van Schijf dateert waarschijnlijk ook uit de 14e eeuw, rond deze periode wordt er een turfvaart gegraven van Schijf naar Oudenbosch, via Rucphen. Het betreft de Vlettenvaart, parallel aan de huidige Zoeksestraat.15 Volgens de kadastrale minuut uit 1811 – 1832 ligt het plangebied in de Zoeksche Akkers, ten zuiden van de kern van Schijf (figuur 8A). De oostzijde van het plangebied grenst aan de Vlette Vaart en de Vaartkant.
Wat opvalt is dat de huidige indeling van het gebied rondom het plangebied in deze periode al bestaat. Ten noorden van het plangebied ligt het Schooijers Straatje. Het plangebied beslaat perceel 321. Dit perceel is in bezit van bouwer Jan Talboom en in gebruik als bouwland. Rond 1899 is de situatie in het plangebied nauwelijks veranderd ten opzicht van de kadastrale minuut (figuur 8B). Ten westen van Schijf ligt de Rucphensche heide, ten oosten de Verbrande heide, ten zuidoosten de Witte moeren en ten zuiden de Oude Zoek. Bebouwing ligt alleen langs de wegen en het plangebied is onbebouwd. Tussen 1955 en 1962 vindt rond het plangebied verkaveling plaats, waarbij verschillende percelen worden samengevoegd. De Vlette Vaart lijkt gedempt te zijn (figuur 8C). De bebouwing in Schijf breidt zich uit langs de wegen. Rond 1970 komt er in de Zoeksche Akker langs de wegen bebouwing te staan, het plangebied blijft onbebouwd (figuur 8D). Rond 1980 vindt er opnieuw verkaveling plaats rond het plangebied en komt er meer bebouwing bij langs de wegen (figuur 8E). Rond 1990 wordt een gebied ten zuidwesten van het plangebied afgegraven en veranderd het gebied in een meer. Rond 1995 vindt er opnieuw verkaveling plaats, waarbij het perceel ten westen van het plangebied wordt uitgebreid. Tussen 2006 en 2010 wordt ten noorden van het plangebied de wijk de Nieuwe zoek gebouwd (figuur 8F).
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Binnen het plangebied of direct daaromheen (in een straal van 50 m) liggen geen rijksmonumenten of MIP-objecten.
15 Groot e.a., 2011
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 6 van 17
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.16 Volgens de geraadpleegde kaarten ligt het plangebied niet in een gebied waarbinnen resten uit de Tweede Wereldoorlog worden verwacht en zijn er geen geregistreerde luchtaanvallen geweest op Schijf. Heemkundekring ‘Swerter Scive’ Op 20 mei 2021 is er contact gezocht met de Heemkundekring Swerter Scive voor aanvullende historische informatie over de omgeving van het plangebied. Binnen het tijdsbestek van de uitvoering van het onderzoek is er geen reactie gekomen. AWN Werkgroep archeologie, Schijf Op 26 mei 2021 is er telefonisch contact geweest met de heer T. Naenen van de AWN werkgroep archeologie, Schijf. Door reorganisatie van de werkgroep kon hij ons helaas niet veel informatie geven. Wel gaf hij wat historische informatie over de regio. Circa 30 á 40 m van het plangebied vandaan zijn er bewoningssporen van turfstekers aangetroffen. Verder is er ten noorden van het plangebied het Schooijers Straatje in 2012 aangetroffen, tussen de Hoeksche straat en de Vaartkant (de huidige Zoeksestraat). Het eerste woonhuis van Schijf stond aan de Hoeksestraat. 2.7
Archeologische waarden
In de omgeving van het plangebied zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd, in de vorm van bureau-, boor-, proefsleuvenonderzoek en een opgraving (figuur 9 en bijlage 3). In de omgeving zijn meerdere vondsten gedaan en er ligt één archeologische monumenten in de omgeving van het plangebied (bijlage 2 en bijlage 4). AMK-terreinen Circa 800 m ten oosten van het plangebied, in de Witte Moeren, in Moeren ligt een terrein van hoge archeologische waarde (AMK nr. 2391). Het betreft nederzetting uit het Vroeg-Mesolithicum met een vuursteenconcentratie, aangetroffen door dhr. J.H. Verhagen (figuur 9 en bijlage 2). Archeologische onderzoeken Circa 90 m ten noordwesten van het plangebied is in 2018 door Econsultancy een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 4619814100 en 4619822100). Vanuit het bureauonderzoek blijkt dat het onderzoekgebied een hoge archeologische verwachting heeft voor het Paleolithicum – Neolithicum en de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd, een middelhoge verwachting voor de Bronstijd en een lage verwachting voor de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen. Uit het booronderzoek is gebleken dat er in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied een plaggendek op een smoezelige laag op de C-horizont aanwezig is. De smoezelige laag is waarschijnlijk het gevolg van de veenwinning in het gebied.
