10b Omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti bijlage 11 bij toelichting Mitigatieplan
Tekst van het document
Mitigatieplan sloop-nieuwbouw Pastoor Bastiaansensingel 21 te SintWillebrord Ontheffingsaanvraag soortenbescherming Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Concept
Project:
2022-1137
Datum:
31 maart 2023
Samensteller:
ing. B.C.E. Vleeshouwers
Collegiale toets:
ing. G. Fairhurst
Opdrachtgever:
Laride B.V.
Contactpersoon:
J. Bos
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Projectinformatie
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Soorten
5
1.3
Beoogde werkzaamheden en planning
5
1.4
Periode ontheffing
5
1.5
Wettelijk kader ontheffing
5
2 Mitigerende maatregelen 2.1
Gewone dwergvleermuis
3 Staat van instandhouding 3.1
6 6
9
Gewone dwergvleermuis
9
4 Alternatievenafweging
12
5 Wettelijk belang
13
5.1
Groeiend leerlingaantal en grotere ruimtebehoefte
13
5.2
Gezondheid en duurzaamheid
13
4
1 Projectinformatie 1.1
Aanleiding Borgesiusstichting is voornemens om het schoolcomplex ‘Heilinde’ te slopen ten behoeve van de realisatie van een nieuw schoolcomplex aan de Pastoor Bastiaansingel 21 en Poppestraat 48 te SintWillibrord.
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 en Poppestraat 48 te Sint Willebrord. Het slopen van het schoolgebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 is ontheffingsplichtig wegens de aanwezigheid van twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Davids, 2022b).
In het kader van de ruimtelijke procedure is middels een ecologische quickscan getoetst of de voorgenomen werkzaamheden leiden tot verstoring of schade aan beschermde flora en fauna en derhalve tot overtreding van Wet natuurbescherming (Wnb). Uit deze quickscan bleek dat negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten konden worden voor de huismus en gebouwbewonende vleermuizen (Davids, 2022a). Middels aanvullend ecologisch onderzoek is vastgesteld dat één van de te slopen schoolgebouwen een functionele betekenis heeft als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen (Davids, 2022b). Voorliggend Mitigatieplan is opgesteld voor de ontheffingsaanvraag van het schoolgebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 inzake Wnb voor overtreding van verbodsbepaling artikel 3.5 lid 2 (verstoren vleermuizen) en lid 4 (wegnemen vleermuisverblijfplaatsen).
4
Plangebied Het te slopen schoolcomplex bestaat uit meerdere gebouwen. Het schoolcomplex is in het centrum van Sint-Willibrord gesitueerd. Het schoolcomplex bestaat uit vier gebouwen. De hoofdgebouwen zijn gebouwd in 1944 en 1985. De gymzaal en combigebouw zijn gerealiseerd respectievelijk in 1985 en 2003. De gebouwen bestaan uit verschillende bouwlagen en zijn opgetrokken uit gemetselde muren en een zadeldak met dakpannen en platte bitumen daken. Het schoolcomplex is gesitueerd tegenover het Processiepark St Willibrord. De directe omgeving bestaat uit tuinen, parken, voetpaden, brandstegen, wegen, parkeerplaatsen en openbaar groen. Een uitgebreidere beschrijving van het plangebied en een fotografische impressie hiervan zijn opgenomen in de rapportages van de quickscan (Davids, 2022a).
1.2
Soorten Er wordt ontheffing aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis (tabel 1.2). Voor exacte adressen en gebruikte openingen van de aangetroffen verblijfplaatsen wordt verwezen naar het aanvullende ecologische onderzoek (Davids, 2022b). Tabel 1.1
De soorten waarvoor ontheffing in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Tevens is benoemd welk type en aantal functie(s) verloren zal gaan (Davids, 2022b).
Soort Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
1.3
Type
Aantal wegnemen
Aantal behouden
Zomer
2
1
Overtreding Wnb art. 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren) art 3.5 lid 4 (vernielen verblijfplaats)
Beoogde werkzaamheden en planning De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het slopen van alle bestaande bebouwing ten behoeve van de realisatie van een nieuw schoolcomplex. Ten behoeve van de beoogde ingreep worden mogelijk bomen gekapt. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen (onzeker): kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
1.4
Periode ontheffing De ontheffing wordt aangevraagd vanaf 1 september 2024 tot 1 november 2028. In deze periode is reeds een eventuele uitloopperiode meegenomen. Door onvoorziene omstandigheden kunnen werkzaamheden mogelijk niet tijdig worden opgestart of uitgevoerd. Daarnaast is een extra periode ingecalculeerd voor het mogen verwijderen van de tijdelijke voorzieningen, nadat de permanente voorzieningen gerealiseerd zijn en er een gewenningsperiode heeft plaatsgevonden.
