09e Buitengebied Rucphen 2020 De Berg 5-7 te Schijf Bijl 2 toel Verkennend bodemonderzoek
Tekst van het document
Bodem en Bouwstoffen
Verkennend Bodemonderzoek en Verkennend onderzoek asbest De Berg 5-7 te Schijf rapport C217809.009/PHE
datum: opdrachtgever:
9 februari 2022 den Pouderoyen B.V., Postbus 83 St. Stevenskerkhof 2 5400 AB UDEN 6511 VZ NIJMEGEN
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
I
VERANTWOORDING
P. Heesakkers Adviseur
Ing. B. van den Bosch Teamleider
Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818, Email: info@archimil.nl Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
II
SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘circulaire bodemsanering 2013’ en het ‘besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de De Berg 5-7 te Schijf is een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740 en NEN 5707. Ter plaatse van de onverharde drupzones van de asbesthoudende bebouwing is een onderzoek naar het voorkomen van asbest uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5707. Ter plaatse van de toekomstige trekkershutten is een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Rucphen
Adres
De Berg 5-7 te Schijf
Kadastraal
Sectie: I
Nr: 2095
Sectie: Q
Nr: 263, 264, 779
Coördinaten
X: 97.740
Y: 390.580
Oppervlakte onderzoekslocatie
4627 m2
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als nietverdacht beschouwd. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5740 en NEN 5707. Regendrupzones Ter plaatse is een onderzoek uitgevoerd, direct in lijn met de strategie voor nader onderzoek naar asbest. Uit het onderzoek volgt dat op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. In de grove fractie van de inspectiesleuven is evenmin asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de mengmonsters van de fijne fractie is plaatselijk in beperkte mate asbest aangetroffen (maximaal 5,0 mg/kgds). In geen van de inspectiesleuven is een gehalte asbest aangetroffen boven de interventie-waarde van 100 mg/kgds. Er is dan ook geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest. Per drupzone is eveneens een mengmonster onderzocht op het gehalte aan PCB’s (in het verleden toegepast als coating van golfplaten). In de toplaag van de oostelijke drupzone van de noordelijke stal is een gehalte PCB’s aangetroffen boven de tussenwaarde (0,68x I-waarde).
Aangezien het onderzoek reeds heeft plaatsgevonden op de meest kritische plaats en er geen sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde, achten wij nader onderzoek hiernaar weinig zinvol. Voor het overige zijn geen substantieel verhoogde gehaltes aangetoond.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
III
Locatie trekkershutten Ter plaatse zijn geen waarnemingen gedaan welke zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De bovengrond blijkt, conform verwachting, niet verontreinigd te zijn met één van de componenten waarop is onderzocht. Hiermee is de nulsituatie afdoende vastgelegd. Verkennend onderzoek asbest resterend terrein Uit het onderzoek volgt dat op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. In de grove fractie van de puinhoudende bodem van inspectiegat G103 is een matige bijmenging met asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen, wat leidt tot een indicatief gewogen gehalte van 252,5 mg/kgds. In de grove fractie van de overige inspectiegaten is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de mengmonsters van de fijne fractie is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen. Ter plaatse van gat G103 wordt de norm voor nader onderzoek naar asbest, van 50 mg/kgds, ruimschoots overschreden. Voor het overige is op of in de bodem geen asbest aangetroffen. Gelet op de locatie, in een hoek van de schuur en aangezien in de bodem van het resterend deel van de locatie geen asbest is aangetoond, zal hier vermoedelijk bij de bouw van de schuur asbest in de bodem terecht zijn gekomen en zal naar verwachting sprake zijn van een verontreiniging met een beperkte omvang. Dit dient echter nog wel bevestigd te worden middels een nader onderzoek.
De hypothese heterogeen verdachte locatie kan op basis hiervan voor asbest worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten. Verkennend bodemonderzoek resterend terrein Uit het onderzoek volgt dat de grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) van het noordelijke deel van de locatie licht verontreinigd is met PAK’s. De grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) ter plaatse van de weg en ter plaatse van het zuidelijk terreindeel is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met koper en zink. De hypothese heterogeen verdachte locatie dient voor de bovengrond formeel te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. De hypothese niet-verdachte locatie kan voor het grondwater worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat het gehalte aan asbest ter plaatse van inspectiegat G103 aanleiding geeft tot een nader onderzoek naar asbest. Ons inziens behoeven er voor het overige, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan bestemmingswijziging van de onderzochte locatie. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden of wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
IV
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1 2. VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1. GEOGRAFISCHE GEGEVENS.................................................................................................................3 2.2. HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK................................................................................................3 2.3. MILIEUVERGUNNINGEN .....................................................................................................................5 2.4. BODEMONDERZOEKEN ......................................................................................................................5 2.5. TOEKOMSTIG GEBRUIK .....................................................................................................................6 2.6. BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE ................................................................................................7 2.6.1. Algehele bodemkwaliteit ....................................................................................................7 2.6.2.
PFAS .................................................................................................................................8 2.7. CONCLUSIE VOORONDERZOEK ............................................................................................................9 3. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK........................................................................10 3.1. REGENDRUPZONES ........................................................................................................................10 3.1.1. Locatie-inspectie ..............................................................................................................10 3.1.2. Onderzoek contactzone ....................................................................................................10 3.2. LOCATIE TREKKERSHUTTEN (CIRCA 2500 M2) ....................................................................................11 3.3. RESTEREND TERREIN ......................................................................................................................11 3.3.1. Vooronderzoek en locatie-inspectie ...................................................................................11 3.3.2. Opzet bodemonderzoek.....................................................................................................11 3.4.
ANALYSES ...................................................................................................................................11 3.4.1. Analysepakketten ............................................................................................................12 3.5. UITVOERING BODEMONDERZOEK .......................................................................................................12 4. WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE ........................................................................14 5. RESULTATEN...............................................................................................................................15 5.1. REGENDRUPZONE ..........................................................................................................................15 5.1.1. Maaiveldinspectie ............................................................................................................15 5.1.2. Onderzoek contactzone ....................................................................................................15 5.1.3. Resultaten asbestonderzoek .............................................................................................15 5.1.4. Conclusie .........................................................................................................................16 5.2.
TREKKERSPLAATSEN......................................................................................................................16 5.2.1. Uitvoer .............................................................................................................................16 5.2.2. Analyseresultaten ............................................................................................................16 5.3. RESTEREND TERREIN ......................................................................................................................17 5.3.1. Maaiveldinspectie ............................................................................................................17 5.3.2. Onderzoek contactzone ....................................................................................................17 5.3.3. Veldwerk grond ................................................................................................................17 5.3.4. Veldwerk grondwater .......................................................................................................17 5.3.5. Resultaten asbestonderzoek .............................................................................................18 5.3.6. Resultaten verkennend bodemonderzoek ..........................................................................19 6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................21 TABELLEN ...........................................................................................................................................23 Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
V
Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 ............................................................................................................. analyseresultaten Bijlage 6 ........................................................................................................................ referenties
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
1.
