CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

10b Omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti - Toelichting

gemeenteraad 10 juni 2026, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan St. Willebrord-Maria Goretti en grondexploitatie16.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan.

Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat

34 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. 2. 3. 4. 5.

Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool.

Waterschapsverordening De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing. In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; De toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; De toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit gevoeligheidsfactor x 0,06.

(in

m3)

=

toename

verhard

oppervlak

(in

m2)

x

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.

Beoordeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een integrale weging van het waterbelang uitgevoerd, zoals opgenomen in Bijlage 4. Daarbij zijn de waterhuishoudkundige consequenties van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt en zijn de waterbelangen op het gebied van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit zorgvuldig afgewogen. Voor deze afweging zijn de gemeentelijke

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 35

regels uit het omgevingsplan en de bepalingen uit de waterschapsverordening als uitgangspunt genomen. Hiermee is een helder kader vastgesteld voor de borging van het wateraspect, zoals voorgeschreven in de Omgevingswet. Het plan voldoet aan de gestelde regels voor water en de resultaten zijn voorgelegd aan het waterschap, dat heeft ingestemd met de conclusies zoals opgenomen in Bijlage 4. In de nadere uitwerking dient middels een klimaatstresstest nog inzicht te worden gegeven in de hemelwaterafvoer.

Conclusie Op grond van de uitgevoerde beoordeling kan worden vastgesteld dat vanuit het aspect water sprake is van een evenwichtige en verantwoorde toedeling van functies.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan / archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan

Beoordeling archeologie Om het aspect archeologie goed mee te wegen in een gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en verschillende archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart.

Uit de beoordeling van de Archeologische Beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een Archeologisch Beleidsadviesgebied 4. In dit gebied geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring vanaf 500 m² en een diepte van ten minste 50 cm. Aangezien deze mate van bodemverstoring bij de voorgenomen werkzaamheden niet kan worden uitgesloten, is archeologisch bodemonderzoek uitgevoerd. Econsultancy heeft in september 2023 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten behandeld. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage verwachting heeft vanaf het maaiveld tot 40 tot 220 cm -mv voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Op grond van het veldonderzoek adviseert Econsultancy om de dubbelbestemming op het plangebied te handhaven, maar de delen met een lage verwachting binnen het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Voor de delen met een middelhoge tot hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen geldt dat er verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.

Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen te toetsen (Bijlage 6).

36 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

Proefsleuvenonderzoek In juli 2024 is door Econsultancy een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Programma van Eisen en onder certificering volgens de BRL SIKB 4000 en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1). Binnen het plangebied zijn drie proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van circa 275 m².Tijdens het onderzoek zijn twee vindplaatsen aangetroffen: Vindplaats A betreft sporen van landgebruik uit de late Nieuwe Tijd (1937–1959), gelegen nabij historische bebouwing. Het vondstmateriaal is schaars en sterk gefragmenteerd. Vindplaats B bestaat uit twee perifere sporen van een oudere vindplaats met een terminus ante quem aan het begin van de late Nieuwe Tijd. Hierbij is geen vondstmateriaal aangetroffen. Op basis van de KNA-waardering is vastgesteld dat de aangetroffen vindplaatsen niet behoudenswaardig zijn. Daarmee bestaan er geen archeologische belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling binnen het plangebied, waarmee de dubbelbestemming archeologie kan komen te vervallen. De regioarcheoloog heeft in het selectieadvies aangegeven akkoord te gaan met het advies van Econsultancy om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Dit selectieadvies is opgenomen als Bijlage 7.

Beoordeling cultuurhistorie De provincie Noord-Brabant gaat ervan uit dat de informatie afkomstig uit de kaartlaag 'overige cultuurhistorische waarden: informatie van CHW 2006' op gemeentelijk niveau wordt geactualiseerd en waar nodig geacht beschermd. De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen, vastgesteld in 2010, biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Rucphen.

Uitsnede van de cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen. Plangebied is aangeduid met de rode ster.