Door het ontbreken van een podzolbodem in het dekzand kan de verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum bijgesteld worden naar laag. De verwachting voor de overige periodes blijft hetzelfde. De verwachting voor het zuidelijke deel is laag omdat hier de bodem is verstoord. Geconcludeerd wordt dat in het noordelijke deel van het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk lijkt in de vorm van proefsleuven.
16 ikme.nl; VEO Bommenkaart; Ruimingskaart
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 7 van 17
Circa 100 meter ten noordoosten van het onderzoeksgebied aan de Zoekstraat 5 en 7, tegenover de opgraving, is in 2007 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door SOB research (zaakid. 2193994100). Tijdens dit onderzoek is er geen (restant van een) B-horizont aangetroffen, waardoor er is verondersteld dat er geen archeologie meer aanwezig is. Dit onderzoek is nog voor de opgraving uitgevoerd, waaruit bleek dat er ook zonder een aanwezige B-horizont er interessante resten aanwezig waren. Sinds het uitvoeren van dit bureau- en booronderzoek is er inzicht gekomen dat A/C- bodemprofielen (plaggendek of akkerdek direct op dekzand, zonder een restant van een podzolbodem) archeologie niet uitsluiten. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft er in 2009 een opgraving plaatsgevonden door SOB Research (zaakid. 3235012100). Uit de opgraving is gebleken dat de bodem bestaat uit een plaggendek op dekzand. In delen van het onderzoeksgebied is een restant van een podzolbodem aangetroffen. In het onderzoeksgebied is een groot aantal grondsporen aangetroffen, het betreft vermoedelijk een erf. Verder zijn er clusters van paalkuilen en losse paalkuilen aangetroffen die in verband worden gebracht met een houtbouwstructuur uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Verder werd er in het onderzoeksgebied verscheidene greppels aangetroffen.
Op de bodem van een van de greppels werd een eikenhouten balkje gevonden, die als dorpel heeft gediend. De aangetroffen sporen behoren tot een 1 m breed houten keersluisje. Dis sluisje diende om doormiddel van het laten in- of uitstromen van water het waterpeil op de turfvaart te kunnen reguleren. Ook zijn er aardewerkscherven, metaalvondsten, natuursteen, bouwmateriaal, glas, botmateriaal en hout aangetroffen. Het grootste gedeelte van het aardewerk dateert uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Verder is er in het onderzoeksgebied een schrabber en geglazuurde kruik van steengoed aangetroffen, daterend uit het Paleolithicum – Nieuwe tijd. Geconcludeerd kan worden dat de opgraving een nederzettingsterrein betreft die aan drie zijden omgeven wordt door greppels en alleen aan de noordzijde open was. In het midden tussen de greppels bevond zich in het zuidelijke deel van het erf een houten gebouw, een woonhuis. Ten noorden van het huis bevonden zich twee mogelijke hutkommen en mogelijk een spieker. Het spuisluisje in de greppel begrenst een deel van het erf aan de oostzijde en die via dit sluisje in verbinding stond met de turfvaart. In de tweede helft van de 15e eeuw en de eerste helft van de 16e eeuw, misschien nog langer, heeft er in het onderzoeksgebied een ‘spoyweerde’ (sluiswachter) gewoond en gewerkt.
