10b TAM-omgevingsplan - Rucphen - Rucphense Vaartkant 11-13 ontwerp
Tekst van het document
TAM-OMGEVINGSPLAN - RUCPHEN - RUCPHENSE VAARTKANT 11-13 Rucphen
1/2
DATUM KENMERK
08-12-2025 NL.IMRO.0840.2581K003-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
TAM-omgevingsplan - Rucphen - Rucphense Vaartkant 11-13 ing. J.A. van Broekhoven
OPDRACHTGEVER Gemeente Rucphen PROJECTNUMMER 20250946 AUTEUR STATUS
2/2
J. Dingemanse ontwerp
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave Motivering Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding en doel
9
1.2
Projectgebied
9
1.3
Omgevingsplan en TAM-plan
10
1.4
Leeswijzer
12
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
13
2.1
Huidige situatie
13
2.2
Beoogde situatie
14
2.3
Juridische regeling
16
Beleidskader
19
3.1
Inleiding
19
3.2
Rijksbeleid
19
3.3
Provinciaal beleid
20
3.4
Regionaal beleid
26
3.5
Gemeentelijk beleid
26
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
29
4.1
Algemeen
29
4.2
M.e.r.-beoordeling
31
4.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
32
4.4
Verkeer en parkeren
32
4.5
Water
34
4.6
Planologische relevante leidingen
35
4.7
Omgevingsveiligheid
36
4.8
Cultureel erfgoed
37
4.9
Ecologie: gebiedsbescherming
39
4.10
Ecologie: soortenbescherming
41
4.11
Luchtkwaliteit
43
4.12
Bodemkwaliteit
44
4.13
Geluid door activiteiten
45
4.14
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
46
4.15
Trillingen
47
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/101
4.16
Geur
48
4.17
Luchthavens
48
4.18
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
49
4.19
Gezondheid
50
Hoofdstuk 5
Participatie
51
5.1
Algemeen
51
5.2
Omgevingsdialoog
51
5.3
Afstemming overlegpartners
51
5.4
Procedure
51
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
53
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
55
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Parkeeronderzoek
Bijlage 2
Omgevingsaspect water
Bijlage 3
Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Bijlage 4
Archeologie - evaluatie- en selectierapport
Bijlage 5
Advies selectiebesluit archeologie - Regio West-Brabant
Bijlage 6
Stikstofberekeningen aanleg- en gebruiksfase
Bijlage 7
Quickscan flora en fauna
Bijlage 8
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 9
Akoestisch onderzoek
Bijlage 10
Verslag inloopavond
4/101
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
83
Artikel 1
Toepassingsbereik
83
Artikel 2
Begripsbepalingen
84
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
87
Artikel 4
Aanvraagvereisten
89
Regels voor functies en activiteiten
91
Artikel 5
Algemeen gebruiksverbod
91
Artikel 6
Verkeer
92
Artikel 7
Wonen
93
Artikel 8
Waarde - Archeologie 2
95
Hoofdstuk 3
Algemene regels
99
Artikel 9
Anti-dubbeltelregel
99
Artikel 10
Aanvullende beoordelingsregels bouwen
100
Overgangsregels
101
Overgangsrecht
101
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4 Artikel 11
5/101
6/101
MOTIVERING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
De gemeente Rucphen heeft het voornemen om aan de Rucphense Vaartkant 11-13 in Rucphen een appartementengebouw te realiseren. Dit gebouw zal bestaan uit maximaal vier lagen met in totaal 11 appartementen. De ontwikkeling is onderdeel van de afronding van het centrumgebied van de kern Rucphen. De laatste jaren zijn in het centrum namelijk de Multifunctionele Accommodatie (MFA) en twee appartementengebouwen gerealiseerd en het stadspark heringericht. De ontwikkeling is op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen, het bestemmingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen', niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is dan ook een wijziging van het omgevingsplan nodig. Bij een wijziging van het omgevingsplan dient te worden gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locaties. Met voorliggende motivering en bijbehorende bijlagen wordt hierin voorzien.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied bevindt zich in het centrum van de kern Rucphen. De locatie ligt aan de Rucphense Vaartkant. Het projectgebied is kadastraal bekend als RPN00-C-4110, RPN00-C-4465, RPN00-C-4111 en RPN00-C-4484. De oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 1.100 m2.
