11c Ontwerp-Programmabegroting BWB 2026
Tekst van het document
Control & Rechtmatigheid Vanaf boekjaar 2023 is het wettelijk verplicht dat het Dagelijks Bestuur verantwoording aflegt over de rechtmatigheid. Rechtmatigheid gaat over handelen in overeenstemming met de geldende regels en besluiten. In 2022 zijn de voorbereidingen voor de verantwoording van start gegaan. Om onrechtmatigheden te beheersen en controleren maken we gebruik van het drie-lijnenmodel. Daarbij worden fouten zoveel mogelijk voorkomen in de eerste lijn, collega's of toetsers kijken mee voordat een besluit wordt genomen. De tweede lijn controleert dossiers achteraf via een steekproef en de derde lijn kijkt of dit systeem goed is ingericht. Hiermee onderzoekt en verbetert de organisatie continu de rechtmatigheid van het eigen handelen. Met de bevindingen uit de organisatie stelt het Dagelijks Bestuur de verantwoording op.
Begroting 2026
42
4.
Niet van toepassing zijnde paragrafen
Binnen de BWB zijn de onderstaande, in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) vermelde paragrafen, niet van toepassing: -
Paragraaf lokale heffingen
-
Paragraaf onderhoud kapitaalgoederen
-
Paragraaf verbonden partijen
-
Paragraaf grondbeleid
De BWB voert belastingtaken uit voor haar deelnemers (waterschap en gemeenten), maar het heffingenbeleid en de lastendruk vallen onder de verantwoordelijkheid van de deelnemers en niet onder deze paragraaf. De BWB heeft zeer beperkt kapitaalgoederen in eigendom. Het kantoorpand wordt gehuurd op basis van een meerjarig contract, zoals toegelicht onder "Niet in de balans opgenomen verplichtingen". Daarnaast heeft de BWB geen verbonden partijen en is grondontwikkeling geen onderdeel van haar taken.
Begroting 2026
43
II FINANCIËLE BEGROTING 2026
Begroting 2026
44
1. ALGEMEEN Inleiding De financiële begroting geeft inzicht in algemene uitgangspunten waarop de geraamde baten en lasten van de verschillende programma’s tot stand zijn gekomen. Verder zijn, volgens de voorschriften van de BBV, deze geraamde baten en lasten voor het jaar 2026 en voor het meerjarenperspectief 2027 - 2029 inzichtelijk gemaakt. In de toelichting op de baten en lasten zijn niet alleen de verschillen ten opzichte van de begrotingscijfers aangegeven, maar zijn ook de incidentele baten en lasten in een overzicht aangegeven. Tenslotte is op hoofdlijnen de financiële positie van de BWB uiteengezet.
Financiële uitgangspunten In de (besluitvorming omtrent) de kadernota 2026 - 2029 zijn algemene kaders en uitgangspunten geformuleerd, die gehanteerd worden bij het samenstellen van de programmabegroting voor het jaar 2026 en voor het meerjarenperspectief 2027 - 2029. Algemene financiële kaders De volgende algemene en financiële kaders worden gehanteerd:
De begroting en het meerjarenperspectief dienen meerjarig structureel en reëel in evenwicht te zijn.
Een positief resultaat vloeit terug naar de deelnemers, tenzij het AB hierin afwijkend besluit.
De begroting dient te voldoen aan het BBV, waarbij onder andere aandacht is voor: -
Overzicht van incidentele baten en lasten;
-
Een specificatie van baten en lasten per programma;
-
Opnemen van (prestatie) indicatoren in de begroting;
-
Verwachte stand begin en eind begrotingsjaar van eigen en vreemd vermogen;
-
De paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing.
Financieel technische uitgangspunten Bij het opstellen van het financiële gedeelte van de begroting en het financieel meerjarenperspectief zijn de financieel -technische uitgangspunten gehanteerd zoals opgenomen in de kadernota 2026 - 2029.
Begroting 2026
45
2. BATEN EN LASTEN BEGROTING 2026 – 2029 Overzicht van baten en lasten 2026 Naam Programma (× € 1.000)
Lasten 2026
Saldo per programma
Baten 2026
Mutaties reserves
Saldo na bestemming
Waarderen
5.247
-
5.247
N
-
5.247
N
Heffen
2.769
-
2.769
N
-
2.769
N
Invordering
2.425
-
2.425
N
-
2.425
N
Subtotaal programma’s
10.441
-
10.441
N
-
10.441
N
Overhead
10.693
140
10.553
N
-
10.553
N
Treasury
3
350
347
V
-
347
V
Bijdrage deelnemers
-
20.727
20.727
V
-
20.727
V
Vennootschapsbelasting
-
-
-
-
-
80
-
80
N
-
80
N
Subtotaal overhead/ dekkingsbijdrage
10.776
21.217
10.441
V
-
10.441
V
Totaal exploitatie
21.217
21.217
-
-
-
-
-
-
-
-
21.217
21.217
-
-
-
Post onvoorzien
Begrotingsresultaat 2026 Totaal exploitatie
Begroting 2026
46
Overzicht meerjarenperspectief baten en lasten 2026 – 2029 Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Waarderen
5.747
5.412
5.247
5.622
5.972
6.334
Heffen
2.494
2.647
2.769
2.897
3.009
3.125
Invordering
2.256
2.501
2.425
2.536
2.634
2.736
Subtotaal programma’s
10.497
10.560
10.441
11.055
11.615
12.195
Kosten overhead
8.992
10.723
10.693
11.055
11.390
11.737
Treasury
6
5
3
3
3
3
Vennootschapsbelasting
-
-
-
-
-
-
Post onvoorzien
-
80
80
84
87
90
Subtotaal overhead/ dekkingsbijdrage
8.998
10.808
10.776
11.142
11.480
11.830
Totaal lasten exploitatie
19.495
21.368
21.217
22.197
23.095
24.025
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Naam Programma (× € 1.000) LASTEN
Naam Programma (× € 1.000) BATEN Waarderen
-
-
-
-
-
-
Heffen
-
-
-
-
-
-
Invordering
-
-
-
-
-
-
Subtotaal programma’s
-
-
-
-
-
-
Opbrengst overhead
295
165
140
146
151
156
Treasury
471
430
350
358
366
374
19.850
20.773
20.727
21.693
22.578
23.495
Vennootschapsbelasting
-
-
-
-
-
-
Post onvoorzien
-
-
-
-
-
-
Subtotaal overhead/ dekkingsbijdrage
20.616
21.368
21.217
22.197
23.095
24.025
Totaal baten exploitatie
20.616
21.368
21.217
22.197
23.095
24.025
Resultaat voor bestemming
1.121
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1.121
-
-
-
-
-
Bijdrage deelnemers
Mutaties in reserves Resultaat na bestemming
Begroting 2026
47
3. TOELICHTING OP DE BATEN EN LASTEN 2026 Algemeen Voordat wordt ingegaan op de confrontatie tussen de begroting 2025 en 2026 voor de diverse programma’s wordt eerst inzicht gegeven in de uiteindelijke verwerking ten opzichte van de kadernota 2026. Er worden enkele componenten beschreven die in de verdere cijfers zijn verwerkt.
