11b B1.3 t NL.IMRO.0840.2584K0038-ON01 2023-11-28 1
Tekst van het document
Toelichting
Bestemmingsplan “Kom St. Willebrord, Monseigneur van Rooijstraat 6 te St. Willebrord” Planstatus: Datum: Plan identificatie:
ontwerp 2023-11-28 NL.IMRO.0840.2584K0038-ON01
Colofon
Titel:
Bestemmingsplan “Kom St. Willebrord, Monseigneur van Rooijstraat 6 te St. Willebrord”
Ontwerp: Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Projectnummer:
212120
Rapportnummer
212120.01
Datum:
28 november 2023
Status:
ontwerp
Ontwerp:
p.m.
Definitief:
--
Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Toelichting
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding & doel .................................................................................................................................. 6 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ......................................................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................................... 7 1.4 Planvorm................................................................................................................................................ 7 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 8 Hoofdstuk 2 De huidige situatie ................................................................................................................. 9 2.1 Beschrijving plangebied ......................................................................................................................... 9 2.2 Ruimtelijke structuur ...........................................................................................................................
10 2.3 Functionele structuur .......................................................................................................................... 10 2.4 Verkeer ................................................................................................................................................ 11 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie ............................................................................................................ 13 3.1 Ruimtelijke structuur ........................................................................................................................... 13 3.2 Functionele structuur .......................................................................................................................... 13 3.3 Stedenbouwkundige verantwoording ................................................................................................. 14 3.5 Bouwplan ............................................................................................................................................. 14 Hoofdstuk 4 Beleidskader......................................................................................................................... 16 4.1 Algemeen .............................................................................................................................................
16 4.2 Europees- en Rijksbeleid ..................................................................................................................... 16 4.3 Provinciaal beleid ................................................................................................................................ 19 4.4 Gemeentelijk beleid............................................................................................................................. 25 Hoofdstuk 5 Relevante (Milieu)aspecten .................................................................................................. 32 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 32 5.2 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................................ 32 5.3 Bodem ................................................................................................................................................. 36 5.4 Water ................................................................................................................................................... 36 5.5 Ecologie ...............................................................................................................................................
39 5.6 Wegverkeerslawaai ............................................................................................................................. 41 5.7 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 42 5.8 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 45 5.9 Externe Veiligheid ................................................................................................................................ 46 5.10 Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 48 5.11 Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................................ 49 Hoofdstuk 6 Juridische aspecten .............................................................................................................. 50 6.1 Inleiding ............................................................................................................................................... 50 6.2 Algemene toelichting verbeelding .......................................................................................................
50 6.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................ 50 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 53 7.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 53 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 53
Afzonderlijke bijlagen: 1. Archeologisch onderzoek, Transect, rapportnummer 20040074, 24 juni 2022 2. Verkennend bodemonderzoek, Moerdijk Bodemsanering B.V., rapportnummer 2410.113.221.r1, 15 juni 2022 3. Ecologische quickscan, Brabant Eco, rapportnummer 2022-BE-0313, 3 juni 2022 4. Akoestisch onderzoek, Kraaij Akoestisch Adviesbureau, rapportnummer VL.2231.RO1, 10 juni 2022 5. Stikstofberekening 6. Standaardadvies Brandweer 2021 7. Standaard Verantwoording Groepsrisico 8. Omgevingsdialoog
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding & doel
Het initiatief is om op de locatie aan de Monseigneur van Rooijstraat 6 te St. Willebrord één levenloopbestendige woning te realiseren. Momenteel heeft het perceel de bestemming ‘Bedrijf’. De locatie wordt aangemerkt als inbreidingslocatie in het bestaand stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling van één levensloopbestendige woning draagt bij aan de stedelijke ontwikkeling van de kern St. Willebrord. Het stedenbouwkundig verkavelingsplan voorziet in de realisatie van één levensloopbestendige woning met bijbehorende parkeervoorzieningen. Door de toevoeging van één woning kan invulling gegeven worden aan de actuele vraag naar woningen in de kern van St. Willebrord. Het bovenstaande initiatief draagt bij aan de gestelde doelstellingen omtrent het behoud van de leefbaarheid in de dorpskernen. De vigerende bestemmingsplannen ‘Kom St. Willebrord’ en ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’ staan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling niet toe. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
De planlocatie is gelegen in de kern van St. Willebrord. St. Willebrord maakt onderdeel uit van de gemeente Rucphen. De gemeente Rucphen is gelegen in de provincie Noord-Brabant. De planlocatie is gelegen aan de Monseigneur van Rooijstraat 6. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente RPN, sectie M, nummer 1927. Het perceel heeft een totaal oppervlak van 408 m².