Figuur 1.1 Ligging projectgebied in Rucphen (Bron: Rho Basisviewer)
9/101
1.3
Omgevingsplan en TAM-plan
Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer. Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vindt je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente. De volgende bestemmingsplannen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen zijn op het projectgebied van toepassing: Herontwikkeling centrum Rucphen (vastgesteld 15 juni 2016); Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen (vastgesteld 13 december 2017). Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie (ontwerp 28 november 2023, op korte termijn wordt dit bestemmingsplan vastgesteld). Voor de gronden binnen het projectgebied gelden (conform het bestemmingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen') diverse bestemmingen, namelijk 'Centrum', 'Tuin', 'Groen' en 'Wonen'. Ter plaatse van de bestemming 'Wonen' zijn twee bouwvlakken aanwezig.
Beide bouwvlakken hebben als maatvoering 'maximum aantal wooneenheden: 1' en 'maximum goothoogte: 5,5 m'. Het oostelijke bouwvlak heeft de figuur 'gevellijn'. Daarnaast geldt voor het hele gebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De beoogde ontwikkeling is in strijd met de geldende gebruiks- en bouwregels van de diverse bestemmingen. Daarom wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt door het wijzigen van het omgevingsplan.
10/101
Figuur 1.2 Het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen', het projectgebied is daarbij rood omkaderd (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, bewerking Rho adviseurs) TAM-omgevingsplan De ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen, het bestemmingsplan ''Herontwikkeling centrum Rucphen'. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren moet het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen' worden aangepast. Dat betekent dat het gemeentelijk omgevingsplan moet worden gewijzigd om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van TAM-IMRO. Vanwege de onzekerheden rondom het DSO is tot en met 2025 de mogelijkheid gecreëerd om via de oude Wro-standaarden het omgevingsplan te publiceren, TAM-IMRO ('Tijdelijke Alternatieve Maatregelen – Informatiemodel Ruimtelijke Ordening') genaamd. De wijziging van het omgevingsplan kan worden gemaakt in de software voor bestemmingsplannen en wordt gepubliceerd via de IMRO standaarden. Inhoudelijk moet dit plan voldoen aan de Omgevingswet.
Voor de opbouw van de regels wordt aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Rucphen (de bestemmingsplanvariant van de TAM-IMRO), maar er worden regels toegevoegd zodat duidelijk is dat het plan onderdeel is van het gemeentebrede omgevingsplan en het toepassingsbereik wordt weergegeven. Er wordt niet meer gesproken van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Dit is ook terug te zien op de verbeelding. Ook zullen er voorrangsbepalingen en verwijzingen worden opgenomen om de relatie met de andere regels uit het omgevingsplan (Hoofdstuk 22 De bruidsschat) te duiden. In de motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het TAM-omgevingsplan wordt gepubliceerd via ruimtelijkeplannen.nl en wordt via de overbruggingsfunctie getoond in het Omgevingsloket (DSO).
11/101
Het TAM-omgevingsplan moet voor 2032 worden omgezet naar het gemeentebrede omgevingsplan in de software van de gemeente en het moet dan voldoen aan de standaarden voor het omgevingsplan (STOP/TPOD) door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Voor deze wijziging wordt een nieuw besluit genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen. De wijze waarop en de voorwaarden waaronder dit mogelijk is worden momenteel uitgewerkt.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkeling en de vertaling van het plan naar de juridische regels. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevant beleid op de verschillende niveaus. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten en in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de participatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van het project beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een toelichting gegeven dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
12/101
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het projectgebied ligt in het centrum van de kern Rucphen aan de Rucphense Vaartkant en is gelegen aan een park waaraan onder andere ook de Heilige Martinus kerk en de pastorie zijn gesitueerd. Centraal in het park staat een rode beuk. Aan de oostzijde zijn parkeerplaatsen aanwezig. Verder naar het oosten staat een apartementengebouw. Aan de zuidzijde staan woningen en winkels. Het projectgebied zelf bestaat uit een grasland waar tot voor kort twee vrijstaande woningen aanwezig waren (zie figuur 2.2 en 2.3). Een woning is in 2019 gesloopt en de andere woning in 2023.