1.5
Wettelijk kader ontheffing Bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Habitatrichtlijn (art. 3.8 lid 5) a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. er is sprake van een wettelijk belang; c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 5
2 Mitigerende maatregelen Om negatieve effecten te verzachten, te voorkomen en/of functies te herstellen zijn mitigerende maatregelen benodigd. Deze maatregelen worden onderstaand beschreven.
2.1
Gewone dwergvleermuis Werken buiten de kwetsbare periode Voor vleermuizen is de winterperiode het meest kwetsbaar. Bij lage temperaturen zijn vleermuizen niet actief en kunnen worden verwond of gedood door spouwisolatie, dakisolatie of sloop. Tussen 15 mei en 15 juli is het kraamseizoen van gewone dwergvleermuizen. De minst kwetsbare perioden voor gewone dwergvleermuizen zijn 15 april t/m 15 mei en 1 september t/m 15 oktober. De huidige vleermuisverblijfplaatsen worden ongeschikt gemaakt in de minst kwetsbare periode. Ongeschikt maken vleermuisverblijfplaatsen De huidige vleermuisverblijfplaatsen worden onder begeleiding van een ter zake deskundige ecoloog ongeschikt gemaakt op het moment genoemd in tabel 3.5. De minimale weersomstandigheden voor het ongeschikt maken zijn een temperatuur van minimaal 8 graden Celsius bij zonsondergang, maximaal windkracht 4 Bft en maximaal lichte regen. ‘Exclusion flaps’, die om de 2 meter geplaatst worden, zorgen ervoor dat vleermuizen nog wel het gebouw uit kunnen, maar middels het afdichten van de aanwezige openingen met weringsborstels, rondschuim of ander materiaal kunnen vleermuis de bebouwing niet meer kunnen betreden. De voorzieningen worden minimaal 3 aaneengesloten dagen ingezet. Er wordt expliciet geen gebruikgemaakt van folie, netten of purschuim. Tabel 2.1
De vleermuisverblijfplaatsen en het moment van ongeschikt maken.
Adres
Soort
Functie
Pastoor Bastiaansensingel 21
Gewone dwergvleermuis
Zomer
Ongeschikt maken 1 september – 15 oktober of 15 april – 15 mei
Controlebezoek voorafgaand aan renovatie Tussen het ongeschikt maken en de uitvoering van de sloop wordt met een controlebezoek uitgesloten dat er vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. De controleronde dient 3 dagen na het ongeschikt maken plaats te vinden. Het controlebezoek wordt uitgevoerd bij een avondbezoek vanaf zonsondergang of bij een ochtendbezoek tot zonsopkomst, conform het Vleermuisprotocol 2021. De minimale weeromstandigheden hierbij zijn een temperatuur van minimaal 8 graden Celsius bij zonsondergang, maximaal windkracht 4 Bft en maximaal lichte regen. Realiseren tijdelijke alternatieve voorzieningen Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden worden er voor de vleermuizen tijdelijke alternatieve voorzieningen getroffen om de periode tussen het ontoegankelijk of ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen en het realiseren van de permanente alternatieve voorzieningen te overbruggen. In totaal worden er 8 vleermuiskasten (type VivaraPro VK WS 11) geplaatst aan gebouwen in de directe omgeving (figuur 2.1). Deze voorzieningen zijn bewezen effectief. De vleermuiskasten worden op een voor de vleermuis geschikte plek aangebracht. Voor zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen geldt een minimale gewenningsperiode van 3 maanden.
Bij de planning van de werkzaamheden vanaf 1 september 2024 worden de tijdelijke vleermuiskasten uiterlijk vóór 1 juni 2024 geplaatst.
6
Voor het onder begeleiding van een ter zake deskundige ecoloog verwijderen van de tijdelijke vleermuiskasten na afloop van de sloop dient weer de minimale gewenningsperiode in acht te worden genomen. Bij het plaatsen van de tijdelijke vleermuiskasten gelden de volgende voorwaarden (BIJ12, 2017): • per weggenomen vleermuisverblijfplaats worden minimaal 4 alternatieve vleermuiskasten geplaatst; • de vleermuiskasten worden op verschillende oriëntaties aangeboden; • maximale afstand van 200 meter van de huidige vleermuisverblijfplaats, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden; • op minimaal 3 m hoogte en met vrije in- en uitvliegroute; • voldoende veiligheid tegen predatoren en minimale verstoring van kunstmatig licht.
