11g Definitief puntsgewijs verslag TOV beleid 5 maart 2026 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Ei Gemeente Puntsgewijs
verslag
Datum
TOV
Beleid
Tijd/duur
5 maart 2026 8:30-10:15 uur
Locatie
gemeentehuis,
Rucphen
(definitief)
ruimte
Puur
Rucphen (begane grond)
Aanwezigen: N d o
|
2 ke} et 7 ha il er hej ke} 8
LÀ
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) 7» n 8
8 E] ®
® 9
(geanonimiseerd) ____} (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (LOS) (geanonimiseerd) 2
® ® TS o E a a) ®
Waterschap Brabantse
Delta
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Provincie
Noord-Brabant
(geanonimiseerd) ed ID új
pj ID ID A
J zi] er (e ej
Verschil
hoge en lage TOV's in droogtegevoelige gebieden beleid, zijn in de droogtegevoelige gebieden 8 ha aan hoge TOV en 8 ha aan lage TOV mogelijk. Hoge TOV mogen ingeruild worden voor lage TOV waardoor er maximaal 16 ha aan lage TOV mogelijk zijn. In
het TOV
Sector de
stelt
de vraag
om
een
verschil
gecommuniceerd
dat
deze
ervoor
droogtegevoelige gebieden. geeft aan dat niet eerder
Sector zou
waarom
is
gekozen
is
in
hoge-
en
lage
TOV
te maken
in
oppervlakte beperking toegevoegd
worden,
e
beleid biedt antwoord op de eis uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant om ontwikkelirchting op te stellen. Het is in eerste instantie gebaseerd op het bestaande beleid, zoals opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan (bestemmingsplan buitengebied Rucphen 2020) en een gebiedsgerichte afweging vanuit het Landschapsontwikkelingsperspectief ‘DaaRbuiten’ (hierna LOP). De oppervlaktegrenzen zijn vastgesteld op basis van deze gebiedsgerichte afweging, waarbij rekening is gehouden met de ruimtelijke impact van hoge TOV (maximaal 5 meter hoog) op het landschap. Hoge TOV hebben een aanzienlijk grotere visuele impact dan lage TOV, vooral bij grote oppervlakten, omdat zij het zicht op het landschap sterk beperken. Bij de beleidsontwikkeling is ook gekeken naar de huidige omvang van TOV bij bestaande bedrijven en naar aanvragen voor nieuwe initiatieven. Het TOV een
e
e
e
2
•
Na de zienwijzenperiode concept TOV beleid hebben met de sector twee gesprekken plaats gevonden , dit om een de zienswijzen te bespreken en input op te halen. Ook met andere stakeholders heeft na de zienwijzenperiode nog één gesprek plaats gevonden. Dit heeft geleid tot verschillende aanpassingen in het beleid. In een gezamenlijke bijeenkomst met alle stakeholders in december 2025 zijn de uitgangspunten voor de aanpassingen in het TOV beleid gepresenteerd , besproken en bediscussieerd.
Door de sector wordt gepleit om de uitwisselbaarheid tussen hoge en lage TOV twee richtingen op te laten werken. Waardoor er ook 16 ha aan hoge TOV mogelijk wordt en dit in het TOV beleid aan te passen. • •
•
•
• •
•
• •
•
Er is bewust gekozen voor een onderscheid tussen hoge en lage TOV vanwege de ruimtelijke impact van hoge TOV (zie voorgaande punt). Het beleid is bedoeld als een gemeentebreed kader dat vooral gericht is op het bieden van ontwikkelmogelijkheden aan bestaande agrarische bedrijven (alle agrarische bouwvlakken). Het beleid is er niet voor bedoeld om door te kunnen groeien naar een boomteeltontwikkelingsgebied. Er is specifiek gekeken naar de bestaande bedrijven binnen de gemeente en onderzocht welke oppervlakten zij momenteel in gebruik hebben voor TOV en ook wat er in de nieuwe initiatieven wordt aangevraagd. Binnen onze gemeente heeft momenteel slechts één bedrijf meer dan 8 hectare hoge TOV in gebruik (c. a. 825 , ha) en vraagt om uitbreiding (naar c. a. 1425 , ha hoge TOV). Zij komen niet uit met deze verdeling in 8 ha hoge en 8 ha lage TOV. Overige bedrijven en ook de initiatieven die op het TOV beleid wachten hebben aan 8 hectare hoge TOV voldoende groeimogelijkheden. Het TOV beleid bied ruimte voor specifieke situaties waar bedrijven onevenredig beperkt worden , af te kunnen wijken zolang het initiatief bijdraagt aan de (gebied)doelstellingen van dit beleid (pagina 51 , paragraaf 6. 2. ). Gemeente pleit ervoor om het beleid als geheel in stand te laten en in die specifieke situaties gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid en maatwerk te leveren.
