CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

10.2 Toelichting t NL.IMRO.0840.2585K0013-ON01

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 7 april 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan ‘Kom Zegge, Lage Zegstraat naast 8 te Zegge’14.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Huidig m2

Toekomstig m2

Dakoppervlak

0

837

50% verharding achtertuin*

0

976

verharding (wegen en opritten)

0

736

Onverhard terrein

3850

1301

Totaal

3850

3850

* in bovenstaande tabel is conform de Leidraad riolering gerekend met een verhardingspercentage van 50% voor het oppervlak aan achtertuin. Voor het plangebied dient een nieuw rioleringsplan te worden opgesteld voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater en het regenwater. Uitgangspunten voor de verwerking van regenwater en huishoudelijk afvalwater worden vastgesteld door de gemeente Rucphen en de Het Waterschap Brabantse Delta.

Het verhard oppervlak zal toenemen met circa 2550 m2. Conform de beleidsuitgangspunten van de Brabantse waterschappen dient bij een toename van verharding tussen 2000 m 2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen getroffen te worden. De benodigde compensatie wordt berekend door middel van de rekenregel: toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) = benodigde compensatie (in m3) 2550 x 1 x 0,06 = 153,00 m3 Er dient een compenserende voorziening gerealiseerd te worden met een bergend vermogen van 150 m3. Deze voorziening moet voldoen aan de volgende eisen:

 

De bodem van de voorziening boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;

Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

pagina 30 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Uitgangspunten waterbergingsadvies Voor de dimensionering van de eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende parameters van belang: •

de k-waarden van de ondergrond;

•

de afgekoppelde oppervlakken die worden aangesloten op de voorziening;

•

de te verwachten neerslag, evenals de intensiteit ervan.

Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is: 1. hergebruiken; 2. vasthouden; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater. Deze trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is het noodzakelijk om water te bergen of af te voeren naar oppervlaktewater. Bij 'bergen' kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buffersloot met een geknepen afvoer naar een nabij gelegen watergang. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient conform de Brabantse keur 2015 te worden berekend met een bui van 600 m3 per hectare. De initiatiefnemer dient deze berging in principe op eigen terrein te realiseren. Conform het beleid van zowel gemeente als waterschap dient de uitbreiding van het verhard oppervlak namelijk hydrologisch neutraal te zijn. De maatgevende berging uitgaande van een toename van het verhard oppervlak met 2550 m² bedraagt 153 m3. In het plan zijn, tussen de beoogde woningen, een drietal Wadi's voorzien.

Deze wadi's worden onderling gekoppeld en hebben een uitstroomvoorziening richting de zuidelijk gelegen watergang. De wadi's hebben, bij een diepte van 75 centimeter een bergend vermogen van de benodigde 153 m3. De bodem van de Wadi ligt op een diepte van circa 2,75 m +NAP. Ten behoeve van huishoudelijk afvalwater dient een afzonderlijke leiding te worden aangelegd. Het droogweerafvoer-stelsel wordt aangesloten op het bestaande gescheiden stelsel onder de Sier Vroegrijkstraat.

4.3 Geluid Bij nieuw- en/of verbouwplannen worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidbronnen. Het plan ligt binnen een geluidzone van een weg en een spoorlijn. Een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai [2] is dan ook uitgevoerd. Hieronder volgen enkel de conclusies. Het volledige rapport is al bijlage bijgevoegd.

pagina 31 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Conclusies Voor de Lage Zegstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde wel overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Voor de spoorlijn Breda - Roosendaal geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB op meerdere locaties wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente aangezien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen. Uit de resultaten blijkt dat enkel de meest zuidelijk gelegen woningen (woningnummer 05 en 06) niet beschikken over een geluidluwe gevel danwel buitenruimte. Uit tussenresultaten is gebleken dat bij toepassing van een scherm met een hoogte van 2 meter ter plaatse van de erfafscheiding aan de zuidkant van het plangebied, de voornoemde woningen grenzend aan deze erfafscheiding op de begane grond beschikken over een geluidluwe gevel. Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig.

Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd en is er dus te allen tijde sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.4 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de “Wet luchtkwaliteit”. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer kent een aantal nieuwe begrippen zoals 'niet in betekenende mate' (NIBM) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor nieuwe plannen betekent dit dat er nagegaan dient te worden of het plan past binnen het Besluit en/of de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’. Kleine en grote projecten Niet alle ruimtelijke projecten hoeven in het NSL te worden opgenomen. Nederland telt ongeveer 5000 bouwprojecten. Het overgrote deel ervan heeft vrijwel geen invloed op de luchtkwaliteit. Daarom wordt er onderscheid gemaakt tussen ‘kleine’ en ‘grote’ projecten. Enkel grote projecten dragen ‘in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip ‘in betekenende mate’ precies inhoudt, staat in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).

In hoofdlijnen komt het erop neer dat ‘grote’ projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een ‘betekenend’ negatief effect hebben op de luchtkwaliteit.

pagina 32 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

‘Kleine’ projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Hieronder vallen onder andere woningbouwprojecten van meer dan 1500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor kantoorlocaties met één ontsluitingsweg geldt een grens van 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Onderhavig project betreft de realisatie van 10 woningen en is een dermate klein project dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Desalniettemin is met behulp Atlas Leefomgeving vastgesteld of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen. Op de onderstaande afbeelding is te zien dat er ruim wordt voldaan aan de norm van 40 μg/m3 voor fijn stof (de waarde ter plaatse bedraagt 16,75 μg/m3) . Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er derhalve geen belemmeringen voor het realiseren van de voorgestane ontwikkelingen.

Afbeelding 4.2: Weergave actuele situatie luchtkwaliteit, fijn stof (bron: Atlas Leefomgeving)

4.5 Flora en fauna Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Als gevolg van het ruimtelijke plan mag het leefgebied van beschermde flora en fauna namelijk niet worden geschaad. Bovendien mag het ruimtelijke plan geen ‘significant nadelige’ invloed uitoefenen op de wettelijk beschermde gebieden als Natura 2000-gebieden en Natuurmonumenten. In het kader van deze beoordeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, dat als bijlage is bijgevoegd [3]. Onderstaand zijn de conclusies van dit onderzoek opgenomen. Conclusies Het plangebied is op grote afstand van zowel Natura 2000-gebieden als de EHS gelegen. Samen met de aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep zorgt dit ervoor dat geen negatief

pagina 33 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

effect te verwachten is op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS en Natura 2000gebieden. In het plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten dieren voor die vermeld staan in de Wet natuurbescherming. Deze soorten zijn echter niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Voor enkele soorten geldt een algehele vrijstelling. Voor deze soorten is het niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen. Mogelijk in het plangebied voorkomende vogelsoorten zijn feitelijk ontheffingsplichtig. Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden (begin oktober tot half februari) worden geen nadelige effecten verwacht en is ontheffing niet noodzakelijk. Ten aanzien van mogelijk voorkomende vleermuizen geldt dat er geen nadelige effecten te verwachten zijn. Werkzaamheden aan een waterlichaam dienen in het beginsel uitgevoerd te worden in de periode eind augustus tot 1 november. Dit is de periode tussen voorplanting en de winterrust van vissen en amfibieën. Het eventueel (gedeeltelijk) dempen van een waterlichaam dient na 1 oktober te worden uitgevoerd op plaatsen waar bijvoorbeeld de voortplanting van de meerkikker en middelste groene kikker wordt vermoed. Voor alle soorten geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in kwetsbare perioden zoals winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van de afhankelijkheid van de jongen. Als "veilige" periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode half oktober tot eind november. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

4.6 Bedrijven en Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijk ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst geeft

pagina 34 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Ten aanzien van agrarische bedrijven heeft de gemeente Rucphen op 1 februari 2017 een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In 2010 heeft reeds een milieuonderzoek [4] plaatsgevonden naar aanleiding van de toenmalige woningbouwplannen op dezelfde locatie. Door de stagnerende economie zijn deze plannen niet de procedure in gegaan. Gedurende de jaren hebben zich enkele wijzigingen voorgedaan ten aanzien van de aan- of afwezigheid van bedrijven alsmede wijzigingen ten aanzien van wet- en regelgeving. Het onderzoek is daar waar mogelijk wel gebruikt bij de bepaling van de milieuzoneringen en is derhalve toegevoegd als bijlage. In de directe omgeving zijn de volgende (niet-agrarische) bedrijven dan wel milieubelastende activiteiten aanwezig: Straat

