CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

11b9 08045-bijlage-03-quickscan Wet natuurbescherming-c 1

gemeenteraad 16 juni 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Vorenseindseweg 104 te Sprundel’10.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING VORENSEINDSEWEG 104 TE SPRUNDEL

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Vorenseindseweg 104 te Sprundel Opdrachtgever

Rokx bouwadvies Vorenseindseweg 72 4717 RH Sprundel

Rapportnummer Versienummer

12307.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

19 mei 2020

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

M.A.T. Marijt, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

C. van Tuijl, MSc & A.M. Vergeer, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 6

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 7

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................. 11 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 14 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 16

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 8 Soortenbescherming ........................................................................................................ 8 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 9 Houtopstanden ............................................................................................................... 10

Algemene broedvogels ................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Kleine marterachtigen ..................................................................................................... 18 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 12307.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Rokx bouwadvies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Vorenseindseweg 104 te Sprundel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 12307.001 versie D1

Pagina 1 van 23

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 1.225 m²) ligt aan de Vorenseindseweg 104. Het is onderdeel van een perceel dat bekend staat als kadastrale gemeente Rucphen, Sectie K, nummer 2164. Dit perceel ligt circa 1,8 kilometer ten Zuidoosten van de kern van Rucphen. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is onderdeel van een woonerf en bevat drie gebouwen die dienstdoen als opslagruimtes (figuur 2, gebouw 1 t/m 3). Op hetzelfde perceel, direct aan de onderzoekslocatie, bevinden zich nog 3 andere gebouwen (figuur 2, gebouw 4 t/m 6). In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 19 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek. Gebouw 1 (figuur 3 t/m 8) is een opslagruimte met rode bakstenen en een pannendak zonder onderdak. Het gebouw bestaat uit een benedenverdieping met een zolderruimte. Tegen de zuidoostelijke gevel ligt hout opgestapeld. De zuidwestgevel is bedekt met timmerwerk. Binnen de zolderruimte zijn bestreden wespennesten aangetroffen evenals uitwerpselen van kleine zoogdieren. Gebouw 2 (figuur 9 en 10) is een kleinere, enkel laagse opslagruimte met bakstenen gevels en een plat dak. Dit gebouw ligt ten zuiden van gebouw 1. Het timmerwerk tussen dak en gevel is strak aangesloten. Daarnaast bevat het gebouw lage spouwgaten.

R 12307.001 versie D1

Pagina 2 van 23

Gebouw 3 (figuur 11 t/m 14) is een houten schuurtje met een dak van golfplaten. Dit gebouw ligt ten westen van gebouw 1. In de houten wanden zitten ruimtes waardoor eventuele dieren naar binnen kunnen. Tegen dit gebouw liggen meerdere houten pallets opgestapeld. Tussen de gebouwen in liggen betegelde paden en is er verscheidene beplanting aanwezig. Ten noordwesten van gebouw 1 bevindt zich een moestuin met verscheidene fruitbomen en struiken (figuur 15). Ten zuidwesten van gebouw 2 ligt een klein grasveldje dat door begroeiing wordt afgeschermd van een open grasweide op het zuidwestelijke gedeelte van het perceel (figuur 16 en 17). Ten zuidoosten van gebouw 2 bevindt zich gebouw 4. Aan de noordwestelijke gevel van dit gebouw zijn poepsporen bij de nok waargenomen (figuur 18). Ten noordoosten van gebouw 1 bevindt zich gebouw 5. Dit gebouw vormt samen met gebouw 1 een smalle doorgang tussen de gevels van de gebouwen (figuur 19). De onderzoekslocatie bevindt zich tussen bosrijk gebied dat wordt onderbroken door bebouwing. Ten noorden en zuidoosten is cultuurlandschap te vinden.

5

3

1

6 2

4

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. Gebouwen 1 t/m 3 liggen binnen het onderzoeksgebied.

