09b Was-wordt tabel APV 2024-2025 - Gemeente Rucphen
Tekst van het document
Bijlage bij voorstel APV Gemeente Rucphen 2025 Was-wordt-tabel aanpassingen APV Gemeente Rucphen 2024-2025 (gewijzigde tekst wordt vet gedrukt weergegeven, vervallen tekst wordt cursief en onderstreept weergegeven) Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
Nieuwe tekst - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
Toelichting: Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (artikel II, onderdeel V, Verzamelbesluit Omgevingswet, Stb. 2023, 298, resp. artikel I, onderdeel CW van de Verzamelwet Omgevingswet 20, Stb. 2023, 376). Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. Afdeling 6A toezicht op campings en recreatieparken En artikel 2:38a t/m 2:38 h worden toegevoegd Bestaande tekst --
Nieuwe tekst Afdeling 6A Toezicht op campings en recreatieparken Artikel 2:38a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. camping of recreatiepark: (kampeer)terrein waarvan het gebruik ten behoeve van het verschaffen van tijdelijk recreatief nachtverblijf planologisch is toegestaan; b. exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:38b; c. beheerder/leidinggevende: de natuurlijke of rechtspersoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen. Artikel 2:38b Exploitatie camping of recreatiepark 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark te exploiteren;
1
2. De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier; 3. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant, en b. de persoonsgegevens van de beheerder/leidinggevende. 4. Op de aanvraag is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:38c Gedragseisen De exploitant en de beheerder/leidinggevende: a. staan niet onder curatele; b. zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag, en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Artikel 2:38d Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning als: a. de exploitant of beheerder/leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:38c gestelde eisen; b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; c. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien: a.
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of het recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed; b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; c. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
2
Artikel 2:38e Sluiting
1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien daar: a. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen; b. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; c. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; d. zich andere feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. 2. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark indien: a. de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2:38b, eerste lid, of 2:38c onder sub a en b; b. de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; 3. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen; 4. De burgemeester draagt zorgt voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan; 5.
De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. Artikel 2:38f Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark 1. Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen; 2. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of
3
zelf de camping of het recreatiepark te betreden. Artikel 2:38g Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien: a. de exploitatie van de camping of het recreatiepark door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen; b. de exploitant of beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:38c onder a en b gestelde eisen; Artikel 2:38h Overgangsbepaling 1. De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Rucphen 2025: a. zijn niet van toepassing gedurende vierentwintig weken na inwerkingtreding van deze afdeling; en b. zijn niet van toepassing na de onder a genoemde termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist. 2. Voor campings en recreatieparken als bedoeld in 2:38b die op moment van inwerkingtreding van deze afdeling al bestaan geldt, dat zij kosteloos een vergunning van rechtswege ontvangen.
Indien echter op voorhand zwaarwegende redenen zijn voor de burgemeester om eerst tot vergunningverlening als in dit artikellid bedoeld over te gaan nadat nader onderzoek naar bedoelde redenen heeft plaatsgevonden, wordt pas vergunning verleend als de uitkomst van dat nader onderzoek niet aan verlening in de weg staat als bedoeld in artikel 1:8 en 2:38d. Toelichting: Door het invoegen van deze afdeling en artikelen wordt een vergunning voor het exploiteren van een camping of recreatiepark verplicht. Hiermee kan beter toezicht worden
4
uitgeoefend op eventuele verstoringen van de openbare orde en het voorkomen of beperken van overlast. Deze afdeling biedt de burgemeester mogelijkheden om handhavend op te treden in geval van ondermijnende criminaliteit en om onwenselijke activiteiten via toezicht en handhaving tegen te gaan. Recreatie en toerisme nemen een belangrijke plaats in onze gemeente in. De aanwezigheid van campings en recreatieparken leidt tot economische voordelen voor de gemeente. Naast deze voordelen kan de aanwezigheid van campings en recreatieparken tot problematiek op het gebied van openbare orde en veiligheid leiden. Daarom is het van belang om via een vergunningstelsel vooraf te kunnen beoordelen of de wijze waarop een camping of recreatiepark geëxploiteerd wordt binnen de recreatieve functie past. Goed geëxploiteerde bloeiende recreatieve bedrijven hebben een meerwaarde voor de gemeente. Bedrijven die zich in een andere fase van het bedrijfsleven bevinden zijn vatbaar voor ontwikkelingen van andersoortige (illegale) bedrijvigheid. De recreatieve sector is gebaat bij betrouwbare recreatieve ondernemers. De bonafide ondernemers moeten beschermd worden tegen malafide ondernemers.
Gemeenten hebben een grotere rol gekregen in de weerbaarheid tegen ongewenste ontwikkelingen door het gebruik van bestuurlijke instrumenten, zoals het instellen van een exploitatievergunningplicht voor campings en vakantieparken. Op grond van het BIBOB-beleid gemeente Rucphen 2024 kan bij exploitatievergunningen o.g.v. de APV een BIBOB-toets plaats vinden. Plotselinge introductie van een vergunningplicht zonder oog te hebben voor de bestaande situatie mag niet, daar inmenging in het eigendomsrecht, volgens het eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, proportioneel moet zijn (evenwicht tussen algemeen belang en de fundamentele rechten van de eigenaar). Daarom is in art. 2:38h overgangsrecht opgenomen. Daarnaast krijgen de huidige exploitanten van rechtswege een vergunning tenzij op voorhand zwaarwegende redenen zijn om pas tot vergunningverlening over te gaan nadat nader onderzoek heeft plaatsgevonden en de uitkomst van dat nader onderzoek niet aan verlening in de weg staat als bedoeld in artikel 1:8 en 2:38d Door de invoering van deze artikelen kan niet gehandhaafd worden op de illegale permanente bewoning. Dit dient vanuit het Omgevingsplan te worden gehandhaafd.