1
INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK
In verband met de gewenste bestemmingswijziging aan De Berg 5-7 te Schijf is door Pouderoyen BV schriftelijk opdracht verleend om een verkennend bodemonderzoek op bovengenoemde locatie uit te voeren. Het doel van het verkennend bodemonderzoek bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de grond en het freatische grondwater op het te onderzoeken terrein. Voor de milieuhygiënische verklaring kan dit onderzoek dienen als bewijs voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Regeling bodemkwaliteit artikel 4.3.4) in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit. Het doel van het verkennend onderzoek naar asbest is om, met een relatief geringe onderzoeksinspanning, na te gaan of de verdenking van (bodem)verontreiniging met asbest terecht is. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van NEN 5740 [2] en NEN 5707 [13] conform de BRL2000 met bijhorende protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodemonderzoek [3]. De grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de parameters welke opgenomen zijn in het NEN-pakket of op eventueel verdachte componenten. De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering 2013 [8].
Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de verzamelde gegevens van de onderzoekslocatie en/ of de daaromheen liggende percelen, welke tijdens het vooronderzoek naar voren zijn gekomen. De opzet en uitvoering van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt het toetsingskader van de resultaten gepresenteerd waarna in hoofdstuk 5 de gevonden resultaten besproken zullen worden. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusies besproken en worden enkele aanbevelingen gedaan. De in de tekst aangehaalde literatuurbronnen zijn opgenomen in bijlage 6. Contactpersoon voor de opdrachtgever was de heer G. Willems.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
2
Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
2.
3
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek met betrekking tot het bodemonderzoek is uitgevoerd op het standaardniveau, conform NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over de locatie van het bodemonderzoek, door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente, houden van interviews, uitvoeren van terreininspectie en archiefonderzoek. De te verzamelen informatie heeft betrekking op het voormalige gebruik, het huidige gebruik, het toekomstige gebruik, de bodemopbouw, de geohydrologische situatie en financieel-juridische aspecten. Hiervoor worden de volgende informatiebronnen geraadpleegd: milieuvergunningdossiers, archief bodemonderzoeken, etc. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van deze (geraadpleegde) informatiebronnen en de verkregen informatie. Op basis van de verzamelde informatie wordt het veld- en chemisch onderzoek goed voorbereid en wordt de onderzoekshypothese voor het verkennend of nader bodemonderzoek opgesteld. Ook worden de resultaten van het vooronderzoek gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. 2.1.
Geografische gegevens De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Rucphen
Adres
De Berg 5-7 te Schijf
Kadastraal
Sectie: I
Nr: 2095
Sectie: Q
Nr: 263, 264, 779
Coördinaten
X: 97.740
Y: 390.580
Oppervlakte onderzoekslocatie
4627 m2
Op de onderzoekslocatie is er voor zover bekend geen sprake van een calamiteit of overtreding van voorschriften in het kader van de Wet Milieubeheer en/of Wet Bodembescherming en/of andere milieuregelgeving. 2.2. Huidig en voormalig bodemgebruik De onderzoekslocatie betreft het agrarische erf van De Berg 5. Oostelijk van de onderzoekslocatie is het erf van De Berg 7 gelegen, wat niet behoort tot de onderzoeken locatie. Ter plaatse van het erf staat een woning met enkele bijgebouwen. Achter het erf van De Berg 7 ligt een weiland. Het voornemen bestaat om op circa 2500 m2 hiervan trekkershutten te Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
4
plaatsen. Derhalve behoort dit deel van De Berg 7 wel tot de onderzoekslocatie. Ter illustratie zijn de te onderzoeken terreindelen geel gearceerd. Op het noordelijke deel van de De Berg 5 is een stal aanwezig, welke voorzien is van asbesthoudende golfplaten. Bekend is dat een deel van de golfplaten beschadigd is. De bebouwing is niet voorzien van regengoten. Derhalve is aan de oost- en westzijde sprake van een tweetal onverharde drupzones. Op het zuidelijke deel van de locatie is een woning aanwezig, welke gedekt is met dakpannen. Oostelijk daarvan is een schuur aanwezig, welke eveneens gedekt is met asbesthoudende golfplaten. De bebouwing is niet voorzien van regengoten. Derhalve is aan alle zijdes vermoedelijk sprake van onverharde drupzones. Ten zuiden van de schuur is tussen 2015 en 2017 een stal gesloopt. Aangezien nadien grondverzet heeft plaatsgevonden wordt onderzoek ter plaatse van de mogelijk aanwezige drupzones weinig zinvol geacht. Vanuit de Berg is rondom de zuidelijke bebouwing een pad aanwezig, wat (deels) verhard is met puin. Het resterend deel van het onderzoeksterrein is voor zover bekend niet opgehoogd met bodemvreemde materialen zoals puin, sintels of gebroken asfalt. Op de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend geen olietanks in of op de bodem gelegen.
Er zijn voor het overige geen gegevens bekend omtrent eventuele activiteiten of calamiteiten op de onderzoekslocatie welke geleid kunnen hebben tot een bodemverontreiniging. Uit de historische kaarten (bron: http://www.topotijdreis.nl) blijkt dat de locatie sinds het begin van de 20ste eeuw bebouwd is. Medio jaren ’30 van de vorige eeuw is de schuur ten oosten van de woning gebouwd. Aan het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw is de stal ten noorden van de weg uitgebreid. Aan het einde van de jaren ’80 zijn ter plaatse van de Berg 7 een woning en enkele bijgebouwen zichtbaar. In 2014 is op het erf van De Berg 7 een potstal gebouwd. Ter plaatse van de beoogde locatie van de trekkershutten is voor zover bekend nooit bebouwing aanwezig geweest.
omstreeks 1940
Archimil BV
omstreeks 1975
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
2000
5
2015
2.3. Milieuvergunningen Ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe nabijheid zijn in het verleden diverse vergunningen verleend, meldingen ingediend en/of controles uitgevoerd. Op 24 december 2021 is door de gemeente Rucphen hierover informatie verstrekt. Voor zover hier potentieel bodembedreigende activiteiten of opmerkingen zijn staan deze in onderstaand overzicht vermeld: De Berg 5 2 november 1973 Hinderwetvergunning voor het oprichten van een rundveehouderij en varkensfok- en mestbedrijf 13 oktober 1993 Hinderwetvergunning voor een agrarische bedrijf met rundvee In de vergunning is opgenomen dat in de werktuigenloods (meest zuidelijke gebouw op het zuidelijk deel van de locatie) een bovengrondse dieseltank (600 L) aanwezig is. De Berg 7 6 februari 2018 Melding activiteitenbesluit Wet Milieubeheer In de melding is de uitbreiding van de locatie met een werktuigenberging en een potstal voor 20 zoogkoeien en 20 stuks jongvee opgenomen. Op de locatie zijn geen tanks aanwezig. 2.4. Bodemonderzoeken In het archief van de gemeente Rucphen noch in het eigen archief van Archimil zijn gegevens bekend van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op deze locatie. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn in het verleden enkele bodemonderzoeken uitgevoerd.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
6
De Berg 7 In 1993-1994 is, voor de bouw van een landbouwschuur, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn door Wematech verwerkt in rapport VB-931206, d.d. 11 januari 1994. De boven- en ondergrond bleken niet verontreinigd te zijn met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater was licht verontreinigd met EOX en chroom.
