CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

09b TAM-omgevingsplan St. Willebrord Fazantendonk-Toelichting

gemeenteraad 10 juni 2026, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan St.Willebrord- Fazantendonk en grondexploitatie16.086 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de communicatie met toekomstige gebruikers van het gebied zal expliciet aandacht worden besteed aan het belang van zorgvuldig gebruik van dergelijke stoffen, om negatieve effecten op de bodem- en waterkwaliteit te voorkomen. Het lozen van afvalwater via infiltratievoorzieningen is in geen geval toegestaan. Om de werking van de infiltratie- en bergingsvoorzieningen op lange termijn te waarborgen, is regelmatig onderhoud noodzakelijk. Dit betreft met name het schoonhouden van de aan- en afvoerstructuren, zodat verstoppingen worden voorkomen en de doorstroming gewaarborgd blijft. Verder wordt het afgeraden om chemische middelen of strooizout te gebruiken op verhardingen binnen het plangebied. In plaats daarvan wordt het gebruik van milieuvriendelijke alternatieven, zoals zand, aanbevolen. Tot slot mogen op afgekoppelde buitenverhardingen geen activiteiten plaatsvinden die kunnen leiden tot vervuiling van het oppervlak, zoals het wassen van voertuigen of het gebruik van schadelijke stoffen. Indien dergelijke activiteiten toch plaatsvinden, dienen passende bodembeschermende Bodembescherming.

maatregelen

te

worden

getroffen

conform

de

Nederlandse

Richtlijn

voor

Afvalwater Als gevolg van de ontwikkeling zal nieuwe riolering aangelegd moeten worden. Het afvoeren, scheiden en verwerken van afvalwater vindt plaats conform het gemeentelijke rioleringsplan (GRP). Huishoudelijk afvalwater (vuilwater) wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap. Drinkwater De drinkwatervoorziening zal worden gerealiseerd door aansluiten op het bestaande leidingnet van de regionale drinkwatermaatschappij van Brabant Water. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd.

4.7 Water Toetsingskader Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Beleid Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen:

30 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan.

Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. 2. 3. 4. 5.

Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool.

Waterschapsverordening In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; De toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; De toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 31

maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit gevoeligheidsfactor x 0,06.

(in

m3)

=

toename

verhard

oppervlak

(in

m2)

x

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.

Beoordeling Hemelwater Voor de herontwikkeling van de locatie Fazantendonk te St. Willebrord is een weging van het waterbelang onderzoek uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies B.V in 2025 (Bijlage 3). De ontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak met circa 2.870m2, waardoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om wateroverlast te voorkomen. De vereiste bergingscapaciteit is berekend op 172m3. Deze berging wordt gerealiseerd door een combinatie van een wadi in de groenstrook en een ondergronds infiltratiesysteem (bijvoorbeeld krattenveld of lavastenenpakket) onder de toekomstige parkeerplaatsen. De lokale grondwaterstand is voldoende laag om deze systemen effectief toe te passen. De waterbergingsopgave is aldus uitvoerbaar binnen het plangebied. In de nadere uitwerking dient middels een klimaatstresstest nog inzicht te worden gegeven in de hemelwaterafvoer.

Afvalwater Als gevolg van de ontwikkeling zal nieuwe riolering aangelegd moeten worden. Het afvoeren, scheiden en verwerken van afvalwater vindt plaats conform het gemeentelijke rioleringsplan (GRP). Huishoudelijk afvalwater (vuilwater) wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap.

Drinkwater De drinkwatervoorziening zal worden gerealiseerd door aansluiten op het bestaande leidingnet van de regionale drinkwatermaatschappij van Brabant Water.

Conclusie Op grond van de uitgevoerde beoordeling kan worden vastgesteld dat vanuit het aspect water sprake is van een evenwichtige en verantwoorde toedeling van functies.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de

32 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan / archeologische dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan

Beoordeling archeologie Uit de beoordeling van de Archeologische Beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een Archeologisch Beleidsadviesgebied 2 en gedeeltelijk 4. In een Archeologisch Beleidsadviesgebied 2 geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring vanaf 100 m 2 en dieper dan 50cm. In geval van een Archeologisch Beleidsadviesgebied 4 geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring van 1000 m 2 en dieper dan 50cm. Aangezien deze mate van bodemverstoring bij de voorgenomen werkzaamheden niet kan worden uitgesloten, is opdracht verstrekt om archeologisch bodemonderzoek te verrichten.

ADC ArcheoProjecten heeft een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de locatie (zie Bijlage 4).

Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt op een terrasafzettingswelving en is door de enigszins hogere ligging relatief laat, waarschijnlijk vanaf omstreeks de jaartelling, met veen bedekt geraakt. Rekening houdend met deze situatie en het ontbreken van een duidelijke gradiëntzone geldt een middelhoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum t/m IJzertijd en een lage verwachting voor resten uit de periode Romeinse tijd t/m Vroege Middeleeuwen. Voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd geldt onder meer op basis van archeologische waarnemingen in de directe omgeving een hoge verwachting.

Om de archeologische verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De middelhoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum t/m IJzertijd en hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd dient op basis van het veldonderzoek naar een lage verwachting te worden bijgesteld. De lage verwachting voor de overige perioden dient te worden gehandhaafd.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De regioarcheoloog heeft op basis van dit rapport een selectiebesluit genomen.

Conclusie Er is geen sprake van een bedreiging van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden. Het plangebied wordt als voldoende onderzocht beschouwd en is vrijgegeven.

Beoordeling cultuurhistorie Het plangebied is gelegen in de regio 'West-Brabantse Venen', zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In de 'West- Brabantse Venen' heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 33

Uitsnede van de cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen. Plangebied is aangeduid met de rode ster.

Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied met een historische waarde. De Noorderstraat grenzend aan het plangebied heeft een historische geografie met een 'Redelijk hoge' waarde.

Binnen de cultuurhistoriekaart (erfgoedkaart) van de gemeente Rucphen is het plangebied aangeduid als 'zone cultuurgronden (1840)'. Deze categorie wordt gevormd door de verdeling van percelen, wegen- en bebouwingspatronen. In de toelichting van de erfgoedkaart staat beschreven dat de cultuurhistorische waarden beschermd kunnen worden doormiddel van een aanduiding binnen de bestemmingsplannen. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan kent echter geen aanduiding voor de bescherming van cultuurhistorische waarden. Daarnaast doen de voorgenomen plannen geen afbraak aan deze waarde.

Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan archeologische en cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.

4.9 Ecologie 4.9.1 Natuurgebieden Toetsingskader Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking

34 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.

Natura 2000-gebieden Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening (Natuur netwerk Brabant, NNB). In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

Beoordeling en conclusie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het 'Ulvenhoutse Bos', dat is gelegen op een afstand van circa 14 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Aangezien het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Binnen het plangebied is geen Natuur Netwerk Brabant (NNB) aanwezig. Ook in de directe omgeving is geen NNB-gebied gelegen. Het plangebied bevindt zich in een stedelijke omgeving. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied ligt op circa 1,25 km afstand, buiten de bebouwde kom van St. Willebrord. Gezien de afstand tussen het NNB en plangebied met het tussenliggend stedelijke gebied, is er geen sprake van directe of indirecte ruimtelijke of ecologische aantasting van het NNB. Het planvoornemen veroorzaakt geen verslechtering van de natuurwaarden. Hiermee voldoet het plan aan de uitgangspunten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.9.2 Stikstof Toetsingskader Stikstof is als onderdeel van de gebiedsbescherming van Natura-2000 gebieden opgenomen in de Omgevingswet. Met het programma AERIUS dient de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.

Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 5). In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

Conlcusie Uit een AERIUS-berekening is gebleken dat als gevolg van de (aanleg- en) gebruiksfase er ten aanzien van stikstofdepositie geen negatieve effecten optreden als gevolg van het plan op Natura 2000-gebieden.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 35

4.9.3 Soortenbescherming Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid daarvan. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig.

De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning).

Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).

Beoordeling Door de Roever Omgevingsadvies is in oktober 2025 een Natuuronderzoek afgerond. De rapportage is bijgevoegd in (Bijlage 6) van deze toelichting. Vanwege het plan worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk.

Conclusie Op basis van het natuuronderzoek kan worden geconcludeerd dat het onderhavige plan geen significante hinder veroorzaakt voor beschermde flora en fauna, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de geldende zorgplicht en de geadviseerde maatregelen. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning is niet noodzakelijk. Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.10

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft in 2026 een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het plan aan de Fazantendonk te St. Willebrord (Bijlage 7). In dit onderzoek is de geluidbelasting berekend voor de beoogde woningen.

36 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt op basis van de aangepaste snelheid van de Vosdonkseweg van 50 km /u naar 60 km /u maximaal 62 dB ter plaatse van de bouwvlakken en 62 dB ter plaatse van de fictieve woningen. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden maar de grenswaarde van 70 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht.

