11c Bestemmingsplan 'Kom Rucphen Zundertseweg naast 25 te Rucphen' toelichting
Tekst van het document
In deze aanvulling is onder andere opgenomen dat enkel de doelgroepen beschreven in de woonvisie in aanmerking kunnen komen om te bouwen op eigen grond. De doelgroepen zijn in de beleidsregel nader uitgewerkt waarbij per doelgroep een belangrijk aspect is dat men inwoner dient te zijn van de gemeente Rucphen of een sociale binding heeft met de gemeente Rucphen. Ook planologische criteria met betrekking tot kabels, leidingen, verdichting, monumenten, parkeren en stedenbouw zijn aangevuld. Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030 De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw. 37
De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). De ambities van de gemeente Rucphen zijn voor nieuwbouw woningen: Bij nieuwbouw is het streven dat er duurzame woningen worden gebouwd met een Energielabel A. Het streven naar het verminderen van het verhard oppervlak in particuliere tuinen met 20% in 2030 ten opzichte van 2019. Bij nieuwe bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden door te toetsen op waterberging. Het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouwwoningen op de locatie is duurzaamheid. Elke woning dient te voldoen aan de energieprestatie-eisen (EPC), daarom worden de woningen gasloos uitgevoerd. Het aspect water komt in paragraaf 4.3 verder aan bod. Een en ander wordt uitgewerkt en aangetoond ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen, waarbij bijlagen worden gevoegd ter toetsing aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Daarbij wordt de gemeentelijke flyer ‘Vooruit, anders voor elkaar, (ver)bouwen voor de Toekomst’ in acht genomen. Hierin wordt aandacht besteed aan duurzame energiebronnen, isolatie, ventilatie, circulaire economie, natuur inclusief bouwen, verlichting en brandveiligheid.
Daarnaast wordt het plan qua groen ingepast, wat een bijdrage levert aan de duurzaamheid. In principe moet bij een ontwikkeling per woning 75m2 openbaar groen worden gerealiseerd. In dit plan betreft dit een strook aan de voorzijde van elk perceel. De strook wordt voorzien van boombeplanting met daaronder gras of beplanting en mogelijk voorzieningen voor waterberging. Hierdoor wordt de groene entree van Rucphen versterkt en liggen de percelen achter het groen ingebed. Klimaatbestendig Rucphen ‘Klimaatbestendig Rucphen’ uit 2022 beschrijft hoe de gemeente wil zorgen dat de gemeente Rucphen een prettige plek blijft om te wonen, werken en recreëren, ook bij een veranderend klimaat. Rucphen krijgt, net als in de rest van Nederland, te maken met steeds extremer weer. Het gaat vaker en harder regenen, er komen meer en langere hittegolven en de bodem droogt steeds verder uit. Deze veranderingen gaan gepaard met overlast en schade voor zowel mens als natuur, waardoor de leefbaarheid onder druk wordt gezet. Het is dus zaak dat we ons aanpassen aan het veranderende klimaat, maar dit is niet alleen een verantwoordelijkheid van de gemeente. Het merendeel van het oppervlak van de gemeente Rucphen is in particulier bezit. Het is daarom belangrijk dat er wordt samengewerkt aan klimaatadaptatie.
Om meer inzicht te krijgen in klimaatadaptatie in de gemeente, is in maart 2020 een enquête over wateroverlast uitgezet. Meer dan de helft van de respondenten (61%) gaven aan weleens wateroverlast te ervaren. Mogelijke oplossingen die worden genoemd om dit in de toekomst te voorkomen zijn: minder bestrating en meer groen, het aanbrengen van sloten, wadi’s en retenties én het reinigen van het riool/de afvoer. Omdat wateroverlast te voorkomen is in het beleid een aantal doelstellingen geformuleerd. Zo dient bij nieuwe woningbouwontwikkelingen per woning 75 m2 aan groen en water(opvang) gerealiseerd te worden in de openbare ruimte. Eerder in deze paragraaf is al beschreven dat wordt voldaan aan de doelstelling. De andere doelstelling die met betrekking tot wateroverlast is geformuleerd, is dat bij elke nieuwe ontwikkeling 60 millimeter water op eigen terrein geborgd moet kunnen worden, conform het beleid van het Waterschap. In paragraaf 4.3 wordt hierop verder ingegaan. Bij een bui met een herhalingstijd van 100 jaar (70 mm neerslag in een uur) moeten wegen begaanbaar zijn voor hulpdiensten. Richtlijnen voor de inrichting van de openbare ruimte voor een hittebestendige gemeente hebben betrekking op onder andere het aanplanten van variatie in vegetatie en het meer gebruik maken van water in de openbare ruimte waar mogelijk.