De Berg ong. (westelijk aangrenzend) In 2011 is op de locatie, voor de aanvraag van een bouwvergunning, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn verwerkt in rapport BOZ-9880, de BodemOnderZoeker BV, d.d. 21 juli 2011. Uit de rapportage volgt dat bij de uitvoer van het onderzoek geen waarnemingen zijn gedaan welke zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De boven- en ondergrond bleken niet verontreinigd te zijn met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater was licht verontreinigd met koper en nikkel. In 2016 is op de locatie een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn door Sagro Milieu Advies verwerkt in rapport 23160077, d.d. 22 april 2016. Uit de rapportage volgt dat, evenals in 2011, geen verhoogde gehaltes zijn aangetroffen in de bovengrond. Derhalve waren er geen belemmeringen voor de voorgenomen herinrichting.
2.5. Toekomstig gebruik Op nr. 5 (gele contour) bevindt zich een agrarisch bouwvlak, dat grotendeels wordt omgezet in een woonbestemming, waar twee woningen zijn toegestaan. Op nr. 7 (blauwe contour) bevindt zich een woonbestemming, die wordt omgezet in een agrarisch bouwvlak.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
7
2.6. Bodemopbouw en (geo-)hydrologie Het te onderzoeken terrein heeft een hoogteligging gelijk aan circa 13,0 m + N.A.P. De opbouw van de ondergrond is schematisch weergegeven in figuur A. Figuur A: opbouw ondergrond. Formatie van Boxtel Formatie van Stramproy Formatie van Peize / Waalre Formatie van Oosterhout
Zwak siltig fijn tot matig grof zand Uiteenlopende korrelgroottes, met plaatselijke leem, grind en kleilagen Fluviatiel wit of grijs grof zand en grind Middelgrof tot grof schelpenzand. Het bovenste deel bevat kleilagen
De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 1,3 m-mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk westelijk, richting de drainerende watergang, gericht. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal noordwestelijk gericht. Voorgenoemde geohydrologische gegevens zijn ontleend aan de grondwaterkaart van Nederland [6]. Ten oosten van de locatie ligt, zoals de straatnaam al doet vermoeden, ‘een berg’. Deze is duidelijk zichtbaar op de kaart met grondwaterisohypsen. 2.6.1. Algehele bodemkwaliteit De gemeente Rucphen maakt gebruik van een goedgekeurde bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan van de regio Midden- en West-Brabant (december 2017) waarin diffuus verhoogde achtergrondgehalten aan verontreiniging zijn vastgelegd. De boven- en ondergrond van onverdachte locaties voldoet gemiddeld genomen aan de Achtergrondwaarden. De gemeente Rucphen maakt gebruik van een goedgekeurde bodemfunctieklassenkaart van de regio Midden- en West-Brabant. Hierin heeft de locatie de functie Natuur en Landbouw (AW2000) toegekend gekregen. Van de zandgronden in Brabant, noord- en midden Limburg is bekend dat er zich verhoogde achtergrondwaarden aan zware metalen in het grondwater manifesteren. Deze zijn toe te schrijven aan de verzuring van zandige gronden in de regio, waardoor metalen uit de grond spoelen naar het grondwater.
Een andere bron van verontreiniging met zware metalen in het grondwater zijn de chemische processen die optreden wanneer anaeroob grondwater opkwelt. Doordat in de bodem ijzerhoudende lagen aanwezig zijn kunnen zware metalen in oplossing gaan en in het grondwater terechtkomen. Over het algemeen zijn arseen en nikkel overheersende componenten wanneer deze situatie zich voordoet. Voor zover bekend is ter plaatse van de onderzoekslocatie geen sprake van een kwelsituatie.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
8
2.6.2. PFAS In het rapport “Aanwezigheid PFAS in Nederland Deelrapport B Verdachte locaties” 2 is een overzicht opgenomen van potentiële risico-locaties voor het voorkomen van PFAS-verbindingen. Voor de locatie is, voor zover bekend, geen sprake van een bronlocatie. Opgemerkt wordt dat op basis van recente gegevens de bovengrond van een groot deel van Nederland mogelijk in lichte mate verontreinigd is met PFAS-verbindingen1 en dat uitspoeling naar de ondergrond kan plaatsvinden. Door het ministerie is een geactualiseerd handelingskader PFAS opgesteld (versie 13 december 2021) voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie, waarbij een achtergrondwaarde van 1,9 µg/kgds (PFOA) danwel 1,4 µg/kgds (overige PFAS) is vastgesteld 3.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
9
De gezamenlijke omgevingsdiensten in Brabant maken gebruik van een Bodemkwaliteitskaart voor PFAS (d.d. 28 oktober 2020) 4. Aangezien de berekende P80 waarden lager zijn dan de landelijke maximale toepassingswaarden voor Landbouw/ Natuur, hebben de samenwerkende omgevingsdiensten ervoor gekozen om aan te sluiten bij de normen uit het geactualiseerde Tijdelijk Handelingskader van 2 juli 2020. 1
https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/grond-bagger/handelingskader-pfas/handelingskader/ https://www.expertisecentrumpfas.nl/images/Handelingskader/DDT219-1-18-008.228-rapd-Voorkomen_PFAS_in_Nederland__deelrapport_B_Verdachte_locaties_-_definitief.pdf 3 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2021/12/13/2021335279-1-geactualiseerde-versiehandelingskader-pfas/2021335279-1-geactualiseerde-versie-handelingskader-pfas.pdf 4 http://bodemloket.odbn.nl/images/20201028_0462683.100_bodemkwaliteitskaart_pfas_noord-brabant_def_rev0.0gecomprimeerd.pdf 2
2.7. Conclusie vooronderzoek Het vooronderzoek heeft zich gericht zich op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Op basis van bovenstaande gegevens kunnen vier terreindelen worden onderscheiden. 1. Regendrupzone stal Aan de west- en oostzijde is sprake van een onverharde regendrupzone van het asbesthoudend dak. Ter plaatse is de toplaag van de bodem (tot circa 10 cm-mv) verdacht voor een verontreiniging met asbest. Onderzoek dient plaats te vinden conform de strategie heterogeen verdacht (VED-HE) uit de NEN 5707. 2. Regendrupzone schuur Aan alle zijdes is sprake van een onverharde regendrupzone van het asbesthoudend dak. Ter plaatse is de toplaag van de bodem (tot circa 10 cm-mv) verdacht voor een verontreiniging met asbest. Onderzoek dient plaats te vinden conform de strategie heterogeen verdacht (VED-HE) uit de NEN 5707. 3. Locatie trekkershutten (circa 2500 m2) De locatie is, voor zover bekend, nooit bebouwd geweest en al vele decennia in gebruik als landbouwgrond/ weiland. Ter plaatse kan de locatie vooralsnog als onverdacht worden beschouwd. 4. Resterend terrein (circa 5000 m2) Op basis van zijn historie (in 1920 was de locatie al reeds bebouwd) dient de locatie vooralsnog als heterogeen verdacht te worden beschouwd.