Figuur 1: Topografische kaart met daarop de planlocatie
Figuur 2: Luchtfoto planlocatie Monseigneur van Rooijstraat 6
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De planlocatie ligt in het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’. Op 8 maart 2023 is het bestemmingsplan vastgesteld. Daarnaast vigeert het ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’. Dit parapluplan is op 13 december 2017 vastgesteld en ziet toe op twee onderwerpen, namelijk op het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid en het herstellen van het overgangsrecht. Het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’ de bestemming ‘Bedrijf’. Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met de bijbehorende gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 2’. Over het plangebied liggen daarnaast de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone - 3’ en ‘vrijwaringszone – obstakelbeheerzone’. Ter plaatse van het bouwvlak van de bestemming ‘Bedrijf’ is de maatvoeringaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 7,5 m; maximum goothoogte 3,5 m’ opgenomen. Binnen de bestemmingen is het niet mogelijk om één extra wooneenheid op te richten. Voorliggend bouwplan is dan ook strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien. 1.4
Planvorm
Het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Monseigneur van Rooijstraat 6 te St. Willebrord’ is vervat in een verbeelding, regels en gaat vergezeld met een toelichting. Verbeelding Op de verbeelding, met het nummer NL.IMRO.0840.2584K0038-ON01, zijn onder meer de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven met bijbehorende verklaringen, het zogenaamde renvooi. De verbeelding legt de verbinding tussen de bestemmingen die op de kaart aanwezig zijn aangegeven en de regels. De kaart is getekend op schaal 1:500.
Regels De regels bevatten juridische regeling betreffende het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden die in het plan zijn inbegrepen. De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgang- en slotregels. De regels worden conform landelijke richtlijnen SVBP2012 en IMRO2012 toegepast en het gemeentelijk handboek. Toelichting In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichtte onderzoeken opgenomen. Daarnaast dient een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg, deel uitmaken van de toelichting. 1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de omschrijving van het project. De toekomstige situatie wordt in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 van de onderbouwing wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor de ontwikkeling van de planlocatie relevant is. De relevante (milieu)aspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van geluid, bodemgesteldheid, milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en ecologie beschreven. In hoofdstuk 6 komen de juridische aspecten aan bod. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid beschreven.
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving plangebied
2.1.1
Algemeen
De huidige situatie
De planlocatie is gelegen in de gemeente Rucphen, een landelijke gemeente in het westen van de provincie Noord-Brabant. De gemeente bestaat uit de kernen Rucphen, Sprundel, Schijf, St. Willebrord en Zegge. Binnen de gemeente Rucphen zijn er verschillen in het ruimtelijk structuurbeeld aanwezig; iedere dorpskern heeft zijn eigen karakter. 2.1.2
Ontstaansgeschiedenis
De geschiedenis van de dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot 1125. Het gebied tussen de Rucphense Achterhoek, de Sprundelse Luienhoek, de Ettense Hoge Donk en de Hoevense Heul werd aangeduid als 't Heike. In 1292 werd het oostelijk deel van het gebied door de Heer van Breda uitgegeven ter vervening. Na de beëindiging van de turfwinning omstreeks 1500 werden de vrijkomende gronden benut voor de landbouw. De slechtere gronden raakten begroeid met gagelstruweel en heide. Pas in 1636 werd melding gemaakt van een zekere bewoonde kern op 't Heike, waar geleidelijk meer mensen kwamen te wonen. In 1841 werd de nederzetting met circa 500 inwoners een zelfstandige parochie met de naam St. Willebrord en werd deze afgesplitst van Sprundel. Toen vervolgens de kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op tot een echt dorp. Na 1940 is St. Willebrord uitgegroeid tot het grootste kerkdorp in de gemeente Rucphen.