De ruimtelijke impact op het landschap is namelijk aanzienlijk als er een algemene verruiming van 16 ha hoge TOV mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast willen we voorkomen dat andere wachtende initiatieven , die binnen de vastgestelde oppervlaktegrenzen passen , onnodig langer moeten wachten. De sector benadrukt nogmaals het belang van het bieden van extra ruimte , zodat bedrijven kunnen groeien in schaalgrootte en een toekomstbestendige , duurzame teelt kunnen waarborgen. Afgesproken is , dat wethouder dit punt met een ambtelijk advies voorlegt aan het college in de collegevergadering van aanstaande dinsdag 10 maart 2026. De uitkomst wordt dinsdagmiddag aan de sector terug gekoppeld.
Maximaal oppervlak TOV Het maximaal oppervlak aan TOV buiten het bouwvlak is in het TOV beleid begrensd in de droogtegevoelige gebieden op 8 hoge TOV en 8 ha lage TOV. Hoge TOV mogen ingeruild worden voor lage TOV waardoor er maximaal 16 ha aan lage TOV mogelijk zijn. Vraag vanuit de sector is om het maximaal oppervlak net zoals in de primair agrarische gebieden niet te begrenzen. De sector benadrukt het belang voor een aantal bedrijven om het bieden van meer dan 16 ha aan ruimte , zodat bedrijven een schaalsprong kunnen maken en een toekomstbestendige , duurzame teelt kunnen waarborgen. •
Het TOV beleid biedt antwoord op de eis uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant om een ontwikkelirchting op te stellen. Het is in eerste instantie gebaseerd op het bestaande beleid , zoals opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan (bestemmingsplan buitengebied Rucphen 2020) en een gebiedsgerichte afweging vanuit het Landschapsontwikkelingsperspectief ‘DaaRbuiten’ (hierna LOP).
3
•
•
•
• •
•
•
Het beleid dient als een gemeentebreed kader dat gericht is op het bieden van ontwikkelmogelijkheden aan bestaande agrarische bedrijven (alle agrarische bouwvlakken). Het beleid is er niet voor bedoeld om door te kunnen groeien naar een boomteeltontwikkelingsgebied. Toegelicht wordt dat in de primair agrarische gebieden het maximaal oppervlak niet is begrensd omdat in deze gebieden geen bijzondere waarden spelen en er geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheden in het bodem- en watersysteem. De maximum omvang van een initiatief wordt bepaald op basis van de draagkracht van het landschap en het bodem- en watersysteem. Er is bij het bij het bepalen van de maximale oppervlakte ook specifiek gekeken naar de bestaande bedrijven binnen de gemeente en onderzocht welke oppervlakten zij momenteel in gebruik hebben aan TOV. Daarnaast is er ook meegenomen wat er in de nieuwe initiatieven wordt aangevraagd. Binnen de gemeente zijn slechts twee bedrijven waarbij hun uitbreidingsplannen niet geheel binnen het TOV beleid passen m. b. t. het maximale toegestane oppervlak. De overige bedrijven , zowel de bestaande als degenen die initiatieven hebben ingediend , hebben met het beleid voldoende groei mogelijkheden om tot 8 hectare of 16 hectare uit te breiden. Het gaat vaak om uitbreidingen van 15, tot 3 ha.