De verwachting is dat in de bovengrond, met name ter plaatse van het zuidelijke deel van de locatie, een bijmenging met puin aanwezig zal zijn, welke aanleiding geeft tot een verkennend onderzoek naar asbest. Onderzoek dient plaatse te vinden conform de strategie heterogeen verdacht (VED-HE) uit NEN 5740 en NEN 5707. In bijlage 3 is een tekening van de geografische afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek opgenomen.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
3.
10
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
Op het te onderzoeken terreindeel worden drie te onderzoeken locaties onderscheiden. Het veldwerk zal onafhankelijk van de opdrachtgever worden uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. Van elke 50 cm bodemlaag of van iedere bodemlaag afzonderlijk worden representatieve monsters genomen. Per boring wordt de samenstelling van de bodem vastgelegd. De boringen worden gelijkmatig over de te onderzoeken locatie verdeeld volgens een systematisch patroon. Het grondwater wordt minimaal één week na plaatsing van de peilbuizen bemonsterd. Hierbij worden in het veld de temperatuur, pH en geleidbaarheid gemeten. In bijlage 3 is een situatieschets opgenomen waarin de plaatsen van de gaten/boringen en de peilbuis zijn aangegeven. 3.1. Regendrupzones 3.1.1. Locatie-inspectie Het maaiveld wordt ingedeeld in inspectiestroken van maximaal 1,5 meter breed die in twee richtingen haaks op elkaar worden geïnspecteerd. Wanneer meer dan 10 cm2/m2 aan asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen dan worden voor het betreffende deel van de locatie inspectierasters van 1 x 1 m geïnspecteerd. Alle aangetroffen asbestverdachte materialen worden op kaart vastgelegd en samengevoegd tot één verzamelmonster. Tevens wordt de inspectie-efficiency ingeschat. 3.1.2.
Onderzoek contactzone In onderstaande tabel is per regendrupzone, direct in lijn met de strategie voor nader onderzoek naar asbest uit de NEN 5707, de onderzoeksinspanning weergegeven. Het uitkomend materiaal uit de inspectiesleuven wordt gezeefd over 20 mm, waarna de grove fractie (>20 mm) wordt geïnspecteerd. Per sleuf wordt de samenstelling van de bodem vastgelegd en worden de asbestverdachte materialen verzameld en verpakt. Hierbij wordt het gehalte aan asbest geschat. Locatie Bijgebouw noord (westzijde) Bijgebouw noord (oostzijde) Bijgebouw zuid (westzijde) Bijgebouw zuid (oostzijde) Bijgebouw zuid (zuidzijde) Bijgebouw zuid (noordzijde) TOTAAL Archimil BV
Lengte (m1) 30
Aantal inspectiesleuven Analyses grove (200x30x10 cm) fractie (>20mm) 3 1
Analyses fijne fractie (<20 mm) 1
PCB’s
30
3
1
1
1
19
2
1
1
1
20
2
1
1
1
12
2
1
1
1
12
2
1
1
1
14
6
6
6
1
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
11
In het veld wordt per drupzone tenminste één mengmonster van de fijne fractie samengesteld. De fijne fractie wordt bemonsterd door middel van het nemen van 20 grepen van ca 0,5 kg per mengmonster. Per drupzone wordt eveneens één mengmonster samengesteld voor het onderzoek op PCB’s, omdat in het verleden veelvuldig PCB-houdende coatings op golfplaten zijn toegepast. 3.2. Locatie trekkershutten (circa 2500 m2) Voor het bepalen van de nulsituatie wordt een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd. Hiervoor worden verspreid over de locatie zes boringen geplaatst tot 0,5 m-mv. 3.3. Resterend terrein 3.3.1. Vooronderzoek en locatie-inspectie Het maaiveld wordt ingedeeld in inspectiestroken van maximaal 1,5 meter breed die in twee richtingen haaks op elkaar worden geïnspecteerd. Wanneer meer dan 10 cm2/m2 aan asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen dan worden voor het betreffende deel van de locatie inspectierasters van 1 x 1 m geïnspecteerd. Alle aangetroffen asbestverdachte materialen worden op kaart vastgelegd en samengevoegd tot één verzamelmonster. Tevens wordt de inspectie-efficiency ingeschat. 3.3.2. Opzet bodemonderzoek Op de onderzoekslocatie (circa 5000 m2) worden, in lijn met de strategie heterogeen verdacht uit de NEN5740 en NEN 5707, 18 gaten van 30x30x50 cm gegraven.