Activiteit

Geur

Stof

Geluid

Afstand tot rand

Jongeneelenstraat 13

Tennisbaan

0

0

50

70 meter

Hoge Heistraat 6

Caranvastalling en

30

30

30

260 meter

plangebied

fouragehandel* Hoefstraat 12

Hoveniersbedrijf

30

10

50

195 meter

Lage Zegstraat 5a

Bedrijfsbestemming

30

30

30

85 meter

‘opslag’* * In het bestemmingsplan Buitengebied is een Lijst van bedrijfsactiviteiten bijgevoegd waaruit afgeleid kan worden dat maximaal milieucategorie 2 is toegestaan binnen de bedrijfsbestemming. Voor milieucategorie 2 wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd. Uit bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de aan te houden richtafstanden. Ten aanzien van agrarische bedrijven zijn in de directe omgeving aanwezig: - Lage Zegstraat 11, Melkveehouderij; - Lage Zegstraat 17, Gemengd bedrijf (melkvee, rundvee en boomkwekerij); - Hoefstraat 24, Rundveehouderij. Aan de Hoefstraat 25 en 32 waren in het verleden rundveehouderijen gevestigd, maar op basis van de huidige beschikbare gegevens van Web-BvB Brabant zijn hier momenteel (april 2020) geen dieren meer aanwezig en zijn derhalve buiten beschouwing gelaten. Lage Zegstraat 11 Voor melkvee is op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactor vastgesteld. Hiervoor geldt dan ook een vaste afstand. Op basis van de geurverordening van de gemeente Rucphen bedraagt de aan te houden afstand 50 meter. De afstand tot aan het plangebied bedraagt circa 105 meter. Er zijn dan ook vanuit deze locatie geen belemmeringen voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling.

pagina 35 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Lage Zegstraat 17 Vanwege het melkvee dient hier enerzijds een vaste afstand van 50 meter aangehouden te worden. De afstand tot aan het plangebied bedraagt 450 meter en voldoet daar mee aan de aan te houden afstand. Anderzijds is naast melkvee op deze locatie ook sprake van rundvee. Voor rundvee is wel een geuremissiefactor vastgesteld waardoor een geuronderzoek zal moeten uitwijzen of voldaan kan worden aan de geurnormen uit de geurverordening van de gemeente Rucphen. In het milieuonderzoek uit 2010 is desbetreffende locatie reeds doorgerekend. De vergunning van Lage Zegstraat 17 is slechts ondergeschikt aangepast waardoor de berekening nog steeds representatief is. Voor de woningen in het plangebied geldt een geurnorm van 3 ouE/m3. De maximaal berekende geurbelasting op de woning bedraagt 1,2 ouE/m3. Daarnaast wordt de eventuele beschikbare uitbreidingsruimte van Lage Zegstraat 17 reeds bepaald door de nabij gelegen burgerwoning Lage Zegstraat 15. Gesteld kan worden dat er geen belemmeringen zijn voor de te realiseren woningen. Hoefstraat 24 De afstand tot aan het plangebied bedraagt circa 200 meter. De recent ontwikkelde woningbouwlocatie Hooghei is op een kortere afstand tot aan Hoefstraat 24 gelegen en is derhalve maatgevend. Hoefstraat 24 vormt dan ook geen belemmering voor de nieuw te bouwen woningen aan de Lage Zegstraat.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Wanneer er sprake is van een situatie waarin externe veiligheid een rol speelt en waarin de overheid als bevoegd gezag een beslissing dient te nemen, moet beoordeeld worden of de situatie niet in strijd is met de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. De 'verantwoording van groepsrisico' is ingevoerd met de inwerkingtreding van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Kort gezegd komt het er op neer dat het bevoegd gezag verantwoording aflegt over het groepsrisico en de maatregelen die getroffen zijn om dat risico zoveel mogelijk te beperken. Dit onderzoek beschrijft derhalve vanuit de risicobronnen de consequenties voor het bestemmingsplan.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

pagina 36 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10 -6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

   

de kans op een ongeval; het effect van het ongeval; het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in het plangebied in staat zijn zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. Functie-indeling, infrastructuur, bebouwing, communicatie en alarmering kan op verschillende manieren op zelfredzaamheid inspelen. Zoals door het toepassen van luchtdichte afsluiting in de gebouwen, zodat mensen bij het vrijkomen van een toxische wolk veilig binnen kunnen blijven. Of het wegenplan zodanig inrichten dat de mensen van de risicobron weg kunnen vluchten. Bij het scenario ‘vrijkomen van een toxische stof’ is het van belang dat de aanwezigen in het effectgebied binnen blijven en dat ramen, deuren en ventilatieopeningen worden gesloten. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd om centraal afsluitbare ventilatiesystemen toe te passen. Hierdoor wordt voorkomen dat toxische stoffen binnentreden.

Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het tevens van belang dat er sirenes worden ingezet met de daarbij horende boodschap via radio en televisie. Voorzieningen en maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid leiden er toe dat mensen tijdig het gebied kunnen ontvluchten om zo zichzelf te redden of de ernst van hun verwondingen kunnen beperken. Zelfredzaamheid beïnvloedt hiermee het resteffect. Modelmatig zal dit effect niet altijd kunnen worden gekwantificeerd.

pagina 37 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Beheersbaarheid Met maatregelen en voorzieningen op het gebied van beheersbaarheid kan escalatie van een incident worden voorkomen. Hierdoor wordt het groepsrisico in positieve zin beïnvloedt, neemt de zelfredzaamheid van personen toe en zal het resteffect ook lager uit kunnen vallen. Beheersbaarheid richt zich op de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en daarmee verdere escalatie van een incident kunnen voorkomen. De beheersbaarheid van het incident wordt mede bepaald door de aard van de betrokken stoffen in samenhang met de snelheid waarmee een incident zich ontwikkeld. Enkele maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en beheersbaarheid kunnen samenvattend zijn:

  

extra sirenemasten plaatsen; extra bluswatervoorzieningen aanleggen; voldoende aanrijdroutes voor hulpverleningsdiensten en vluchtwegen voor gebruikers en bewoners aanleggen;

het toepassen van hittewerend of splinterwerend glas bij de risicozijden.

Inventarisatie plangebied en omgeving Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is met name gebruik gemaakt van de "Risicokaart Nederland". Hierbij zijn de volgende risicobronnen aangetroffen:

Spoorlijn Roosendaal-Breda West (trajectnr. 35AH.5) (Afstand tot aan plangebied circa 100 meter);

Buisleiding Gasunie (afstand circa 100 meter);

Spoorlijn Roosendaal-Breda West Tabel 1. Vervoersgegevens gevaarlijke stoffen Stofcategorie

Stoftype

Transporten per

Invloedsgebied

A

Brandbaar gas

jaar

[m]

4350

460

B2

Toxisch gas

2500

995

B3

Zeer toxisch gas

0

>4000

C3

Zeer brandbare

1450

35

vloeistof D3

Toxische vloeistof

50

375

D4

Zeer toxische

50

>4000

vloeistof Conform de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART, 2011) ligt het invloedsgebied op circa 4 kilometer van het spoor. In de HART zijn vuistregels opgenomen voor de toetsing van het plaatsgebonden dan wel de groepsrisicocontour. Toetsing plaatsgebonden risico Op een baanvak hoge snelheid geldt een baanvaksnelheid boven de 40 km per uur.

Vuistregel 1: Een hoge snelheidsbaanvak heeft geen 10-5-contour.

pagina 38 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Onderhavig traject betreft een baanvak met hoge snelheid. Er is derhalve geen sprake van 10-5 contour.

Vuistregel 2: Wanneer het aantal C3 transporten per jaar hoger is is dan 17.000 heeft een hoge snelheidsbaanvak een 10-6-contour.

Het aantal C3-transporten bedraagt niet meer dan 17.000.

Vuistregel 3: Wanneer het aantal C3 transporten per jaar kleiner is dan 17.000 heeft een hoge snelheidsbaanvak geen 10-6-contour als 0.00006*(C3+A+0.3*D3+D4)<1

Het aantal C3 transporten bedraagt 1450. De berekening geeft een resultaat van 0,3519. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risico. Toetsing groepsrisico Toetsing oriëntatiewaarde

Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in ketelwagens=(bulkvervoer) stoffen bevat in de categorie B3 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.

Er vindt geen transport plaats in de categorie B3 plaats.

Vuistregel 2: Wanneer A kleiner is dan 50 en D4 of B2 maken deel uit van de vervoersstroom, pas dan RBMII toe als binnen 200 m van het baanvak aanwezigheidsdichtheden voorkomen van meer dan 200 per hectare.

D4 en B2 maken beide deel uit van de vervoersstroom. Er zijn binnen 200 meter geen functies aanwezig waarbij uitgegaan kan worden van een aanwezigheidsdichtheid van 200 personen/ha of meer.