In het inrichtingsplan van de planlocatie komt dit tot uiting. 38
Hiermee worden bijdragen geleverd aan gemeentelijke doelstellingen met betrekking tot klimaatbestendigheid in de gemeente Rucphen.
3.4
Toetsing beleidskaders
Een en ander is derhalve passend binnen het rijks- en provinciaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van het bestemmingsplan. Het rijksbeleid wordt niet aangetast. Het provinciaal beleid wordt in acht genomen door een zuinig ruimtegebruik, zoals deze uit de provinciale IOV blijkt. Om deze reden is er dan ook planologisch gezien geen probleem om de ontwikkeling door te zetten.
39
Hoofdstuk 4 4.1
Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving
Bodem
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit. Bij grond afvoer en grondverzet vanaf het plangebied naar elders treden de regels van het Besluit bodemkwaliteit in werking. De beslissing met betrekking tot de functionele geschiktheid van de bodem voor de beoogde doelstelling is strikt voorbehouden aan het bevoegd gezag. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek NEN5740 uitgevoerd op 7 juni 2021 door Moerdijk Bodemsanering (bijlage 2). Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is aan de noordzijde van de locatie een koolaslaag aangetroffen. Tevens zijn plaatselijk puin sporen aangetroffen.
Voor het overige zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. In de bodem zijn visueel geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In de grond- en het grondwater bij de tank zijn geen verhogingen aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. In de grond- en het grondwater op het erf bij de schuren zijn ten hoogste lichte verhogingen aangetroffen. De aangetroffen sterk verhoogde gehalten aan PAK tijdens het voorgaand onderzoek in 2005 zijn niet meer aangetroffen, vermoedelijk betrof dit de koolaslaag. Echter kan dit niet getypeerd worden als een grondlaag (bodem). De verhogingen benaderen de nader onderzoekswaarden niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. Gezien de voorgenomen ontwikkeling van de locatie wordt wel geadviseerd de aanwezige koolaslaag af te voeren naar een erkend verwerker. In de grond- en het grondwater van de tuin en het weiland zijn ten hoogste lichte verhogingen aangetroffen. De verhogingen benaderen de nader onderzoekswaarden niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. In de toplaag van de druppellijn is een sterk verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen.
Tevens zijn enkele losse vezels aangetroffen. De nader onderzoekswaarde voor asbest wordt overschreden. De toplaag onder de dakrand, is sterk verontreinigd met asbest. Formeel dient nader onderzoek verricht te worden om de exacte omvang te bepalen, echter wordt het aannemelijk geacht dat de verontreiniging zich beperkt tot de toplaag in de nabijheid van het asbestdak. De omvang wordt geschat op circa 10 m2 x 0,4 m = 4 m3. Gezien de interventiewaarde van asbest (100 mg/kg d.s.) overschreden wordt, kan gesteld worden dat sprake is van een ’ernstig geval van bodemverontreiniging’. Derhalve is sprake van een saneringsplicht. Geadviseerd wordt om de sterk verontreinigde grond (met asbest) ter plaatse van de toplaag te ontgraven en af te voeren naar een erkend verwerker. De sanering dient verricht te worden door een BRL-7000 erkend bedrijf, onder begeleiding van een BRL-6000 erkend bedrijf. Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding ingediend te worden bij het bevoegd gezag.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten 40
plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 januari 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta worden hiermee in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn , dan is vooronderzoek nodig. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016. Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Op 18 september 2019 heeft de gemeenteraad van Rucphen de Nota Archeologie gemeente Rucphen vastgesteld en daarbij het archeologiebeleid aangepast. Op de beleidskaart (figuur 25) is de locatie geduid onder de noemer ‘historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten’ en (middel)hoge archeologische verwachting. Deze verwachting komt terug op de verwachtingenkaart (figuur 26). Volgens het bestemmingsplan is archeologisch onderzoek nodig als de verstoring dieper is dan 50 cm en gelijktijdig groter dan 100m2. Tot het moment dat onderzoek is gedaan, blijft de dubbelbestemming en aanduiding gelden.