R 12307.001 versie D1

Pagina 3 van 23

Figuur 3. Overzichtsfoto zuidoostelijke zijde van het onderzoeksgebied. Gebouw 1 rechts en gebouw 2 links.

Figuur 4. Gebouw 1, zuidoostelijke gevel met houtopslag.

Figuur 5. Gebouw 1, timmerwerk tegen de zuidwestelijke gevel.

Figuur 6. Gebouw 1, Noorwestelijke gevel gelegen aan een tuin.

Figuur 7. Gebouw 1, pannendak zonder onderdak.

Figuur 8. Gebouw 1, verzameling spouwisolatie, takjes en verschillende soorten uitwerpselen in zolderruimte.

Figuur 9. Zuidwestelijke zijde van gebouw 2.

Figuur 10. Gebouw 2, strak aangesloten betimmering van de dakrand.

Figuur 11. Gebouw 3, westzijde met gestapelde houten pallets.

Figuur 12. Gebouw 3, voorbeeld van opening in de houten wand.

Figuur 13. Gebouw 3, oud wespennest (links) en met daarnaast een vogelnest (rechts).

Figuur 14. Gebouw 3, uitwerpselen op de betonnen vloer.

R 12307.001 versie D1

Pagina 4 van 23

Figuur 15. Moestuin ten noordwesten van gebouw 1.

Figuur 16. Begroeiing ten zuidwesten van gebouw 2.

Figuur 18. poepsporen.

Figuur 19. Zuidgevel gebouw 1 (rechts) vormt smalle doorgang met gebouw 5 (links).

Gebouw

R 12307.001 versie D1

4.

Nok

met

Figuur 17. Open grasweide direct ten zuidwesten van de onderzoekslocatie.

Pagina 5 van 23

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens gebouwen 1 t/m 3 te slopen om hier een nieuwe bedrijfsruimte te realiseren (figuur 20). Hierbij zal ook een deel van de aanwezige begroeiing binnen de onderzoekslocatie, zoals een laurierhaag, fruitboompjes en skimmia struik, worden verwijderd. De bosschage die de noordzijde van het perceel afschermt van het achtergelegen bosgebied zal behouden blijven.

Figuur 90. Bouwplannen voor de nieuwe bedrijfsruimte. (bron: Rokx bouwadvies bv., tek.nr. 19-217VO, 17 september 2019)

R 12307.001 versie D1

Pagina 6 van 23

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 15 april 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Tevens is op de zolder van gebouw 1 gezocht naar de aanwezigheid en sporen van rust- en voorplantingsplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

R 12307.001 versie D1

Pagina 7 van 23

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

R 12307.001 versie D1

Pagina 8 van 23

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

R 12307.001 versie D1

Pagina 9 van 23

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

R 12307.001 versie D1

Pagina 10 van 23

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: kerkuil, steenuil en huismus. Kerkuilen en steenuilen broeden in natuurlijke holtes van bomen, maar ook in nissen, spleten, kleine ruimtes in schuren en nestkasten. Op de onderzoekslocatie bevinden zich geen geschikte bomen met holten die gebruikt kunnen worden als nestlocatie voor de kerkuil of steenuil. Gebouwen 1 en 2 bevatten ook geen geschikte invliegopeningen. Daarnaast zijn er op de onderzoekslocatie geen sporen aangetroffen van de kerkuil of steenuil. Broedgevallen van kerkuil of steenuil op de onderzoekslocatie worden om bovenstaande redenen uitgesloten. Huismussen zijn koloniebroeders die in Nederland afhankelijk zijn van bebouwing om in te broeden. Deze soort maakt gebruik van nissen in het dak, onder (overhangende) dakpannen of andere geschikte invliegopeningen om te broeden. De onderzoekslocatie biedt door het ontbreken van geschikte bebouwing geen geschikt broedhabitat voor de huismus. Het pannendak van gebouw 1 is ongeschikt het ontbreken van een onderdak. Tevens zijn geen sporen of individuen van deze soorten aangetroffen tijdens het veldbezoek.