Ten noordwesten van het plangebied (circa 130 m) is door SOB Research achtereenvolgende een bureau- en booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek en een opgraving uitgevoerd (zaakid. 2194269100, 2225397100 en 2246051100). De opgraving is uitgevoerd langs de Zoeksestraat, het oostelijke deel van het oorspronkelijke onderzochte gebied. De vindplaats betreft een woonerf, waarschijnlijk behorende bij de aangetroffen sluis in de turfvaart. Het erf en het sluisje dateren uit de tweede helft van de 15e en de eerste helft van de 16e eeuw. Het erf wordt in die periode aan drie zijden omsloten door greppels, waardoor enkel de noordzijde open is. Er zijn resten van een houten woonhuis, twee mogelijke hutkommen en een spieker aangetroffen. Er is een houten spuisluis aangetroffen op de plek waar de oostelijke greppel op de turfvaart aansluit. De bodemopbouw in het onderzoeksgebied bestaat uit een plaatselijk zeer dun plaggendek op dekzand. De dikte van het plaggendek varieert tussen de 25 en 145 cm. In het dekzand is de B-horizont van een podzolbodem aangetroffen. De sporen zijn in de top van het dekzand aangetroffen. Uit vier bureau- en/of booronderzoeken is gebleken dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk is op basis van de aangetroffen verstoringen (zaakid. 2208540100, 2235173100 en 2455234100). De bodem is dusdanig verstoord, dat er geen archeologische resten meer worden verwacht.
Een bureau- en booronderzoek, circa 300 m ten noordoosten van het plangebied aan de Sint Antoniusstraat 36-38 (zaakid. 2336131100 en 2336934100) heeft geen vervolgonderzoek geadviseerd, maar de bevoegde overheid was het hier niet mee eens en adviseerde een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven met een doorstart naar een opgraving. Het vervolgonderzoek is (nog) niet uitgevoerd.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 8 van 17
Circa 300 m ten noorden van het plangebied aan Den Aanwas is tijdens een booronderzoek een intact bodemprofiel met plaggendek aangetroffen (zaakid. 2471118100). Vervolgonderzoek wordt noodzakelijk geacht aan de hand van de resultaten in de vorm van een archeologische begeleiding van de sloop van de bestaande bebouwing. Ten westen van het plangebied (circa 400 m) is in 2020 door Salisbury Archeologie een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 4876852100). Tijdens het veldonderzoek is een esdek op dekzand aangetroffen. Er is geen veen aangetroffen in de boringen. Van de vier potentiële archeologische niveaus zijn er twee aangetroffen, namelijk het esdek en de top van het dekzand. De archeologische verwachting voor de periodes Midden-Paleolithicum – Laat-Paleolithicum kunnen daarom worden bijgesteld naar laag. Het esdek is tussen 40 en 85 cm dik. In het esdek zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op het gebruik van het plangebied als akkergrond vanaf de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. De archeologische verwachting voor deze periodes blijft hoog. Resten uit deze periode zullen verband houden met de ontginning en gebruik als landbouwgrond. Het aantreffen van delen van een oorspronkelijke B-horizont in de onderste laag van het esdek geeft aan dat bij de ontginning, dan wel landbewerking van het plangebied de oorspronkelijke top van het dekzand is verstoord.