Figuur 25: Gemeentelijke beleidskaart
41
Figuur 26: Archeologische waarden en verwachtingen 2019
Cultuurhistorie Sinds 1 januari 2012 is art. 3.1.6 Bro gewijzigd en verdient cultuurhistorie nadrukkelijk aandacht in een bestemmingsplan. Met behulp van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), die door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) wordt verzorgd en de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW2015) van de provincie Noord-Brabant is nagegaan of de gronden binnen het plangebied van archeologische betekenis zijn. De CHW bestaat uit de volgende onderdelen: • historische bouwkunst: dit zijn de ‘monumenten’ uit het dagelijks taalgebruik; • historische stedenbouw: het kan gaan om een gehucht, dorp, stad, woonwijk of industrieel complex; • historische geografie: aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving; • historisch groen: de groenelementen en structuren die door ingrepen van de mens ontstaan; • historische zichtrelaties: hieronder vallen: molenbiotopen, schootsvelden, eendenkooien en zichtrelaties; • archeologische monumenten: deze kaartlaag bestaat uit de Archeologische Monumenten Kaart Noord-Brabant (AMK); • indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW): naast de hierboven genoemde archeologische monumenten zijn op de cultuurhistorische waardenkaart indicatieve archeologische waarden af te lezen. Deze waarden zijn belangrijk en moeten in beginsel beschermd worden, zie figuur 27, lage trefkans.
De planlocatie komt niet op de CHW-kaart (figuur 28) voor. De Zundertseweg is geduid als lijn van redelijke hoge waarde. De planlocatie ligt in de regio Westbrabantse venen. In de ‘Westbrabantse 42
Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Door de nieuwe woningen worden de cultuurhistorische waarden niet aangepast.
Figuur 27: IKAW (bron: Atlas leefomgeving)
Figuur 28: CHW 2015 (bron: Data portaal Brabant)
43
Figuur 29: Cultuurhistorische kaart gemeente Ook op de gemeentelijke cultuurhistorische kaart (figuur 29) komt de locatie niet voor. Op deze kaart is, aanvullend op de provinciale kaart, het historische groen en dorpsgebied 1900 aangegeven. De Zundertseweg is als oude hoofdverbinding geduid. Daarnaast is op de Cultuurhistoriekaart een ‘matrix waardering en beleid’ opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke wijze de cultuurhistorische waarden in ruimtelijk beleid verankerd kunnen worden. Aardkundige waarden Uit de aardkundige waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een aardkundig waardevol gebied en evenmin op korte afstand van een dergelijk gebied is gelegen.
4.3
Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan, aanvullend op het vigerende bestemmingsplan. Waterwet De Waterwet van 22 december 2009 vervangt een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet is gericht op integraal waterbeheer, met de doelstelling voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen.
44
Waterstructuurplan Het provinciale beleid richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Vijf hoofdthema's vormen de kern van het beleid: • het realiseren van een duurzame watervoorziening; • het verbeteren van de waterhuishoudkundige situatie; • het verbeteren van de waterkwaliteit; • het inrichten van waterlopen met het oog op de versterking van natuurwaarden; • het anders omgaan met water in bebouwd gebied. Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP, figuur 30) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Doelen van het PMWP: • voldoende water voor mens, plant en dier • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met de partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Figuur 30: Provinciaal Waterplan 2016-2021 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 45
Op 3 december 2021 is als opvolger van dit plan het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld dat 22 december 2021 in werking is getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterbeheerplan Waterschap Brabantse Delta werkt 24 uur per dag aan waterveiligheid, droge voeten, voldoende en schoon water. Hoe? Dat staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. In het waterbeheerplan staan doelen en maatregelen voor de periode van 2016 tot en met 2021.
Ook beschrijft het waterschap hoe ze inspelen op de veranderende omstandigheden, zoals het klimaat. In vijf jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is. Het Waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen. Het waterschap wil de samenwerking met burgers, ondernemers en organisaties actief betrekken bij het waterbeheer in Midden- en West-Brabant. Gezond water is immers van belang voor iedereen. Met het waterbeheerplan nodigt het waterschap uit in gesprek te gaan. Goede initiatieven die bijdragen aan droge voeten, voldoende en schoon water worden gestimuleerd. Het Waterbeheerplan is samen met gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, Natuurverenigingen, de provincie en het rijk opgesteld. Het algemeen bestuur heeft het waterbeheerplan definitief vastgesteld op 14 oktober 2015. Waterschap Brabantse Delta blijft de verbinding zoeken met inwoners en partners bij de uitvoering van het plan en blijft voortdurend kijken naar de mogelijkheden voor duurzame maatregelen en efficiënter uitvoeren van werkzaamheden. Het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 is als opvolger eind december 2021 vastgesteld door het waterschap Brabantse Delta. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert.
Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022 – 2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma is aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Water is een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Duurzaam betekent rekening houden met het lokale bodem- en watersysteem. Op die manier kan het waterschap bijvoorbeeld beter water vasthouden om verdroging tegen te gaan. Maar dat is ook belangrijk voor de andere taken van het waterschap. Zoals voor de bescherming tegen overstromingen, de zorg voor een goede waterkwaliteit en het versterken van de natuur. Om de doelstellingen en ambities in het Waterbeheerprogramma te bereiken wordt veel samengewerkt.
Onder andere met medeoverheden, belangenorganisaties, bedrijven en burgers. Een duurzame en flexibele werkwijze vormt daarbij het uitgangspunt, rekening houdend met wetten en 46
regels. Men zet zelf communicatie en juridische en financiële instrumenten in. Voorbeelden daarvan zijn campagnes en deelname aan stimuleringsregelingen. Als er zich kansen voordoen, geeft het Waterbeheerprogramma ruimte voor het maken van keuzes. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Gemeentelijk beleid Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. Het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2018-2022 en het gemeentelijk waterplan (2008) verantwoorden aan de inwoners van de gemeente Rucphen de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht. Bij de realisatie van (nieuwe) bebouwing wordt het scheiden van waterstromen nagestreefd. Bij rioolvervanging wordt, mits kosteneffectief, actief beleid gevoerd op het afkoppelen van hemelwater en scheiden van waterstromen. Voor het afkoppelen van dakvlakken op particulier terrein wordt bij bestaande bouw een doelmatigheidstoets uitgevoerd.
Bij het infiltreren van het regenwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, afvoeren. De zorgplicht hemelwater valt onder de Waterwet (in de toekomst Omgevingswet). In artikel 3.5 is de wettelijke verplichting vastgelegd: De gemeente draagt zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. En de gemeente draagt zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk. De gemeente Rucphen heeft belang bij een robuust watersysteem, wat bij hevige regenval het water uit de rioolwateroverstorten kan verwerken. Dit is immers een randvoorwaarde voor het beperken van wateroverlast in bebouwd gebied tot een aanvaardbaar niveau. Retenties worden daarom gedimensioneerd met een ‘regenreeks’ die gemiddeld 1 keer per 100 jaar voorkomt in Nederland.
Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering, zodat het watersysteem zodanig wordt gedimensioneerd dat het toekomstbestendig is. Voor 'Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen' wordt het beleid van het waterschap Brabantse Delta gevolgd. Het gemeentelijk waterplan Rucphen ‘Water in Rucphen, wel aanwezig, niet altijd zichtbaar’ is vastgesteld op 31 januari 2008 door de gemeenteraad. Het doel van het waterplan is om het watersysteem in de gemeente Rucphen op orde te brengen en op orde te houden. Het waterplan geeft een visie over hoe het watersysteem er in 2050 moet uit zien. Het gemeentelijk waterbeleid is divers en gaat van het voorkomen van wateroverlast in de kernen tot en met het verbeteren van de waterkwaliteit en bijbehorende ecologische waarden. Als kader voor het waterplan is het nationaal bestuursakkoord water waarin het doel is om het water zoveel mogelijk vast te houden en te bergen op de plaatsen waar het valt. Een ander speerpunt is het tegengaan van verontreiniging van het grondwater en het oppervlaktewater door chemische middelen zoals bestrijdingsmiddelen en 47
schoonmaakmiddelen. Voor de bestaande waterberging en nieuw aan te leggen bergingen is het beleid om deze op een goede landschappelijke manier in te passen zodat deze bergingen bijdragen aan de belevingswaarden van het buitengebied. Keur Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 500m2. Deze ondergrens is per 1 april 2021 van 2.000m2 naar 500m2 teruggebracht. Voorbeelden van situaties waarbij een watervergunning nodig is: • het dempen of wijzigen van een watergang; • het aanleggen van een kabel of leidingen; • het planten van bomen en struiken; • het brengen van water in een watergang. Het waterschap heeft als beleid dat nieuwe ontwikkelingen waterneutraal moeten worden uitgevoerd, waarbij zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar behoud of herstel van de natuurlijke waterhuishoudkundige situatie. Het toekomstige watersysteem moet hierbij voldoen aan de ‘Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden van het waterschap’, vastgesteld op 1 mei 2009. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hierna hun keuren geharmoniseerd tot ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