Een nestlocatie van huismus op de onderzoekslocatie wordt niet verwacht Aanvullend op deze soorten zijn binnen een straal van enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie volgens verspreidingsgegevens (NDFF) ook de grote gele kwikstaart, roek, ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief waargenomen. Het broed- en foerageergebied van de grote gele kwikstaart bevindt zich in de directe omgeving van beken en rivieren. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevindt zich geen geschikt broed- of foerageerhabitat voor de grote gele kwikstaart. Nader onderzoek naar deze soort wordt niet noodzakelijk geacht. Overige broedvogels met een jaarrond beschermd die in de omgeving zijn waargenomen (ooievaar, roek, boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en wespendief) zijn makers of gebruikers van grote nesten. Tijdens het veldbezoek zijn op de gehele onderzoekslocatie en in de aangrenzende bomen geen grote nesten aangetroffen. Door de bebouwing is de onderzoekslocatie marginaal geschikt als foerageergebied voor deze soorten. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat de onderzoekslocatie een broedlocatie of essentieel foerageergebied betreft voor de ooievaar, roek, boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil of wespendief.

R 12307.001 versie D1

Pagina 11 van 23

5.1.2

Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd)

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. De bomen op de onderzoekslocatie bevatten geen holten en er zijn ook geen grote nesten waargenomen tijdens het veldbezoek. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventuele nesten van de genoemde soorten een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. 5.1.3

Overige broedvogels

De vegetatie op de onderzoekslocatie biedt op dit moment geschikt nesthabitat voor verschillende algemene broedvogelsoorten zoals heggemus, merel en winterkoning. Daarnaast is er in gebouw 3 een recent gebouwd nest aangetroffen van een winterkoning (figuur 13). De nesten van deze soorten zijn beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis, uit te sluiten. Gebouw 1 is geschikt als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen in de vorm van open stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren (figuur 21). Verder zijn er op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 22 en 23). Het gehele complex is daardoor geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. In gebouw 1 zijn ook uitwerpselen van vleermuizen gevonden (figuur 24 en 25). De bebouwing kan door vleermuizen gebruikt worden als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en individuele winterverblijfplaats.

In gebouw 3 zijn ook sporen aangetroffen die kunnen duiden op gebruik door de gewone grootoorvleermuis. Bij de renovatie van de bebouwing kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van desbetreffende soorten. Nader onderzoek naar deze soorten voor gebouw 1 en 3 wordt aangeraden (zie hoofdstuk 6).

R 12307.001 versie D1

Pagina 12 van 23

Figuur 21. Gebouw 1, open stootvoeg die toegang geeft tot de spouwruimte.

Figuur 22. Gebouw 1, spleten bij het timmerwerk geen toegang tot ruimtes achter de betimmering.

Figuur 24. Verscheidene uitwerpselen gevonden op de zolder van gebouw 1.

Figuur 25. Vleermuis uitwerpselen gevonden op de zolder van gebouw 1.

Figuur 23. Gebouw 1, ruimte tussen het timmerwerk aan de zuidwest zijde.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Naast de onderzoekslocatie bevindt zich een klein bosgebied. Vanwege de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep achten wij de kans op verstoring van mogelijke verblijfplaatsen in deze bomen klein. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft het bosgebied ten noordwesten en de weide direct ten westen van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

R 12307.001 versie D1

Pagina 13 van 23

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: eekhoorn, boommarter, bunzing en wezel. Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt marginaal geschikt habitat voor de eekhoorn en boommarter door de aanwezigheid van hoge bomen ten noordwesten van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie kan gebruikt worden als onderdeel van het foerageergebied. Vanwege de foerageermogelijkheden in de directe omgeving en de aard van de bestemmingswijziging, wordt de verdwijning van essentieel foerageergebied voor deze soorten op de onderzoekslocatie niet waarschijnlijk geacht. De enkele hoge boom op de onderzoekslocatie kon door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten en holtes. Er zijn geen nesten van eekhoorns of holtes aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn of boommarter op de onderzoekslocatie kan worden uitgesloten.