Figuur 3: Uitsnede historische kaart 1890 - 1899
Figuur 4: Omgeving planlocatie Monseigneur van Rooijstraat
2.2
Ruimtelijke structuur
2.2.1
Bebouwingsstructuur
In St. Willebrord bestaat er een duidelijke relatie tussen het landschap en het occupatiepatroon. Van oorsprong is de kern St. Willebrord een lintvormige nederzetting. St. Willebrord ontwikkelde zich langs de Dorpsstraat, een oude verbindingsweg. Na de bouw van de kerk in de tweede helft van de 19e eeuw, ontwikkelde het dorp zich rondom de kerk en het kerkhof. De kerk en het kerkhof, met zijn dominante boombeplanting en bijbehorend park, zijn mede door hun hogere ligging vanuit de omgeving duidelijk aanwezig en bepalen voor een belangrijke mate de identiteit van het dorp. De bebouwing langs de Dorpsstraat is het meest karakteristieke element in de ruimtelijke opbouw van St. Willebrord.
Figuur 5: Bebouwingstructuur rondom de planlocatie Monseigneur van Rooijstraat
2.3
Functionele structuur
2.3.1
Wonen
In de omgeving van de planlocatie komt overwegend de functie wonen voor. Op de functiekaart (figuur 6) is met geel aangegeven, waar de functie wonen aanwezig is.
2.3.2
Detailhandel en horeca
In de omgeving zijn diverse functies zoals horecagelegenheden en detailhandel aanwezig. Deze functies zijn verspreid gevestigd rondom de planlocatie. Met oranje is de functie horeca/detailhandel aangegeven (figuur 6).
Figuur 6: Functiekaart omgeving planlocatie
2.3.3
Bedrijven en kantoren
In de omgeving van het plangebied zijn verspreid enkele bedrijven gevestigd, in de vorm van dienstverlening. De positie (figuur 6) van de bedrijven is met donker roze aangegeven. De dienstverlening bedrijven binnen de kern bestaan uit kleinschalige bedrijven met milieucategorie 1 en 2. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen zelfstandige kantoren aanwezig. 2.3.4
Maatschappelijke voorzieningen
In de omgeving van de planlocatie zijn maatschappelijke voorzieningen gevestigd, in het centrum van St. Willebrord. Rondom de planlocatie bevindt zich onder andere een Rooms-katholieke kerk en een basisschool. 2.3.5
Sport en recreatie
Rondom de directe omgeving van de planlocatie zijn sportvoorzieningen aanwezig. Aan de oostzijde van de planlocatie bevindt zich een voetbalvereniging. 2.4
Verkeer
2.4.1
Verkeerstructuur
Het plangebied is gelegen in de dorpskern van St. Willebrord. Het plangebied is gelegen aan de Monseigneur van Rooijstraat. De Monseigneur van Rooijstraat heeft een snelheidsregime van 30 km/u. Via de Dorpsstraat
wordt het verkeer opgenomen in het bestaande verkeersbeeld. De Dorpsstraat gaat in zuidelijke richting over op de Noorderstraat welke het dorp St. Willebrord verbindt met Sprundel. 2.4.2
Parkeren
In de kern St. Willebrord vindt het parkeren, zowel plaats op eigen terrein als aan de openbare weg. Aan de Monseigneur van Rooijstraat wordt er zowel op eigen terrein als aan de openbare weg geparkeerd. 2.4.3
Openbaar vervoer
In St. Willebrord bevindt zich één bushalte, aan de Noorderstraat. Vanaf hier rijdt lijn 312 richting Roosendaal en Breda.
Hoofdstuk 3 3.1
Ruimtelijke structuur
3.1.1
Bebouwingsstructuur
Toekomstige situatie
De planlocatie Monseigneur van Rooijstraat ligt in de kern St. Willebrord. Het voornemen is om één levensloopbestendige woning te realiseren ter plaatse van de voormalige bedrijfsbestemming. De planlocatie is gelegen in het bestaand stedelijk gebied.
Figuur 7: Verkaveling Monseigneur van Rooijstraat
3.1.2
Groenstructuur
In de huidige situatie is er geen groenstructuur aanwezig. Door de beoogde ontwikkeling wordt op de planlocatie voor de nieuwe woning tuin- en erfbeplanting aangebracht. 3.2
Functionele structuur
3.2.1
Algemeen
Het initiatief op de planlocatie Monseigneur van Rooijstraat bestaat uit het oprichten van maximaal één levensloopbestendige woning. In de bestaande situatie heeft de planlocatie de bestemming ‘Bedrijf’. De planlocatie Monseigneur van Rooijstraat krijgt voor het grootste gedeelte de bestemming ‘Wonen’, hierbij wordt een bouwvlak met de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ toegevoegd. De rest van de planlocatie krijgt de bestemming ‘Tuin’. 3.2.2
Verkeer en parkeren
Verkeer Grenzend aan de planlocatie is een bestaande verkeersstructuur aanwezig, de te realiseren planontwikkeling sluit aan op de Monseigneur van Rooijstraat.