Provincie licht toe dat zij bij elke initiatief opnieuw de locatie in zijn geheel afwegen ten opzichte van hun belangen en gebied specifieke kenmerken en waarden. Gemeente pleit ervoor om het beleid als geheel in stand te laten en in die specifieke situaties gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid (pagina 51 , paragraaf 6. 2. ) en maatwerk te leveren. Zodat andere wachtende initiatieven , die binnen de vastgestelde oppervlaktegrenzen passen , onnodig langer moeten wachten.
Toepassen bufferstroken en landschappelijke inpassing In het TOV beleid moeten bij bodembedekkende teelten , waarbij nauwelijks regenwater en zuurstof in de bodem kunnen infiltreren , zoals bij container- en trayvelden , bufferstroken van minimaal 10 meter breed worden toegepast tussen velden van maximaal 3 hectare. De invloed van TOV op het landschap kan worden verzacht door een landschappelijke inpassing. In het beleid wordt een basis landschappelijke inpassing van 10% van de oppervlakte van de percelen met TOV’s gevraagd. De sector pleit ervoor om infiltratiemaatregelen te combineren met de landschappelijke inpassing aan de rand in plaats van interne bufferstroken vanwege teelttechnische , praktische en financiële bezwaren. Aangegeven wordt dat bufferstroken daarnaast nadelig kunnen zijn in verband met onkruid- en ziektedruk en logistieke bezwaren i. v. m. minder doeltreffende robotisering. Verder wordt aan de provincie de vraag gesteld , waarom er voor bedrijventerreinen en logistieke centra deze maatregelen niet genomen worden. • •
•
•
Het toepassen van bufferstroken geldt alleen voor TOV die de bodem afdekken , zoals container- en trayvelden. De interne onderbrekingsregel is geen landschappelijke wens , maar een inhoudelijke randvoorwaarde ter bescherming van bodem- en watersystemen , zoals vereist in de Omgevingsverordening. Uit studies naar bodemkwaliteit , onder andere bij zonnevelden (zie p. 20 TOV-beleid) , blijkt dat de bodem afhankelijk is van organische stof , waarvoor zuurstof- en vochttoetreding essentieel zijn. Langdurige afdekking of verdichting kan het regeneratief vermogen van de bodem negatief beïnvloeden. Om te voorkomen dat grote aaneengesloten oppervlakten worden afgesloten van zuurstof en vocht , is gekozen voor een maximum van 3 hectare aaneengesloten bodembedekking , afgewisseld met een bufferzone van 10 meter per 3 hectare. We beseffen dat daarmee de toegang van zuurstof en water in het hele veld niet geborgd is , maar het verkleint wel het deel waar helemaal geen bodemleven mogelijk is. Deze aanpak sluit ook aan bij de ‘Visie TOV in Zundert’ van onze buurgemeente Zundert , waar eveneens per 3 hectare een bufferstrook is voorzien. Zij onderzoeken momenteel hoe ze daar in hun beleid verder vorm
4
willen geven. Wij hebben dit als basisuitgangspunt in het beleid opgenomen , maar maatwerk blijft mogelijk als aantoonbaar dezelfde doelen behaald kunnen worden. Het waterschap geeft ten aanzien van infiltratie van water aan , graag grotere oppervlakten te zien , eventueel gecombineerd met de landschappelijke inpassing. Dit betreft specifiek infiltratiemaatregelen in relatie tot het grondwater. Terwijl de bufferstroken juist ook toezien op zuurstoftoetreding voor het behoud van het regeneratief vermogen van de bodem. Een landschappelijke inpassing aan de rand , gecombineerd met infiltratiemaatregelen , blijft een van de mogelijkheden , maar kan deze bodem- en watergerichte randvoorwaarde niet altijd geheel vervangen. Er is bij het bij het opstellen van het beleid ook specifiek gekeken naar de bestaande bedrijven binnen de gemeente en onderzocht welke oppervlakten zij momenteel in gebruik hebben aan TOV. Daarnaast is er ook meegenomen wat er in de nieuwe initiatieven wordt aangevraagd. Er zijn maar weinig percelen die groter zijn dan 3 ha. Enkele percelen die groter zijn , zijn beperkt groter tot 32, - 35, ha (gaat om 3 bestaande situaties). Deze bedrijven worden verder niet beperkt door het beleid. Één specifiek bedrijf (hetzelfde bedrijf als in voorgaande punten genoemd) heeft veel grotere oppervlakten aaneengesloten containervelden liggen en vraagt nog extra velden aan.