Vuistregel 3: Wanneer A minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 16 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 17 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

A bedraagt 4350. De afstand tot de as van het baanvak bedraagt circa 115 meter. Uitgaan van worst case (zie tabel 16) wordt in dit geval uitgegaan van 100 meter. In landelijk gebied kan worden uitgegaan van een personendichtheid van circa 25/30 per hectare. Op basis van deze uitgangspunten kan gesteld worden dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden wordt (4350 < 10*8870). Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde

Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in ketelwagens(bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorie B3 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.

Er vindt geen transport plaats in de categorie B3 plaats.

Vuistregel 2: Wanneer A kleiner is dan 50 en D4 of B2 maken deel uit van de vervoersstroom, pas dan RBMII toe als binnen 200 m van het baanvak aanwezigheidsdichtheden voorkomen van meer dan 70 per hectare.

De aanwezigheidsdichtheden van meer dan 70 per hectare komt binnen 200 meter niet voor.

pagina 39 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Vuistregel 3: Wanneer A minder is dan de drempelwaarde in Tabel 16 (eenzijdigebebouwing) of in Tabel 17 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden.

Uitgaande van de uitgangspunten zoals beschreven bij Vuistregel 3 van de toetsing oriëntatiewaarde kan gesteld worden dat ook 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden wordt (4350 < 8870). Buisleiding Gasunie Op circa 100 meter afstand is een gasleiding gelegen van 40 bar. de PR 10-6 contour is gelegen boven de gasleiding. Het invloedsgebied bedraagt 65 meter. Op basis hiervan kan gesteld worden dat deze gasleiding niet van invloed is op de bepaling van het groepsrisico.

4.8 Archeologie Met de erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. Tot 1 juli 2016 waren hiervoor verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en zijn alle wetten en regels ten aanzien van het cultureel en archeologisch erfgoed gebundeld in 1 wet. Nota Archeologie gemeente Rucphen Op 18 september 2019 heeft de gemeente Rucphen de Nota Archeologie vastgesteld waarin het archeologisch beleid is opgenomen, waar op basis van nieuw kaartmateriaal en uitgevoerde onderzoeken het beleid is vastgesteld. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht van het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. In 2010 waren reeds plannen om de voorliggende locatie te herontwikkelen en in dat kader is in 2010 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) [5] verkennende fase uitgevoerd. Hieronder worden enkel de conclusies opgenomen. Het volledige rapport is als bijlage toegevoegd. Conclusies Het plangebied ligt in een gebied waar in de 13e eeuw winning van veen plaatsvond dat vanaf Vroeg Holoceen was gevormd op pleistoceen dekzand. In de 14e eeuw is het gebied landbouwkundig in gebruik genomen.

Het bovenste pakket is een geroerd humeus pakket dat ontstaan is vanaf de 14e eeuw. De roering is hoogstwaarschijnlijk grotendeels moden. Hierdoor, en door de vochtige bodemcondities, is de archeologische verwachting zeer laag voor archeologische resten van na de 13e eeuw (Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd). De top van het pleistocene dekzand, het pakket jonge dekzand, is omgewerkt. Hierdoor moet de op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolthicum worden bijgesteld tot zeer laag. De kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Paleolithicum in de top van het pakket oud dekzand is eveneens door de zeldzaamheid van sporen van menselijke aanwezigheid uit die tijd en door de vermoedelijk vochtige condities waaronder de vorming van het oude dekzand tot stand kwam.

pagina 40 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Door de op het bureau- en veldonderzoek gebaseerde naar verwachting lage kans op het aantreffen van eventuele archeologische waarden wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Op basis van de resultaten wordt geadviseerd om het plangebied op archeologische gronden vrij te geven. Ten aanzien van het aantreffen van toevalsvondsten tijdens de bouwwerkzaamheden geldt op grond van de Erfgoedwet dat deze gemeld dienen te worden bij het bevoegd gezag.

pagina 41 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

5 Planbeschrijving 5.1 Bouwplan In het plangebied worden 10 woningen gerealiseerd in de vorm van twee-onder-kap-woningen en vrijstaande woningen. De woningen zijn gemiddeld 13 meter diep en 5,5 tot 6 meter breed.