Het plangebied is gelegen binnen een gebied met historische stedenbouw en staat aangeduid als 'Sint Willebrord' met een 'redelijk hoge' waarde. De Pastoor Bastiaansensingel en de Poppestraat zijn betreffen straten die in het kader van de historische geografie een 'redelijk hoge' waarde heeft.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 37

Binnen de cultuurhistoriekaart (erfgoedkaart) van de gemeente Rucphen is het plangebied aangeduid als 'historisch gegroeide ruimtelijke structuur (lage waarde)'. In het "Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie" is het plangebied niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol gebied. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.

Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan archeologische en cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.

4.8 Ecologie 4.8.1 Natuurgebieden Toetsingskader Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.

Natura 2000-gebieden Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening (Natuur netwerk Brabant, NNB). In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

Beoordeling en conclusie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het 'Ulvenhoutse Bos', dat is gelegen op een afstand van circa 14 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Aangezien het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan. Binnen het plangebied is geen Natuur Netwerk Brabant (NNB) aanwezig. Ook in de directe omgeving is geen NNB-gebied gelegen. Het plangebied bevindt zich in een stedelijke omgeving. Het dichtsbijzijnde

38 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

NNB-gebied ligt op circa 1,25 km afstand, buiten de bebouwde kom van St. Willebrord. Gezien de afstand tussen het NNB en plangebied met het tussenliggend stedelijke gebied, is er geen sprake van directe of indirecte ruimtelijke of ecologische aantasting van het NNB. Het planvoornemen veroorzaakt geen verslechtering van de natuurwaarden. Hiermee voldoet het plan aan de uitgangspunten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.8.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 14 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse bos’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Omgevingswet (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.

Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 8). In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekening dat de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten in de Belgische Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.

Conlcusie Uit een AERIUS-berekening is gebleken dat als gevolg van de (aanleg- en) gebruiksfase er ten aanzien van stikstofdepositie geen negatieve effecten optreden als gevolg van het plan op Natura 2000-gebieden.

4.8.3 Soortenbescherming Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid daarvan. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).

Beoordeling Door Blom Ecologie is in februari 2022 een Quickscan afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 9 gevoegd bij deze toelichting. In de Quickscan wordt aangegeven dat aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismussen en vleermuizen.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 39

Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten. Bron: Blom Ecologie, 2022.

Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie. Bron: Blom Ecologie, 2022.

Blom Ecologie heeft in oktober 2022 het aanvullend onderzoek ecologie afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 10 gevoegd bij deze toelichting. In april 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied geen nesten van huismussen aanwezig zijn. In de periode mei tot september 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de basisschool Maria Goretti leefgebied biedt voor de gewone dwergvleermuis als zomerverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep weggenomen. De beoogde sloop van het schoolgebouw leidt tot overtreding van een verbodsbepaling uit de Omgevingswet (artikel 5.1, tweede lid, onder g) in samenhang met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Tijdens het onderzoek is binnen het plangebied een houtduif- en kauwennest vastgesteld. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen, dienen de werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

Samenvatting van de aangetroffen nestlocaties en vleermusiverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied. Bron: Blom Ecologie, 2022.

Voor de uitvoering van de ingreep is vergunning nodig van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Voor de vergunningsaanvraag inzake Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is een Mitigatieplan opgesteld door Blom Ecologie. De rapportage daarvan is als Bijlage 11 gevoegd bij deze toelichting.

40 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

De huidige vleermuisverblijfplaatsen zijn onder begeleiding van een ter zake deskundige ecoloog ongeschikt gemaakt. Tussen het ongeschikt maken en de uitvoering van de sloop is met een controlebezoek uitgesloten dat er vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden zijn er voor de vleermuizen tijdelijke alternatieve voorzieningen getroffen om de periode tussen ontoegankelijk of ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen en het realiseren van de permanente alternatieve voorzieningen te overbruggen. In totaal worden er 8 vleermuiskasten geplaatst aan de gebouwen in de directe omgeving. Voor de gewone dwergvleermuis worden permanente voorzieningen gerealiseerd in de gevel van het nieuwe schoolcomplex ten zuiden van het plangebied. Daarmee kan worden gesteld dat de gunstige instandhouding van beschermde soorten is gewaarborgd. Op basis hiervan is op 20 april 2023 een ontheffing Wet natuurbescherming verleend. Het besluit Wet natuurbescherming is opgenomen in Bijlage 12. De ontheffing heeft betrekking op de sloop van het scholencomplex 'Heilinde' ten behoeve van gewone dwergvleermuis. Deze ontheffing is geldig tot 1 november 2028. Tijdens de sloopwerkzaamheden dienen alle handelingen te worden uitgevoerd conform de Omgevingswet.