Figuur 2.1 Locaties van de tijdelijke vleermuiskasten. Realiseren permanente voorzieningen Voor gewone dwergvleermuis worden de alternatieve voorzieningen gerealiseerd in de gevel van het nieuwe schoolcomplex. De permanente inbouwstenen dienen te voldoen aan afmetingen van 50x80 (kennisdocument Gewone dwergvleermuis). Aan deze afmetingen zijn te voldoen doormiddel van 3x2 VMPM1 van Unitura inbouwstenen aan elkaar te koppelen (figuur 2.2). Hiernaast kan er ook IB VL 10 inbouw-vleermuizenkast in combinatie met IB VL 09 entreesteen voor gebruikt worden. Voor het weghalen van een zomerverblijfplaats dient er met een factor van 4 gemitigeerd te worden. In totaal worden twee zomerverblijfplaats verwijderd. Hiervoor dienen er 8 permanente vleermuisverblijfplaatsen creëert te worden. Om aan de eisen van het kennisdocument te voldoen kunnen er 6x8 inbouwstenen aangeschaft worden (VMPM1) of 8 IB VL 10 (plus 8 IB VL 09 Entreestenen) gebruikt worden. Dit houdt dat er 48 inbouwstenen gebruikt worden van het type Unitura VMPM1 of 8 inbouwstenen van IB VL 10. Deze inbouwstenen kunnen aan elkaar geketend worden. Deze voorzieningen zijn bewezen effectief. De permanente verblijfplaatsen dienen aangebracht te worden op verschillende oriëntatiepunten van de bebouwing (figuur 2.3 en 2.4).
7
Figuur 2.2 Overzicht van de permanente voorzieningen voor gewone dwergvleermuis.
Figuur 2.3 Voorlopige visie van de beoogde ontwikkeling. Bovenstaande tekening dient alleen als voorbeeld voor de permanente verblijfplaatsen en is geen representatie van het uiteindelijke eindbeeld van de beoogde ontwikkeling. Behouden van leefgebied vleermuizen De werkzaamheden hebben invloed op de vleermuisverblijfplaatsen. De groenstructuren die onderdeel zijn van het functioneel leefgebied van vleermuizen blijven mogelijk behouden. Deze bomen behoren niet tot het essentiële leefgebied van vleermuizen (Davids, 2022a). Er is geen sprake van het wegnemen van groenstructuren die essentieel zijn in het functioneren van vleermuisverblijfplaatsen.
8
3 Staat van instandhouding 3.1
Gewone dwergvleermuis Door de beoogde werkzaamheden zullen er twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis ongeschikt raken. Er zullen 8 tijdelijke gevelkasten binnen een straal van 200 m geplaatst worden. Er is daarnaast één zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aangetroffen in de directe omgeving van de planlocatie, welke behouden blijft. In een straal van 2 km zijn er circa 825 waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis (NDFF, 2013-2023). Dit betreffen voornamelijk foeragerende individuen en ‘ter plaatse’ waarnemingen. De praktijk laat blijken dat ‘ter plaatse’ waarnemingen ook foeragerende-, roepende- en overvliegende individuen kunnen betreffen gezien de waarnemer niet altijd het juiste gedrag kan beoordelen. Naast deze waarnemingen zijn er vastgestelde waarnemingen van roepende individuen bekend. Hierdoor en door het aantreffen van een verblijfplaats buiten de planlocatie is het aannemelijk dat de omgeving van de planlocatie eveneens beschikt over voldoende aanbod van geschikte verblijfplaatsen, welke door de gewone dwergvleermuis tijdens de werkzaamheden als alternatief c.q. uitwijkmogelijkheid gebruikt kunnen worden. Daarnaast zullen er uiteindelijk 8 permanente voorzieningen aangeboden worden in de beoogde situatie, waardoor de soort weer in de toekomst terecht kan binnen het plangebied.