Tenminste drie van deze gaten worden doorgeboord tot 200 cm-mv en één van de gaten wordt doorgeboord tot circa 150 cm onder de freatische grondwaterspiegel en afgewerkt met een peilbuis. De opgegraven grond wordt gezeefd waarna de grove fractie (> 20 mm) wordt geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen. Per gat wordt de samenstelling van de bodem vastgelegd en worden de asbestverdachte materialen verzameld en verpakt. Hierbij wordt het gehalte aan asbest geschat. In het veld worden tenminste drie mengmonsters van de fijne fractie (<20 mm) samengesteld. De fijne fractie wordt bemonsterd door middel van het nemen van 20 grepen van ca 0,5 kg per mengmonster. 3.4. Analyses Regendrupzones Per regendrupzone wordt één mengmonster van de fijne fractie (<20 mm) door een daarvoor geaccrediteerd laboratorium onderzocht op het gehalte aan asbest. Tevens wordt per drupzone één mengmonster onderzocht op het gehalte aan asbest.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
12
Locatie trekkershutten Van de grondmonsters uit de bovengrond wordt één mengmonster samengesteld welke wordt onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond. Resterend terrein De in het veld samengestelde verzamelmonsters van de grove en fijne fractie worden door een daarvoor geaccrediteerd laboratorium onderzocht op het gehalte aan asbest. In het laboratorium worden drie mengmonsters van de fijne fractie onderzocht conform NEN5898. Aangenomen wordt dat vijf verzamelmonsters van de grove fractie onderzocht dienen te worden conform NEN5986. In het laboratorium worden drie grond(meng)monsters van de heterogeen verdachte bovengrond en één mengmonster van de onverdachte ondergrond onderzocht op de parameters volgens het standaardpakket voor grond. Het grondwater wordt onderzocht op parameters volgens het standaardpakket voor grondwater. 3.4.1. Analysepakketten De toegepaste NEN-pakketten bestaan uit: Grond: standaardpakket grond: Droge stof, Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale Olie (GC) (C10 - C40), PAK (10 VROM), PCB (7) Grondwater: standaardpakket grondwater: Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale olie (GC), Aromaten (BTEXN), Styreen, VOCl (11), Vinylchloride, 1,1 Dichlooretheen, 1,1-Dichloorpropaan, 1,2-Dichloorpropaan, 1,3-Dichloorpropaan, Bromoform
Ter bepaling van de achtergrond- en interventiewaarden worden grond(meng)monsters onderzocht op het gehalte aan lutum en organisch stof. Voorbehandeling van de grond- en grondwatermonsters vindt plaats conform AS3000. 3.5. Uitvoering bodemonderzoek De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4]. De activiteiten bestaan uit: 1. het treffen van veiligheidsmaatregelen 2. het uitvoeren van een maaiveldinspectie 3. het graven van de sleuven ter plaatse van de regendrupzones 4. het graven van de gaten ter plaatse van het resterend erf 5. het zeven van het uitkomend materiaal uit de sleuven en gaten 6. het inspecteren van de grove fractie op het voorkomen van asbestverdacht materiaal 7. het verrichten van de boringen en 8. het plaatsen van de peilbuis; 9. het bemonsteren van de grond en het grondwater; 10. visueel en organoleptisch onderzoek van de monsters.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
13
De gaten worden handmatig gegraven, met behulp van een ongelakte spade. De grondboringen worden voor zover mogelijk met handkracht uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een ongelakte Edelmanboor met een diameters van 6 tot 12 cm. Er wordt voor zover mogelijk geen werkwater gebruikt. Na elke boring wordt het boormateriaal met leidingwater schoongemaakt. Voor het plaatsen van de peilbuis wordt geboord tot circa 1,5 meter beneden de freatische grondwaterspiegel. Het materiaal van de buis is slagvast P.V.C.. Het geperforeerde gedeelte wordt omgeven door een gewassen, paraffinevrije filterkous en gegloeid en gezeefd filtergrind. Het nietgeperforeerde gedeelte wordt met de oorspronkelijke grond omstort. Het boorgat wordt afgedicht met een laag zwelklei van ca. 30 cm. De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters worden uitgevoerd door een AS3000 geaccrediteerd laboratorium. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de voorbehandelings-, opwerkings-, en analysemethoden zoals beschreven in de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer [4].
Foto van het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie – d.d. 18 januari 2022
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
4.
14
WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE
Bij de beoordeling en interpretatie van de resultaten is gebruik gemaakt van de circulaire bodemsanering 2013. Deze circulaire definieert streefwaarden, achtergrondwaarden, interventiewaarden en tussenwaarden voor de beoordeling van de concentratieniveaus van diverse verontreinigingen in grond en grondwater. In onderstaand overzicht worden deze toegelicht: - de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) geeft het niveau aan waarbij, volgens de huidige inzichten, sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In geval er curatief gehandeld moet worden, geeft deze waarde het niveau aan dat bereikt moet worden om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier of plant heeft, volledig te herstellen; - de interventiewaarde (I) geeft het niveau aan waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant, ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Bij gehalten boven deze waarde is normaliter sprake van een ernstige verontreiniging en zal moeten worden bekeken of sanering urgent is; - de tussenwaarde (T = [S + I] / 2) bevindt zich op de helft tussen de streef- en interventiewaarde. Boven deze waarde is in ieder geval, en onder deze waarde afhankelijk van bepaalde factoren zoals bodemtype, een nader onderzoek gewenst. Deze waarden zijn afhankelijk van de grondsoort.
Op basis van het lutum en het organische stofgehalte van de onderzochte grond, wordt een correctie uitgevoerd op de waarden zoals die voor een standaardbodem (lutum= 25% en humus= 10%) zijn vastgesteld. Om de mate van verontreiniging weer te geven wordt in dit rapport de onderstaande terminologie gebruikt: - niet verontreinigd concentratie lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; - licht verontreinigd concentratie hoger dan de achtergrondwaarde, maar lager dan of gelijk aan de tussenwaarde; - matig verontreinigd concentratie hoger dan de tussenwaarde, maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; - sterk verontreinigd concentratie hoger dan de interventiewaarde. Specifiek voor verontreinigingen met zware metalen ten gevolge van zinkassen in projectgebied de Kempen zijn in de regeling uniforme saneringen terugsaneerwaarden vastgesteld voor wonen met moestuin (ABdK-M) en wonen met siertuin (ABdK-S). Deze normen zijn verruimd ten opzichte van de algemene terugsaneerwaarden zoals deze eerder in de bodemgebruikswaarden waren vastgelegd en die sinds 1 oktober 2008 zijn vervangen door de achtergrondwaarden (AW), maximale waarden voor wonen (MWW) en maximale waarden voor industrie (MWI) uit het besluit bodemkwaliteit. Voor asbest is alleen een interventiewaarde vastgesteld, er is geen achtergrondwaarde vastgesteld.
De interventiewaarde voor vaste bodem ligt op 100 mg/kgds (concentratie serpentijn plus 10 x concentratie amfibool). De interventiewaarde is gelijk aan de hergebruikswaarde voor asbest in puin.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
5.