De hoge bomen ten noordwesten van de onderzoekslocatie bevinden zich op afstand waardoor verstoring van vaste- rust of verblijfplaats door de aard van de werkzaamheden niet waarschijnlijk wordt geacht. De onderzoekslocatie vormt mogelijk geschikt habitat voor kleine marterachtigen zoals bunzing en/of wezel. Gebouw 3 bevat openingen in de muren waardoor deze marterachtigen toegang kunnen krijgen tot het gebouw. Gebouw 3 zou daardoor gebruikt kunnen worden als mogelijke rustplaats. In het gebouw zijn echter geen sporen gevonden die de aanwezigheid van deze soorten aanduiden. De stapel pallets tegen het gebouw zijn mogelijk ook geschikt als rustplaats voor zowel wezel als bunzing. Kleine marterachtigen gebruiken ook lijnvormige landschapselementen als habitat en als verbinding tussen leefgebieden. De bosschage die de onderzoekslocatie afschermt van het bosgebied kan dienen als een dergelijk habitat. Deze bosschage zal niet aangetast door de voorgenomen werkzaamheden. De laurierhaag die haaks hierop ligt (naast gebouw 3), zal wel deels verwijderd worden. Het gaat hierbij om een deel dat niet dient als verbinding tussen verschillende leefgebieden. Hierdoor zal het effect van deze ingreep niet significant zijn voor kleine marterachtigen. Om de mogelijke functie van het perceel voor kleine marterachtigen te waarborgen dienen er maatregelen te worden genomen (zie hoofdstuk 6).

Minder streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven (figuur 27) (zie hoofdstuk 6).

R 12307.001 versie D1

Pagina 14 van 23

Figuur 26. Laurierhaag naast gebouw 3.

5.4

Figuur 27. Hol nabij de laurierhaag.

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is er in de afgelopen 3 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielensoort waargenomen: levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is marginaal geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis, hebben betrekking op de nabijgelegen natuurgebied Rucphensche Heide en het aangelegen bosgebied 1,5 km ten westen van de onderzoekslocatie. Ook zijn er waarnemingen in natuurgebieden lange maten en ketelmeren, 1,8 km ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Tussen de onderzoekslocatie en deze natuurgebieden bevinden zich meerdere wegen en cultuurlandschap die als barrière dienen voor deze soort. Doordat de onderzoekslocatie niet binnen het kerngebied van de soort valt en de habitat minder optimaal is, is het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie aanwezig is. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF is binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 3 jaar de volgende beschermde soort waargenomen: Alpenwatersalamander. De alpenwatersalamander komt voor in bosgebieden of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen (Delft, 2009). Ze planten zich voort in vis arme wateren die net snel stromen.

Buiten het voortplantingsseizoen verblijven de dieren op het land nabij water. De alpenwatersalamander is in een poel waargenomen, 250 m ten westen van de onderzoekslocatie. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Door de afstand tot wateroppervlakten is het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie aanwezig is. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden en oppervlaktewater bevatten. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

R 12307.001 versie D1

Pagina 15 van 23

Vlinders en libellen Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan de voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep), grote vos (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin en erf is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

R 12307.001 versie D1

Pagina 16 van 23

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Neem bij twijfel over het in gebruik zijn van het nest contact op met een ecoloog. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Dit geld ook voor het aangetroffen nest in gebouw 3. 6.2

Vleermuizen

Gebouw 1 en gebouw 3 op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden voor gebouw 1 zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Tevens dient onderzocht te worden of gebouw 3 een functie voor de gewone grootoorvleermuis heeft. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.

Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag.