Conclusie Voor het verwijderen van zomerverblijfsplaatsen voor de gewone dwergvleermuis in de basisschool Maria Goretti is een ontheffing Wnb verleend. Met inachtname van de algemene zorgplicht en de in de ontheffing opgenomen voorwaarden kan worden geconcludeerd dat het plan geen hinder veroorzaakt voor beschermde flora en fauna. Alle vogels zijn in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode van 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

4.9 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft in 2025 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 13). In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor het nieuwe appartementengebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel 21, St. Willebrord. De geluidbelasting van gemeentelijke wegen bedraagt ten hoogste 51 dB ter plaatse van de noordgevels van het appartementengebouw. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Het treffen van geluidsbeperkende maatregelen is niet benodigd.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 41

In het kader van het borgen van een goed woon- en leefklimaat is het akoestische woon- en leefklimaat beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsindicatie geluid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in Lden. Bron: Akoestisch Onderzoek Wegverkeerslawaai, De Roever Omgevingsadvies 2025

Het gecumuleerde geluidniveau (Lden) ter plaatse van de beoogde appartementen bedraagt 33-51 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als ‘Redelijk’ tot ‘Zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan daarmee als aanvaardbaar worden aangemerkt.

Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.10

Activiteiten en milieuzonering

Toetsingskader De juridische basis voor activiteiten en milieuzonering is sinds 1 januari 2024 vastgelegd in de Omgevingswet. Deze wet richt zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) om hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten te voorkomen. Dit wordt bereikt door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, en gevoelige functies, zoals woningen. In 2009 stelde de VNG, in samenwerking met de Ministeries van VROM en Economische Zaken, de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" op. Deze handreiking bevat richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Bedrijven zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij hogere categorieën zwaardere milieubelasting betekenen en grotere richtafstanden vereisen. De richtafstanden zijn indicatief en kunnen worden aangepast mits zorgvuldig onderbouwd. De handreiking onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijken/buitengebieden en gemengde gebieden. In rustige woonwijken wordt functiescheiding nagestreefd, terwijl in gemengde gebieden kortere richtafstanden acceptabel zijn. Bij bedrijven en milieuzonering wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe werking. Interne werking betreft de vraag of de omgeving de nieuwe functie toelaat, terwijl externe werking gaat over de vraag of de nieuwe functie in de omgeving past.

Bij zonering moet rekening worden gehouden met planologische rechten en daadwerkelijk gebruik van bestemmingen. De Omgevingswet introduceert ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de zogenaamde bruidsschat, die beoordelingsregels voor bedrijven bevatten. In het Bal worden bedrijven gezien als verzamelingen van milieubelastende activiteiten, met algemene regels voor toelaatbare milieuhinder en specifieke milieuvergunningsplichten. In oktober 2024 publiceerde de VNG een nieuwe versie van de handreiking "Activiteiten en milieuzonering". Deze nieuwe systematiek integreert het ruimtelijk- en milieuspoor en richt zich op geluid en geurhinder door bedrijvigheid. De handreiking werkt met zones met milieuwaarden in plaats van milieucategorieën, waarbij grotere afstanden tot woonomgevingen meer gebruiksruimte voor geluid en geur bieden. De nieuwe systematiek biedt ruimte voor aanvullende regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, gericht op efficiënt ruimtegebruik en het voorkomen van onaanvaardbare cumulatie van geur- en geluidbelasting bij woonomgevingen. De zones voor geluid en geur zijn afhankelijk van de

42 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

ligging ten opzichte van milieugevoelige activiteiten, met specifieke geluid- en geurbelastingen per activiteit op vaste afstanden van de locatie.