Kadernota 2026
Omschrijving (× € 1.000)
Begroot 2026
Verschil
Deelnemersbijdrage primaire begroting 2025
20.773
20.773
-
Correctie looncompensatie 2025
PM (-)
-
-
Correctie prijscompensatie 2025
50
-19
69
Correctie overige baten 2025
40
90
-50
Correctie besparingen 2025
-
-145
145
Mutatie proceskostenvergoedingen bezwaar en beroep waarderen
PM (-)
-
-
Deelnemersbijdrage 2025 o.b.v. geactualiseerde kaders*
20.863
20.699
164
Loon-, prijs- en productiecompensatie 2026 - 2029
830
598
232
Besparingen 2026 – 2029
-427
-253
-174
Overige baten 2026 - 2029
-
15
-15
-332
-332
-
20.934
20.727
207
Proceskostenvergoedingen bezwaar en beroep t.b.v. belastingen Deelnemersbijdrage 2026
*) Zal naar verwachting de basis vormen voor de eerste bestuursrapportage 2025.
Op basis van de huidige inzichten blijft de deelnemersbijdrage binnen de vastgestelde kaders van de kadernota 2026 - 2029. Waar in de kadernota werd uitgegaan van een bijdrage van € 20.934.000, is de bijdrage voor 2026 vastgesteld op € 20.727.000. Dit levert een extra voordeel op van € 207.000 ten opzicht van de toegestane kaders. De totale deelnemersbijdrage daalt netto met € 46.000. Loon- en prijsindexatie Voor de jaren 2025 en 2026 is rekening gehouden met aanpassingen vanwege loon- en prijsstijgingen:
Voor prijsindexatie geldt een correctie van 3,2% in 2025 en een verhoging van 2,2% in 2026;
Voor loonindexatie is de stijging van 5,8% in 2025 (zoals in de kadernota opgenomen) gehandhaafd, en in 2026 is een stijging van 3,8% toegevoegd.
Begroting 2026
48
Op het moment van schrijven is er nog geen definitief resultaat van de cao-onderhandelingen. De cijfers uit de kadernota zijn daarom als uitgangspunt gehandhaafd. Hoewel de huidige voorstellen van de FNV en VNG een lager onderhandelingsresultaat suggereren, blijft het exacte effect afhankelijk van de verdere onderhandelingen. Eventuele definitieve voordelen worden verwerkt in de eerste bestuursrapportage. Voor 2025 leidt de loon- en prijsindexatie tot een daling in de bijdragen van € 69.000. Voor 2026 is er ook sprake van een verlaging van € 232.000. Besparingen In de kadernota is vanaf 2026 een besparing opgenomen van € 427.000. Tijdens de actualisatie bleek dat een deel hiervan al in 2025 gerealiseerd kan worden van € 145.000. In 2026 wordt aanvullend € 253.000 bespaard, wat neerkomt op een totale besparing van € 398.000. Dit is € 29.000 minder dan oorspronkelijk begroot. De besparingen worden voornamelijk gerealiseerd op personeels- en inhuurlasten. Het is echter belangrijk op te merken dat niet alle besparingen expliciet zichtbaar zijn. Zo kan bijvoorbeeld het niet indexeren van een budget eveneens als een besparing worden beschouwd. Hierdoor is het verschil van € 29.000 relatief en moet dit worden beoordeeld in samenhang met de lagere stijging in loon- en prijsindexatie. Samen leidt dit tot een positiever beeld dan de oorspronkelijke raming.
Proceskosten Vanaf 2026 worden de proceskosten niet langer opgenomen in de deelnemersbijdrage via de begroting. In plaats daarvan worden deze kosten verrekend met de belastingafdrachten. Hierdoor verdwijnt een post van € 332.000 volledig uit de begroting van zowel waarderen als heffen waarbij de belastingopbrengsten voor de deelnemers gezamenlijk met hetzelfde bedrag dalen. Door deze wijziging wordt beoogd schommelingen in het jaarrekeningresultaat en de begroting te beperken. Daarnaast zorgt deze aanpak ervoor dat de proceskosten niet langer via een kostenverdeelsystematiek worden verdeeld. In plaats daarvan worden de kosten direct verwerkt bij de deelnemer waarop deze betrekking hebben. Dit leidt tot meer transparantie en een eerlijkere verdeling van de kosten, omdat ze specifiek worden toegerekend aan de juiste deelnemer. Overige effecten Tot slot is er een lichte daling van overige baten. Zo nemen onder andere de renteopbrengsten af door een dalend rentepercentage, wat leidt tot een verhoging van de deelnemersbijdrage. Waar in de kadernota rekening was gehouden met een dalende overige baat van € 40.000, is dit inmiddels opgelopen tot € 105.000. Toelichting per onderdeel In de volgende pagina’s worden de wijzigingen in de individuele budgetten verder toegelicht.
Begroting 2026
49
Verschillen begroting 2026 ten opzichte van begroting 2025 In de verdere toelichting is inzicht gegeven op de belangrijkste verschillen tussen de primaire begroting 2025 en 2026 per programma. Ook is de kolom realisatie 2024 te zien. In de toelichting omtrent de volgende programma’s wordt alleen ingegaan op wijzigingen van meer dan € 100.000. Kleinere wijzigingen worden weergegeven onder ‘overige kleine verschillen’.