Figuur 2.1 Begrenzing projectgebied, rood omkaderd (Bron: Rho Basisviewer)
13/101
Figuur 2.2 Het projectgebied gezien vanaf de Rucphense Vaartkant (Bron: Google Maps, d.d. augustus 2024)
Figuur 2.3 Oude situatie van het projectgebied gezien vanaf de Rucphense Vaartkant (Bron: Google Maps, d.d. april 2019)
2.2
Beoogde situatie
Ter plaatse van het braakliggende perceel aan de Rucphense Vaartkant wordt een appartementengebouw gebouwd. Dit gebouw telt maximaal 11 appartementen, verdeeld over maximaal vier bouwlagen. Alle appartementen zijn koopappartementen, onderverdeeld naar 7 betaalbare woningen (vanaf € 285.000 tot € 405.000,-, prijspeil 2025) en 4 dure woningen (vanaf € 405.000,-, prijspeil 2025). Ten westen van het appartementengebouw wordt een openbare parkeergelegenheid gerealiseerd. Voor de bouw en ontwerp van het appartementengebouw zijn de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden bepaald: Het appartementengebouw in het park Door het groen in de vormentaal rondom het appartementengebouw te laten lopen, staat het gebouw in het park in plaats van naast het park. Het groen van het park (openbare ruimte) loopt dan ook door tot aan de gevel van het
14/101
gebouw. Anders ontstaat de situatie zoals bij het naastgelegen appartementengebouw 'De Vaart' waarbij het gebouw op afstand komt te staan door de aanwezige tuin. Daarnaast zorgt een groene inrichting rondom het gebouw voor een meer groen gevoel van het middengebied in het centrumplan. Verdraaiing van het gebouw Door de ligging van het gebouw in zijn stedenbouwkundige context geeft dit een plezierig contrast met de andere appartementengebouwen. Het oogt vriendelijker en is daardoor nadrukkelijker aanwezig aan de Rucphense Vaartkant. Een duidelijke entree De positionering van het gebouw zorgt ervoor dat de rode beuk in het park duidelijk zichtbaar is vanaf de Rucphense Vaartkant. Hierdoor krijgt het park een 'adres' aan deze straat.
Figuur 2.4 Randvoorwaarden appartementengebouw (Bron: gemeente Rucphen)
15/101
Figuur 2.5 Aanzichten indicatie beoogde situatie (Bron: gemeente Rucphen)
2.3
Juridische regeling
2.3.1
Planvorm
Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de ontwikkeling van de Rucphense Vaartkant 11 - 13. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. Het TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om woningbouw te realiseren. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de kaart. De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), regels voor functies en activiteiten (hoofdstuk 2) en algemene regels (hoofdstuk 3). 2.3.2
Toelichting op de regels
2.3.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Toepassingsbereik Sub a Hierin is bepaald op welke locatie dit hoofdstuk van toepassing is en koppelt de kaart aan het TAM-omgevingsplan. Sub b Hierin is bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de regels uit de bestemmingsplannen) niet van toepassing zijn op de locatie zoals bedoeld in lid 1. Het TAM-omgevingsplan kan er niet voor zorgen dat de onderliggende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervallen. Daarom worden deze regels niet van toepassing verklaard.
16/101
Sub c Hierin is bepaald dat een groot deel van de regels uit de bruidsschat niet van toepassing is als de regels in strijd zijn met de regels uit dit hoofdstuk. Hiervan zijn de regels over vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat uitgezonderd. Artikel 2 Begripsbepalingen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Er is ook aangegeven dat de begrippen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving overeenkomstige van toepassing zijn op dit omgevingsplan, tenzij daarvan is afgeweken. Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen In aanvulling op de 'meetbepaling' in 22.24 van het omgevingsplan wordt in dit artikel aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden. Artikel 4 Aanvraagvereisten Door dit artikel worden de aanvraagvereisten uit de bruidsschat (paragraaf 22.5.2) ook van toepassing verklaard op een omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk.
2.3.2.2 Regels voor functies en activiteiten Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod In dit artikel is vastgelegd dat verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies zoals vastgelegd in dit hoofdstuk. Artikel 6 Verkeer De functie 'Verkeer' is opgenomen voor straten, voet- en fietspaden, woonerven, rabatten, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds, oevers, bruggen en nutsvoorzieningen en andere tot de functie behorende voorzieningen. Artikel 7 Wonen De functie 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van de bouw van het appartementengebouw in het projectgebied. Hiervoor is de bouwaanduiding 'gestapeld' opgenomen en aangegeven dat er maximaal 11 wooneenheden gerealiseerd kunnen worden. Wonen, met per woning de huisvesting van één huishouden, wegen, paden, pleinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en andere tot de functie behorende voorzieningen zijn toegestaan. Er zijn beoordelingsregels opgenomen voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
17/101
Artikel 8 Waarde - Archeologie 2 De met de functie 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van de archeologisch waarden van de gronden door in bepaalde gevallen te verplichten tot het doen van archeologisch onderzoek. 2.3.2.3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Artikel 10 Aanvullende beoordelingsregels bouwen Dit artikel maakt het mogelijk dat kan worden afgeweken van de beoordelingsregels voor bouwen in hoofdstuk 2 met betrekking tot de voorgeschreven maatvoering met maximaal 10% en geringe afwijkingen tot maximaal 2,5 meter. Dit artikel ziet er ook op dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een gebouw. 2.3.2.4 Overgangsregels Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel bevat standaard overgangsrecht voor bouwen en gebruik.