R 12307.001 versie D1

Pagina 17 van 23

6.3

Kleine marterachtigen

Gebouw 3 en de houtstapel gelegen tegen gebouw 3 zouden deel uit kunnen maken van het netwerk van verblijfplaatsen van wezel of bunzing. De voorgenomen ingreep hoeft niet te leiden tot een verlies van eventuele aanwezigheid van een rustfunctie op het perceel. Een rustige hoek van het perceel kan functioneel worden gemaakt door middel van het aanleggen van een stapel afvalhout die mag verruigen. Wanneer deze wordt aangelegd volgens de richtlijnen in de ‘beheerwijzer kleine marterachtigen’, hoeft er geen sprake te zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming. De aanleg van een dergelijke nieuwe rustmogelijkheid wordt gewaarborgd in een ecologisch werkprotocol.

6.4

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.

6.5

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

R 12307.001 versie D1

Pagina 18 van 23

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied, ‘Brabantse wal’, bevindt zich op circa 14 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Op 15,8 km ten oosten ‘Ulvenhoutse bos’ (zie figuur 28).

Figuur 28. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 15 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de kleinschalige aard van de plannen niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

R 12307.001 versie D1

Pagina 19 van 23

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De onderzoekslocatie ligt wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk. De meest nabijgelegen gebieden bevinden zich circa 80 meter ten zuiden en 260 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. Het betreft een droge bossen met productie. In figuur 29 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 29. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Door de kleinschaligheid van de werkzaamheden zijn externe effecten niet van toepassing. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

R 12307.001 versie D1

Pagina 20 van 23

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

R 12307.001 versie D1

Pagina 21 van 23

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Rokx bouwadvies een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Vorenseindseweg 104 te Sprundel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens gebouwen 1 t/m 3 te slopen om hier een nieuwe bedrijfsruimte te realiseren (figuur 20). Hierbij zal ook een deel van de aanwezige begroeiing binnen de onderzoekslocatie, zoals een laurierhaag, fruitboompjes en skimmia struik, worden verwijderd. De bosschage die de noordzijde van het perceel afschermt van het achtergelegen bosgebied zal behouden blijven. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunning trajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

Mogelijk

foerageergebied

mogelijk

ja

nee

nee

aandacht voor verlichting van bosrand

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

Aanleg afvalhoutstapel volgens ecologisch werkprotocol. Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijn, egel, mol en rosse woelmuis.

Amfibieën

mogelijk

nee

nee

nee

aandacht voor zorgplicht

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

14 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

80 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming

R 12307.001 versie D1

Bijzonderheden / opmerkingen*

Nader onderzoek naar gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis.

Pagina 22 van 23

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

De locatie vormt geschikt habitat voor algemene broedvogelsoorten. Hiervoor geldt dat verwijdering van nestgelegenheden buiten het broedseizoen (dat wil zeggen buiten maart – augustus) uitgevoerd kan worden. Neem bij twijfel over het in gebruik zijn van het nest contact op met een ecoloog. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Op basis van onderhavige quickscan dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek tevens meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis in gebouw 1 en 3. Ten aanzien van de mogelijke verblijfsfunctie voor kleine marterachtigen, dient er een alternatieve verblijfsmogelijkheid worden aangelegd. Dit kan door middel van het creëren van een afvalhoutstapel die de kan verruigen. De aanleg van een dergelijk nieuwe verblijfsplaats dient te worden gedaan volgens ecologisch werkprotocol. Ter bescherming van kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het, in het kader van de zorgplicht, noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen.

Al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Econsultancy Rotterdam, 19 mei 2020

R 12307.001 versie D1

Pagina 23 van 23

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Delft, J.J.C.W. van (2009) Alpenwatersalamander Mesotriton alpestris. In: Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, De amfibieën en reptielen van Nederland: 96-104. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied binnen 2 km en 5 km van onderzoekslocatie, periode 2015-2020 www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/publications/20180305_BeheerwijzerKleineMarter achtigen_DEF.pdf Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)

R 12307.001 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

R 12307.001 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

R 12307.001 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10250635/1