Programma Waarderen
€ 165.000 V
Het programma Waarderen is te specificeren in de volgende onderdelen: Omschrijving (× € 1.000)
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil
Lasten
5.747
5.412
5.247
165 V
Loonkosten huidig personeel
3.486
4.557
4.682
125 N
Inhuur personeel
1.074
-
-
-
Beheer WOZ-administratie
318
340
335
5 V
Taxeren en herwaarderen
187
200
200
-
Griffie- en proceskosten waarderen
682
315
30
285 V
-
-
-
-
5.747
5.412
5.247
Baten
Saldo Waarderen
165 V
Verschillen (> € 100.000) De personele lasten binnen het programma Waarden zijn verhoogd met een bedrag van € 125.000. Het loon- en inhuurbudget wordt echter als geheel gestuurd. Een uitgebreidere toelichting op de totale personele lasten wordt dan ook vermeld onder de paragraaf Personeelslasten. De griffie- en proceskosten waarderen zijn verlaagd met een bedrag van € 285.000. Zoals eerder toegelicht komt de gehele component voor de vergoeding van proceskosten van € 315.000 vanaf 2026 te vervallen en wordt opgenomen in de belastingadministratie. Daarentegen wordt er € 30.000 extra opgenomen voor systeemtechnische uitvoeringskosten om in te kunnen spelen op de wetswijziging waarbij betalingen direct aan de rechthebbende worden uitgekeerd. Overige kleine verschillen De overige verschillen vormen in totaal een afwijking van € 5.000 voordelig. Er is in de begroting geen rekening gehouden met een eventuele stijging als gevolg van de aanbesteding 360 gradenfoto’s. Dit aanbestedingsrisico is opgenomen in de risico-paragraaf.
Begroting 2026
50
Programma Heffen
€ 122.000 N
Het programma Heffen is te specificeren in de volgende onderdelen: Omschrijving (× € 1.000)
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil
Lasten
2.494
2.647
2.769
122 N
Loonkosten huidig personeel
2.209
2.426
2.576
150 N
Inhuur personeel
76
-
-
-
Kosten BAG
41
45
15
30 V
(Controle)kosten gegevensbeheer
158
159
178
19 N
Griffie- en proceskosten heffen
10
17
-
17 V
Baten
-
-
-
-
Saldo
2.494
2.647
2.769
122 N
Verschillen (> € 100.000) De personele lasten binnen het programma Heffen zijn verhoogd met een bedrag van € 150.000. Het loon- en inhuurbudget wordt echter als geheel gestuurd. Een uitgebreidere toelichting op de totale personele lasten wordt dan ook vermeld onder de paragraaf Personeelslasten. Overige kleine verschillen De overige verschillen vormen in totaal een afwijking van € 28.000 nadelig. De verlaging van de kosten voor de BAG is met name opvallend en is het gevolg van een voordelige aanbesteding van de BAGapplicatie. Daarnaast worden vanaf 2026 de griffie- en proceskosten voor heffen ten laste gebracht van de belastingadministratie. Hierdoor verdwijnen deze posten volledig uit de begroting. Op het moment van opstellen loopt er nog een beoordeling bij de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RVIG) over onze uitvraag bij de basisregistratie personen (BRP). Een mogelijk risico is dat de BWB in een hogere staffel komt te vervallen, met extra kosten tot gevolg. Deze zijn niet opgenomen bij het opstellen van de begroting, maar vormt wel een onderdeel van de risicoparagraaf.
Begroting 2026
51
Programma Invordering
€ 76.000 V
Het programma Invordering is te specificeren in de volgende onderdelen: Omschrijving (× € 1.000)
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil
Lasten
2.256
2.501
2.425
76 V
Loonkosten huidig personeel
2.080
2.311
2.215
96 V
-
-
-
-
Financiële invordering
114
131
126
5 V
Dwanginvordering
62
59
84
25 N
Baten
-
-
-
-
Niet te restitueren bedragen
-
-
-
-
2.256
2.501
2.425
Inhuur personeel
Saldo Invordering
76 V
Verschillen (> € 100.000) Het programma Invordering bevat geen verschillen groter dan € 100.000. Overige kleine verschillen De overige verschillen vormen in totaal een afwijking van € 76.000 voordelig en bestaan voornamelijk uit loonkosten. De personele lasten binnen het programma Invordering zijn verlaagd met een bedrag van € 96.000. Het loon- en inhuurbudget wordt echter als geheel gestuurd. Een uitgebreidere toelichting op de totale personele lasten wordt dan ook vermeld onder de paragraaf Personeelslasten.
Begroting 2026
52
Overhead
€ 5.000 V
Het programma Overhead en financiering is te specificeren in de volgende onderdelen: Omschrijving (× € 1.000)
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil
Lasten
8.992
10.723
10.693
30 V
Personeel
3.530
4.059
4.272
213 N
Inhuur derden
228
710
630
80 V
Overige personele kosten
444
640
514
126 V
Bedrijfsvoering
325
387
449
62 N
Kantoorkosten
618
706
661
45 V
1.924
2.053
2.029
24 V
797
818
888
70 N
1.126
1.350
1.250
100 V
Baten
295
165
140
25 N
Bijdragen loonkosten
63
-
-
-
Bijdrage garantiesalarissen
112
110
95
15 N
Bijdrage print en portokosten
8
-
-
-
112
55
45
10 N
8.697
10.558
10.553
5 V
Informatisering/automatisering Huisvesting Door te schuiven BTW
Bijdrage overige goederen en diensten
Saldo Overhead
Verschillen (> € 100.000) De personele lasten binnen Overhead zijn verhoogd met een bedrag van € 213.000. Het loon- en inhuurbudget wordt echter als geheel gestuurd. Een uitgebreidere toelichting op de totale personele lasten wordt dan ook vermeld onder de paragraaf Personeelslasten. De overige personeelskosten zijn verlaagd met € 126.000. Deze wijziging bestaat voornamelijk uit drie verschillende onderdelen: -
Allereerst is het uitstroombudget verlaagd met € 80.000 gezien het onvoorziene karakter en het grillige verloop.