Beoordeling De VNG-handreiking "Bedrijven en milieuzonering" onderscheidt twee omgevingstypen: het rustige woongebied/buitengebied en het gemengde gebied. Gezien de aanwezigheid van diverse centrumfuncties, maatschappelijke voorzieningen en woningen in de directe omgeving van het plangebied, kan deze omgeving worden aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden uit de handreiking met één afstandstrap mogen worden verlaagd. In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied in gebruik als maatschappelijke bestemming, namelijk als basisschool. In de toekomstige situatie wordt het plangebied bestemd voor ‘wonen’, ‘verkeer’ en ‘groen’. Direct grenzend aan het plangebied bevindt zich de hernieuwde basisschool, eveneens met een maatschappelijke functie. De afstand tussen deze maatschappelijke functie en de toekomstige woonfunctie bedraagt circa 38 meter. Volgens de VNG-handreiking geldt voor basisscholen in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter op gevoelige functies. Gelet op de feitelijke afstand van 38 meter wordt aan deze richtafstand voldaan. Eveneens zijn in de omgeving van het plangebied zijn meerdere activiteiten/voorzieningen aanwezig zoals een sportvoorziening met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied.

De horeca en huisartsenpost hebben in een rustig gebied een richtafstand van 10 meter, door de ligging in een gemengd gebied wordt deze richtafstand met categorie verlaagd naar 0 meter. Het plangebied is voor alle activiteiten/voorzieningen in de omgeving gelegen op een grotere afstand dan de richtafstand. Daarmee kan worden gesteld dat er geen sprake is van hinder of strijdigheid met de uitgangspunten van milieuzonering.

Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is in het kader van bedrijven en milieuzonering.

Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.

4.11

Externe veiligheid

Toetsingskader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 43

Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode stip. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024.

Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024

Beoordeling Beoordeling inrichtingen en externe veiligheid Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen welke negatieve invloed kunnen hebben op de externe veiligheid, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de dichtsbijzijnde inrichtingen zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden en groepsrisico. Het plangebied is echter gelegen in een gifwolksaandachtsgebied van Afvalstoffen

44 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

Terminal Moerdijk B.V. Het veroorzakende bedrijf is gelegen op meer dan 1.500 meter afstand en heeft geen consequenties voor dit plan.

Transport en externe veiligheid Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de REV geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen.

Buisleidingen en externe veiligheid Voor de beoordeling van risicorelevante buisleidingen in de omgeving van het plangebied is het Risico en Externe Veiligheid (REV) via atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk aardgasleiding op circa 1 kilometer afstand ligt. Gezien deze ruime afstand vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het toelaten van nieuwe woningen leidt daarnaast niet tot nieuwe externe veiligheidsrisico’s.

Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen Het toelaten van de nieuwe woningen mag niet leiden tot nieuwe risico's op het gebied van externe veiligheid. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen nodig. Ook zal de bereikbaarheid van de nieuwe woningen moeten gewaarborgd worden. De bereikbaarheid dient getoetst te worden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving § 4.6.3 (Bereikbaarheid van een bouwwerk). Tevens dient er rekening gehouden te worden met de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening, vastgesteld door de Interregionale Adviesleidraad Bluswatervoorzieningen Bereikbaarheid 2022. Bij de nadere uitwerking van de Omgevingsplanactiviteit 'Bouwen' wordt dit getoetst. De uitruk- en rijtijd is ongeveer 10 minuten en dit valt binnen de referentiewaarde. Op circa 50 meter van de hoofdingang van het bouwwerk bevindt zich een ondergrondse brandkraan met een capaciteit van 60 m3/uur. Het wordt geadviseerd om het voorstel voor de bluswatervoorziening op te nemen in de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'.

Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.12

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Het aspect luchtkwaliteit is om meerdere redenen relevant. In de eerste plaats omdat woningen worden gerealiseerd en luchtkwaliteit een gezondheidsaspect is voor de toekomstige bewoners. In de tweede plaats omdat de een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op wegen die van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit. Voor luchtkwaliteit zijn de instructieregels in § 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving relevant. Deze zijn met name relevant als het projectgebied is gelegen in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, locaties met hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is voor de gewenste ontwikkeling.