18/101
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Op diverse bestuurlijke niveaus zijn beleidsuitspraken geformuleerd die relevant zijn voor de ontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn deze kort beschreven en getoetst.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.
De voor deze plannen relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden.
19/101
Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van 11 appartementen wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het projectgebied en de beoogde ontwikkeling.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving' In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Bij het zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke opgaven vindt de provincie Noord-Brabant het belangrijk om vanuit meerdere richtingen naar een ontwikkeling te kijken: Een ‘diepe’ manier van kijken: de provincie kijkt niet alleen naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar betrekt hierin de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven.
Daarbij kijkt ze op verschillende schaalniveaus naar gelang een vraagstuk daarom vraagt en benut ze de factor tijd actief. Hierbij kijkt de provincie ook naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. Een ‘ronde’ manier van kijken: de provincie kijkt niet sectoraal maar combineert opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Vanuit een gebiedsgerichte insteek. Een nieuwe ronde manier van kijken naar een balans tussen people, planet en profit,
20/101
Een ‘brede’ manier van kijken: de provincie kijkt niet vanuit één gezichtspunt maar betrekt daar veel partijen bij, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen.
Toetsing Met de Omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het plan voorziet in een duidelijke kwalitatieve verbetering van de leefomgeving en past daarmee binnen de Omgevingsvisie. De intensiteit van ‘diep, rond en breed kijken’ verschilt per geval. Het is een hulpmiddel om aan de voorkant alle belangen te betrekken om uiteindelijk meer snelheid en kwaliteit te leveren. In dit plan is rekening gehouden met de omgeving en ingezet op een kleinschalige woningbouwontwikkeling, gelegen in het bestaand stedelijk gebied van Rucphen. De ontwikkeling is onderdeel van de afronding van het centrumgebied van de kern Rucphen. De basisopgave van de provinciale omgevingsverordening is "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie: De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie.
De nieuwe woningen worden gebouwd conform de wettelijke duurzaamheidseisen, waaronder aardgasvrij. 2. werken aan een klimaatproof Brabant: Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. In paragraaf 4.5 wordt hierop ingegaan. 3. werken aan een slimme netwerkstad: een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Het planvoornemen bevindt zich in bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. In paragraaf 4.3 is gemotiveerd waarom dit kan worden gezien als duurzame verstedelijking. 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie: Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De beschikbaarheid van goede woningen in een prettige leefomgeving draagt bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Het planvoornemen draagt hier aan bij door te voorzien in de bouw van een appartementengebouw met 11 appartementen. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant. 3.3.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied.
Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen, zoals de provinciale milieuverordening, de verordening natuurbescherming en de verordening ruimte. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving.
21/101
Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken het vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang. Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. De provincie zet in op: 1. meerwaardecreatie 2. technische en sociale innovatie 3. kwaliteit boven kwantiteit 4. een continue verbetering van de leefomgeving 5. proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel De provincie hanteert bij nieuwe plannen een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7) Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie. Toetsing Voor de locatie zijn naast de algemene 'rechtstreeks werkende regels voor activiteiten', ook regels voor gebiedsaanduidingen van toepassing. De locatie bevindt zich conform de omgevingsverordening in het stedelijk gebied. Dit zijn gebieden waar kan worden voorzien in nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
In artikel 5.55 'Duurzame stedelijke ontwikkeling' worden aspecten benoemd waar specifiek rekening mee dient te worden gehouden, zoals het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
22/101
Figuur 3.1 Uitsnede basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant, blauw omkaderd het projectgebied (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, bewerking Rho adviseurs) Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen , wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als: a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met aandacht voor een natuurinclusieve inrichting en een veilige en gezonde leefomgeving; b. toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang of infiltratie van water; e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en f.
wordt bijgedragen aan een circulaire economie door invulling te geven aan de toepassing van industrieel, demontabel bouwen en het gebruik van duurzame biobased materialen. Lid 3 n.v.t.
23/101
Toetsing De ontwikkeling ligt binnen Stedelijk gebied. De ontwikkeling is regionaal afgestemd en draagt bij aan het voorzien in de grote behoefte aan nieuwe harde plannen voor woningbouw in de regio. In het ontwerp wordt rekening gehouden met een duurzame inpassing, waarin een groene woonomgeving centraal staat. Delen van de randen van het projectgebied worden ingericht als groen. Deze randen dragen bij aan het tegengaan van hittestress en het voldoende kunnen opvangen van water. Deze groene woonomgeving draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Het betreft een duurzame stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Lid 2 Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8; b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10. Toetsing De toetsing aan de onderdelen zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie vindt plaats in de navolgende artikelen. Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a.
een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling; c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan. Lid 2 Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden. Toetsing De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand ruimtebeslag. In paragraaf 4.3 is de ontwikkeling getoetst aan de ladder. Hieruit blijkt dat de woningbouwopgave kan worden opgelost binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Rucphen.