Hoewel de gewone dwergvleermuis relatief hoge eisen heeft voor kraam- en massawinterverblijfplaatsen, zijn de eisen die gesteld worden aan zomerverblijfplaatsen laag. Geschikte zomerverblijfplaatsen kunnen zich namelijk al bevinden achter gevelbetimmering, achter vensterluiken en in spleten en nissen in muren. De gewone dwergvleermuis maakt gebruik van een netwerk aan meerdere verblijfplaatsen en wisselt regelmatig tussen verblijfplaatsen die geschikt zijn voor eenzelfde functie (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017). Dit wordt mede ondersteund door het gegeven dat de gewone dwergvleermuis gemiddeld eens in de 12 dagen van verblijfplaats wisselt (Dietz et al., 2012). Het ongeschikt maken van twee zomerverblijfplaats leidt derhalve niet tot het volledig wegnemen van alle bruikbare (zomer-) verblijfplaatsen van het desbetreffende individu, maar slechts tot een tijdelijke beperking in aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen binnen de planlocatie. Door middel van het plaatsen van 8 tijdelijke vleermuiskasten wordt deze tijdelijke beperking ondervangen. De tijdelijke kasten zullen ten alle tijde toegankelijk zijn voor vleermuizen gedurende de gewenningsperiode en werkzaamheden.
Door de hoeveelheid waarnemingen van de gewone dwergvleermuis die buiten het plangebied zijn aangetroffen kan aangenomen worden dat in de directe omgeving voldoende andere verblijfplaatsen aanwezig zijn en dat de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis zeer gunstig is. Daarbij zullen de permanente verblijfplaatsen op meerdere oriëntatiepunten geïntegreerd worden, wat de acceptatie zal bevorderen. Regionaal Binnen de beoogde ontwikkeling zullen er twee zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis verwijderd worden. De effecten worden op een lokaal niveau gemitigeerd waardoor op lokaal niveau geen negatieve effecten verwacht worden. Gezien er slechts sprake is van het wegnemen van twee zomerverblijfplaatsen en de gewone dwergvleermuis een zeer algemene soort is in Noord-Brabant is er geen sprake van een significant negatief effect op de regionale staat van instandhouding wegens de beoogde ingreep (Vleermuiswerkgroep Noord-Brabant).
9
Landelijk De gewone dwergvleermuis is de meest algemeen voorkomende vleermuis van Nederland. In elk kilometerhok is de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis bekend (figuur 3.1) (NDFF, 2022). Daarnaast is er een matige toename te zien in de populatietrend van de gewone dwergvleermuis (3.2) (Zoogdiervereniging Telganger, 2021). Doordat de gunstige staat van instandhouding op lokaal niveau is gewaarborgd, is deze ook op regionaal niveau gewaarborgd. Daarnaast worden de te verwijderen zomerverblijfplaatsen gemitigeerd, waardoor er vóór, tijdens en na de werkzaamheden voldoende alternatieve verblijfplaatsen aanwezig zijn.
Figuur 3.1 Verspreiding van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) over de atlasblokken van Nederland (NDFF, 2022).
10
Figuur 3.2 Matige toename van de aantallen gewone dwergvleermuizen over de periode 2015-2020 (Zoogdiervereniging Telganger, 2021).
11
4 Alternatievenafweging Onderstaand wordt geëvalueerd of er alternatieve ingrepen, ten aanzien van de beoogde sloop, negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis kunnen verminderen of voorkomen. Ontwikkelingen op een alternatieve locatie Gezien de werkzaamheden plaatsvinden op het bouwvlak van het reeds aanwezige schoolcomplex, zijn de werkzaamheden locatiegebonden. Indien de werkzaamheden op een andere locatie in de directe omgeving plaats zouden vinden, dient hiervoor ruimte vrijgemaakt te worden. De planlocatie is centraal gelegen in Sint Willibrord en de directe omgeving bestaat voornamelijk uit bestaande bebouwing, parkeerplaatsen en parken. De omgeving van het dorp bestaat voornamelijk uit agrarisch landschap afgewisseld met bebouwing. Voor het realiseren van een schoolcomplex in de omgeving van het plangebied zou bebouwing of bestaande natuur moeten wijken. Dit zou negatieve effecten hebben op bestaande natuurwaarden zoals eventuele aanwezige nestlocaties/ verblijfplaatsen/ standplaatsen en foerageergebied van (beschermde) flora en fauna. Daarnaast kan de realisatie van een nieuw schoolcomplex in het buitengebied nadelig zijn voor de algemene veiligheid en toegankelijkheid van ouders en kinderen.