-
Ook het budget ten behoeve van het externe en deskundige personele zaken is verlaagd met € 20.000 om het beter aan te sluiten bij de realisatie van de afgelopen jaren.
-
Als laatste is het budget reis- en verblijfkosten verlaagd met € 20.000. Deze daling is het gevolg van het brede gebruik van de fietsregeling en een afname in het aantal deurwaarders dat aanspraak maakt op dienstreizen.
Begroting 2026
53
Op basis van de in de begroting 2026 geraamde materiële en inhuurlasten, waarover BTW verschuldigd is, is de raming van de post door te schuiven BTW verlaagd met € 100.000 ten opzichte van de begroting 2025 tot een totaalbedrag van € 1.250.000. Dit bedrag kan door de deelnemers worden teruggevraagd via het Btw-compensatiefonds (BCF). De daling is voornamelijk het gevolg van de dalende inhuurvraag ten opzichte van de personele bezetting. Overige kleine verschillen De overige kleine afwijkingen met betrekking tot de overheadlasten en -baten zijn uit te splitsen in: Bedrijfsvoering
€
62.000 N
Kantoorkosten
€
45.000 V
Informatisering/automatisering
€
24.000 V
Huisvesting
€
70.000 N
Bijdrage garantiesalarissen
€
15.000 N
Bijdrage overige goederen en diensten
€
10.000 N
De grootste wijziging betreft die stijging van de huisvestingskosten. Dit heeft onder andere te maken met de gestegen schoonmaakkosten als gevolg van de aanbesteding voor € 25.000 en een uitbreiding van de investeringen van de herinrichting € 20.000. Daarnaast stijgt de bedrijfsvoering doordat de controlekosten van de accountant met € 50.000 zijn verhoogd. Dit om beter aan te sluiten bij de realisatie van 2024, waarbij ook een beperkte verhoging is opgenomen voor de aanbesteding per controlejaar 2026. Hierbij blijft het risico bestaan dat de uiteindelijke kosten hoger kunnen uitvallen dan verwacht. Dit aanbestedingsrisico is opgenomen in de risicoparagraaf.
Tot slot worden de print- en portokosten, onderdeel van kantoorkosten, verlaagd met € 55.000, eveneens gebaseerd op de realisatie van 2024. Hierbij is rekening gehouden met een verdere afname van analoge verzending, mede door het stimuleren van digitale verzending in het kader van duurzaamheid.
Begroting 2026
54
Personeelslasten De salarislasten worden direct toegewezen aan de verschillende programma's waarop ze betrekking hebben. Vanaf de begroting 2021 worden de kosten voor ingehuurde medewerkers volledig toegewezen aan het overheadprogramma en niet meer aan andere programma's. Wanneer er sprake is van inhuur binnen de programma’s Waarderen, Heffen of Invordering, wordt beoordeeld of het totale inhuurbudget hiervoor toereikend is. Bij het opstellen van de jaarstukken worden de werkelijke kosten voor inhuur geboekt ten laste van de betreffende programma's.
Personeelslasten (× € 1.000)
Begroot 2025
Begroot 2026
Verschil
Loonkosten programma Waarderen
4.557
4.682
-125
Loonkosten programma Heffen
2.426
2.576
-150
Loonkosten programma Invordering
2.311
2.215
96
Loonkosten Overhead
3.709
3.907
-198
Subtotaal salariskosten
13.003
13.380
-377
Garantiesalarissen Overhead
110
95
15
Woon-werkverkeer Overhead
155
185
-30
Gratificaties Overhead
85
85
-
Inhuur derden
710
630
80
Subtotaal overige loonkosten
1.060
995
65
Totaal personeelslasten
14.063
14.375
-312
In de bovenstaande tabel wordt een totaalbeeld geschetst van de totale personeelslasten in 2026. De stijging van de salarislasten met € 377.000 ten opzichte van 2025 wordt veroorzaakt door: 1. Salarisindexatie 2025 en 2026 (€ 490.000 N) In de primaire begroting 2025 is rekening gehouden met een indexatie van 5,8%. Zoals eerder vermeld is er nog geen onderhandelingsresultaat beschikbaar, waardoor deze cijfers nog niet zijn geactualiseerd. Daarnaast is voor 2026 rekening gehouden met een indexatie van 3,8%, wat resulteert in een nadeel van € 490.000. 2. Formatiewijziging (€ 113.000 V) Zoals in de beleidsindicatoren al vermeld wordt er per 2026 een formatie gehanteerd van 139,4 fte. De formatiedaling van 2,9 fte ten opzichte van 2025 inclusief enkele functiewaarderingen resulteert in een daling van € 113.000. Deze daling vindt voornamelijk plaats binnen het programma Invordering. De daling binnen Innen is vooral het gevolg van subjectgericht werken waardoor dezelfde werklast efficiënter afgehandeld kan worden. De overige loonkosten dalen met € 65.000. Een grote wijzigingen betreft onder andere een verlaging van het inhuurbudget met € 80.000. Deze verlaging is mogelijk doordat de bezetting beter op orde is, waardoor de behoefte aan inhuur verder afneemt.
Begroting 2026
55
Treasury
€ 78.000 N
De post treasury is als volgt te specificeren: Omschrijving (× € 1.000)
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil
Lasten
6
5
3
2 V
Rentelasten
6
5
3
2 V
Baten
471
430
350
80 N
Rentebaten
471
430
350
80 N
Saldo Treasury
-465
-425
-347
78 N
Overige kleine verschillen De renteopbrengsten zijn de verwachte opbrengsten in 2026 van de bankrekening bij de rekeningcourantverhouding van het Rijk. Er is een inschatting gemaakt dat het rentepercentage gemiddeld 2,9% bedraagt. De renteopbrengsten nemen hierdoor af naar € 350.000. Het eventuele extra renterisico wordt opgenomen in de risicoparagraaf.
Onvoorzien
€0
De post onvoorzien is als volgt te specificeren: Omschrijving (× € 1.000)
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil
Lasten
-
80
80
-
Onvoorzien
-
80
80
-
Saldo Onvoorzien
-
80
80
-
Toelichting De post onvoorzien is na overeenstemming met het DB gehandhaafd op een post van € 80.000. Het verlagen van budgetten doordat over de gehele linie scherper is geraamd zorgt daarentegen wel voor een stijging in het risico op begrotingsoverschrijdingen.