Parkeren De gemeente Rucphen hanteert de Nota Parkeernormen Rucphen voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid. In de nota is per functie uitgegaan van de maximale norm van het CROW. De indeling naar soort woningen blijft gehanteerd, met een onderverdeling naar vrijstaand, twee-onder-één-kap en tussen/hoek. Ten aanzien van het parkeren worden de parkeernormen gehanteerd die gelden voor ‘Centrum’, waarbij de gemeente Rucphen gebruik maakt van haar eigen parkeernorm die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW. Onderstaand de parkeernorm uit de nota parkeernormen van de gemeente Rucphen. Tabel 1: Parkeernormen, Nota Parkeernormen Rucphen Parkeren naar stedelijkheidsgraad: overige bebouwde kom Centrum Koop, huis, vrijstaand 1,8 per woning
Aandeel bezoekers 0,3 pp per woning (zit in de norm)
Tabel 2: Overzicht benodigde parkeerplaatsen Berekening aantal parkeerplaatsen naar aanleiding van de uitgangspunten Aantal Norm Koop, huis, vrijstaand Totaal
1 1
1,8 1,8 2
Aanwezig 2 2
Binnen de planlocatie wordt één levensloopbestendige woning gerealiseerd. Voor dit type woning geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning. Derhalve dienen in totaal (1 x 1,8) = afgerond 2 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Er is voldoende ruimte op het perceel om twee parkeerplaatsen te voorzien. De bestaande in- en uitrit blijft gehandhaafd als in- en uitrit voor de nieuwe woning. 3.3
Stedenbouwkundige verantwoording
3.3.1
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Het doel van het stedenbouwkundig ontwerp is het inpassen op bestaande gebouwde omgeving. Om dit te bewerkstelligen dient een aantal ruimtelijke uitgangspunten gehanteerd te worden: ▪ inpassen in de huidige ruimtelijke structuur; ▪ behouden van het dorpskarakter; ▪ overgang tussen de kern en het buitengebied; ▪ het creëren van voldoende privacy d.m.v. achtertuin bij een levensloopbestendige woning; ▪ bouw- en goothoogte dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing; ▪ de woningen dienen goed bereikbaar te zijn voor brandweer e.d.; ▪ voldoende parkeergelegenheid; ▪ een goed woon- en leefklimaat. 3.3.2
Woningtypologieën
De bouwhoogte van de levensloopbestendige woning sluit aan op de bestaande bouw- en goothoogte van de omgeving. 3.4
Bouwplan
De beoogde ontwikkeling, het oprichten van één levensloopbestendige woning, sluit aan op de bestaande bebouwingsstructuur van de Monseigneur van Rooijstraat. De kavel sluit aan op het bestaand stedelijk gebied. De hoogte van het hoofdgebouw (maximaal 7,5 meter) zal aansluiten bij de bebouwing in de omgeving, bestaande uit één bouwlaag met een kap.
3.5
Beeldkwaliteit architectuur
Voor de architectuur dient aansluiting te worden gezocht bij de omgeving. In figuur 8 zijn referentieprojecten weergegeven voor het concept van de beoogde ontwikkeling op de planlocatie.
Figuur 8: Beeldkwaliteit architectuur (referentie)
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Algemeen
Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de planlocatie Monseigneur van Rooijstraat opgenomen. 4.2
Europees- en Rijksbeleid
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied.
4.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, tweede lid, Bro) Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame ontwikkeling). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
Artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ladder voor duurzame ontwikkeling). Op 1 juli 2017 is de nieuwe ladder vastgesteld. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder kent meerdere vragen die achter elkaar worden doorlopen. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie Monseigneur van Rooijstraat 6 betreft de ontwikkeling van één extra wooneenheid. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is kleinschalig van aard en kan daarom, conform vaste jurisprudentie, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, uit het Bro en is de ontwikkeling niet ladderplichtig. 4.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten, die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Op de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequenties voor de planlocatie. 4.2.4
Nationaal Milieubeleidsplan 4
Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: ▪ transitie naar duurzame energiehuishouding; ▪ transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; ▪ transitie naar duurzame landbouw. Dit NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen.