De vereiste karakteristieke geluidwering van de gevels bedraagt maximaal 29 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de geluidwering van de gevels.

De milieukwaliteit ter plaatse varieert van 'slecht' tot 'zeer goed'. Het woon- en leefklimaat wordt als aanvaardbaar aangemerkt. Het cumulatieve geluid staat een goed woon- en verblijfsklimaat niet in de weg, mits bij het ontwerp rekening wordt gehouden met geluidwering van gevels waar nodig.

Conclusie Op de verbeelding is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonenoverschrijding standaardwaarde' het gezamenlijk geluid maximaal 62 Lden mag bedragen. Het initiatief is niet onuitvoerbaar in het kader van wegverkeerslawaai. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de woonfunctie.

4.11

Activiteiten en milieuzonering

Toetsingskader De juridische basis voor activiteiten en milieuzonering is sinds 1 januari 2024 vastgelegd in de Omgevingswet. Deze wet richt zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) om hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten te voorkomen. Dit wordt bereikt door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, en gevoelige functies, zoals woningen. In 2009 stelde de VNG, in samenwerking met de Ministeries van VROM en Economische Zaken, de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" op. Deze handreiking bevat richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Bedrijven zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij hogere categorieën zwaardere milieubelasting betekenen en grotere richtafstanden vereisen. De richtafstanden zijn indicatief en kunnen worden aangepast mits zorgvuldig onderbouwd. De handreiking onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijken/buitengebieden en gemengde gebieden. In rustige woonwijken wordt functiescheiding nagestreefd, terwijl in gemengde gebieden kortere richtafstanden acceptabel zijn. Bij bedrijven en milieuzonering wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe werking. Interne werking betreft de vraag of de omgeving de nieuwe functie toelaat, terwijl externe werking gaat over de vraag of de nieuwe functie in de omgeving past.

Bij zonering moet rekening worden gehouden met planologische rechten en daadwerkelijk gebruik van bestemmingen. De Omgevingswet introduceert ook het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de zogenaamde bruidsschat, die beoordelingsregels voor bedrijven bevatten. In het Bal worden bedrijven gezien als verzamelingen van milieubelastende activiteiten, met algemene regels voor toelaatbare milieuhinder en specifieke milieuvergunningsplichten. In oktober 2024 publiceerde de VNG een nieuwe versie van de handreiking "Activiteiten en milieuzonering". Deze nieuwe systematiek integreert het ruimtelijk- en milieuspoor en richt zich op geluid en geurhinder door bedrijvigheid. De handreiking werkt met zones met milieuwaarden in plaats van milieucategorieën, waarbij grotere afstanden tot woonomgevingen meer gebruiksruimte voor geluid en geur bieden. De nieuwe systematiek biedt ruimte voor aanvullende regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, gericht op efficiënt ruimtegebruik en het voorkomen van onaanvaardbare cumulatie van geur- en geluidbelasting bij woonomgevingen. De zones voor geluid en geur zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van milieugevoelige activiteiten, met specifieke geluid- en geurbelastingen per activiteit op vaste afstanden van de locatie.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 37

Beoordeling Gezien het ontbreken van bedrijfsfuncties en maatschappelijke voorzieningen in de directe omgeving van het plangebied, kan deze omgeving worden aangemerkt als een rustig woongebied. In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied bestemd voor sport- en verkeersfunctie. In de toekomstige situatie wordt een woon-, verkeer- en groenfunctie gerealiseerd. In de omgeving van het plangebied bevindt zich op circa 120 meter een nutsvoorziening en op circa 160 meter een natuursteenbewerkingsbedrijf. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 3.2, waarvoor een richtafstand van 100 meter geldt. Met een afstand van circa 160 meter tussen de bouwperceelgrens en de bedrijfslocatie is er geen sprake van hinder of strijdigheid met de uitgangspunten van milieuzonering. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is in het kader van bedrijven en milieuzonering.'

Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.

4.12

Omgevingsveiligheid

Toetsingskader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

38 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024.

Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2024

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 39

Beoordeling Inrichtingen en externe veiligheid Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen welke negatieve invloed kunnen hebben op de externe veiligheid, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de dichtsbijzijnde inrichtingen zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden en groepsrisico. Het plangebied is echter gelegen in een gifwolksaandachtsgebied van Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Het veroorzakende bedrijf is gelegen op meer dan 1.500 meter afstand en heeft geen consequenties voor dit plan.

Transport en externe veiligheid Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de REV geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen.