Dit betekent dat de nieuwe velden moeten voldoen aan deze maatregel of het bedrijf moet andere innovatieve maatregelen willen nemen die aantoonbaar bijdragen aan het behalen van de (gebieds)doelen. Dan kunnen ze gebruik maken van de afwijkingsmogelijkheid zodat er maatwerk kan worden geleverd (pagina 51 , paragraaf 6. 2. ). Daarnaast wordt benadrukt dat er al vaak natuurlijke buffers in het landschap aanwezig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan bestaande sloten , paden of houtwallen die ook bepaalde afmetingen hebben. Ook kunnen velden met bodembedekkende teelten afgewisseld worden met TOV die de bodem niet afdekken zoals bijvoorbeeld stellingenteelt of vollegrondsteelt. Ook voor dit deel in het beleid geldt dat als bedrijven andere innovatieve maatregelen willen inzetten die bijdragen aan het behalen van de (gebieds)doelen uit het beleid gebruik kunnen maken van de afwijkingsmogelijkheid zodat er maatwerk kan worden geleverd (pagina 51 , paragraaf 6. 2. ). Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen en woningbouw gelden eveneens (zwaardere) eisen op het gebied van landschappelijke inpassing , groennormen en bodem- en watereisen. Er is geen sprake van ongelijke behandeling op dat gebied. Momenteel vinden er in gemeente Zundert (boomteeltontwikkelingsgebied) , onderzoeken plaats naar het regeneratief vermogen van de bodem. Het beleid wordt geëvalueerd na één en twee jaar.
Bij voortschrijdend inzicht kan hierop tijdens de evaluatiemomenten worden ingespeeld. aan
•
•
•
•
•
•
Gevraagd wordt maken. •
• •
om
het loslaten van de minimale basisinpassing van 10%
en
maatwerk mogelijk te
Het beleid schrijft een minimale basisinpassing van 10% voor. Dit percentage is vergelijkbaar bij de ruimtebeslagnormen zoals die voortvloeien in de regeling kwaliteitsverbetering van het landschap. Ten opzichte van het conceptbeleid is hier al een grote stap in gemaakt om van 20% tot 30% landschappelijke inpassing terug te gaan naar een reguliere basis inpassing van 10%. Voor de concrete invulling van de landschappelijke inpassing wordt maatwerk toegepast. We bepalen samen met de initiatiefnemer hoe de inpassing het beste vorm kan krijgen. Daarbij wordt gekeken naar het realiseren van landschappelijke , hydrologische en/of ecologische meerwaarde en naar het benutten van overhoeken of andere minder goed inzetbare delen van agrarische percelen. Infiltratiemaatregelen mogen hierbinnen ook plaatsvinden. Het doel is om gezamenlijk te komen tot een robuuste landschappelijke inpassing , waarbij het LOP DaaRbuiten als leidraad wordt gebruikt. Maatwerk in de concrete invulling is dus mogelijk.
Stokken als TOV Gevraagd wordt om boomteeltstokken niet in het TOV beleid
op
te nemen.
5
Hier lijkt sprake van een misverstand. In het TOV beleid zijn boomteeltstokken nadrukkelijk buiten het beleid gelaten (pagina 15). Het beleid en de regels voor het gebruik van deze teeltondersteunende voorzieningen is opgenomen in het (tijdelijk) Omgevingsplan (bestemmingsplan Buitengebied rucphen 2020). Ze zijn geen onderdeel van dit TOV beleid en blijven buiten het bouwvlak mogelijk. Afsluiting Toegezegd is om een puntsgewijsverslag van het overleg te maken en het punt: ‘uitwisselbaarheid tussen hoge en lage TOV twee richtingen in droogtegevoelige gebieden’ met een ambtelijk advies voor te leggen aan het college in de collegevergadering van aanstaande dinsdag 10 maart 2026. De uitkomst wordt dinsdagmiddag aan de sector terug gekoppeld.