24/101
Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen. Lid 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving. Lid 3 Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Toetsing In het stedenbouwkundig plan van de ontwikkeling is de lagenbenadering toegepast.
Er is rekening gehouden met de beperkingen en kansen vanuit de ondergrond, enkele zeer relevante netwerklagen en de landschappelijke waarden. Het projectgebied wordt omgeven door bestaand stedelijk gebied waarbij aangesloten wordt bij het groen in de stedelijke omgeving. De ontwikkeling wordt gekenmerkt door een groene woonkwaliteit met zo min mogelijk verharding. Artikel 5.10 Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Toetsing De locatie wordt getransformeerd naar een aantrekkelijk woongebied. De kern heeft van nature al een aantrekkelijkheid die verder zal worden versterkt. Met een integraal ontwerp is sprake van een fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
25/101
3.4
Regionaal beleid
3.4.1 Woondeal West-Brabant West De provincie Noord-Brabant en het Rijk hebben op 30 juni 2022 een handtekening gezet onder een totaal van 130.600 woningen in de periode t/m 2030. Hiervan dienen 8.630 (netto) woningen te worden gerealiseerd in de Stedelijke Regio West-Brabant West. Deze opgave is gebaseerd op de taakstelling van het Rijk waarbij een uitsplitsing is gemaakt op basis van de (provinciale) bevolkingsprognose. De Provincie Noord-Brabant bestaat uit 4 woonregio's met elk een woondeal. In de woondeal West-Brabant-West wordt een minimum woningbouwopgave gepresenteerd. De regio WestBrabant-West zet zich, in samenwerking met woningcorporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van de woningbouwopgave. Uitgangspunt is om per project 2/3 betaalbare woningen (maximum huur €1.000 per maand en maximum koopprijs €355.000) te realiseren waarvan 30% sociale huurwoningen. In 2025 is de Woondeal West-Brabant West geactualiseerd waarbij er nog eens 1800 extra woningen bovenop de eerdere prognose benodigd zijn. Toetsing en conclusie In de Woondeal West-Brabant West is aangegeven dat toetsing aan de Woondeal niet noodzakelijk is bij woningbouwprojecten onder de 20 woningen. De betaalbaarheidsverdeling zoals opgenomen in de Woondeal is hiermee niet van toepassing.
Met het toevoegen van 11 appartementen voorziet het plan in een concrete behoefte, waarvan 7 van de 11 woningen in het betaalbare segment worden gerealiseerd. Verder betreft de locatie een inbreidingslocatie waarmee gehoor wordt gegeven aan de prioritering van de provincie Noord-Brabant.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1 Omgevingsvisie Rucphen In de omgevingsvisie maakt de gemeente Rucphen keuzes voor de lange termijn. Het gaat om een periode van ongeveer 30 jaar. Er wordt regelmatig vooruit geblikt naar het jaar 2040. Voor deze periode gaat de gemeente in op drie vragen: Hoe staat Rucphen ervoor en welke ontwikkelingen komen er op de gemeente Rucphen af? Welke ambities heeft de gemeente voor het Rucphen van de toekomst? Welke doelen stelt de gemeente om deze ambities waar te maken en welke prioriteiten gaat de gemeente hierbij geven? De gemeente Rucphen heeft doelen gesteld om de ambities waar te maken. Om deze doelen te halen heeft de gemeente prioriteiten gesteld. De gemeente Rucphen heeft de volgende ambities met bijbehorende doelen: Prettig samenleven Woningvoorraad die aansluit op de (veranderende) woningbehoefte Versterken van een aantrekkelijke woonomgeving voor jong en oud Versterking van karakteristieke dorpen, het groene buitengebied, het diverse landschap en de cultuurhistorische waarden
26/101
Behoud van de hechte gemeenschappen in de dorpen staat voorop
Duurzaam samenleven Aanpassen van de omgeving aan de veranderende weersomstandigheden Vervangen van fossiele brandstoffen door alternatieve energiebronnen Verminderen van de afvalproductie en verbetering van afvalscheiding Een gezonde en veilige leefomgeving stimuleren Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding Het ontwikkelen van een gunstig ondernemersklimaat door ondernemers te faciliteren Een omgeving die mensen uitnodigt om naar buiten te gaan en te bewegen Door samenwerking worden de recreatieve mogelijkheden beter benut en uitgedragen Prettig samenleven Versterken van een aantrekkelijke woonomgeving Een aantrekkelijke gemeente voor jonge mensen zijn De groeiende groep oudere mensen voelt zich thuis in de gemeente Woningvoorraad flexibeler maken om sneller te reageren op een veranderende woningbehoefte Rucphen In de Omgevingsvisie zijn de ambities per kern uitgeschreven. De kern Rucphen is een dorp waar jong en oud in harmonie samenleeft. Mensen kennen elkaar vaak goed in Rucphen. In de kern Rucphen dienen kansen gepakt te worden voor herstructurering en het doorvoeren van aanpassingen. Hierdoor krijgen de oude wijken een nieuw leven met bijvoorbeeld duurzame appartementen, een goede mix van koop- en huurwoningen en meer groen. Voorwaarde is dat bij het toevoegen van woningen het karakter van de kern Rucphen behouden blijft.