Buisleidingen en externe veiligheid Om te beoordelen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtsbijzijnde hogedruk aardgasleiding is gelegen op een afstand van circa 150 meter tot het plangebied. Het plangebied ligt niet in het aandachtsgebied van deze leiding. Daarnaast ligt het plangebied ook niet in een risico contour. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.

Bereikbaarheid bluswatervoorzieningen Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is er een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen nodig. Ook zal de bereikbaarheid van de nieuwe woningen moeten zijn gewaarborgd. De bereikbaarheid dient getoetst te worden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving § 4.6.3 (Bereikbaarheid van een bouwwerk). Tevens dient er rekening gehouden te worden met de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening, vastgesteld door de Interregionale Adviesleidraad Bluswatervoorzieningen Bereikbaarheid 2022.

Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.13

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Het aspect luchtkwaliteit is om meerdere redenen relevant. In de eerste plaats omdat woningen worden gerealiseerd en luchtkwaliteit een gezondheidsaspect is voor de toekomstige bewoners. In de tweede plaats omdat de een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op wegen die van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit. Voor luchtkwaliteit zijn de instructieregels in § 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving relevant. Deze zijn met name relevant als het projectgebied is gelegen in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, locaties met hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is voor de gewenste ontwikkeling.

Beoordeling

40 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het projectgebied. Maatgevend is het toetspunt aan de Noorderstraat , direct ten oosten van het projectgebied. Uit de kaart blijkt dat in 2025 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2025; 15,8 µg/m³ voor NO2, 14,8 µg/m³ voor PM10 en voor 8,2 PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Het plangebied bevindt zich niet in de in artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Het initiatief valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Om deze reden is nader onderzoek niet noodzakelijk.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

4.14

Kabels en leidingen

Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant in verband met onderhoud, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. b. c. d. e.

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium een KLIC-melding worden uitgevoerd.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.15

Gezondheid

Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.

Beoordeling Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 41

Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken.

De beoogde ontwikkeling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. In het projectgebied wordt een nieuw fiets- en wandelpad aangelegd. Deze stimuleren net als de veiligheid óók de gezondheid.

In het projectgebied komt voldoende waterberging. Daarnaast heeft het belendende groen aan de Pastoor Bastiaansensingel een waterbergende functie. Dit gebied zal het meeste water opvangen. Deze waterberging draagt positief bij aan aan de opvang van overtollig regenwater.

Er worden nieuwe groenvoorzieningen en bomen aangelegd. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. Door het vele groen kan het water makkelijker worden geïnfiltreerd. Ook zorgen bestaande bomen en nieuwe bomen voor schaduw en koele plekken.

Nieuwbouwwoningen kunnen daarnaast bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners, maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit, nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap.

Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.

42 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

Hoofdstuk 5

Juridische plantoelichting

5.1 Inleiding Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de locatie Fazantendonk te St. Willebrord. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de kaart. De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), regels voor functies en activiteiten (hoofdstuk 2) en algemene regels (hoofdstuk 3).

5.2 Regels 5.2.1 Inleidende regels Artikel 1. Toepassingsbereik sub a Hierin is bepaald op welke locatie dit hoofdstuk van toepassing is en koppelt de kaart aan het TAM-omgevingsplan. Sub b Hierin is bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (niet van toepassing zijn op de locatie zoals bedoeld in lid 1. Het TAM-omgevingsplan kan er niet voor zorgen dat de onderliggende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervallen. Daarom worden deze regels niet van toepassing verklaard. Sub c Hierin is bepaald dat een groot deel van de regels uit de bruidsschat niet van toepassing is als de regels in strijd zijn met de regels uit dit hoofdstuk. Hiervan zijn de regels over vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat uitgezonderd.

Artikel 2. Begripsbepalingen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Er is ook aangegeven dat de begrippen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving overeenkomstige van toepassing zijn op dit omgevingsplan.

Artikel 3. Meet- en rekenbepalingen In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden.

Artikel 4. Aanvraagvereisten Door dit artikel worden de aanvraagvereisten uit de bruidsschat ook van toepassing verklaard op een omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk.

5.2.2 Regels voor functies en activiteiten Artikel 5. Algemeen gebruiksverbod In dit artikel is vastgelegd dat het verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies zoals vastgelegd in dit hoofdstuk.

Artikel 6. Groen Ter plaatse van de functie 'Groen' zijn grotere en structurele groenvoorzieningen opgenomen, maar ook structuren zoals groenstroken, bermen, fiets- en wandelpaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair en overige tot de functie behorende voorzieningen zijn binnen deze functie gelegen. Wijziging, aantasting

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 43

en compensatie van het groen en bomen dient getoetst te worden aan het gemeentelijk groenbeleid. Op de gronden mogen kleine gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Door gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toe te staan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld een gebouw toe te staan ten behoeve van speeltoestellen.