4.2.5
Wet op de archeologische monumentenzorg (nota belvedère)
In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. De planlocatie is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016).
Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2022 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen, samen met de Nota Archeologie en de bijbehorende verordening. Zie verder paragraaf 5.2. 4.2.6
Water
Het Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Watertoets Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.
Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor de planontwikkeling.
4.2.7
Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017). Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden. Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding.
Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, de planlocatie moet worden getoetst op de aanwezigheid van beschermde soorten: de ‘natuurtoets’. Het aspect ecologie wordt in paragraaf 5.5 verder uiteengezet. 4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018
Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2023 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie.
De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 4.3.2
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. 2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur. 3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen.
Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda. 5. Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.
Figuur 9: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2014
Uit figuur 9 blijkt dat de planlocatie Monseigneur van Rooijstraat 6 is gelegen binnen de ‘Stedelijke structuur – Kernen in het landelijk gebied’. Stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, zijn een belangrijke kwaliteit van Brabant. De vijf grote steden Tilburg, Breda, 'sHertogenbosch, Eindhoven en Helmond, zijn met de omliggende suburbane gebieden uitgegroeid tot de brandpunten van de verstedelijking in Noord-Brabant. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad. De groene geledingszones tussen de steden en (suburbane) kernen verbinden de steden met het omliggende landelijke gebied en vervullen een belangrijke rol als stedelijk uitloopgebied. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de stedelijke structuur in Brabant. De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen). De zoekgebieden voor verstedelijking zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
De keuze voor de zoekgebieden verstedelijking is tot stand gekomen na een integrale afweging vanuit de gebiedskwaliteiten (hanteren lagenbenadering) samen met gemeenten en waterschappen. Dit proces heeft plaatsgevonden in het kader van de opstelling van de uitwerkingsplannen van het streekplan van 2002. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. De provincie stuurt op een concentratie van verstedelijking. De sturing op de kernen in het landelijk gebied sluit daarom aan op de sturing voor stedelijke concentratiegebieden. Hier zijn alleen elementen opgenomen in aanvulling/afwijking op teksten van het stedelijk concentratiegebied. Het plan op de locatie Monseigneur van Rooijstraat voorziet in een inbreiding in het bestaand stedelijk gebied. Het betreft hier zorgvuldig ruimtegebruik. Met de inbreiding wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, het plan aan de Monseigneur van Rooijstraat vindt zijn aansluiting op het bestaand stedelijk gebied. Het beoogde plan past binnen de beleidslijnen van de SVRO. 4.3.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
In 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin
worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: - Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; - Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; - Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; - Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; - Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; - Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt.
Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. In figuur 10 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie Monseigneur van Rooijstraat 6. Uit figuur 10 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’. Over de planlocatie ligt de aanduiding ‘Stalderingsgebied’.
Figuur 10: Uitsneden kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening, Noord-Brabant
Op de planlocatie wordt één extra woning opgericht. De woning wordt opgericht binnen het stedelijk gebied. In de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen waaraan gehouden moet worden bij de ontwikkeling van bovenstaand initiatief. De ontwikkeling binnen de planlocatie kan binnen de Interim omgevingsverordening onderverdeeld worden in twee onderdelen. Dit zijn de onderdelen ‘oprichten woningen’ en ‘algemene regels’. Hieronder wordt elk onderdeel getoetst aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderdeel 1: Oprichten woningen Het initiatief is om op de planlocatie Monseigneur van Rooijstraat 6 maximaal één nieuwe woning op te richten. In artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor nieuwbouw van woningen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit. Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. De planlocatie Monseigneur van Rooijstraat 6 is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de kern van St. Willebrord. De locatie betreft een inbreidingslocatie. Het perceel wordt ingevuld met passende woningbouw welke wordt aangesloten op het bestaand stedelijk gebied. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern St. Willebrord wordt hiermee bevordert. De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.