Van belang is een thuis bieden aan een aan diverse groepen huishoudens, van starters tot senioren. Toetsing en conclusie De nieuw te realiseren appartementen sluiten aan bij een groot aantal doelen van de gemeente en de kern Rucphen. Wat betreft duurzaamheid is een watertoets uitgevoerd (zie paragraaf 4.5) om te bepalen of waterretentie benodigd is. Dit met betrekking tot de veranderende weersomstandigheden. Verder worden op de planlocatie maatregelen getroffen om duurzaam te bouwen. De woningen worden gasloos gebouwd. Wat betreft prettig samenleven zorgt de bouw van de appartementen voor een uitbreiding en differentiatie van de woningvoorraad. Het project geeft dan ook kansen om mensen door te laten stromen naar een ander soort woning. Het appartementencomplex wordt gerealiseerd in het centrum van de kern Rucphen en sluit aan bij het parkgebied. Dit initiatief draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woonkern Rucphen.
27/101
3.5.2
Volkshuisvestingsprogramma gemeente Rucphen 'Thuis in gemeente Rucphen'
Op 24 september 2025 is het volkshuisvestingsprogramma gemeente Rucphen 'Thuis in gemeente Rucphen' vastgesteld. De gemeente Rucphen wil met dit volkshuisvestingsprogramma gaan sturen op wat er gebouwd wordt en waar, zodat het beter past bij de inwoners. Tot 2040 wil de gemeente Rucphen minimaal 700 nieuwe woningen bouwen. Een flinke slag dus, waarmee ingespeeld wordt op de groei van de bevolking. Belangrijk daarbij is dat 70% van die woningen betaalbaar moet zijn voor lagere en middeninkomens. Daarnaast wil de gemeente Rucphen dat 50% van die woningen geschikt zijn voor senioren, denk aan gelijkvloerse, levensloopbestendige woningen en appartementen waarin mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen (zogenaamde nultredenwoningen). In het volkshuisvestingsprogramma wordt ook nog per kern ingegaan waar behoefte aan is en wat de woonwensen zijn. Toetsing en conclusie Het initiatief sluit aan bij de ambities uit het volkshuisvestingsprogrammma. De te realiseren woningen (nultredenwoningen, duur en grotendeels valt binnen de categorie betaalbaar) zijn namelijk bedoeld voor starters en senioren en zorgt voor kwalitatieve een toevoeging aan de bestaande woningvoorraad.
28/101
Hoofdstuk 4
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
4.1
Algemeen
4.1.1
Beoordelingskader
Voor het beoordelen van de aanvraag voor een wijziging van het omgevingsplan gelden instructieregels en beoordelingsregels. Een besluit tot wijzigen van met omgevingsplan kan niet worden genomen als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructieregel tenzij ontheffing is verkregen van de instructieregel. Voor zover de instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in voorliggend hoofdstuk aan deze instructieregels getoetst. Daarnaast zijn er thema's die met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL) relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Ook die thema's met de gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in voorliggend hoofdstuk afgewogen. 4.1.2 Afweging instructieregels Bkl Hierna wordt de toetsing van het project aan de instructieregels beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan. Tabel 4.1. Instructieregels Bkl Thema
Afdelingen en paragrafen Bkl
Relevant voor de ontwikkeling
Omgevingsveiligheid
§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid Ja, zie paragraaf 4.7.
Water
§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen
Luchtkwaliteit
§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht Ja, zie paragraaf 4.11.
Geluid door activiteiten
§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten
Ja, zie paragraaf 4.13.
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Wel voor wegen, maar niet voor spoorwegen en industrieterreinen, zie paragraaf 4.14.
Geluid rond luchthavens
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens
Nee, gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde luchthaven zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten met betrekking tot geluid, zie paragraaf 4.17.
Trillingen
§ 5.1.4.4. Trillingen
Nee, zie paragraaf 4.15.
Ja, zie paragraaf 4.5.
Slagschaduw van windturbines § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines
Nee, in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines voor.