Begroting 2026
56
Bijdragen deelnemers
€ 46.000 N
De post bijdrage deelnemers ontwikkelt zich als volgt: Realisatie 2024
Omschrijving (× € 1.000)
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil
Baten
19.850
20.773
20.727
46 N
Bijdragen deelnemers
19.850
20.773
20.727
46 N
Saldo Bijdrage deelnemers
19.850
20.773
20.727
46 N
Toelichting De kosten van de BWB worden volledig doorbelast aan de deelnemers. De stijging van de lasten en daling van de baten leidt tot een verlaging van de deelnemersbijdrage met € 46.000. De daling is verderop gedetailleerd toegelicht. Specificatie deelnemersbijdrage 2026 Het verloop van de deelnemersbijdrage over de periode 2025 en 2026 geeft onderstaand structureel beeld voor alle deelnemers.
Deelnemers (× € 1.000)
Realisatie 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Verschil 2025 - 2026 Bedrag
%
Compensatie BTW 2026
Bergen op Zoom
1.603
1.805
1.764
41 V
2,3%
106
Breda
3.903
3.989
4.199
210 N
-5,3%
253
Dongen
537
615
595
20 V
3,3%
36
Etten-Leur
943
1.041
1.055
14 N
-1,3%
64
Halderberge
668
736
740
4N
-0,5%
45
Loon op Zand
700
676
746
70 N
-10,4%
45
Moerdijk
1.060
1.217
1.122
95 V
7,8%
68
Oosterhout
1.356
1.505
1.493
12 V
0,8%
90
Roosendaal
1.865
2.038
2.064
26 N
-1,3%
124
Rucphen
475
528
525
3V
0,6%
32
Woensdrecht
528
592
584
8V
1,4%
35
Zundert
684
696
722
26 N
-3,7%
44
Brabantse Delta
4.407
5.335
5.118
217 V
4,1%
-
Totaal deelnemers
18.729
20.773
20.727
46 V
0,2%
942
Begroting 2026
57
Analyse procentuele verschillen per deelnemer Door de actualisatie van de budgetten en productiecijfers zijn er per deelnemer verschillende effecten merkbaar. Zes deelnemers betalen een hogere bijdrage als gevolg van de totale stijging van de deelnemersbijdrage, terwijl zeven deelnemers een lagere bijdrage gaan betalen. De wijzigingen zijn het gevolg van geactualiseerde productietarieven en de productiecijfers. Met name de hogere bijdragen van de Gemeenten Breda, Loon op Zand en Zundert valt procentueel hoog uit, evenals de lagere bijdragen van de Gemeente Moerdijk en het Waterschap Brabantse Delta. De toelichting richt zich daarom vooral op deze uitschieters. Voor de Gemeenten Breda, Loon op Zand en Zundert wordt de stijging van de bijdragen voornamelijk veroorzaakt door de stijging van het tarief voor het proces taxeren en herwaarderen, dat van € 12,26 per object in 2025 stijgt naar € 14,30 in 2026. Deze tariefstijging wordt vooral veroorzaakt door een gestegen urenraming. Bij de meeste deelnemers wordt deze stijging gecompenseerd door een daling van de kosten voor het proces Waardebezwaren. Echter, voor deze drie gemeenten weegt de tariefstijging voor taxeren en herwaarderen zwaarder dan de daling in de waardebezwaren. In het geval van de Gemeente Loon op Zand nemen de verwachte waardebezwaren zelfs verder toe, wat de totale stijging verder versterkt.
Het voordeel voor de Gemeente Moerdijk is grotendeels het gevolg van een daling van het producttarief voor de BAG. Door een efficiëntere ureninzet en lagere materiële lasten daalt dit tarief van € 6,04 per BAG-pand in 2025 naar € 3,73 in 2026. Voor het Waterschap Brabantse Delta vinden er aanzienlijke verschuivingen plaats in de bijdrage per proces. Zo stijgen de kosten van gegevensbeheer basis en zuiveringsheffing voornamelijk als gevolg van tariefstijgingen. Dit is grotendeels het gevolg van een hogere urenraming voor deze processen om beter aan te sluiten op de urenrealisatie van de afgelopen jaren die onder andere het gevolg is van tijdige aanslagverzending. Daartegenover staat een daling van de kosten voor financiële- en dwanginvordering, vooral als gevolg van een tariefdaling. Deze daling wordt veroorzaakt door een algehele productiestijging, waardoor de kosten per eenheid afnemen. De totale productie dwangbevelen van het Waterschap blijft echter relatief gelijk.
Begroting 2026
58
Meerjarenperspectief deelnemersbijdrage 2026 – 2029 Op basis van de algemene financiële uitgangspunten, zijn de deelnemersbijdragen in beeld gebracht voor de jaren 2026 tot en met 2029.
Deelnemer (× € 1.000)
Begroot 2026
Begroot 2027
Begroot 2028
Begroot 2029
Bergen op Zoom
1.764
1.846
1.922
2.000
Breda
4.199
4.395
4.574
4.760
Dongen
595
623
648
674
Etten-Leur
1.055
1.104
1.149
1.196
Halderberge
740
774
806
839
Loon op Zand
746
781
813
846
Moerdijk
1.122
1.174
1.222
1.272
Oosterhout
1.493
1.563
1.626
1.692
Roosendaal
2.064
2.160
2.248
2.340
Rucphen
525
549
572
595
Woensdrecht
584
611
636
662
Zundert
722
756
786
818
Brabantse Delta
5.118
5.357
5.576
5.801
Totaal deelnemers
20.727
21.693
22.578
23.495
Incidentele baten en lasten Binnen de begroting 2026 zijn er geen incidentele baten en lasten.
Mutaties reserves Er vinden in de begroting 2026 geen mutaties in reserves plaats.
Begroting 2026
59
4. UITEENZETTING FINANCIËLE POSITIE Algemeen In dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen een uiteenzetting gegeven van de financiële positie van de BWB. In de paragraaf financiering is de financieringsfunctie van de BWB beschreven. Daar is met name aandacht besteed aan treasury, renterisico’s en de kasgeldlimiet. De BWB beschikt bij het opstellen van deze begroting niet over een algemene reserve.