Beoordeling Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het plangebied. Maatgevend is het toetspunt aan de Vijverstraat, direct ten noorden van het plangebied. Uit de kaart blijkt dat in 2025 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2025; 14,5 µg/m³ voor NO2, 14,9 µg/m³

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 45

voor PM10 en voor 8,2 PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Het plangebied bevindt zich niet in de in artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Het initiatief valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Om deze reden is nader onderzoek niet noodzakelijk.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

4.13

Niet Gesprongen Explosieven

Toetsingskader Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de initiatiefnemer verplicht zorg te dragen voor een veilige werkplek. In het kader van grondroerende werkzaamheden bestaat de mogelijkheid dat tijdens de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven (CE) zijn achtergebleven in of nabij het plangebied. Indien daar aanleiding toe is, vormt dit reden om een vooronderzoek uit te voeren conform het WSCS-OCE (Werkveldspecifiek Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven). De gemeente Rucphen hanteert hiervoor het Beleid Conventionele Explosieven 2019, waarin een reactieve ruimingstrategie wordt gevolgd. Dit houdt in dat CE pas worden opgespoord en geruimd indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van een project. De toetsing vindt plaats op basis van de bodembelastingkaart, waarbij het gebied wordt ingedeeld als verdacht, aandachtsgebied of onverdacht. Afhankelijk van deze classificatie en de aard van de werkzaamheden kunnen aanvullende maatregelen zoals een risicoanalyse of detectieonderzoek vereist zijn.

Beoordeling Door RPS Explosive Engineering Services is in opdracht van gemeente Rucphen in 2024 een Vooronderzoek na-conflictperiode uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 14. Hierin zijn eventuele risico's van ontplofbare oorlogsresten in kaart gebracht in het kader van sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden van het appartementencomplex te St. Willebrord. Op basis van het geactualiseerde historisch vooronderzoek en aanvullende bronnen is vastgesteld dat het plangebied in Rucphen gedeeltelijk verdacht is op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO), met name Duitse geschutmunitie uit de Tweede Wereldoorlog. Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied diverse naoorlogse bodemingrepen hebben plaatsgevonden, waaronder delen van het gebied als onverdacht kunnen worden beschouwd. In de onderstaande afbeelding is het onderzochte terrein weergegeven. Het plangebied (rood omlijnd) bevindt zich in onverdacht terrein. Waarbij grijs gebied onverdacht is tot 0,3 m -mv en oranje gebied onverdacht kan worden beschouwd tot een diepte van 0,8 m -mv.

46 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

Bodembelastingkaart, plangebied rood omlijnd. Bron: Vooronderzoek OO Na-conflictperiode RPS Rapportage 19 juni 2024.

Conclusie Op basis van het NGE-onderzoek en de bodembelastingkaart bevindt het plangebied zich in een gebied dat als onverdacht wordt beschouwd tot een diepte van gedeeltelijk 0,3 en 0,8 meter onder maaiveld. Binnen deze diepte kunnen grondroerende werkzaamheden veilig worden uitgevoerd, mits het protocol voor toevalsvondsten wordt gevolgd.

4.14

Kabels en leidingen

Toetsingskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. b. c. d. e.

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Beoordeling Ter plaatse van het plangebied dient ter hoogte van het fietspad aan de noordzijde van het plangebied een lokale buisleiding te worden verlegd. Dit is bekend bij het bevoegd gezag. Verder zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 47

4.15

Gezondheid

Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.

Beoordeling Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft.

Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken.

De beoogde ontwikkeling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. In het projectgebied wordt een nieuw fiets- en wandelpad aangelegd. Deze stimuleren net als de veiligheid óók de gezondheid.

In het projectgebied komt voldoende waterberging. Daarnaast heeft het belendende groen aan de Pastoor Bastiaansensingel een waterbergende functie. Dit gebied zal het meeste water opvangen. Deze waterberging draagt positief bij aan aan de opvang van overtollig regenwater.

Er worden nieuwe groenvoorzieningen en bomen aangelegd. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. Door het vele groen kan het water makkelijker worden geïnfiltreerd. Ook zorgen bestaande bomen en nieuwe bomen voor schaduw en koele plekken.

Nieuwbouwwoningen kunnen daarnaast bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners, maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit, nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap.

Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.