Derhalve leidt het uitvoeren van de werkzaamheden op het reeds bestaande schoolcomplex niet tot meer negatieve effecten op natuurwaarden ten opzichte van wanneer de werkzaamheden op een andere locatie uitgevoerd worden. De werkzaamheden zijn derhalve locatiegebonden. Inpandige renovatie en transformatie van het schoolcomplex Een andere optie is om het nieuwe schoolcomplex te realiseren in de bestaande bebouwing. Het schoolbestuur en schoolteam heeft aangegeven dat de bouwkundige staat en het binnenmilieu van het schoolgebouw aan de Pastoor Bastiaansingel 21 niet aan de eisen voldoet (Jansen & Houët, 2017). Doordat het schoolcomplex niet meer aan bovenstaande eisen voldoet kan dit een negatief effect hebben op verschillende aspecten bijvoorbeeld de gezondheid en leerkwaliteit. Daarnaast is het schoolgebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 opgeleverd in 1985, sindsdien zijn er geen grootschalige onderhoudswerkzaamheden uitgezet. Bij gebouwen uit deze bouwperiode kunnen de volgende problemen ontstaan waaronder, warmteverlies door onvoldoende isolatie, dakbedekking van bitumen is verouderd, kozijnen en houten gevelafwerking die aan vervanging toe zijn en slechte ventilatie door verouderde mechanische ventilatieboxen. Er kan gekozen worden voor inpandige renovatiewerkzaamheden.
Gelet op de huidige bouwkundige staat van de school en de mogelijkheden zijn niet alle isolatiemogelijkheden even effectief. Isolatie van binnenuit behoort eveneens tot de mogelijkheden. Deze isolatie is echter beduidend minder effectief en leidt tot veel overlast voor de leerlingen. De renovatie wordt uitgevoerd in actieve toestand, dat wil zeggen dat inpandige isolatie tot tijdelijke verhuizing van de leerlingen en leraren leidt of tot een onevenredig grote overlast. Dit is niet wenselijk voor alle gebruikers van de basisschool en hierbij met name voor de kinderen. Daarnaast zal inpandige isolatie niet leiden tot dezelfde isolatiewaarden als uitpandige isolatie aangezien bij inpandige isolatie een aantal bestaande koudebruggen niet verholpen kunnen worden, en het optimale energielabel niet behaald kan worden. Dit betreffen onder andere koudebruggen ter hoogde van de dakgoot. Tevens zijn bij inpandige isolatie ingrepen aan de buitenkant van de school, betreffende het vervangen van kozijnen, houten dakrand en glaswerk en het herstel van het voegwerk nog steeds noodzakelijk waardoor overlast voor de leerlingen en leraren gecombineerd wordt met verstoring van beschermde fauna. Derhalve is er geen ander bevredigend alternatief aanwezig voor de beoogde renovatie.
Het slopen van het school gebouw ten behoeve van het realiseren van een nieuwe school zal de leraren en leerlingen relatief weinig overlast geven in vergelijking met inpandige isolatie.
12
5 Wettelijk belang Conform Wnb art. 3.8 lid 5b kan een ontheffing uitsluitend worden verkregen indien de activiteit nodig is met een wettelijk belang. De ontheffing van de Wnb wordt aangevraagd op grond van de belangen: •
5.1
Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale, economische aard of met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (Wnb, art. 3.8, lid 5b, 3⁰).
Groeiend leerlingaantal en grotere ruimtebehoefte In de komende 10 jaar vinden er in Rucphen, Sint Willebrord en Sprundel grote woningbouwontwikkelingen plaats. Op basis hiervan wordt verwacht dat het aantal, naar basisschool gaande, kinderen in Sint Willibrord zal toenemen (ICS Adviseurs, 2019). Er is een prognose opgesteld voor basisschoolcomplex ‘Heilinde’. Op basis van de prognose wordt een kleine daling van het aantal leerlingen op de Heilinde verwacht. Echter door de verschillende bouwontwikkelingen in Sint Willibrord kan de prognose anders uitvallen. Tevens is er sinds 2013 tot 2022 een stijgende trend aanwezig in het aantal inwoners van Sint Willebrord. Door eens stijging in het aantal inwoners zal de behoefte voor de scholen en kinderopvang in de toekomst stijgen (CBS.nl). Om aan deze stijging in het aantal inwoners en mogelijke stijging in het aantal kinderen in Sint Willebrord te voldoen is uitbreiding en vernieuwing van basisschool Heilinde noodzakelijk (ICS Adviseurs, 2019). Heilinde betreft tevens de enige basisschool in Sint Willibrord. Hierdoor is het uitwijken van leerlingen naar een alternatieve basisschool binnen Sint Willibrord niet mogelijk is.