Regionale afspraken Het onderzoek naar de behoefte van woningen wordt door de provincie Noord-Brabant strak geregisseerd. Dit is verankerd in Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ van de Interim omgevingsverordening. In Afdeling 5.4 is bepaald dat er ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg plaats vindt tussen Gedeputeerde Staten, gemeenten, regio’s en waterschappen. De gemeente Rucphen is ingedeeld bij de regio West-Brabant. Volgens de Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ plegen de deelnemers aan het RRO regionale afstemming en maken afspraken over de programmering en planologische voorbereiding van de bouw van woningen; informeren elkaar over de voortgang van hiervoor bedoelde voornemens en afspraken; en hebben een monitoringssysteem waarin de voortgang van de woningbouw wordt bijgehouden. Rucphen maakt deel uit van het RRO-gebied West-Brabant (18 gemeenten) en de subregio West (landelijk gebied). RRO-gebied West-Brabant valt samen met het COROP-gebied West-Noord-Brabant. Dit is conform het advies uit de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van infrastructuur en Milieu. Via de RRO's geven de Brabantse gemeenten jaarlijks inzicht in hun woningbouwplannen. Hiertoe actualiseren de gemeenten jaarlijks hun 'overzicht woningbouwcapaciteiten per gemeente', kortweg de matrix genoemd.
Sinds 1 december 2016 is de Regionale Agenda Wonen 2017 van toepassing, waarin de meest actuele regionale woningbouwafspraken zijn opgenomen. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose 2016 t/m 2025 laat een behoorlijke regionale woningbouwopgave zien van circa 33.000 woningen (39.000 inclusief sloop) tot 2030. De groei van de woningvoorraad is de afgelopen jaren echter achter blijven lopen ten opzichte van de geprognosticeerde woningbehoefte. De regio West-Brabant heeft op basis van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, de bevolkings- en woningbehoefteprognose en de gemeentelijke woningbouwontwikkelingen de regionale woningvoorraad en woningbouwopgave per gemeente voor de periode 2016 t/m 2025 bepaalt. In de Regionale Agenda Wonen is de woningbouwcapaciteit en - opgaven per gemeente opgenomen.
Figuur 11: Woningbouwopgaven en plancapaciteiten gemeenten 2016 t/m 2025
Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 515 woningen t/m 2025. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van één extra wooneenheid. Onderdeel 2:
Algemene regels: Bevordering ruimtelijke kwaliteit
Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door
een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); ▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Op de planlocatie is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De planlocatie betreft een inbreidingslocatie binnen de kern van St. Willebrord.
Op de planlocatie wordt de bedrijfsbestemming en bestaande bebouwing gesaneerd, waardoor er in de toekomst geen bedrijf in categorie 2 meer gevestigd kan worden op de locatie. De ontwikkeling is daarmee passend binnen de planlocatie. 4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Omgevingsvisie Rucphen
De gemeenteraad van Rucphen heeft bij besluit van 2 november 2022 de ‘Omgevingsvisie Rucphen 1.0’ vastgesteld. In de ‘Omgevingsvisie Rucphen’ geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen. In de omgevingsvisie Rucphen komt al het beleid dat gaat over de leefomgeving samen. Het gaat over bouwen, milieu, gezondheid, natuur, veiligheid en water. In de omgevingsvisie heeft de gemeente Rucphen de koers voor de komende 20 tot 30 jaar uitgestippeld. Op volgende figuur is te zien dat de concentratie van dorpskernen kenmerkend is voor de gemeente Rucphen. In de noordoostelijke hoek van de gemeente vormen de drie grootste dorpen Rucphen, St. Willebrord en Sprundel samen één driehoek. Vanuit het verleden en het heden heeft de gemeente Rucphen drie ambities beschreven voor de toekomst van Rucphen rond 2040. Dit betreffen de ambities: ‘duurzaam samenleven’, ‘prettig samenleven’ en ‘ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding’. Duurzaam samenleven Om zoveel mogelijk maatregelen te nemen moet het aanpassen van de leefomgeving aan het veranderende klimaat een vanzelfsprekendheid worden. Bij nieuwe initiatieven vanuit de inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties en bij het inrichten van de openbare ruimte moet altijd bekeken worden of er maatregelen getroffen kunnen worden.
Op de planlocatie worden maatregelen getroffen wat betreft wateropvang en duurzaam bouwen. Prettig samenleven Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen bij de maat en schaal in de dorpen en het buitengebied. Zo behouden we de unieke waarden. Ontwikkelingen moeten passen in het straatbeeld. Vanwege leefbaarheid en duurzaamheid is het belangrijk om bij de ruimtelijke opzet te gaan voor kwaliteit. De planlocatie is gelegen in de kern van Sint Willebrord. Het realiseren van één levensloopbestendige woning is passend in het straatbeeld op deze locatie.
