11b2 motivering TAM-IMRO 2026-04-22 1
Tekst van het document
Binnen het aspect omgevingsveiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door het aantal transporten van gevaarlijke stoffen en de ongevalfrequentie en wordt uitgedrukt als een kans per jaar. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10 -6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn in beginsel niet toegestaan.
Als het plaatsgebonden risico 10 -8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 42 van 51
mogelijke slachtoffers. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Onder de Omgevingswet is er gekozen voor de benadering van het groepsrisico aan de hand van aandachtsgebieden. Volgens artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving hebben risicovolle activiteiten van rechtswege aandachtsgebieden. Deze aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze worden inzichtelijk gemaakt op de kaart zodat direct duidelijk is welke gevaren waarop kunnen treden. Het bevoegd gezag heeft daardoor bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van het plaatsgebonden -en groepsrisico wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties.
Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdagverblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Het realiseren van (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Bij een ontwikkeling dient er rekening te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een verantwoording bij het wijzigen van het omgevingsplan. Beoordeling
Figuur 18: Risicokaart (Atlas Leefomgeving)
Op basis van bovenstaande afbeelding blijkt dat de planlocatie in het aandachtsgebied van Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. is gelegen. Dit bedrijf heeft een invloedsgebied van ruim 20 kilometer. De planlocatie is gelegen op een afstand van ca. 17,1 kilometer van het bedrijf aan de Vlasweg 12 te Moerdijk. In geval van calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij met name parameter. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De personen binnen de planlocatie zijn zelfredzaam. De invloed van de beoogde ontwikkeling op de hoogte van het groepsrisico van afvalstoffen Terminal Moerdijk is bijna nihil. Een berekening van het groepsrisico kan achterwege blijven.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 43 van 51
Daarnaast bevindt de planlocatie zich binnen het gebied van een nabijgelegen gasleiding. Ook bevindt het zich binnen het PR10-8 risicocontour van deze leiding. Deze kan op basis van voorgaande tekst als verwaarloosbaar worden geacht. Op basis van het vigerende externe veiligheidsbeleid en de Handreiking Omgevingsveiligheid geldt dat voor bestaande situaties, waarbij geen functieverzwaring of toename van risico-ontvankelijke objecten plaatsvindt, geen nadere toetsing aan het groepsrisico of aanvullende maatregelen vereist zijn. Er worden geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegevoegd en ook het aantal aanwezige personen neemt niet toe ten opzichte van de bestaande vergunde situatie. Daarom wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid, inclusief de ligging binnen het PR10⁻⁸ contour en het brandaandachtsgebied, geen belemmering vormt voor het vaststellen van het omgevingsplan. Er kan met zekerheid worden gesteld dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functie aan locaties op het gebied van omgevingsveiligheid. 4.12
Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Omgevingswet. Daarnaast is het beleid van de omgevingsverordening en het Besluit kwaliteit leefomgeving van belang. 4.12.1
Gebiedsbescherming
Op grond van de Omgevingswet is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Omgevingswet regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Het onderhavige initiatief betreft de herbestemming van een bestaande woonwagenstandplaats, die reeds sinds 1981 aanwezig en in gebruik is. Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd en de fysieke situatie, waaronder het verhard oppervlak, het gebruik en de verkeersgeneratie, blijft ongewijzigd. Omdat er géén sprake is van een toename van stikstofveroorzakende activiteiten zoals extra verkeer, bouwactiviteiten of intensivering van gebruik, ontstaat er géén toename van stikstofemissie naar de atmosfeer. Evenmin worden er nieuwe emissiebronnen toegevoegd of verandert de aard van het gebruik. Het betreft daarmee een behoudende situatie dat geen nieuwe ruimtelijke of milieutechnische effecten met zich meebrengt. De planlocatie ligt op ruime afstand van een Natura 2000-gebied. Het dichtst nabije Natura 2000-gebied betreft in zuidelijke richting ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld’. Dit gebied ligt op ca. 11,8 km afstand op Belgisch grondgebied.