48 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

Hoofdstuk 5

Juridische plantoelichting

5.1 Planvorm Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de locatie Maria Goretti te St. Willebrord. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de kaart. De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), regels voor functies en activiteiten (hoofdstuk 2) en algemene regels (hoofdstuk 3).

5.2 Regels 5.2.1 Hoofdstuk 1. Inleidende regels Artikel 1. Toepassingsbereik sub a Hierin is bepaald op welke locatie dit hoofdstuk van toepassing is en koppelt de kaart aan het TAM-omgevingsplan. Sub b Hierin is bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (niet van toepassing zijn op de locatie zoals bedoeld in lid 1. Het TAM-omgevingsplan kan er niet voor zorgen dat de onderliggende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervallen. Daarom worden deze regels niet van toepassing verklaard. Sub c Hierin is bepaald dat een groot deel van de regels uit de bruidsschat niet van toepassing is als de regels in strijd zijn met de regels uit dit hoofdstuk. Hiervan zijn de regels over vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat uitgezonderd.

Artikel 2. Begripsbepalingen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Er is ook aangegeven dat de begrippen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving overeenkomstige van toepassing zijn op dit omgevingsplan.

Artikel 3. Meet- en rekenbepalingen In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden.

Artikel 4 Aanvraagvereisten Door dit artikel worden de aanvraagvereisten uit de bruidsschat ook van toepassing verklaard op een omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk.

5.2.2 Hoofdstuk 2. Regels voor functies en activiteiten Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod In dit artikel is vastgelegd dat het verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies zoals vastgelegd in dit hoofdstuk.

Artikel 6 Groen Ter plaatse van de functie 'Groen' zijn grotere en structurele groenvoorzieningen opgenomen, maar ook structuren zoals groenstroken, bermen, fiets- en wandelpaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair en

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 49

overige tot de bestemming behorende voorzieningen zijn binnen deze bestemming gelegen. Wijziging, aantasting en compensatie van het groen en bomen dient getoetst te worden aan het gemeentelijk groenbeleid. Op de gronden mogen kleine gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Door gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toe te staan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld een gebouw toe te staan ten behoeve van speeltoestellen.

Artikel 7 Verkeer De wegen en bijbehorende verblijfsgebieden zijn aangeduid als 'Verkeer'. Deze functie geldt voor alle straten, erven en wegen, er is dus geen onderscheid noodzakelijk naar de wegencategorisering. Onder deze bestemming zijn tevens begrepen groenstroken, bermen en bomen langs wegen.

Artikel 8 Wonen Woningen bestemd voor de huisvesting van één huishouden zijn in het plan bestemd tot 'Wonen'. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak, met inachtneming van een eventueel aangegeven maximaal aantal wooneenheden en het type 'gestapeld'.

5.2.3 Hoofdstuk 3. Algemene regels Artikel 9. Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven.

Artikel 10. Aanvullende beoordelingsregels bouwen In dit artikel worden aanvullende regels voor ondergronds bouwen en het afwijken van bestaande afstanden en maatvoeringen genoemd. Ten slotte wordt bij realisatie van bouwwerken beoordeeld of er genoeg parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

Artikel 11. Aanvullende beoordelingsregels gebiedsaanwijzingen In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de geometrie opgenomen gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 3'. Hierin is aangegeven wat de maximale bouwhoogte van bouwwerken mag bedragen ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak ten aanzien van Breda International Airport. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen voor het bouwen binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'. Binnen deze aanduiding mogen geen windturbines en gebouwen worden opgericht met een hoogte van 90 meter of meer.

Artikel 12. Aanvullende beoordelingsregels afwijkingen In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Als laatste is er een afwijking opgenomen voor het oprichten van antennes en masten tot 15 meter.

5.2.4 Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Artikel 13. Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht bepaald. Dit artikel bevat standaard overgangsrecht voor bouwen en gebruik.

50 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van appartementen in de kern St. Willebrord door de gemeente Rucphen. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. Daarbij zorgt de gemeente voor het bouw en woonrijp maken van het openbare gebied. Het bouwperceel c.q. bestemmingsvlak "Wonen", waarop het appartementencomplex wordt gerealiseerd, wordt in een tender aan marktpartijen aangeboden.