Bodemkwaliteit
§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit
Ja, zie paragraaf 4.12.
Geur
§ 5.1.4.6. Geur
Ja, zie paragraaf 4.16.
29/101
Cultureel erfgoed (aardkunde, § 5.1.5. 5Beschermen van archeologie en cultuurhistorie) landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Ja, zie paragraaf 4.8.
Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied
§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de genoemde gebieden.
Ladder voor duurzame verstedelijking
§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking
Ja, zie paragraaf 4.3.
Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving
§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor Ja, zie hoofdstuk 3. toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
Aanwijzing woningbouwcategorieën
§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken
Nee, dit aspect is niet van toepassing.
Toegankelijkheid openbare buitenruimte
§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Ja, bij de inrichting van de openbare ruimte wordt hier rekening mee gehouden.
4.1.3 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 4.2. Tabel 4.2. Thema's in het kader van ETFAL Thema
Wettelijk kader
Relevant voor de ontwikkeling
Gezondheid
§ 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's Ja, zie paragraaf 4.19. in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.
Gezondheidsrisico's vanwege In het kader van ETFAL in de veehouderijen belangenafweging betrokken.
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen 2 km van een geitenhouderij of endotoxine invloedssfeer van een varkens- of pluimveehouderij.
Spuitzones vanwege In het kader van ETFAL in de gewasbeschermingsmiddelen belangenafweging betrokken.
Nee, het planvoornemen bevindt zich in het centrum van de kern Rucphen.
30/101
Mobiliteit en parkeren
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Ja, zie paragraaf 4.4.
Natuurbescherming NNN
Afdeling 7.3 van het Bal.
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 4.9.
Ecologie: gebiedsbescherming Afdeling 11.1 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 4.9.
Ecologie: soortenbescherming Afdeling 11.2 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 4.10.
Ecologie: houtopstanden
Afdeling 11.3 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 4.10.
Schaduw- en windhinder
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Nee, gezien de aard en omvang van het project is schaduw- en windhinder of windgevaar niet te verwachten.
Lichthinder
In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.
Nee, gezien de aard en omvang van het project is lichthinder niet te verwachten.
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Ja, zie paragraaf 4.18.
4.2
M.e.r.-beoordeling
Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een wijziging van het omgevingsplan project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m.e.r.(beoordelings)-plicht geldt. Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Toetsing en conclusie Gezien de aard, de beperkte omvang en de locatie van de beoogde ontwikkeling, kwalificeert het plan niet als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
Om die reden is een m.e.r.-beoordelingsplicht niet aan de orde. Bovendien blijkt uit de toetsing van de overige omgevingsaspecten dat de ontwikkeling niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
31/101
4.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Toetsing en conclusie Het voornemen is het toestaan van elf extra woningen op gronden gelegen binnen de bebouwde kom en waarop voorheen twee woningen stonden. De ontwikkeling is van dusdanig kleinschalige omvang dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Een uitgebreide toetsing van de ladder is niet noodzakelijk. Daarnaast past de beoogde ontwikkeling binnen het regionale woningbouwprogramma. De ontwikkeling sluit aan bij de behoefte. Het beleid geformuleerd in het Bkl vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader dient aangetoond te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet.
32/101
Ontsluiting Langzaam verkeer De projectlocatie is gelegen aan de Rucphense Vaartkant. Voor voetgangers zijn op de Rucphense Vaartkant aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende voetpaden aanwezig. Het fietsverkeer op de Rucphense Vaartkant wordt afgewikkeld met behulp van fietsstroken aan weerszijden van de rijbaan. Via de Rucphense Vaartkant is in oostelijke richting het centrumgebied van Rucphen en de bijbehorende winkelvoorzieningen te bereiken op minder dan 200 meter loopafstand vanaf de projectlocatie. In westelijke richting loopt de Rucphense Vaartkant over in de Gebrande Hoefstraat, waarvandaan een vrijliggende fietsverbinding aanwezig is richting Roosendaal. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de projectlocatie is gelegen binnen 50 meter loopafstand aan de Rucphense Vaartkant. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 162, tussen Roosendaal en Etten-Leur. Deze buslijn halteert hier om het half uur gedurende de spitsperioden en om het uur buiten de spits. Er zijn geen andere OV-verbindingen aanwezig binnen Rucphen. Gemotoriseerd verkeer Het gemotoriseerde verkeer wordt vanaf de projectlocatie ontsloten op de Rucphense Vaartkant, welke is ingericht als een erftoegangsweg. Voor de gehele bebouwde kom van Rucphen geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. De Rucphense Vaartkant loopt in westelijke richting over in de Gebrande Hoefstraat.