De Keur van 1 maart 2015 is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Hergebruik gaat boven infiltreren, boven bergen en afvoeren (kwantiteitsrits). Voor nieuwbouw geldt dat het ‘schone’ regenwater van het ‘vuile’ huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. De kwaliteitsrits houdt in schoonhouden, scheiden, zuiveren. Watertoets Huidige situatie De locatie ligt in een kempisch zandgebied met laarpodzolgrond. Het is lemig fijn zand, een dekzandvlak. Aan deze zijde van de weg ligt een sloot, er zijn geen keringen of andere oppervlaktewateren. Het perceel komt op de waterleggerkaart niet voor. Het is een open akkerlandschap zand, voedselarm en vochtig tot droog. Het perceel is een onverhard weiland. Nieuwe situatie Elke woning wordt circa 180m2 groot, aan bijgebouwen kan (vergunningvrij) eveneens 100m2 worden opgericht. Voor terras, verhardingen en de oprit wordt ook met maximaal 150m2 per woning rekening gehouden. Totaal 430m2 per woning, en daarmee 1290m2 bruto. De netto toename verharding is 48
1000m2, immers rekening houdend met sloop van bedrijfsbebouwing. Extra waterberging of compensatie is nodig is tot een omvang van 60 m3. Extra verhardingen zijn niet voorzien; de tuin wordt zo groen mogelijk ingericht. Dit blijkt uit de figuur 15 waarin een inrichtingsschets voor de percelen is weergegeven, met bebouwing en verharding. Voor iedere ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding een bergingseis van 60 mm conform de Keur van het waterschap de Brabantse Delta. Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De gevoeligheidsfactor op de locatie is 1. De benodigde compensatie is 1000 * 1 * 0,06 = 60 m3. Vanwege de te realiseren in/uitrit zal met de gemeente overleg plaatsvinden over het realiseren van een dam om de bouwlocatie te bereiken. Bij de uitwerking van de bouwplannen zal gekeken worden naar de mogelijkheden voor berging/ infiltratie van regenwater op eigen terrein, bijvoorbeeld in de vorm van verlaging van de tuinen, infiltratiekratten, aanleg van een vijver of verbrede sloot, eventueel in het openbare groen. De compensatie vindt plaats binnen de planlocatie, er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Conform de gemeentelijke bouwverordening dient bij nieuwbouw de riolering gescheiden op de erfgrens aangeboden dient te worden zodat deze op het bestaande gescheiden stelsel kan worden aangesloten. Om verontreiniging van het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen mogen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Op deze wijze neemt het risico kwaliteit grondwater niet toe. Ten behoeve van het huishoudelijke afvalwater dient een afzonderlijke leiding aangelegd te worden in het nieuwbouwplan. Dit stelsel dient gedimensioneerd te worden op de toekomstige bebouwing in het plangebied. Het nieuwe stelsel kan dan aangesloten worden op het gescheiden rioleringsstelsel; hiervoor zal tijdig een aanvraag worden ingediend. Er wordt gemiddeld 120 liter vuilwater per dag geproduceerd per inwoner en afgevoerd naar het rioolstelsel. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 3x2,5 x 120 liter = 900 liter per dag vanuit het plangebied wordt “geproduceerd”. Er worden geen capaciteitsproblemen verwacht door deze minimale hoeveelheid.
4.4
Geluidhinder
Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven. Het plangebied is gelegen in een 60 km/uur-gebied. Vanwege het aspect geluid is daarom onderzoek verricht door Wematech d.d. 29 maart 2021, bijlage 3. Rekening is gehouden met de geluidzone van 25 meter tot de as van de weg. Als gevolg van de Zundertseweg wordt ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 53 dB berekend. De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt derhalve niet overschreden. Echter dient door de gemeente Rucphen hogere grenswaarden aangevraagd te worden (bijlage 4) voor de geveldelen van de nieuwe woningen waar de geluidbelasting meer dan 48 dB bedraagt als gevolg van de Zundertseweg. Het treffen van geluidreducerende maatregelen is vanuit financieel, stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen. Hierbij kan aanvullend worden opgemerkt dat de verkeersstroom over de Zundertseweg afneemt door de nieuwe rondwegstructuur en verbinding naar Zundert.