Geprognosticeerde balans In deze geprognosticeerde balans is uitgegaan van bestaand beleid. Er is rekening gehouden met verwachte investeringen en aflossingen.
Balans 01-01-‘25
Balans 01-01-‘26
Balans 01-01-‘27
Balans 01-01-‘28
Balans 01-01-‘29
Balans 01-01-‘30
941
1.063
692
491
365
306
Uitzettingen korte dan 1 jr.
6.003
9.237
9.458
9.509
9.485
9.544
Liquide middelen
3.476
-
-
-
-
-
Overlopende activa
256
256
256
256
256
256
Totaal activa
10.706
10.556
10.406
10.256
10.106
10.106
Omschrijving (× € 1.000)
Balans 01-01-‘25
Balans 01-01-‘26
Balans 01-01-‘27
Balans 01-01-‘28
Balans 01-01-‘29
Balans 01-01-‘30
Bestemmingsreserves
200
200
200
200
200
200
Voorzieningen
295
295
295
295
295
295
Vaste schulden langer 1 jr.
600
450
300
150
-
-
Schulden korter dan 1 jr.
5.985
5.985
5.985
5.985
5.985
5.985
Overlopende passiva
3.626
3.626
3.626
3.626
3.626
3.626
Totaal passiva
10.706
10.556
10.406
10.256
10.106
10.106
Omschrijving (× € 1.000) ACTIVA Vaste activa Materiele vaste activa Vlottende activa
PASSIVA Vaste passiva
Vlottende passiva
Begroting 2026
60
5. EMU-SALDO In het BBV wordt middels artikel 23, lid d, voorgeschreven dat de ontwikkeling van het EMU-saldo moet worden opgenomen in de begroting en de jaarstukken. Het EMU-saldo is het saldo van inkomsten en uitgaven van de overheid op transactiebasis (moment van levering) in een bepaalde periode. Om de overheidsfinanciën in de Eurozone robuust te houden, zijn in Europees verband afspraken gemaakt over het toegestane maximale tekort van het EMU-saldo op nationaal niveau. Omdat het EMU-saldo van alle decentrale overheden onderdeel uitmaakt van het EMU-saldo op nationaal niveau is het daarmee ook relevant voor de decentrale overheden om het eigen EMU-saldo te volgen. Hieronder is een berekening van het EMU-saldo weergegeven.
Jaartal (× € 1.000)
T-1
T
T+1
T+2
T+3
2025
2026
2027
2028
2029
Kapitaalverstrekkingen en leningen
-
-
-
-
-
Uitzettingen
-
-
-
-
-
Uitzettingen
3.234
221
51
-24
59
Liquide middelen
-3.476
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-150
-150
-150
-150
-
Vlottende schuld
-
-
-
-
-
Overlopende passiva
-
-
-
-
-
Eventuele boekwinst bij verkoop effecten en (i)materiële vaste activa
-
-
-
-
-
EMU-SALDO
-92
371
201
126
59
Financiële vaste activa Activa Vlottende activa
Overlopende activa Vaste Passiva Vaste schuld Passiva
Begroting 2026
Vlottende passiva
61
6. OVERZICHT BATEN EN LASTEN PER TAAKVELD Op grond van artikel 7, lid 3 van de BBV-provincies en gemeenten dient in de begroting een overzicht van de geraamde baten en lasten per taakveld te worden opgenomen.
Nr.
Begroting 2026
Naam taakveld (× € 1.000)
Lasten 0.10
Mutaties reserves
-
0.11
Resultaat van de rekening van baten en lasten
-
0.4
Overhead
10.693
0.5
Treasury
3
0.64
Belastingen overig
0.8
Overige baten en lasten
10.441 80
Totale lasten
21.217
Baten 0.10
Mutaties reserves
-
0.11
Resultaat van de rekening van baten en lasten
-
0.4
Overhead
140
0.5
Treasury
350
0.64
Belastingen overig
0.8
Overige baten en lasten
20.727 -
Totale baten
21.217
Saldo 0.10
Mutaties reserves
-
0.11
Resultaat van de rekening van baten en lasten
-
0.4
Overhead
-10.553
0.5
Treasury
347
0.64
Belastingen overig
0.8
Overige baten en lasten
10.286 -80
Totaal saldo
-
Voor de diverse belastingsoorten zijn in de BBV-voorschriften verschillende taakvelden toegekend. Voor de BWB is het in praktische zin niet mogelijk om de baten en lasten over deze diverse taakvelden toe te rekenen. In dat kader is ervoor gekozen om de baten en lasten die direct zijn toe te rekenen aan belastingen integraal te verantwoorden onder het taakveld 0.64 Belastingen Overig.
Begroting 2026
62
BIJLAGEN Bijlage 1: Risicoprofiel BWB over 2026 en volgende jaren De risico’s worden steeds opnieuw beoordeeld bij het opstellen van een P&C-product. Er zijn vier nieuwe risico toegevoegd en één risico is komen te vervallen. Bedragen zijn afgerond op € 5.000.
Actuele risico’s I(ncidenteel) S(tructureel)
Financiële omvang
Kans
Berekend risico
S
€ 160.000
25%
€ 40.000
Schijnzelfstandigheid/ handhaving wet DBA (nieuw)
Een zzp’er kan achteraf door de Belastingdienst worden aangemerkt als werknemer. Handhaving speelt vanaf 2026. Dit kan leiden tot nabetaling van loonheffingen, boetes en rente en arbeidsrechtelijke gevolgen. De BWB werkt in 2025 aan maatregelen om de risico’s zoveel als mogelijk te beheersen. De functie van taxateur vormt hierin een knelpunt (deze zijn nodig voor de uitvoering van primaire processen maar vacatures worden niet geheel ingevuld).
I
€ 1.000.000
25%
€ 250.000
Aanbestedingsrisico (nieuw)
In de loop van 2025 worden een aantal contracten aanbesteed. Het financiële effect hiervan is niet betrouwbaar in te schatten.
S
€ 150.000
50%
€ 75.000
Kosten digitaal berichtenverkeer worden substantieel hoger door overschrijding staffel (nieuw)
De kosten van het digitaal berichtenverkeer (GBA) worden gefactureerd op basis van een staffelstelsel. Doordat de BWB tegen de staffelgrens aanzit leidt een geringe volumetoename direct tot een onevenredig hogere kostenpost.