15
RESULTATEN
5.1. Regendrupzone 5.1.1. Maaiveldinspectie Op 18 januari 2022 is voorafgaand aan het onderzoek van de contactzone een maaiveldinspectie uitgevoerd ter plaatse van de onverharde regendrupzone door SIKB2018 erkend veldwerker J. Timmermans. Ten tijde van de maaiveldinspectie was het licht bewolkt en viel er geen neerslag. De inspectie-efficiency is geschat op 50-70%. Een gedeelte van de oostelijke drupzone van de stal blijkt verhard te zijn met klinkers en derhalve niet verdacht voor een verontreiniging met asbest. De westelijke drupzone van de schuur blijkt eveneens verhard te zijn met klinkers. Op het maaiveld is tijdens de maaiveldinspectie geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 5.1.2. Onderzoek contactzone Op 19 en 25 januari 2022 zijn, onafhankelijk van de opdrachtgever en direct in lijn met de strategie voor nader onderzoek naar asbest uit de NEN 5707, de inspectiesleuven S01 t/m S11 (van 200x30 cm) gegraven tot 0,1 m-mv en geïnspecteerd door SIKB2018 erkend veldwerker J. Timmermans. De locaties van de inspectiesleuven en beschrijving van de bodemopbouw is opgenomen in de boorstaten welke bij dit schrijven zijn bijgevoegd. Uit de boorprofielen volgt dat sprake is van zwak puinhoudende grond. Het uitkomend materiaal uit de inspectiesleuven is gezeefd over 20 mm waarna de grove fractie (>20 mm) is geïnspecteerd op het voorkomen van asbesthoudend materiaal.
Bij elke inspectiesleuf is het vochtgehalte bepaald waarbij is vastgesteld dat deze boven de 10% lag. Derhalve is er geen noodzaak gebleken om aanvullende adembescherming te dragen. 5.1.3. Resultaten asbestonderzoek Maaiveld Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Grove fractie (>20 mm) In de grove fractie is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Fijne fractie (<20 mm) Per drupzone is een mengmonster van de fijne fractie zijn in een daarvoor geaccrediteerd laboratorium onderzocht op het gehalte aan asbest. Tevens is per drupzone een mengmonster onderzocht op het gehalte aan PCB’s. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 5. De resultaten staan weergegeven in onderstaand overzicht.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
Mengmonster M.M.4 M.M.5 M.M.6 M.M.7 M.M.8
16
Drupzone
Monsters (cm-mv)
Stal noord, drupzone oost Stal noord, drupzone west Schuur zuid, drupzone oost Schuur zuid, drupzone zuid Schuur zuid, drupzone noord
S01, S02 (0-10) S03, S04, S05 (0-10) S06, S07 (0-10) S08, S09 (0-10) S10, S11 (0-10)
Concentratie asbest (mg/kg (gewogen) <0,4 0,2 <0,3 5,0 <0,6
Concentratie PCB’s (mg/kgds) 0,14 <det. nog onbekend 0,010 <det.
Uit het analysecertificaat volgt dat in het mengmonster van de westelijke drupzone van de stal en in de zuidelijke drupzone van de schuur in beperkte mate asbest is aangetoond. In de overige mengmonsters van de fijne fractie is geen asbest aangetoond. In de toplaag van de oostelijke drupzone van de stal is een gehalte PCB’s aangetoond boven de tussenwaarde (0,68x I-waarde). Ter plaatse van de overige drupzones is geen of een marginale verhoging met PCB’s aangetoond. 5.1.4. Conclusie Ter plaatse van de regendrupzones is geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest (gehalte ruimschoots <100 mg/kgds). In de toplaag van de oostelijke drupzone van de stal is een gehalte PCB’s aangetoond boven de tussenwaarde (0,68x I-waarde). Aangezien het onderzoek reeds heeft plaatsgevonden op de meest kritische plaats en er geen sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde, achten wij nader onderzoek hiernaar weinig zinvol. Ter plaatse van de overige drupzones is geen sprake van substantieel verhoogde gehaltes. 5.2. Trekkersplaatsen 5.2.1. Uitvoer Op 18 januari 2022 zijn onafhankelijk van de opdrachtgever de grondboringen 119 t/m 124 geplaatst door de heer J. Timmermans (erkend monsternemer SIKB 2001). Voor de locaties van de boringen en een beschrijving van de opgeboorde grond ter plaatse wordt verwezen naar de bij dit schrijven bijgevoegde tekening en boorstaten.
Bij geen van de monsters is een verdachte en/ of afwijkende geur waargenomen. Evenmin is een bijmenging waargenomen welke zou kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. 5.2.2. Analyseresultaten Van de grondmonsters zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen twee mengmonsters samengesteld welke zijn onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond. Mengmonster bg
Archimil BV
Monsters (cm-mv) 119 (0-50) 120 (0-50) 121 (0-50) 122 (0-50) 123 (0-50) 124 (0-50)
Analyseresultaat Cadmium (0,42) >AW
Bodemkwaliteit Achtergrondwaarden (gehalte <2x AW)
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
17
Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de grond uit de bovenlaag (0-0,50 m-mv) zeer licht verontreinigd is met cadmium. De zeer lichte verhoging kan worden beschouwd als een diffuus verhoogd gehalte en geeft geen aanleiding tot een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen. 5.3. Resterend terrein 5.3.1. Maaiveldinspectie Op 18 januari 2022 is voorafgaand aan het onderzoek van de contactzone een maaiveldinspectie uitgevoerd door SIKB2018 erkend veldwerker J. Timmermans. Ten tijde van de maaiveldinspectie was het licht bewolkt en viel er geen neerslag. De inspectie-efficiency is, door de aanwezigheid van (klinker)verhardingen en lang gras geschat op minder dan 50%. Op het maaiveld is geen asbestverdacht waargenomen. 5.3.2. Onderzoek contactzone Na de maaiveldinspectie zijn op 18 en 19 januari 2022, onafhankelijk van de opdrachtgever, de inspectiegaten G101 t/m G118 (van 30x30x50 cm) gegraven en geïnspecteerd door SIKB2018 en SIKB2001 erkend veldwerker J. Timmermans, daarbij geassisteerd door de heer B. Schoenmakers (in opleiding). Voor een beschrijving van de opgeboorde grond ter plaatse wordt verwezen naar de boorstaten (bijlage 4). Bij geen van de monsters is een verdachte en/ of afwijkende geur waargenomen. In de bovengrond zijn sporen tot zwakke bijmengingen met puin aangetroffen.
Het uitkomend materiaal is gezeefd over 20 mm, waarna de grove fractie (>20 mm) is geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdacht materiaal. Bij elk gat is het vochtgehalte bepaald waarbij is vastgesteld dat deze boven de 10% lag. Er is derhalve geen noodzaak gebleken om aanvullende adembescherming te dragen. In de grove fractie van inspectiegat G103 is een matige bijmenging met asbestverdacht materiaal waargenomen. Het asbestverdacht materiaal is samengevoegd tot één verzamelmonster. Van de fijne fractie (< 20 mm) zijn in het veld drie mengmonsters samengesteld. 5.3.3. Veldwerk grond Van elke 50 cm bodemlaag of van iedere bodemlaag afzonderlijk zijn representatieve monsters genomen. Per boring wordt de samenstelling van de bodem vastgelegd. Uit de boorprofielen volgt dat behoudens de zwakke bijmenging met puin geen waarnemingen zijn gedaan welke zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. 5.3.4. Veldwerk grondwater De peilbuis is op 18 januari 2022 geplaatst en voorgepompt. Het grondwater is op 25 januari 2022 nogmaals voorgepompt en vervolgens bemonsterd door de heer J. Timmermans (erkend monsternemer SIKB 2002). De in het veld bepaalde gegevens met betrekking tot het grondwater staan vermeld in het volgende overzicht: Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
18
Peilbuis nr.