Het geluid vanwege deze weg zal afnemen. 49
De ten hoogst berekende geluidbelasting als gevolg van de Zundertseweg bedraagt 58 dB (exclusief de correctie artikel 110g Wgh). Uitgaande van deze geluidbelasting en de minimale geluidisolatie van 20 dB bedraagt het verschil ten hoogste 38 dB, waarmee niet wordt voldaan wordt aan de normstelling uit het Bouwbesluit. Aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels is derhalve noodzakelijk. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een geluidbelasting van 51- 58 dB ter plaatse van de voor- en zijgevels. Derhalve kan worden gesteld dat een matig tot redelijk woon- en leefklimaat zal heersen. Ter plaatse van de achtergevels van de nieuwe woningen wordt een geluidbelasting van ten hoogste 42 dB berekend. Derhalve kan worden gesteld dat in de achtertuinen een goed woon- en leefklimaat zal heersen. Hiermee wordt ter plaatse van de nieuwe woningen een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.5
Luchtkwaliteit
Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCNkaarten) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten (figuur 31) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2019 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide circa 16 μg/m3 en voor fijn stof is dit circa 16 μg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3.
Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven. Een en ander betekent dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is en dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.
50
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,02
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
51
24
1,2
Figuur 31: Kaarten luchtkwaliteit (bron: Atlas leefomgeving)
4.6
Externe veiligheid
Doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit legt eisen op aan bedrijven waarvan het plaatsgebonden risico (PR) hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, waaronder inrichtingen die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO) 1999 en inrichtingen die vallen onder de richtlijnen van de Publicatie Gevaarlijke Stoffen deel 15 van de onafhankelijke Adviesraad Gevaarlijke Stoffen. Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau. Dit wordt geconcretiseerd door toepassing van grens- en richtwaarden PR. Het PR is de kans dat een persoon die permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Dit risico wordt uitgedrukt in de overlijdenskans per jaar. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een transportroute. Er zijn verschillende normen voor risico’s als gevolg van risicovolle activiteiten bij bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en in bestaande en in nieuwe situaties. Voor kwetsbare objecten zoals woningen, ziekenhuizen en scholen gelden de strengste eisen. Ingeval er sprake is van kwetsbare objecten waarbij het PR groter is dan 10-5 dan dient binnen drie jaar de risicovolle inrichting gesaneerd te worden. Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het groepsrisico (GR) worden onderzocht. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt 52
berekend. Het GR geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Voor het GR gelden oriënterende waarden. Over elke overschrijding van de oriënterende waarde en over de toename van het GR moet verantwoording worden afgelegd. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. In het BRZO staan criteria die aangeven welke bedrijven zoveel gevaarlijke stoffen hebben, dat er een risico van een zwaar ongeval bestaat. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel Preventiebeleid Zware Ongevallen genoemd, omdat deze bedrijven een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem. Bedrijven van de zware categorie moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport opstellen. Beleidsvisie gemeente Rucphen 2010-2014 De gemeente Rucphen heeft een veiligheidsvisie opgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Rucphen haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s. Per gebiedstype hanteert de gemeente aanvullende eisen ten opzichte van het Rijksbeleid.
Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘buitengebied’. In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype buitengebied onder meer de volgende ambities: • geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour; • overschrijding van de oriëntatiewaarde wordt niet toegelaten; • geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen het invloedsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart (figuur 32) zijn geen kwetsbare objecten gelegen in of in de (directe) nabijheid van het plangebied die gevolgen hebben voor de voorgenomen ontwikkeling. Het beoogde gebruik van het plangebied betreft geen risicovolle activiteit maar is wel een (beperkt) kwetsbaar object als bedoeld bij externe veiligheid. Op grond van de provinciale kaart zijn in de omgeving van het beoogde plangebied geen BRZO bedrijven echter wel andere inrichtingen (zwembad, houthandel, propaantank) gelegen , maar deze bevinden zich op voldoende afstand. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. De locatie ligt net in de munitiezone C vanwege Kamp Rucphen en buiten de NNB waar brandgevaar is; circa 200 meter afstand wordt aangehouden. Er loopt op circa 2.500 meter van het plangebied een verkeersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, namelijk de A58.