Indien er resten van menselijke activiteiten uit de periodes Mesolithicum – Neolithicum in het onderzoeksgebied aanwezig zijn, zullen deze alleen nog zichtbaar zijn in de vorm van een sporenniveau. Er wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van proefsleuven. Op 450 meter ten oosten van het plangebied is in 2017 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door BAAC (zaakid. 4565285100). Tijdens dit onderzoek is een redelijk intacte bodem aangetroffen en twee aardewerken scherven. De hoge archeologische verwachting wordt gehandhaafd en er wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Dit is onderzoek is (nog) niet uitgevoerd. Het onderzoeksgebied heeft over het algemeen een hoge archeologische verwachting, die regelmatig naar beneden moet worden bijgesteld door de verstoorde bodemopbouw. De verstoringen zijn over het algemeen ontstaan door bouwwerkzaamheden, maar ook door het gebruik als bijvoorbeeld een boomkwekerij. Vondsten Naast de bovengenoemde vondsten zijn er in de omgeving van het plangebied meerdere vondsten gedaan (figuur 9 en bijlage 4). Uit de periode Paleolithicum zijn boren aangetroffen, 450 m ten oosten van het plangebied bij De Witte Moeren (zaakid. 3275068100).
Er zijn boren, klingen, afslagen, schrabbers, brokken en kernen uit de periode Paleolithicum – Mesolithicum aangetroffen, 400 m ten westen en oosten van het plangebied, aan de Hoeksestraat, Mesthoek (Bloemenveld 2) en Voetbalveld Vv Schijf (zaakid. 2691155100, 3277199100, 3281256100, 3281280100, 3281320100, 3281378100, 3289146100). Uit de periode Paleolithicum – Neolithicum zijn in de Mesthoek (Bloemenveld 2), De Witte Moren en Voetbalveld Vv Schijf kernen, klingen, afslagen en brokken aangetroffen (zaakid. 3266441100, 3289202100, 3289227100, 3289365100 en 3289405100). Tot slot zijn er in de Mesthoek kannen van steengoed en lepels uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd (zaakid. 3281361100), aan de Hoeksestraat kernen, klingen, spitsen, dolken, afslagen en spinsteentjes uit het Paleolithicum – Nieuwe tijd (zaakid. 3277158100) en aan de Roosendaalsebaan 5 gedraaid aardewerk uit de Nieuwe tijd (zaakid. 2235173100) aangetroffen. Archeologische verwachting Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Rucphen (figuur 10) heeft het grootste deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting voor tenminste vindplaatsen van jagerverzamelaars. De uiterste zuidwestelijke hoek van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting, eventueel met kans op veenwinningsresten.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 9 van 17
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (zie tabel 2). Tabel 2.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Verwachting en complextype
Te verwachten resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Paleolithicum – Mesolithicum
Hoog; kampementen
Vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool; haardkuilen
In de top van het dekzand, onder een bouwvoor of eerddek
Neolithicum
Hoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem
In de top van het dekzand, onder een bouwvoor of eerddek
Bronstijd
Middelhoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem
In de top van het dekzand, onder een bouwvoor of eerddek
IJzertijd – Vroeg Middeleeuwen
Laag; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem
In het veen, onder een bouwvoor of eerddek
Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Middelhoog; sporen van landgebruik
Akkerlagen, sloten/greppels
Direct aan het maaiveld, in en onder het eerddek en in de top van het dekzand
Het plangebied ligt op terrasafzettingswelvingen uit het Vroeg- tot Midden-Pleistoceen van de Formatie van Stramproy, afgedekt door eolisch dekzand uit het Laat-Glaciaal (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Volgens de turfdatabank is Schijf tussen 1357 en 1422 uitgegeven voor turfwinning. Het plangebied ligt binnen deze uitgifte. Hieruit kan worden opgemaakt dat het plangebied overveend is geweest en ontgonnen. De top van het dekzand, direct onder een bouwvoor of eerddek, heeft een hoge verwachting voor kampementen en resten van jagers-verzamelaars uit het Paleolithicum – Mesolithicum, een hoge verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit het Neolithicum en een middelhoge verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit de Bronstijd. De resten uit het Paleolithicum – Mesolithicum worden verwacht in de vorm van een vondstlaag met strooiingen van vuursteen en houtskool en resten uit het Neolithicum en Bronstijd in de vorm van akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen, sloten en greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten, vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot en verbrand leem.