Filterstelling (m-mv)
Datum
Gw-stand (m-mv)
pH
Ec (µS/cm)
Troebelheid (FTU)
Opmerkingen
101.1
2,10 – 3,10
25-01-2022
1,30
6.01
261
254
geen
Wanneer een watermonster troebel is (> 10 FTU), dus losgespoelde gronddeeltjes bevat, is er een kans dat er gronddeeltjes worden geanalyseerd in plaats van het grondwater. (An)organische stoffen (die zich hebben gehecht aan de gronddeeltjes) kunnen daardoor de analyseresultaten beïnvloeden.
5.3.5. Resultaten asbestonderzoek Maaiveld Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Grove fractie (>20 mm) Het verzamelmonster van asbestverdacht materiaal is in een daarvoor geaccrediteerd laboratorium onderzocht op het gehalte aan asbest, het analysecertificaat is opgenomen in bijlage 5. De resultaten staan weergegeven in onderstaand overzicht en zijn verwerkt in de tabel met resultaten aansluitend aan de tekst. Gat G103
Veldvochtig gewicht (gram) 102,3
Serpentijn (%) 10 – 15% 10 – 15%
Amfibool (%) 2 – 5%
Asbest (mg) 5312,5 9637,5
Asbest (mg/kgds) 252,5
* Het inspectiegat heeft een omvang van 30x30x50 cm. Uitgaande van een soortelijk gewicht van 1,85 ton/m3 en een droge stof gehalte van 87,8% (gemiddelde fijne fractie) is het asbest aangetroffen in circa 71 kg grond.
Fijne fractie (<20 mm) Drie mengmonsters van de fijne fractie zijn in een daarvoor geaccrediteerd laboratorium onderzocht op het gehalte aan asbest. het analysecertificaat is opgenomen in bijlage 5. De resultaten staan weergegeven in onderstaand overzicht. Mengmonster M.M.1 (zwak puin, terrein zuid) M.M.2 (matig asbesthoudend) M.M.3 (zwak puim, terrein noord)
Monsters (cm-mv) G101, G102, G104 t/m G109 (0-50) G103 (0-50) G110 t/m G118 (0-50)
Concentratie (mg/kg (gewogen) <0,3 <0,4 <0,5
Uit het analysecertificaat volgt dat in geen van de mengmonsters van de fijne fractie asbest is aangetroffen. Totaal Op basis van de aangetroffen materialen in de grove fractie en de analyseresultaten van de fijne fractie is in de tabel aansluitend aan de tekst het gehalte asbest per gat bepaald. Dit leidt tot de volgende resultaten per gat:
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
Asbestgat G101 + G102 G103 G104 t/m G109 G110 t/m G118
Grove fractie (mg/kgds) 0 252,5 0 0
19
Fijne fractie (mg/kgds) <0,3 <0,4 <0,3 <0,5
Totaal gehalte asbest (mg/kgds) <0,3 252,5 <0,3 <0,5
Ter plaatse van inspectiegat G103 wordt de toetsingswaarde voor nader onderzoek naar asbest, van 50 mg/kgds, ruimschoots overschreden. Derhalve is er aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest. Voor het overige is in de bodem van het resterend terrein geen asbest aangetroffen.
Luchtfoto 2018, met fotorichting
Foto van gat G103 – d.d. 18 januari 2022
Inspectiegat G103 is gesitueerd in een hoek van de schuur, nabij een voormalige deur. Gelet op de locatie, in een hoek van de schuur en aangezien in de bodem van het resterend deel van de locatie geen asbest is aangetoond, zal hier vermoedelijk bij de bouw van de schuur asbest in de bodem terecht zijn gekomen en zal naar verwachting sprake zijn van een verontreiniging met een beperkte omvang. Dit dient echter nog wel bevestigd te worden middels een nader onderzoek. 5.3.6. Resultaten verkennend bodemonderzoek Grondmengmonsters Van de grondmonsters zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen drie mengmonsters van de heterogeen verdachte bovengrond samengesteld welke zijn onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond. Mengmonster bg1 bg2
Monsters (cm-mv) 101 (0-50) 111 (9-50) 112 (15-50) 113 (12-50) 114 (0-50) 115 (0-50) 116 (0-50) 117 (0-50)
Analyseresultaat <AW PAK (2) >AW
bg3
104 (9-50) 105 (0-50) 107 (0-50) 109 (0-50)
<AW
Archimil BV
Bodemkwaliteit Achtergrondwaarden Achtergrondwaarden (gehalte < 2x AW) Achtergrondwaarden
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
20
Uit de resultaten volgt dat de bovengrond van het noordelijk terreindeel (bg2) licht verontreinigd is met PAK’s (1,33x AW). Het gehalte ligt onder het P80-percentiel uit de bodemkwaliteitskaart. Derhalve kan het gehalte worden beschouwd als een diffuus verhoogde gehalte. Grondwatermonsters Het grondwater is onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grondwater. In onderstaande tabel zijn de getoetste resultaten weergegeven. Peilbuis 101.1.1
Filtertraject (m-mv) 2,10 – 3.10
Analyseresultaat Koper, zink >Streefwaarde
De lichte verhogingen met zware metalen kunnen worden beschouwd als diffuus verhoogde gehalten. Gelet op het diffuse karakter en de beperkte overschrijding van de streefwaarde achten wij een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen niet noodzakelijk.
Foto van het meest zuidelijke deel van de onderzoekslocatie – d.d. 18 januari 2022
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
6.
21
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Het onderzoek heeft betrekking op het terrein gelegen aan de De Berg 5-7 te Schijf. Het doel van een verkennend bodemonderzoek is door een relatief geringe inspanning een inzicht te verkrijgen van de bodemgesteldheid. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Regendrupzones 1. Ter plaatse is een onderzoek uitgevoerd, direct in lijn met de strategie voor nader onderzoek naar asbest. 2. Op het maaiveld ter plaatse van de regendrupzones is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 3. In de grove fractie van de inspectiesleuven is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 4. In de mengmonsters van de fijne fractie is plaatselijk in beperkte mate asbest aangetroffen (maximaal 5,0 mg/kgds). 5. In geen van de inspectiesleuven is een gehalte asbest aangetroffen boven de interventiewaarde van 100 mg/kgds. Er is dan ook geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest. 6. Per drupzone is eveneens een mengmonster onderzocht op het gehalte aan PCB’s (in het verleden toegepast als coating van golfplaten). In de toplaag van de oostelijke drupzone van de noordelijke stal is een gehalte PCB’s aangetroffen boven de tussenwaarde (0,68x Iwaarde). Aangezien het onderzoek reeds heeft plaatsgevonden op de meest kritische plaats en er geen sprake is van een overschrijding van de interventie-waarde, achten wij nader onderzoek hiernaar weinig zinvol.