Afbeelding 5.1 Weergave nieuwe situatie Aan de voorzijde beschikken de woningen over een tuin van circa 3 meter diep. De achtertuinen zijn circa 14 tot 18 meter diep. Alle woningen beschikken over een garage aan de zijkant van de woning. Er wordt een nieuwe weg aangelegd die de Lage Zegstraat (aan de zuidzijde) verbindt met de Sier Vroegrijkstraat (aan de noordzijde). Tussen de woningen, langs de straat, worden een drietal wadi's gerealiseerd.

5.2 Verkeer en parkeren De gemeente Rucphen heeft in haar ‘Nota Parkeernomen Rucphen’ (2017) uniforme parkeernormen vastgelegd die een duidelijke richting geven aan de mate van faciliteren van parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Er wordt onderscheid gemaakt in soorten gebieden, te weten: zeer stedelijk, sterk stedelijk, matig stedelijk, weinig stedelijk en niet-stedelijk. De kern Zegge is aangemerkt als 'niet-stedelijk'.

pagina 42 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Voor elke functie geldt een eigen kader van parkeernormen. Op basis van de Nota Parkeernomen 2017 geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning voor vrijstaande woningen en 1,7 parkeerplaatsen per woning voor twee-onder-één-kap woningen. In totaal dienen dan ook 17,2 (afgerond 18) parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Er worden in totaal 10 woningen gerealiseerd, die allen beschikken over een garage en lange oprit. Theoretisch gezien is er ruimte voor 3 parkeerplaatsen. Echter in de praktijk wordt het niet op deze manier gebruikt. Vandaar dat op basis van de CROW is gesteld dat hiervoor een berekeningsgetal moet worden gehanteerd van 1,3 parkeerplaats. In totaal worden derhalve op eigen terrein (10 x 1,3 =) 13 parkeerplaatsen gerealiseerd conform de nota parkeernormen. In het openbaar gebied, langs de straat, is tevens ruimte gecreëerd voor langsparkeren. Hier is ruimte voor 5 parkeerplaatsen. In totaal zijn dan ook 18 parkeerplaatsen aanwezig en wordt daarmee voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Rucphen.

pagina 43 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

6 Juridische aspecten 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, regels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding(en) en regels. De volgende randvoorwaarden bepalen de opzet en inrichting van het bestemmingsplan:

    

de digitale raadpleegbaarheid; de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012); de standaard voorschriften van de gemeente Rucphen, welke omgezet zijn naar de eisen/verplichtingen van de SVBP 2012; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding ervan de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden (bouwvlak voor bouwen tot een bepaalde goothoogte en bouwhoogte). Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullend inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012, Wet ruimtelijke ordening (Wro), Besluit ruimtelijke ordening (Bro), alsmede de Wabo. In verband hiermee wordt niet meer gesproken over planvoorschriften en vrijstellingen maar over respectievelijk regels en afwijkingen.

6.2 Toelichting op verbeelding De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond (schaal 1:1000). Op de verbeelding zijn aangegeven:

   

de grens van het plangebied; de bestemming van de in het plangebied gelegen gronden; bouwvlakken; aanduidingen waarnaar in de regels wordt verwezen.

De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. Een bepaalde kleur geeft aan om welke bestemming het gaat. Deze kleur maakt derhalve meteen duidelijk welk artikel uit de regels geraadpleegd moet worden. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen opgericht mogen worden. In het bouwvlak moet het hoofdgebouw gesitueerd worden. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

6.3 Opzet regels Bij het opstellen van de planregels werd uitgegaan van de gemeentelijke blauwdruk bestemmingsplannen en het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;

pagina 44 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld met gebruiks-en bouwregels;

Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en algemene procedureregels.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin de overgangsregels en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de nieuwe bestemmingen aan te geven. Inleidende regels (hoofdstuk 1) Begrippen (art. 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de regels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP 2012. Wijze van meten (art. 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Ter verkrijging van een logische opbouw wordt de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden:

      

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen (optioneel); Afwijken van de bouwregels (optioneel); Specifieke gebruiksregels (optioneel); Afwijken van de gebruiksregels (optioneel); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (optioneel);

  

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (optioneel); Wijzigingsbevoegdheid (optioneel); Specifieke procedureregels (optioneel).