Op Nederlands grondgebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Ulvenhout. Het betreft het ‘Ulvenhoutse Bos’ en bevindt zich op ca. 13,4 km in noordoostelijke richting vanaf de planlocatie. De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Gelet op de aard en omvang van het initiatief is uitgesloten dat significante effecten optreden op deze beschermde natuurgebieden. Aangezien geen sprake is van stikstofemissie boven de drempelwaarde en de bestaande situatie leidend is, is het uitvoeren van een AERIUS-berekening niet noodzakelijk.
4.12.2
Beschermde soorten
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving. De Omgevingswet bundelt een groot aantal wetten op het gebied van bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening, natuur en landschap. De bescherming van vogels en hun leefgebieden blijft inhoudelijk grotendeels hetzelfde. De wet bevat regels voor beschermde soorten en natuurgebieden. Wat soorten en hun leefgebieden betreft, zijn deze regels grotendeels gebaseerd op de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale soorten. TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 44 van 51
Activiteiten waarbij schade gedaan wordt aan beschermde dieren of planten zijn verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak dat, waar mogelijk, activiteiten zonder schade aan beschermde dieren en planten uitgevoerd worden. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende diersoorten. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen: iedereen moet 'voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving (dus niet alleen de beschermde). Via de Omgevingswet (OW) is de bescherming van diverse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 11.27 van de OW) geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten onderverdeeld in drie groepen, namelijk; - Vogels (artikel 11.37 alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - Overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 11.46, dit betreffen o.a. vleermuizen); - Nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 11.54). Het is volgens de Omgevingswet niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten.
Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier -en plantensoorten zijn verboden. Iedereen moet zich volgens artikel 11.27 van de OW voldoende zorgvuldig gedragen om beschadiging van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden of in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving te vermijden of, als dat niet mogelijk is, zo veel mogelijk te beperken.
Voor het onderhavige initiatief is geen ecologische quickscan vereist. Er vindt géén uitbreiding plaats van het ruimtebeslag, er worden geen bouwwerkzaamheden verricht en het gebruik van de gronden blijft volledig ongewijzigd. Er is daarmee géén sprake van fysieke ingrepen die zouden kunnen leiden tot aantasting van aanwezige flora en fauna. De locatie ligt op een bedrijventerrein, buiten ecologische structuren en op aanzienlijke afstand van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Gezien de stedelijke setting en het feit dat de locatie reeds langdurig in gebruik is, is de aanwezigheid van beschermde soorten of functionele leefgebieden uitgesloten of minimaal. Doordat geen sprake is van ingrepen in de bodem, kap van beplanting of wijzigingen in verlichting of geluidsbelasting, zijn ook geen verstorende effecten op beschermde soorten of leefgebieden aan de orde. Ook is er geen sprake van migratieroutes of verweving met ecologische zones. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er géén negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde natuurgebieden of de ecologische leefomgeving, en dat een ecologische quickscan niet noodzakelijk is. De zorgplicht is altijd van toepassing. 4.12.3
Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB)
Er worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de in vorige paragrafen ingrepen. Een toetsing aan het NNN/NNB-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen de Groenblauwe waarden.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op (beschermde) natuurgebieden en/of de ecologische leefomgeving. Belangrijk hierbij is dat de zorgplicht strikt in acht wordt genomen. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.13
Milieueffectrapportage
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 45 van 51
Met de ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is in afdeling 16.4 de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage opgenomen. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Of een besluit over een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Voor het onderhavige initiatief geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht.