Artikel 2:48a vervalt. Bestaande tekst Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woonof leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door
Nieuwe tekst Artikel 2:48a (Vervallen)
5
het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Toelichting: Omdat lachgas vanaf 1 januari 2023 een softdrug is, wordt het verboden gebruik ervan gereguleerd door artikel 2:74a ‘Openlijk drugsgebruik’. Daarmee is de juridische legitimatie van het specifieke lachgasartikel vervallen en kan opgetreden worden op grond van art. 2:74a APV. Na artikel 2:50 wordt onderstand artikel ingevoegd: Bestaande tekst Nieuwe tekst -Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Toelichting: Algemeen Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is landelijk fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet. 6
Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Eerste lid Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is. Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt. Artikel 2:50b wordt toegevoegd: Bestaande tekst --
Nieuwe tekst Artikel 2:50b Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden; b. in andere gevallen dan onder a voor zover: 1. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor woonwagens met een woonbestemming; b. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;
7
c. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen. Toelichting: Het verbod heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van een dorp of stad. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij. Tussen zonsondergang en zonsopgang geldt daarom een verbod in door het college aangewezen gebieden. Bij het toezicht op de naleving van het verbod moet de opsporingsambtenaar of toezichthouder afwegen welk handhavingsmiddel hij in de concrete situatie proportioneel acht. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van recidive. Het is weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. Dan fungeert het verbod meer als stok achter de deur voor toeleiding naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang. Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod. Een ontheffing is denkbaar in het kader van overnachten in een voertuig bij een evenement. Het derde lid bakent de verbodsbepaling af. Voor het innemen van woonwagens met een woonbestemming bestaan afzonderlijke voorschriften.
Ook is nachtverblijf toegestaan op daartoe bestemde kampeerterreinen of door het college op grond van artikel 4:19 aangewezen kampeerplaatsen buiten een kampeerterrein. Artikel 2:59a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijn- en/of muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid
Nieuwe tekst Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijn- en/of muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid; 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht en; b. Het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. Het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Toelichting: Artikel 2:59a regelt het aanlijn- en muilkorfgebod op eigen terrein. In het huidige artikel zijn geen voorwaarden/uitzonderingen opgenomen wanneer het verbod niet op eigen terrein geldt. Daarom is
8
lid 2 toegevoegd. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan hoeft de hond op eigen terrein niet te worden aangelijnd of een muilkorf te dragen. Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Toelichting: Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is overbodig. Toevoeging art. 2:73c Gebruik klaphamer, knalhamer of knalijzer Bestaande tekst Nieuwe tekst Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en Afdeling 10. Consumentenvuurwerk, carbidschieten carbidschieten en klaphamer of knalijzer Artikel 2:73c Gebruik klaphamer, knalhamer of knalijzer 1. Het is verboden om gebruik te maken van een klaphamer, knalhamer of knalijzer waarbij door middel van een poeder zoals een mengsel van zwavel en kaliumchloraat, kaliumnitraat of kaliumcarbonaat, een knal of ontploffing wordt veroorzaakt. 2. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet precursoren voor explosieven, de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht. Toelichting: In de huidige APV zijn in artikel 2:73a en 2:73b verbodsbepalingen opgenomen m.b.t. carbidschieten en vervoer van carbid. De APV wordt uitgebreid door ook een verbod op te nemen voor het gebruikmaken van een klaphamer, knalhamer of knalijzer. Deze voorwerpen kunnen flinke knallen veroorzaken, tot overlast leiden en kunnen gevaarlijk zijn.
Het effect ervan is te vergelijken met carbidschieten. Op deze manier wordt voorkomen dat de knalhamer, klaphamer of knalijzer de vervanger wordt van het verbod op carbidschieten. Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
9
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woonof leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste veertien dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste gedurende ten hoogste veertien dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen 6 maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 8 weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een
10
tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid. Toelichting: Een aantal wijzigingen in dit artikel zijn van juridisch-technische aard (bijv. ‘tijdelijk verbod’ i.p.v. ‘een bevel geven’). Vierde lid De Commissie Feiten en Tarieven van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) is bereid om een feitcode aan overtreding van de gebiedsontzegging te koppelen als dat in dit artikel expliciet is geregeld. Door het nieuwe vierde lid in combinatie met strafbaarstelling in artikel 6:1 APV is het mogelijk om een boete op te leggen aan degene die een gebiedsontzegging overtreedt. Voor het afdoen met een feitcode moet er in het proces-verbaal ook een kaart van het desbetreffende gebied worden meegestuurd. Er zal namelijk getoetst moeten worden of de ontzegging in persoon is uitgereikt en of het gebied waarop de ontzegging ziet, duidelijk kenbaar is gemaakt Vijfde lid Het vijfde lid van dit artikel is toegevoegd omdat er overlap kan ontstaan tussen de bevoegdheid van de officier van justitie om met een gedragsaanwijzing op grond van artikel 509hh, 2 e lid onderdeel a van het Wetboek van Strafvordering op te treden en de bevoegdheid van de burgemeester op grond van deze bepaling met een gebiedsontzegging op te treden. Het vijfde lid geeft voorrang aan een gedragsaanwijzing door de officier van justitie boven een gebiedsontzegging door de burgemeester.
11