S
€ 150.000
50%
€ 75.000
Aansprakelijkheid in verband met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
De uitvoering van de AVG is voor een data gestuurde organisatie als de BWB extra risicogevoelig. Ondanks getroffen maatregelen blijft het risico van bijvoorbeeld een datalek aanwezig.
S
€ 750.000
7,5%
€ 55.000
Risico
Toelichting De economie in combinatie met de demografische ontwikkeling zorgt voor een krapte op de arbeidsmarkt. Hierdoor is het moeilijker en vergt het meer tijd om cruciale functies ingevuld te krijgen.
Invullen vacatures Door aanpassingen in de werving en selectie slaagt de BWB erin de meeste vacatures toch ingevuld te krijgen. Dit uit zich in een hogere bezettingsgraad. De functie van taxateur vormt hierop een uitzondering.
Begroting 2026
63
In de begroting 2026 zijn rentebaten opgenomen voor een bedrag van € 350.000. Als gevolg van ontwikkelingen op de kapitaalmarkt kan de rente zakken waarmee de opbrengsten achterblijven bij de begroting. Een verlaging van de rente met 0,1% resulteert in circa € 12.000 Daling renteopbrengsten lagere baten. In aanvulling hierop (nieuw) onderzoekt de minister van Financiën of hij de rentevergoeding voor het verplicht schatkistbankieren met 0,2%punt kan verlagen ten opzichte van de rente waartegen de staat zelf leent. Ook wil hij het bodemtarief van 0% afschaffen, zodat negatieve rentes in de toekomst mogelijk worden.
S
€ 350.000
35%
Totaal benodigde weerstandscapaciteit
€ 125.000
€ 620.000
Vervallen risico’s Risico
Toelichting
I(ncidenteel) S(tructureel)
Financiële omvang
Kans
Berekend risico
Hoogte proceskostenvergoedingen (vervallen)
De “Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM” is sinds 01-01-2024 van kracht. Deze wet verlaagt de proceskostenvergoedingen, deze verlaging heeft de BWB verwerkt in de begroting 20252028. Er is een kans dat de Hoge Raad de verlaging van de proceskostenvergoedingen weer terug gaat draaien waarmee het voordeel op dit budget zoals verwerkt in de begroting zou vervallen.
I
€ 744.000
50%
€ 372.000
Totaal vervallen weerstandscapaciteit
Begroting 2026
€ 372.000
64
Bijlage 2: Richtlijnen deelnemers Door de deelnemers zijn de onderstaande (aanvullende) financiële richtlijnen vastgesteld. Per richtlijn is aangegeven op welke wijze hier bij de uitwerking in de begroting mee is omgegaan. 1. We verwachten van het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling dat zij een structureel sluitende meerjarenbegroting, waarin vier jaar vooruit wordt gekeken, aanbiedt aan de deelnemers. De Gemeenschappelijke Regeling vermeldt duidelijk de uitgangspunten die gebruikt zijn voor de begroting voor het komende jaar. In de begroting voor het komende jaar neemt de Gemeenschappelijke Regeling ook een overzicht op met de bijdragen voor de komende vier jaar per deelnemer. Uitwerking Een structureel sluitende meerjarenbegroting is het uitgangspunt uit de kadernota en verwerkt in de begroting 2026, een meerjarenperspectief van deelnemersbijdrage is opgenomen in de Specificatie deelnemersbijdrage 2026 op pagina 57. 2. De begroting wordt opgesteld op basis van ongewijzigd beleid. Er worden dus geen nieuwe taken of uitbreiding van bestaande taken in de primitieve begroting opgenomen, behalve als dit eerder door het Algemeen Bestuur is besloten. Uitwerking De begroting komt tot stand tot stand op basis van de ramingen zoals deze zijn opgenomen in de laatst vastgestelde meerjarenbegroting (2025-2028) waarop een nacalculatie wordt uitgevoerd.
Tot bestaand beleid behoort de uitvoering van het takenpakket zoals opgenomen in de beleidsbegroting. Het AB heeft geen besluiten genomen over (financiële) effecten van ontwikkelingen waarmee de uitgangspunten voor de begroting ongewijzigd zijn. 3. De begroting bevat een overzicht met het verloop van aanwezige reserves. In dit overzicht is te zien wanneer de reserve wordt ingezet en voor welk bedrag per jaar. Hierin wordt ook het doel van de reserve omschreven. Wanneer een reserve 2 jaar of langer niet wordt ingezet, dan legt de Gemeenschappelijke Regeling de instandhouding of vrijval van deze reserve in de besluitvorming bij de ontwerpbegroting voor. Het uitgangspunt is dat deze reserve op dat moment vrijvalt. Wordt er niet besloten tot vrijval dan geeft de Gemeenschappelijke Regeling in de ontwerpbegroting de planning en het doel van de uitgaven voor deze reserve opnieuw aan. Via de ontwerpbegroting worden de gemeenteraden in de gelegenheid gesteld hierop een zienswijze in te dienen. Uitwerking Zie opmerking onder richtlijn 4.
Begroting 2026
65
4. De bijdrage van de deelnemende gemeenten in de begroting voor het komende jaar stijgt maximaal met de geldende Cao-indexering, overige Cao-afspraken en de prijsontwikkeling uit de meest recente circulaire. Voor het opstellen van zowel de kaderbrief als de begroting gebruikt de Gemeenschappelijke Regeling de dan meest recente circulaire voor zowel de loon- als de prijsindex. Hiervoor gebruiken we de meest recente ramingen zoals opgenomen in het Centraal Economisch Plan van het Centraal Plan Bureau. Voor de loonontwikkeling wordt hierbij ‘de index van de loonvoet sector overheid’ gevolgd en voor de prijsontwikkeling ‘de index van de netto materiele consumptie’. De verbonden partij geeft bij de kaderbrief en de begroting een specificatie weer van de verhouding lonen/prijzen in haar exploitatiebegroting. Voor het opvangen van afwijkingen tussen de indexeringen die in de begroting zijn opgenomen en de werkelijke Caoindexering, overige Cao-afspraken en de werkelijke prijsontwikkeling houdt de verbonden partij een beperkte algemene reserve aan om de bedrijfsvoering in het lopende boekjaar te kunnen continueren zonder dat hiervoor een beroep moet worden gedaan op de deelnemers en een zienswijzenprocedure moet worden gevolgd. Uiteraard wijzigt de deelnemersbijdrage ook wanneer er wijzigingen zijn in de kwantiteit van de dienstverlening die de deelnemers afnemen.