Het plan betreft een behoudende herbestemming van een bestaande woonwagenstandplaats zonder uitbreiding van het aantal standplaatsen, zonder fysieke ingrepen en zonder toename van milieubelastende activiteiten. Er is daarmee geen sprake van een activiteit die is opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Omdat het initiatief geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en de feitelijke situatie ongewijzigd blijft, is het opstellen van een milieueffectrapport of het doorlopen van een m.e.r.beoordelingsprocedure niet noodzakelijk. 4.14
Gezondheid
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. In onderhavige motivering is aangetoond dat er op de planlocatie sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 46 van 51
Hoofdstuk 5
Participatie
Een omgevingsdialoog is een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. De omgevingsdialoog is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de omgevingsdialoog is niet om ‘overeenstemming’ over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van een (omgevings)dialoog is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijk ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan. De gemeente Rucphen zorgt voor participatie met de omgeving en stelt hiervoor de stukken op. De gemeente is verantwoordelijk voor het aanleveren van de stukken. De omgevingsdialoog is toegevoegd aan bijlage 2 van onderhavig omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 47 van 51
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Financiële haalbaarheid
Het project kan mogelijk worden gemaakt door het wijzigen van het omgevingsplan middels een TAMomgevingsplan. De gemeente Rucphen heeft ten behoeve van het voorliggende plan een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer van de gronden. Deze overeenkomst heeft onder andere de strekking dat de gemeente geen enkel risico loopt ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit plan. 6.1.2
Kostenverhaal
Voorliggende motivering betreft een particulier initiatief waarbij de kosten voor de ontwikkeling direct voor de ontwikkelende partij zijn. Voor zover door de gemeente kosten worden gemaakt, zijn deze afgedekt op basis van een anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten wordt. Om die reden is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk 6.1.3
Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. Nadeelcompensatie gaat over de schade die de overheid rechtmatig veroorzaakt. Bijvoorbeeld langdurige wegopbrekingen of ernstige hinder door de aanleg van een metrostation. Maar ook bouwplannen, waardoor aangrenzende woningen in waarde dalen. Schade komt alleen voor vergoeding in aanmerking als: - De schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico. Dit heet de abnormale last. - De schade iemand in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. Dus de last drukt onevenredig zwaar op een beperkte groep burgers of bedrijven. Dit is de speciale last. Het gaat dus niet over schade door onrechtmatig handelen van de overheid. Het Burgerlijk Wetboek regelt de schadevergoeding voor onrechtmatig overheidshandelen. De regels over nadeelcompensatie in afdeling 15.1 van de Omgevingswet zijn een aanvulling op deze algemene regeling uit de Awb. De regels over nadeelcompensatie in de Omgevingswet hebben voorrang op de regels in de Awb.
Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: - die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten - die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1 dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld: - Een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan; - Een projectbesluit; - Een regel in het omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of algemene maatregel van bestuur. Deze moeten rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; - Een maatwerkvoorschrift; TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 48 van 51
-
Een programma dat een rechtstreekse titel is voor activiteiten, zoals een beheerplan voor een Natura 2000-gebied; Omgevingsvisies en instructieregels zijn bijvoorbeeld geen schadeoorzaken. Deze instrumenten hebben geen rechtstreekse rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven.
Voorafgaand aan de planuitwerking is een risicoanalyse uitgevoerd om te beoordelen of de voorgenomen planologische wijziging gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingsruimte van omliggende bedrijven. In deze beoordeling is in algemene zin gekeken naar mogelijke beperkingen op milieuaspecten zoals geluid, geur en stof. De analyse richtte zich op de vraag of het vaststellen van het omgevingsplan kan worden aangemerkt als een nadeel voor bedrijven in de omgeving. De uitkomst is dat hiervan geen sprake is. De bestaande legale en feitelijke situatie is hierbij bepalend: de locatie wordt al decennialang gebruikt voor woonwagens en deze situatie blijft ongewijzigd. Het omgevingsplan brengt uitsluitend een wijziging in de bestemming met zich mee, zonder gevolgen voor hindercontouren of milieuruimte van omliggende bedrijven. Daarom wordt het risico op nadeelcompensatie als nihil beoordeeld. Op basis van bovenstaande analyse worden de relevante milieuaspecten zoals aangehaald in hoofdstuk 4 van onderhavige onderbouwing, omvat in een korte beschrijving per aspect/paragraaf. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Voorbereiding