Er is geen PR-contour en het invloedsgebied voor het groepsrisico is slechts 200 meter. De locatie bevindt zich evenmin in een plasbrandaandachtsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart zijn ook geen risicovolle buisleidingen in het plangebied aanwezig. Transportroutes vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In de (nabijheid van de) planlocatie bevinden zich geen relevante aardgastransportleidingen. Er bevinden zich geen spoorwegen of hoofdvaarwegen in de nabijheid van de planlocatie. Voor het beoordelen van de externe veiligheid is een aantal omliggende locaties relevant: • Het Ijspaleis ligt op voldoende afstand, circa 1,5 km, aan de Rucphensebaan 48. Daar is sprake van ammoniak en machinekamer. De locatie valt buiten de cirkel van 975 meter. • Op ruim voldoende afstand, circa 785 meter ligt een leiding van de gasunie Z-520—33, diameter 168mm, 40 bar. • Het zwembad aan de Kozijnenhoek 21 ligt op voldoende afstand van 1,15 km. • Op circa 930 meter aan de Sprundelseweg 45 is het 3.2 bedrijf Houtleeft BV gevestigd. Er is sprake van brandbare vaste stoffen, in de vorm van houtopslag in de open loods. Er is geen PR. • Ook ligt het perceel net binnen de cirkel van 925 meter vanwege het militaire complex. Deze zone is de meest ruime zone rondom de munitieopslagplaats en conform het Barro mogen 53
hierbinnen geen bouwwerken opgericht worden met vlies- of gordijngevelconstructies of grote glasoppervlakten waarbinnen zich doorgaans een groot aantal personen bevindt. De munitieopslag van Defensie aan de Zundertseweg 45 ligt op 750 meter; de inrichting zelf op 210 meter.
Figuur 32: Risicokaart (bron: Signaleringskaart) In het Beleid bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio is een bluswatermatrix opgenomen. Binnen een 200 meter van de woning moet in principe een bluswatervoorziening aanwezig zijn met een debiet van 90 m3/uur. Feitelijk ligt er op 100 meter van het plangebied een bluswatervoorziening, echter met een debiet van 60 m3/uur. Aangezien het bijna nooit haalbaar is om het vereiste debiet uit een normale ondergrondse brandkraan te halen, is de afwijking verantwoord. Als gevolg van het bouwen van de extra woningen zal het groepsrisico (door toepassing van de vuistregels) niet toenemen. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld voor de gemeente Rucphen. Het plangebied is gelegen binnen de gestelde uitgangspunten van het advies en kan worden gebruikt voor de (beperkte) verantwoording van het Groepsrisico. Het standaard advies is als bijlage 6 toegevoegd. Samengevat kan worden dat het aspect externe veiligheid de ontwikkeling niet belemmert.
4.7
Ecologie / flora en fauna
Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 54
2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In onderstaande paragrafen wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is reeds beschermd in het Barro en provinciale IOV. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Zoals uit figuur 33a blijkt, ligt de planlocatie niet in of nabij een gebied dat voor de Natura 2000 en/of Natuurbeschermingswet relevant is. Op dit vlak zijn er geen belemmeringen. De Maatjes (België, figuur 33b) en de Brabantse Wal en Ulvenhouts Bos, liggen op meer dan 10 resp. 13,5 km resp. 16 km afstand en is daarmee niet relevant. Gezien de afstand tot het omliggende Natura 2000-gebied en omdat er tussen het gebied en de beoogde ontwikkeling veel landschapselementen aanwezig zijn zoals opstallen in de vorm van woningen, bossen en wegen, is er op de omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland In de 20e eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar.
Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het NNN opgericht. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN (figuur 34) liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van art. 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van art. 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
55
Natuur Netwerk Brabant Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn IOV de gebieden opgenomen als NNB (voorheen Ecologische Hoofdstructuur EHS, figuur 34). Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het NNB wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de IOV. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘natuur en landschap’ van de IOV is binnen of nabij het plangebied geen NNB aanwezig. Op 30 meter ligt wel NNB. Aan art. 3.16 IOV moet worden getoetst. De afstand is voldoende om geen belemmering te vormen. De NNB wordt in tact gelaten. Het is een productiebos met ruimte voor recreatie. Deze wordt in tact gelaten; effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van dit bosperceel zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Het gebied vormt ook geen onderdeel van een breder netwerk aan gebied.
Het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing op het perceel is dusdanig beperkt, dat deze de NNB (voormalige EHS) niet belemmert. De woning wordt niet in de directe omgeving van de NNB gerealiseerd, eventuele optische verstoring (menselijke activiteit en bebouwing) kan worden weggenomen door bijvoorbeeld hoge dichte begroeiing én er mag geen verlichting op de NNB worden gericht (minimaal gebruik van tuin- en gevelverlichting, gericht naar de grond. Door de aan te leggen bufferzone zijn negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNB uitgesloten. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in art. 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn.