De Gebrande Hoefstraat is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg en kruist buiten de bebouwde kom van Rucphen met de Leijkensweg, om vervolgens verder in westelijke richting te leiden naar Roosendaal. De Leijkensweg leidt in noordelijke richting via de Rucphenseweg naar de aansluiting op de A58, tussen Bergen op Zoom en Breda. In oostelijke richting leidt de Rucphense Vaartkant langs het centrumgebied van Rucphen naar de Raadhuisstraat. De Raadhuisstraat leidt vervolgens in oostelijke richting verder naar Sprundel. Verkeer Binnen de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' zijn per functie normen opgenomen zowel voor het bepalen van de parkeerbehoefte als voor het berekenen van de verkeersgeneratie. Hierbij is de projeclocatie binnen de gemeentelijke gebiedsindeling gelegen in het centrumgebied. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald. Tabel 4.3 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling Functie
Aantal
Kencijfer
Verkeersgeneratie (mvt/etmaal)
Koop, etage duur
4 woningen
7,2 per woning
28,8
Koop, etage midden
7 woningen
5,8 per woning
40,6
Totaal beoogd
69,4
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 69 mvt/etmaal. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeerstoename gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het drukste spitsuur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op een toename (69 x 0,1 =) 7 mvt/uur, oftewel circa 1 voertuig om de 9 minuten. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is.
33/101
Parkeren De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is tevens berekend op basis van de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017'. In tabel 4.4 is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekend. Tabel 4.4 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling. Functie
Aantal
Parkeernorm
Parkeerbehoefte (pp) Bewoners
Bezoekers
Totaal
Koop, etage, duur 4 woningen
1,6 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers)
5,2
1,2
6,4
Koop, etage midden
1,4 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers)
7,7
2,1
9,8
12,9
3,3
16,2
7 woningen
In totaal heeft de beoogde ontwikkeling een parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de realisatie van 13 parkeerplaatsen binnen de projectlocatie. Het Parkeeronderzoek Rucphense Vaartkant en omgeving dat in november 2025 is uitgevoerd en als bijlage 1 is opgenomen, toont aan dat er minimaal 3 openbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van de projectlocatie beschikbaar zijn. Hiermee wordt voorzien in de volledige parkeerbehoefte. Conclusie De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 69 mvt/etmaal. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling een parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte wordt voorzien in voldoende parkeeraanbod in directe omgeving van de projectlocatie. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect verkeer en parkeren er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
4.5
Water
Toetsingskader Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl);
34/101
behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl).
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst. De provinciale verordening kan instructieregels bevatten over water. In het kader van deze ontwikkeling zijn er geen artikelen van toepassing. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling heeft een weging van het waterbelang plaatsgevonden, zie hiervoor bijlage 2. Op basis hiervan kan het volgende worden geconcludeerd. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zijn de waterhuishoudkundige consequenties in beeld gebracht waarbij de waterbelangen ten aanzien van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn gewogen. Bij de weging van de waterbelangen zijn de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening van het waterschap in acht genomen en vormden hiervoor de basis. Met het uitvoeren van de weging van het waterbelang is het kader gegeven voor het vastleggen van het wateraspect zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen. Op basis van de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen vormt het aspect 'water' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Conclusie Het plan voldoet aan de gestelde regels voor water.
De resultaten zijn aan het waterschap voorgelegd en het advies van het waterschap is in het plan verwerkt. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn met de conclusies.
4.6
Planologische relevante leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olieen gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.
35/101
Toetsing en conclusie In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening te worden gehouden.
4.7
Omgevingsveiligheid
Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toetsing De planlocatie bevindt zich binnen het gifwolkaandachtsgebied van een stationaire activiteit (bedrijf Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V.). Omdat deze activiteit zich op meer dan 1,5 km afstand bevindt, heeft dit geen consequenties voor het plan. Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel van het Bkl, omdat uit de beoordeling en met de opgenomen regels in de bruidsschat (artikel 22.13 t/m 22.15) blijkt dat de veiligheid op de planlocaties is gewaarborgd.
Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Er bevindt zich in de omgeving openbaar bluswater en de opkomsttijd valt binnen de referentiewaarde. Op basis van bovenstaande is bij het plan rekening gehouden met het voorkomen van risico's van branden, rampen en crises. Conclusie Gelet op het voorgaande, draagt de beoogde ontwikkeling voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en hoeven er geen regels te worden opgenomen met betrekking tot het thema omgevingsveiligheid.
36/101
4.8
Cultureel erfgoed
Toetsingskader Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichten tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta (Valletta)' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, het bodemarchief met zorg ontsloten dient te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016. Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale wet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving is sinds 2024 in de Omgevingswet geregeld.