De gemeente heeft middelen beschikbaar om de ontwikkeling te realiseren. De concept grondexploitatie laat een positieve balans zien. Omdat de opbrengsten naar verwachting hoger zijn dan de kosten, is er geen verdere dekking nodig. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

Kostenverhaal Indien met een wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden maakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet op de realisatie van woningen in de kern St. Willebrord. De realisatie van één of meerdere woningen is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.

In dit geval is de gemeente Rucphen eigenaar van de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteit plaatsvindt. Omdat de gemeente zelf alle gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom heeft, is kostenverhaal niet aan de orde. In het geval dat de gemeente zelf exploitant is, blijven de kosten namelijk voor rekening van de gemeente. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 51

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit is aangegeven dat bij de wijziging van een omgevingsplan moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En ook wat der met de resultaten is gedaan. Wie bij de participatie worden betrokken, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden. Goede participatie maakt een plan of initiatief beter. Deze samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemer kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en hierdoor beter rekening kan worden gehouden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.

Op 20 november 2025 is het plan besproken aan de Omgevingstafel, waarbij externe partijen zoals de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant zijn uitgenodigd. De reacties van de veiligheidsregio Midden- en het waterschap zijn in het plan verwerkt.

7.2 Omgevingsdialoog Op maandag 24 november 2025 vond er van 19:30 - 20:45 uur een inloopavond plaats. Tijdens deze bijeenkomst zijn direct omwonenden en andere belangstellende geïnformeerd, over de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor de realisatie van het appartementengebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel te St. Willebrord. De verslaglegging van de dialoog is opgenomen in Bijlage 15. Onderstaand volgt de samenvatting van de inloopavond.

De inloopavond vond plaats in het gemeentehuis van Rucphen (Binnentuin 1). In de 'burgerzaal' zijn een drietal tekeningen en schetsen gepresenteerd, waarmee bewoners en andere belanghebbenden een beeld kregen van de wijziging van het omgevingsplan en de beoogde inpassing van het nieuwbouwplan in de omgeving. Deze tekeningen en schetsen zijn onder bij dit verslag opgenomen.

De inloopavond is aangekondigd via de Rucphense Bode, de gemeentewebsite en het Gemeenteblad. Daarnaast ontvingen circa 80 directe omwonenden per post een persoonlijke uitnodiging. Belangstellenden die verhinderd waren, konden de stukken digitaal per e-mail opvragen. Op de avond zelf waren slechts 6 bezoekers aanwezig. Ook hebben wij geen verzoeken meer gehad om de stukken digitaal te versturen.

Tijdens de inloopavond waren drie grote informatieborden opgesteld in een opstelling zodat bezoekers eromheen konden lopen en de tekeningen van alle kanten konden bekijken. Projectmedewerkers waren aanwezig om toelichting te geven en vragen te beantwoorden.

Gezien het beperkte aantal bezoekers konden de projectmedewerkers één-op-één gesprekken voeren met de aanwezigen. De bezoekers waren vooral geïnteresseerd in de beoogde bouwhoogte/aantal bouwlagen en de situering van de parkeerplaatsen en routing van de wegen. De sfeer tijdens de bijeenkomst was overwegend positief. Uit de gesprekken bleek dat de aanwezigen zich kunnen vinden in de opzet van het plan.

52 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

7.3 Tervisielegging Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt voor zes weken ter visie gelegd voor het indienen van zienswijzen. Ingediende zienswijzen worden samengevat en van beantwoording voorzien. De gemeenteraad betrekt deze zienswijze bij haar besluit tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan. Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan treedt vier weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit in werking. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, wordt het besluit na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti 53

Hoofdstuk 8 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de beoogde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de beoogde activiteit) zorgvuldig onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 4. Om te waarborgen dat het project niet in strijd is met de beleidsdoelen, is het planvoornemen in hoofdstuk 3 getoetst aan het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. In de hoofdstukken 5 en 6 is daarnaast ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid. Op basis van deze toetsing wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met de beleidsdoelen en geen onaanvaardbare effecten heeft op de fysieke leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

54 a Goretti

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord - Mari

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17035761/1