In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Alle vogelsoorten hebben een bepaalde mate van bescherming. Er geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren.
Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Ten aanzien 56
van vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van volgens. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan globaal worden aangehouden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen.
Figuur 33a: Natura 2000-gebieden Nederland (bron: Atlas leefomgeving)
57
Figuur 33b: Natura 2000-gebieden België (bron: Atlas leefomgeving)
58
Figuur 34: NNB (bron: Atlas leefomgeving) Door Brabant Eco is een Quickscan flora & fauna uitgevoerd, d.d. 18 april 2022. Hieruit (bijlage 1) blijkt dat de voorgenomen plannen niet leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden en/of Natuurnetwerk Nederland / Natuurnetwerk Brabant (NNB-gebieden). De bestaande woning met aanbouw en bijbouw is geschikt voor fauna en bied schuil- en nestplaatsen van beschermde diersoorten. Aangezien de woning niet wordt gesloopt of gerenoveerd worden de mogelijk huidige biotopen niet verstoord. Er zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming met beoogde plannen en zullen de schuil- en foerageermogelijkheden voor verschillende diersoorten niet afnemen. Door de locatie na de bouw geheel planologische in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Er valt redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt ten aanzien van de Wet natuurbescherming dan wel Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven en onderstaande voorwaarden.
Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Ook tijdens de werkzaamheden dient regelmatige controle op aanwezigheid van broedende vogels plaats te vinden. Verstoring van nesten bij aan- en afvoer van materieel moet worden voorkomen. Materiaal wordt niet geplaatst tegen beplanting met mogelijke broedgevallen. 59
Als gevolg hiervan kunnen de geplande werkzaamheden normaal doorgang vinden. Indien alsnog (onvermoed) zwaarder beschermde soorten worden aangetroffen, dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen. Om invulling te geven aan het zorgvuldig handelen dient gewerkt te worden volgens de voorschriften van een gedragscode. Geadviseerd wordt om de ‘Gedragscode flora en faunawetgeving, Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de vereniging Stadwerk’ te hanteren. Deze gedragscode is van toepassing op de uitvoering van aanlegwerkzaamheden in groenvoorzieningen. Door te handelen volgens deze gedragscode wordt schade aan (lokale) populaties van beschermde planten en dieren voorkomen of tot een minimum beperkt. Het perceel ligt juist buiten de 1000 meter zone van stiltegebied De Rucphense Bossen. Stikstof De hoeveelheid stikstof terugdringen, de natuur versterken en tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk maken. Dat was het doel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), dat de overheid in 2015 introduceerde. Het PAS bood ruimte om vergunningen voor (bouw)projecten in de buurt van een Natura 2000-gebied toch te verlenen. Zelfs als dat betekende dat er extra stikstof in de natuur terechtkwam. Er werden tenslotte ook maatregelen genomen om de stikstof te verminderen en de natuur te herstellen. Maar de overheid liep te ver op de zaken vooruit, oordeelde De Raad van State.
Een toestemming ‘vooraf’ mocht niet. Dat was namelijk in strijd met Europese natuurwetgeving. Op 29 mei 2019 werd daarom een ferme streep gezet door het PAS. Dit leidde tot grote onzekerheid. Zowel projecten met een lopende vergunningaanvraag als projecten die eerst geen natuurvergunning nodig hadden, moesten nu opnieuw beoordeeld worden. Het plangebied is gelegen op circa 10 km afstand van een Natura 2000-gebied. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve kan in principe aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. De exacte mate van stikstof dient feitelijk voor een bouwplan bepaald te worden voor de gebruiksfase en formeel niet langer voor de aanlegfase. De gebruiksfase ziet op het gebruik van de woningen en de emissie die daarbij plaatsvindt.
Significante stikstofbronnen zijn het verkeer van en naar het plan. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de aanleg van de woningen vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en sloop en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. Inmiddels is er in februari 2020 een Handreiking woningbouw en Aerius vanuit het rijk verschenen waaruit blijkt dat minder dan 50 woningen op zandgronden op een grotere afstand dan 7 km van een Natura 2000-gebied (figuur 35) tot een emissie van 0,00 mol/ha/jaar leiden en dat een berekening achterwege kan blijven.