Archeologische resten worden alleen verwacht als het gebied voor de periode van veenvorming droog genoeg is geweest om podzolisatie te laten plaatsvinden en wanneer deze podzolbodem niet is afgetopt bij de ontginning van het gebied in de Middeleeuwen. Het veen, direct onder een bouwvoor of eerddek, heeft een lage verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen. Deze resten worden verwacht in de vorm van akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen, sloten en greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten, vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot en verbrand leem.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 10 van 17
Aan het maaiveld worden sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd verwacht in de vorm van akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen, sloten en greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten, vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot en verbrand leem. De archeologische verwachting voor dit niveau is middelhoog. Bodemverstoring Voor resten in de top van het dekzand, met name die uit het Paleolithicum en Mesolithicum, geldt dat deze alleen worden verwacht als het pleistocene maaiveld nog intact is, dus als er nog een (restant van) een podzolbodem aanwezig is. Eventuele archeologische lagen kunnen bij de ontginning van het gebied in de Late Middeleeuwen zijn verdwenen. Als dit het geval is en er geen restant van een podzolbodem meer aanwezig is, is de kans op de resten van jagers-verzamelaars erg klein. Diepere grondsporen uit het Neolithicum kunnen dan nog wel aanwezig zijn, maar het is moeilijk vast te stellen hoeveel er van de top van het dekzand is verdwenen als er geen restanten van podzolbodems meer aanwezig zijn. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit het Paleolithicum – Bronstijd in de top van het dekzand worden verwacht, resten uit de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen in het veen worden verwacht en resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd direct aan het maaiveld. Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring voor het plangebied vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen. In dit specifieke geval kan met het verkennend booronderzoek worden vastgesteld of de top van het dekzand nog intact is (aanwezigheid van een podzolbodem) en of er veen aanwezig is in het plangebied.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 11 van 17
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400317, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Rucphen. Het veldonderzoek is op 4 juni 2021 uitgevoerd door R.S. Verheij, MSc en drs. A.J. Wullink (senior KNA-prospector). Voorafgaand aan het veldwerk is door R.S. Verheij, MSc en drs. A.J. Wullink een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er vier boringen tot maximaal 1,2 m –mv geplaatst. De boringen zijn verspreid in het plangebied gezet. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van meetlinten. De maaiveldhoogte is bepaald aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is te zien figuur 11. Voor de boringen is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.18 De boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 5.
17 SIKB, 2018 18 Bosch, 2005
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 12 van 17
3.3
Resultaten
Geologie en bodem De bodemopbouw in het plangebied is vrij uniform. In alle boringen is matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen. De top van dit pakket is zwak humeus. Deze top is 30 tot 50 cm dik. In boring 2 komen in de top veenbrokjes voor en in boring 3 sporen van baksteen. De top betreft een subrecent opgebracht eerddek. Onder de toplaag komt een pakket matig, zwak siltig zand voor met een dikte van 20 tot 50 cm dik. Dit zijn in het Laat-Glaciaal afgezette dekzanden. In deze dekzanden zijn in twee boringen (restanten van) podzolbodem aangetroffen. Deze podzolbodem is nagenoeg intact, in boring 1 bestaat deze uit een Aap- en een Bhs-horizont. In boring 2 bestaat deze podzol uit een Ap-, Ae/Bp-, Bh-, Bhs- en BChorizont. In boring 3 en 4 is onder het eerddek een A/Cp-horizont aangetroffen met sporen van veen met direct daaronder het oorspronkelijke moedermateriaal (C-horizont). Deze A/Cp-horizont is waarschijnlijk bij de ontginning van het gebied ontstaan. In boring 3 is in de top van de C-horizont een 10 cm dikke C/BC-horizont aangetroffen. In boring 1, 2 en 4 is onder het dekzand een pakket matig fijn, matig siltig zandpakket aangetroffen. Deze lemige zanden zijn waarschijnlijk lokaal-terrestrische afzettingen van de Formatie van Stramproy. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen.
Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Volgens het bureauonderzoek worden er in het plangebied laatglaciaal dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) op oudere lokaal-terrestrische afzettingen van de Formatie van Stramproy verwacht. In het eerste deel van het Holoceen zijn in het dekzand podzolbodems gevormd en wordt het gebied geschikt voor bewoning. In de Bronstijd vernat het gebied en vindt er veenvorming plaats, waardoor het gebied ongeschikt wordt voor bewoning. Het gebied wordt in de Late Middeleeuwen ontgonnen, waarbij door plaggenbemesting een matig dik eerddek ontstaat. Volgens de turfdatabank is Schijf tussen 1357 en 1422 uitgegeven voor turfwinning. Het plangebied ligt binnen deze uitgifte en er kan daarom hieruit worden opgemaakt dat het plangebied overveend is geweest en ontgonnen. Het plangebied heeft een hoge verwachting voor resten uit het Paleolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor de Bronstijd, maar alleen als in de top van het dekzand nog een intacte podzolbodem aanwezig is. De verwachting voor de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen, wanneer het gebied waarschijnlijk te nat is voor bewoning of overveend, is laag.
Tot slot heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat het dekzand in het plangebied onder een humeuze toplaag met een dikte van 20 tot 50 cm ligt. Deze humeuze toplaag kan worden beschouwd als een door plaggenbemesting ontstaan eerddek. De archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in en direct onder het eerddek blijft middelhoog, door de kans op de aanwezigheid van resten van veenwinning.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 13 van 17
Onder de humeuze toplaag is in twee boringen (boring 1 en 2) een restant van een podzolbodem aangetroffen. Dit gedeelte van het plangebied is droog genoeg geweest om de vorming van een podzolbodem mogelijk te maken en heeft daarom een hoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor de Bronstijd. In boring 3 en 4 zijn geen restanten van podzolbodems aangetroffen, de verwachting voor dit gedeelte kan naar laag worden bijgesteld. De resultaten van het veldonderzoek komen overeen met het Actueel hoogtebestand van Nederland (AHN3; figuur 12), die aangeeft dat de meest westelijke strook van het plangebied, ter plaatse van boring 3 en 4, 15 tot 26 cm lager ligt dan de rest van het plangebied. De grondwaterspiegel heeft in dit gedeelte relatief hoog gestaan in vergelijking tot de rest van het plangebied, waardoor er geen podzolering heeft plaatsgevonden. In boring 2, 3 en 4 zijn resten van veen aangetroffen, op basis van deze informatie kan worden vastgesteld dat er in het plangebied veenvorming heeft plaatsgevonden, alleen is niet vast te stellen vanaf welke periode er precies veenvorming heeft plaatsgevonden. Op basis van het bureauonderzoek heeft er waarschijnlijk in de loop van de Bronstijd veenvorming plaatsgevonden.
De lage verwachting voor de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is door het veldonderzoek vastgesteld omdat er veenresten zijn aangetroffen en daaruit geconcludeerd kan worden dat het gebied te nat is geweest voor bewoning.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 14 van 17
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het deel met een intacte podzolbodem in de top van de dekzanden een hoge archeologische verwachting heeft voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum en een middelhoge verwachting voor de Bronstijd (ter plaatse van boring 1 en 2). In het gedeelte van het plangebied waar de podzolbodems niet aanwezig zijn (ter plaatse van boring 3 en 4) kan deze verwachting naar laag worden bijgesteld. De verwachting voor resten uit het IJzertijd – Vroege Middeleeuwen is voor het gehele plangebied laag, omdat het overveend is geweest. De verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd blijft in en direct onder het eerddek middelhoog voor het gehele plangebied. Econsultancy adviseert om de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’ te handhaven. Dit betekent dat bij toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden dieper dan 50 cm –mv en groter dan 100 m2 eerst verder onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend booronderzoek om de verwachting voor het Laat-Paleolithicum – Bronstijd te toetsen en in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Neolithicum – Nieuwe tijd te toetsen.