Ter plaatse van de overige drupzones is geen sprake van substantieel verhoogde gehaltes. Locatie trekkershutten 7. Ter plaatse zijn geen waarnemingen gedaan welke zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. 8. De bovengrond blijkt, conform verwachting, niet verontreinigd te zijn met één van de componenten waarop is onderzocht. Verkennend onderzoek asbest resterend terrein 9. Op het maaiveld ter plaatse van het resterend terrein is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 10. In de grove fractie van de puinhoudende bovengrond van inspectiegat G103 is een matige bijmenging met asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen, wat leidt tot een indicatief gewogen gehalte van 252,5 mg/kgds. In de grove fractie van de overige inspectiegaten is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 11. In de mengmonsters van de fijne fractie is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen. 12. Ter plaatse van gat G103 wordt de norm voor nader onderzoek naar asbest, van 50 mg/kgds, ruimschoots overschreden. Voor het overige is op of in de bodem geen asbest aangetroffen. 13. Gelet op de locatie, in een hoek van de schuur en aangezien in de bodem van het resterend deel van de locatie geen asbest is aangetoond, zal hier vermoedelijk bij de bouw van de schuur asbest in de bodem terecht zijn gekomen en zal naar verwachting sprake zijn van een
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
14.
22
verontreiniging met een beperkte omvang. Dit dient echter nog wel bevestigd te worden middels een nader onderzoek. De hypothese heterogeen verdachte locatie kan op basis hiervan voor asbest worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten.
Verkennend bodemonderzoek 15. De grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) van het noordelijke deel van de locatie is licht verontreinigd met PAK’s. 16. De grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) ter plaatse van de weg en ter plaatse van het zuidelijk terreindeel is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. 17. Het grondwater is licht verontreinigd met koper en zink. 18. De hypothese heterogeen verdachte locatie dient voor de bovengrond formeel te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. 19. De hypothese niet-verdachte locatie kan voor het grondwater worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij het volgende op: 1. 2. 3.
4.
5.
Archimil BV
Het gehalte aan asbest ter plaatse van inspectiegat G103 geeft aanleiding tot een nader onderzoek naar asbest. Ons inziens behoeven er voor het overige, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan bestemmingswijziging van de onderzochte locatie. De lichte verontreiniging met PAK’s in de bovengrond van het resterend terrein vormt geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering [8]. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar. Gelet op de aangetroffen concentratie aan koper en zink in het grondwater is het uitvoeren van een nader onderzoek naar de herkomst volgens de Circulaire Interventiewaarden Bodemsanering niet noodzakelijk. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is blijft het risico uit oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden of wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
9 februari 2022 rapportnummer: C217809.009/PHE
23
TABELLEN
Archimil BV voert zijn bodemonderzoeken zorgvuldig en volgens de geldende normen uit. Elk bodemonderzoek is echter gebaseerd op een beperkt aantal grondboringen: ten opzichte van het totale bodemvolume is slechts een klein deel (chemisch) onderzocht. Het is dus mogelijk dat plaatselijk afwijkingen in de bodem voorkomen, of dat zich verontreinigende stoffen in de bodem bevinden die niet met dit onderzoek naar voren zijn gekomen. Een bodemonderzoek is een momentopname en heeft een beperkte geldigheid: na monstername kan immers een nieuwe verontreiniging geïntroduceerd zijn, terwijl een mobiele verontreiniging zich misschien verplaatst. Archimil BV acht zich dan ook niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
overzicht resultaten projectcode : datum : project : onderzoeksfase : opdrachtgever :
Gat / Sleuf
C217809 18-01-2022 verkennend onderzoek asbest De Berg 5 Schijf VBO Asbest Pouderoyen BV
lengte breedte
laag
diepte
volume
dichtheid droog
gewicht
gewicht 1
asbest 1
gewicht 2
asbest 2
gewicht 3
asbest 3
gewicht 4
asbest 4
gewicht 5
asbest 5
gewicht 6
asbest 6
totaal
totaal gewogen
gewogen conc.
gewogen conc.
concentratie
gewicht
grove fractie
grijs golf
gewogen
grijs golf
gewogen
grijs vlak
gewogen
geel vlak
gewogen
grijs golf
gewogen
grijs vlak
gewogen
materiaal
asbest
grove fractie
fijne fractie
asbest
meter meter
cm-mv
meter
m3
ton/m3
kg
kg
gram
miligram
gram
miligram
gram
miligram
gram
miligram
gram
miligram
gram
miligram
(gram)
miligram
mg/kgds
mg/kgds
mg/kg
G101
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G102
0,3
0,3
9-50
0,41
0,0369
1,8
58,295
0,130
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G103
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,190
18
8312,5
77,1
9637,5
0
0
0
0
0
0
0
0
94,6
17950
252,5
0
252,5
G104
0,3
0,3
9-50
0,41
0,0369
1,8
58,295
0,235
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G105
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,375
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G106
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,400
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G107
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,470
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G108
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,085
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G109
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G110
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G111
0,3
0,3
9-50
0,41
0,0369
1,8
58,295
0,000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G112
0,3
0,3
12-50
0,38
0,0342
1,8
54,029
0,000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G113
0,3
0,3
12-50
0,38
0,0342
1,8
54,029
0,380
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G114
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,125
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G115
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G116
0,3
0,3
0-50
0,50
0,045
1,8
71,091
0,125
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0,0
0
0,0
G117 G118
0,3 0,3
0,3 0,3
0-50 0-50
0,50 0,50
0,045 0,045
1,8 1,8
71,091 71,091
0,000 0,140
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0,0 0,0
0 0
0,0 0,0
materiaal
omschr.
serpentijn
amfibool
mengmonsterconc (gewogen)
monsters (zint. waarneming)
dichtheid
asbest 1
grijs golf
12,5%
3,5%
M.M.1
<0,3
G101, G102, G104 t/m G109 (zwak puin, terrein zuid)
zand
1,7
asbest 2 asbest 3
grijs golf grijs vlak
12,5% 12,5%
0,0% 0,0%
M.M.2 M.M.3
<0,4 <0,5
G103 (0-50) - matig asbesthoudend G110 t/m G118 (zwak puin, terrein noord)
zand/puin puin/zand
1,8 1,9
asbest 4
geel vlak
3,5%
0,0%
droge stof
87,8%
asbest 5 asbest 6