In het kader van het vooroverleg is het concept TAM-omgevingsplan toegezonden aan de volgende instanties: 1. Provincie Noord-Brabant 2. Waterschap Brabantse Delta 3. Brandweer Midden- en West-Brabant 6.2.2
Ontwerp
Het ontwerp TAM-IMRO Omgevingsplan heeft van 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen op het TAM-omgevingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Het college van B &W heeft de gemeenteraad voorgesteld het TAM-IMRO Omgevingsplan ongewijzigd vast te stellen. Na vaststelling wordt het TAM-IMRO Omgevingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Op diverse plaatsen in de Omgevingswet en in artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit staat wanneer de uitgebreide procedure geldt. In de uitgebreide procedure (uniforme openbare voorbereidingsprocedure, afdeling 3.4 Awb), beslist het bevoegd gezag binnen 6 maanden na een aanvraag. Eventueel te verlengen met 6 weken. Tijdens de uitgebreide procedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit waarover zienswijzen openstaan. Nadat het besluit is genomen, is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk. Indeling planregels De juridische regeling bestaat uit drie hoofdstukken, te weten: • • • •
Inleidende bepalingen Regels over functies en activiteiten; Algemene regels; Overgangsbepalingen.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 49 van 51
In hoofdstuk 1 ('Inleidende bepalingen') worden de in het omgevingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het omgevingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de meet- en rekenbepalingen, die aangeeft hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. In hoofdstuk 2 (‘Regels over functies en activiteiten’) wordt ingegaan op de functies en de bijbehorende gebruiksactiviteiten. Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals anti-dubbeltelregel, aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen, afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen, algemene aanduidingsregels, en overige regels. Het laatste hoofdstuk (‘Overgangsbepalingen’) bestaat uit het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Regels over functies en activiteiten Wonen De als 'Wonen' aangewezen locaties hebben de volgende functies: • wonen, met per woning de huisvesting van één huishouden; • wegen, paden, pleinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen; • andere tot de functie behorende voorzieningen.
Leiding - Gas De voor ‘Leiding – Gas’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor: • een ondergrondse gasleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas'; • het beheer en onderhoud van de leiding; • de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding; met de bij behorende: • beschermingszones aan weerszijden van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas' • voorzieningen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde; • (on)bebouwde gronden.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 50 van 51
Hoofdstuk 7 Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een taak die primair bij de gemeente ligt (artikel 5.53, eerste lid, Omgevingswet). Deze taak vloeit voort uit het voormalige criterium van een “goede ruimtelijke ordening” zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar wordt onder de Omgevingswet breder geïnterpreteerd en toegepast op het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door in het omgevingsplan regels te stellen over de toelaatbaarheid van activiteiten, waarbij functieaanduidingen gekoppeld worden aan specifieke locaties. Deze regels moeten met elkaar in samenhang bijdragen aan een leefomgeving die veilig, gezond, functioneel en aantrekkelijk is, waarbij alle betrokken belangen worden meegewogen. Daarbij gelden tevens de relevante instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en moet rekening worden gehouden met rijks-, provinciale en waterschapsregels, alsmede gemeentelijke verordeningen. Het initiatief betreft het juridisch-planologisch bestemmen van een bestaande woonwagenstandplaats op een bedrijventerrein, waarbij geen sprake is van een fysieke uitbreiding of functieverzwaring. De woonwagens zijn reeds sinds 1981 legaal aanwezig en feitelijk in gebruik.
Met het onderhavige TAM-omgevingsplan wordt het bestaande gebruik planologisch correct vastgelegd, passend binnen de bestaande ruimtelijke structuur. In de voorgaande paragrafen is aangetoond dat het initiatief zorgvuldig is getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Daarbij is gebleken dat het initiatief geen extra druk legt op de omgeving, geen belemmering vormt voor omliggende functies en past binnen het beleid van de gemeente en hogere overheden. Door het bestaande gebruik van de locatie juridisch te borgen draagt het initiatief bij aan een evenwichtige ruimtelijke inrichting van het gebied. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied, zonder nieuwe belasting van milieu- of leefomgevingswaarden. Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bedoeld in de Omgevingswet.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 51 van 51