Uitwerking Voor loonontwikkeling is uitgegaan van de loonvoetsector overheid (+3,8% in 2026). Voor prijzen is gerekend met de index “prijs overheidsconsumptie, netto materieel (imoc)” (+2,2% in 2026). Deze percentages zijn per jaar gedifferentieerd toegepast Bij de jaarrekening 2023 is een reserve gevormd van € 200.000 ten behoeve van het opvangen van verschillen in de geraamde en werkelijke loon- en prijsontwikkeling. Voorgesteld wordt deze in stand te houden. Bij het opstellen van de begroting is rekening gehouden met de meest recente productieontwikkeling. 5. Een besluit van het Algemeen Bestuur van een verbonden partij tot instelling van een algemene reserve is goed gemotiveerd, onderbouwd en voorzien van bijbehorende spelregels. Op dit besluit van het Algemeen Bestuur wordt een zienswijzemogelijkheid geboden aan de deelnemende gemeenten bij de conceptbegroting(swijziging). De algemene reserve wordt aangevuld tot de maximale hoogte zoals vastgesteld door het Algemeen Bestuur. Voor het bepalen van de omvang van de (beperkte) algemene reserve kan het Algemeen Bestuur een advies vragen aan de accountant, maar de algemene reserve bedraagt niet meer dan 8% van de totale lasten in de begroting (uitgangspunt is en blijft dat de weerstandscapaciteit bij de deelnemers wordt aangehouden). Uitwerking Dit maakt onderdeel uit van de besluitvorming bij de jaarrekening 2023.
Een reserve is gevormd van € 200.000 ten behoeve van het opvangen van verschillen in de geraamde en werkelijke loonen prijsontwikkeling. Voorgesteld wordt deze in stand te houden.
Begroting 2026
66
6. Een positief jaarrekeningresultaat wordt uitgekeerd aan de deelnemers. De Gemeenschappelijke Regeling kan hier alleen van afwijken door een duidelijk en gemotiveerd voorstel voor resultaatbestemming voor te leggen aan het Algemeen Bestuur, welke daar ook een besluit over neemt. Uitwerking Dit is het uitgangspunt, het AB ontvangt bij de jaarrekening een voorstel tot resultaatbestemming. 7. In de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing beschrijft de Gemeenschappelijke Regeling de risico’s met de meeste impact en de getroffen beheersingsmaatregelen. Ook geeft de Gemeenschappelijke Regeling inzicht in de benodigde weerstandscapaciteit. Uitwerking Zie de uitwerking in de verplichte paragrafen, paragraaf 1: Weerstandsvermogen & risicobeheersing. Aanvullende financiële richtlijnen De gemeenteraden van Bergen op Zoom, Breda, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Woensdrecht en Zundert hebben aanvullende richtlijnen meegegeven in verband met de verwachte neerwaartse bijstelling van het Gemeentefonds in 2026. Alle deelnemers benadrukken het belang van financiële beheersing in de begroting 2026 vanwege de verwachte daling van het Gemeentefonds. Het doel is het beheersen van bijdragen van de deelnemende gemeenten aan de BWB.
De Gemeenschappelijke Regeling wordt verzocht de bijdragen voor 2026 te beheersen door het beperken of gelijk houden van de deelnemersbijdrage aan het niveau van 2025. De gemeenteraad van Breda verzoekt in de kadernota en de begroting 2026 de beleidsinhoudelijke keuzes en daar uit voortvloeiende effecten als de bijdrage van de gemeente/deelnemers gelijk blijft, dan wel daalt met 5%, 10% en 15% ten opzichte van de bijdrage voor 2025. Uitwerking De scenario’s zijn opgenomen in de kadernota. De begroting is uitgewerkt binnen de uitgangspunten dat de BWB verantwoordelijk blijft voor de opgedragen taken zonder verlaging van de kwaliteit. Hierbij is ingezet op een beperking van de stijging van de deelnemersbijdragen. Zie voor het uiteindelijke resultaat de financiële beschouwingen pagina 8.
Begroting 2026
67
Bijlage 3: Besluitvorming algemene reserve Besluitvorming algemene reserve Type
Algemene reserve
Doel
Bufferfunctie: om afwijkingen tussen de geraamde en werkelijke loon- en prijsontwikkeling op te kunnen vangen.
Verloop
Stand per 26-02-2025
Geraamde onttrekking 2026
Geraamde toevoeging 2026
Verwachtte stand 31-12-2026
€ 200.000
Geen
Geen
€ 200.000
Minimale omvang: Er wordt geen minimale omvang vastgesteld. Minimale- en maximale omvang
Maximale omvang: Er wordt geen maximale omvang vastgesteld. De omvang van de reserve wordt afgestemd op het doel. Om de beperkte negatieve afwijkingen van de afgelopen vijf jaar op te kunnen vangen is de hoogte bij de jaarrekening 2023 vastgesteld op € 200.000. Stortingen in de algemene reserve vinden enkel plaats uit een positief jaarrekeningresultaat op basis van een besluit van het Algemeen Bestuur, indien dit voor géén van de deelnemers leidt tot een verhoging van de deelnemersbijdrage.
Dotatie Het aandeel van de individuele deelnemer in de reserve blijft behouden. Het percentage van de nacalculatorische deelnemersbijdrage vormt de basis voor de dotatie.
Onttrekking
Onttrekkingen aan de reserve vinden plaats op basis van een besluit van het Algemeen Bestuur. Dit zal via een begrotingswijziging plaatsvinden (vastgesteld vóór 31 december van het lopende boekjaar). Het verloop van de algemene reserve en het aandeel van de individuele deelnemer in de reserve blijft behouden.
Looptijd
Begroting 2026
Er is geen looptijd vastgesteld.
68