5.2 Gezondheid en duurzaamheid Het schoolgebouw aan de Pastoor Bastiaansingel 21 is in 1988 gebouwd. Gebouwen die voor 1990 zijn gebouwd zijn verouderd en tonen vaker gebreken. Voorbeelden van deze gebreken zijn warmteverlies door onvoldoende isolatie, dakbedekking van bitumen is verouderd, kozijnen en houten gevelafwerking die aan vervanging toe zijn en slechte ventilatie door verouderde mechanische ventilatieboxen (ICS Adviseurs, 2019; regionaalenergieloket.nl, 2023). Daarnaast heeft het schoolbestuur aangegeven dat de technische staat van het complete schoolcomplex algemeen redelijk is, maar de installaties ronduit slecht zijn. Door de aanwezigheid van slechte installaties is er sprake van een slecht binnenklimaat. Hierdoor kan dit ten koste gaan van de prestaties van de leerlingen. Naast een slechte beoordeling op binnenklimaat scoort het schoolcomplex ook laag op de functionaliteit. Het schoolbestuur van de ‘Heilinde’ geeft aan dat er problemen spelen bij het gebruik van werkomgevingen, het speelplein en de veiligheid. Huidige vluchtroutes zijn niet functioneel (ICS Adviseurs, 2019). De Borgesius stichting heeft als doel om van het schoolcomplex ‘Heilinde’ een Frisse School te maken. In een Frisse School is er extra aandacht voor energie, luchtkwaliteit, temperatuur, licht en geluid (www.rvo.nl).
Door de aanwezigheid van verouderde isolatiemaatregelen zijn de energielasten hoger en is er sprake van hoge fluctuaties in temperaturen en luchtkwaliteit. Volgens het in 2019 gesloten Klimaatakkoord moet een op de vijf Nederlandse huizen en gebouwen in 2030 van het gas af zijn (www.rijksoverheid.nl). Nog te bouwen bouwwerken (nieuwbouw) krijgen sinds 1 juli 2018 in beginsel geen aardgasaansluiting meer. De wetgever heeft de Gaswet gewijzigd en zodoende is de uitfasering van het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving in gang gezet. Om het mogelijk te maken dat het schoolcomplex van aardgas afgaan, is de realisatie van een nieuw schoolcomplex noodzakelijk. Het schoolgebouw op de planlocatie wordt intensief gebruikt en is in bezit van gedateerde isolatiematerialen en een gasaansluiting. Hierdoor is er sprake van verhoogde stookkosten en CO2-emissie. Het nieuwe schoolcomplex zal zonder gasaansluiting en met hogere isolatiewaarden gerealiseerd worden. Hierdoor wordt er minder energie gebruikt om deze te verwarmen. De betreffende beoogde ontwikkeling (c.q. sloop en nieuwbouw) past derhalve in het vorengenoemde afgesloten Klimaatakkoord en de huidige bouweisen. 13
Door bovenstaande is de initiatiefnemer van mening dat er sprake is van een beoogde ontwikkeling met een wettelijk belang met betrekking op duurzaamheid, gezondheid, de groei in het aantal leerlingen en dwingende redenen van groot openbaar belang (milieu wezenlijke gunstige effecten en economische aard).
14
Bronvermelding Damen, O., 2019. Integraal Huisvestingsplan Onderwijs. Toekomstbestendige opvang – en onderwijshuisvesting in de gemeente Rucphen Davids, L., 2022a. Quickscan Wet natuurbescherming Pastoor Bastiaansensingel 21 te Sint Willebrord. Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Davids, L., 2022b. Huismus- en vleermuisonderzoek aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te Sint Willebrord. Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming. Blom Ecologie B.V., Waardenburg. Dietz, C., Helversen, O., Nil, D. 2011. Vleermuizen, alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur en Zoogdiervereniging. Jansen I.M. & Houët. W., 2017. Haalbaarheidsonderzoek Herhuisvesting basisschool Maria Goretti en Willibordusschool te St. Willibrord. Zoogdiervereniging, 2021. Telganger Netwerk Ecologische Monitoring. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Gebruikte websites www.CBS.nl www.ndff.nl www.regionaalenergieloket.nl www.rvo.nl www.vleermuizeninbrabant.nl
15
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 16