Figuur 12: Uitsnede Omgevingsvisie Rucphen
De nieuwe woning wordt gerealiseerd op aan de Monseigneur van Rooijstraat, in de kern van St. Willebrord. Om de woonkwaliteit van de gemeente te vergroten is versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk. Dit initiatief draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woonkern St. Willebrord. 4.4.2
Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024
De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Belangrijke uitdagingen zijn er zoals op het gebied van betaalbaarheid van woonlasten voor starters, het uitgangspunt van langer thuis blijven wonen door ouderen, verduurzaming van de woningvoorraad en de toewijzing van passende sociale huisvesting voor onze inwoners. Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. De Woningwet 2015 gaat er van uit dat tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties zogenaamde prestatieafspraken gemaakt worden, die gebaseerd zijn op een actuele gemeentelijke woonvisie. Hiermee is de noodzaak van een actuele eigentijdse woonvisie helder, waarbij het de uitdaging blijft om binnen de wet- en regelgeving te blijven zoeken naar lokale optimalisatie van visie en ambities. Traditioneel is de woonvisie een belangrijk instrument in de woningbouwopgave voor de gemeente. Dat geldt zeker ook voor deze woonvisie. Echter wordt in deze woonvisie naast het perspectief van het bouwen tevens het perspectief van het wonen belicht. Daarmee heeft deze woonvisie zich ontwikkeld tot een brede WOONvisie voor de periode 2020-2024.
In de gemeentelijke Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid/ doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Deze vertaalslag zorgt ervoor dat de Woonvisie 2020-2024 het woonkompas bij uitstek is, gebaseerd op onder andere de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 en de Structuurvisie Rucphen 2030. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen.
Het aantal inwoners van de gemeente Rucphen groeit nog beperkt verder, met een ontgroening aan de onderkant en een sterke vergrijzing aan de bovenzijde. Met name door de afname van de gemiddelde woningbezetting, is er dus een behoefte om het aantal woningen uit te breiden. Door de sterke vergrijzing zal een groot deel van de toe te voegen woningen wel levensloopbestendig moeten worden gerealiseerd. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor met name starterswoningen, om starters/jongeren kansen te bieden in de dorpen binnen de gemeente Rucphen. In de woonvisie wordt er van uitgegaan dat voor de komende 5 jaar een behoefte bestaat aan 500 nieuwe woningen. Achterblijvende nieuwbouw in de afgelopen jaren door de economische crisis en momenteel juist een verhitte koopmarkt leiden tot een behoefte aan 50-100 nieuwbouwwoningen per jaar. Benadrukt wordt een behoefte aan goedkope en middeldure koopwoningen tot € 300.000,-. De te realiseren 500 nieuwbouwwoningen van 2020-2024 in de gemeente Rucphen zijn gedifferentieerd naar kern en naar woningtype. Dit zijn de ambities per kern, vraag en aanbod bepalen uiteindelijk de concrete invulling per kern. Voor de kern St. Willebrord is de woningbouwambitie gesteld op in totaal 130 woningen.
Figuur 13: woningbouwambitie voor St. Willebrord
De nieuwe woning is geschikt voor senioren. Door de vergrijzing in de gemeente Rucphen is er vraag naar dit type woning. Met onderhavig initiatief wordt voorzien in één levensloopbestendige woning, passend binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in St. Willebrord. De Monseigneur van Rooijstraat is in de kern van St. Willebrord gelegen. Op korte afstand van de planlocatie bevinden zich het gemeenschapshuis, de huisartenspraktijk, de kerk en enkele horecavoorzieningen. Dit maakt de locatie van de nieuw te realiseren woning zeer geschikt voor senioren. 4.4.3
Groenbeleidsplan Groen R, 2022
De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaatadaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal. Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang.
Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstructuurplan gemeente Rucphen 2009).
Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen. Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn: ▪ Groen en identiteit; ▪ Groen en natuur; ▪ Groen en de gezondheid; ▪ Groen en klimaatadaptatie; ▪ Groen en de CO2 opgave; ▪ Groen en de landbouw. In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daar van te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren. De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn.
Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente. Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten. Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen. Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier. ▪ Principe 1 We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen; ▪ Principe 2 We zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven; ▪ Principe 3 De gemeente wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; ▪ Principe 4 Aan groen werken we samen. De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. De planlocatie ontsluit aan de Monseigneur van Rooijstraat. De Monseigneur van Rooijstraat is in de groenstructuurkaart aangemerkt als een nevenstructuur met bomen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel in de omgeving gelegen groenstructuren.