Een bestemming hoeft niet alle elementen te bevatten, dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een bouwvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. In de volgende paragraaf zijn de binnen het plangebied gelegen bestemmingen afzonderlijk opgenomen.

pagina 45 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Algemene regels (hoofdstuk 3) In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels is onder andere een bepaling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. In de Algemene aanduidingsregels zijn algemene gebiedsaanduidingen opgenomen, waaronder de aanduiding 'vrijwaringszone - radar'. In de Algemene afwijkingsregels is aangegeven dat maximaal 10% van de genoemde maatvoeringen mag worden afgeweken middels een omgevingsvergunning. Onder de Algemene wijzigingsregels is aangegeven dat Burgemeester en wethouders bevoegd zijn om geringe veranderingen aan te brengen mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. Hiervoor dient derhalve een wijzigingsplan opgesteld te worden. Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregels is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

6.4 Nadere toelichting op de regels Artikel 3 Groen In dit artikel is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen die onder de noemer Groen en waterberging (wadi's) vallen. Artikel 4 Verkeer In dit artikel is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen die onder de noemer Verkeer vallen. Artikel 5 Wonen In dit artikel is een omschrijving gegeven van de bestemmingen, regels en afwijkingen die behoren tot bestemmingsregels van Wonen. Tevens is in dit artikel bepaald welke beroepsmatige activiteiten toelaatbaar zijn en onder welke voorwaarden ontheffing mogelijk is voor het gebruik van bijgebouwen voor woonruimte ten behoeve van het bieden of ontvangen van mantelzorg.

pagina 46 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

7 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (‘Grexwet’) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijk regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: a.

de bouw van één of meer woningen;

b. de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; c.

de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1000 m² of met één of meer woningen;

d. de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1500 m² bedraagt;

f.

de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m².

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Indien de kosten minder dan € 10.000,- bedragen, kan ervoor gekozen worden deze middels andere wijze dan een exploitatieplan te verhalen. Er wordt een anterieure overeenkomst getekend met de initiatiefnemer het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd.

pagina 47 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

8 Overleg en inspraak De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft. Het voorontwerp van het bestemmingsplan wordt dan ook, in overeenstemming met de gemeentelijke Inspraakverordening, ter inzage gelegd. Ook vindt in deze fase het vooroverleg met diensten van Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaats. De resultaten van zowel het overleg als inspraak worden in de volgende paragrafen weergegeven.

8.1 Zienswijzen Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Kom Zegge, Lage Zegstraat naast 8 te Zegge’ is voor een ieder ter inzage gelegd met ingang van 25 januari 2018 voor een periode van zes weken in het gemeentehuis van de gemeente Rucphen. Daarnaast was het plan digitaal raadpleegbaar via de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbende (overheids)instanties zijn voorts separaat op de hoogte gebracht van de terinzagelegging. Gedurende de termijn van terinzagelegging heeft een ieder over het voorontwerpbestemmingsplan een reactie naar voren kunnen brengen bij burgemeester en wethouders. Naar aanleiding van de terinzagelegging van het voorontwerp ‘Kom Zegge, Lage Zegstraat naast 8 te Zegge’ zijn twee reacties naar voren gebracht. De reacties zijn binnen de termijn van terinzagelegging ingediend en kunnen daarmee als ontvankelijk worden beschouwd. In de notitie inspraakverslag (bijlage) wordt eerst een korte samenvatting van de inhoud van de reacties weergegeven. Daarna worden de reacties van commentaar voorzien. De ingediende reacties hebben geleid tot aanpassingen in het plan. Met name ten aanzien van het aspect water. De beoogde verbreding van de sloot aan de westzijde van het plan is komen te vervallen en er wordt voorzien in een adequate waterberging met wadi's binnen het plangebied.

Daarnaast is het aantal woningen met 2 teruggebracht tot in totaal 10 woningen.

pagina 48 van 49

Ontwerpbestemmingsplan

Voetnoten 1 Verkennend bodemonderzoek Lage Zegstraat ong. (perceel 368) Zegge; Moerdijk Bodemsanering B.V.; kenmerk: 1352.05.161.r1., d.d. 27 september 2016. 2 Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Lage Zegstraat te Zegge; Tritium Advies; 18 januari 2017 (kenmerk: 1602/128/LM-01) 3 Quickscan flora en fauna, Tritium Advies, kenmerk: 1602/128/RV-03, d.d. 3 oktober 2016 4 Onderzoek milieuzonering milieubelastende activiteiten Bestemmingsplan Lage Zegstraat te Zegge; Agel Adviseurs; augustus 2010 (projectnummer: 20100107) 5 Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, versie 1.3 (definitief); Becker & Van de Graaf bv; november 2010.

pagina 49 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9933902/1