Het karterend booronderzoek kan zich beperken tot het oostelijke gedeelte van het plangebied, daar waar een deels intacte podzolbodem aanwezig is en het gebied hoger dan 11,9 m NAP ligt (figuur 13). Het proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Rucphen), die vervolgens een besluit neemt. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed19, de gemeente Rucphen of de provincie Noord-Brabant).
19 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 15 van 17
LITERATUUR
Aa, A. v. (1839). Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden. Gorinchem: Jacobus Noorduyn. Amersfoort, H., & Kamphuis, P. (1990). Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. 's-Gravenhage. Ball, E., Delaruelle, S., Heeringen, R. v., Huijbers, A., Kimenai, P., Linde, C. v., & Tebbens, L. (2016). Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. (E. Ball, & R. v. Heeringen, Red.) Amersfoort: RCE. Berkel, G. v., & Samplonius, K. (2006). Nederlandse plaatsnamen, Herkomst en historie. Utrecht. Bosch, J. (2005). Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht: NITGTNO. Econsultancy. (2020). Verkennend bodemonderzoek Sporenbergstraat te Zevenbergschen Hoek. Rotterdam: Econsultancy. Econsultancy. (2021). Verkennend bodemonderzoek Zoeksestraat te Schijf (14954.001). Rotterdam: Econsultancy. Groot, N., Wilbers, A., & Lorenz, S. (2011). "Tussen water en land”, Archeologische Waarden- en verwachtingenkaart en Advies archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk. Weesp: RAAP. Jong, L. d. (1969 - 1994). Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 's-Gravenhage. Jongmans, A., Berg, M. v., Sonneveld, M., Peek, G. W., & Berg van Saparoea, R. v. (2013). Landschappen van Nederland. Wageningen. Leenders, K. (2013). Verdwenen Venen.
Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250 - 1750. een actualisering. . Woudrichem: Picture Publishers. Maas, G., Delft, P. v., & Heidema, H. (2017). Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. (Wageningen Environmental Research) Opgehaald van http://legendageomorfologie.wur.nl/ Mulder, E. d., Geluk, M., Ritsema, I., Westerhof, W., & Wong, T. (2003). De ondergrond van Nederland. Houten. SIKB. (2018). BRL SIKB 4000. Beoordelingsrichtlijn Archeologie (Versie 4.1, 24 mei 2018 ed.). Gouda: SIKB. Vos, P., & Vries, S. d. (sd). 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Opgeroepen op 11 30, 2015, van www.archeologieinnederland.nl Vries, F. d., Groot, W. d., Hoogland, T., & Denneboom, J. (2003). De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Wageningen: Alterra. Weterings-Korthorst, d. L. (2019). Nota Archeologie gemeente Rucphen. Etten-Leur: Regio WestBrabant. Zwanenburg, G. (1990). En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen: Koninklijke Luchtmacht/Bureau Drukwerk en Formulierenbeheer.
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 16 van 17
BRONNEN AHN; internetsite, juni 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juni 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl
Bodemloket, internetsite, juni 2021. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, juni 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Dinoloket; internetsite, juni 2021. http://www.dinoloket.nl/
Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juni 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juni 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Ruimingskaart; internetsite, maart 2018. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juni 2021. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, maart 2018. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
RAPPORT 14954.002 versie 1
Pagina 17 van 17
Figuur 1. Ligging van het plangebied
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 2. Het plangebied op de kadastrale kaart
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 4. Het plangebied op de paleogeografische kaart
RAPPORT 14954.002 versie 1
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 5. Het plangebied op de geomorfologische kaart
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 6. Maaiveldhoogte in het plangebied
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 7. Het plangebied op de bodemkaart
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 8. Het plangebied op historisch kaartmateriaal
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 9.
Archeologische waarden en onderzoeken
RAPPORT 14954.002 versie 1
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 10.
Archeologische beleidskaart
RAPPORT 14954.002 versie 1
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 11.
Boorpuntenkaart
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 12.
Maaiveldhoogte per boring
RAPPORT 14954.002 versie 1
Figuur 13.
Advies
RAPPORT 14954.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 14954.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).