Artikel 7. Verkeer De wegen en bijbehorende verblijfsgebieden zijn aangeduid als 'Verkeer'. Deze functie geldt voor alle straten, erven en wegen, er is dus geen onderscheid noodzakelijk naar de wegencategorisering. Onder deze functiezijn tevens begrepen groenstroken, bermen en bomen langs wegen.

Artikel 8. Wonen Woningen bestemd voor de huisvesting van één huishouden zijn in het plan bestemd tot 'Wonen'. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak, met inachtneming van een eventueel aangegeven maximaal aantal wooneenheden en de woningtypologie. Met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - overschrijding standaardwaarde' is geborgd dat er een gevelweringsonderzoek wordt uitgevoerd ter waarborging van een goed binnenklimaat, omdat aldaar de standaardwaarde van 53dB(A) wordt overschreden.

Artikel 9. Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd de instandhouding, bescherming en het behoud van archeologische waarden of verwachtingswaarden.

5.2.3 Algemene regels Artikel 10. Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven.

Artikel 11. Aanvullende beoordelingsregels bouwen In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouw zijnde. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten. Daarnaast is in de algemene bouwregels een bestaande afstanden en ander maten regeling opgenomen.

Artikel 12. Aanvullende beoordelingsregels gebruik In dit artikel is het verboden gebruik opgenomen. Hier is een algemeen gebruiksverbod opgenomen voor gebruik in strijd met de functie. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten.

Artikel 14. Aanvullende beoordelingsregels gebiedsaanwijzingen IIn dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de geometrie opgenomen gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - 4'. Hierin is aangegeven wat de maximale bouwhoogte van bouwwerken mag bedragen ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak ten aanzien van Breda International Airport. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen voor het bouwen binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'. Binnen deze aanduiding mogen geen windturbines en gebouwen worden opgericht met een hoogte van 90 meter of meer.

44 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

Artikel 13. Aanvullende beoordelingsregels afwijkingen In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Daarnaast is er een afwijking opgenomen voor het oprichten van antennes en masten tot 15 meter.

5.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 14. Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht bepaald. Dit artikel bevat standaard overgangsrecht voor bouwen en gebruik.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 45

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van woningen in de kern St. Willebrord door de gemeente Rucphen. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. Daarbij zorgt de gemeente voor het bouw en woonrijp maken van het openbare gebied. Het bouwperceel c.q. functievlak "Wonen", waarop de woningen worden gerealiseerd, wordt aan marktpartijen aangeboden. De gemeente heeft middelen beschikbaar om de ontwikkeling te realiseren. De concept grondexploitatie laat een positieve balans zien. Omdat de opbrengsten naar verwachting hoger zijn dan de kosten, is er geen verdere dekking nodig. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

Kostenverhaal Indien met een wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is het kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet op de realisatie van woningen in de kern St. Willebrord. De realisatie van één of meerdere woningen is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. In dit geval is de gemeente Rucphen eigenaar van de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteit plaatsvindt en is het kostenverhaal niet aan de orde. In het geval dat de gemeente zelf exploitant is, blijven de kosten namelijk voor rekening van de gemeente. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

46 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Participatie In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit is aangegeven dat bij de wijziging van een omgevingsplan moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En ook wat er met de resultaten is gedaan. Wie bij de participatie worden betrokken, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.

Op 20 november 2025 is het plan besproken aan de Omgevingstafel, waarbij externe partijen zoals de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant zijn uitgenodigd. De reacties van de veiligheidsregio Midden- en het waterschap zijn in het plan verwerkt.

7.2 Omgevingsdialoog In het kader van participatie zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen. Op maandag 24 november 2025 vond er van 18:30 - 19:15 uur een inloopavond plaats. Tijdens deze bijeenkomst zijn direct omwonenden en andere belangstellende geïnformeerd, over de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor de realisatie van woningbouw aan de Fazantendonk, ter hoogte van de Kozijnenhoek te te St. Willebrord. De inloopavond vond plaats in het gemeentehuis van Rucphen (Binnentuin 1). In de 'burgerzaal' zijn een drietal tekeningen en schetsen gepresenteerd, waarmee bewoners en andere belanghebbenden een beeld kregen van de wijziging van het omgevingsplan en de beoogde inpassing van het nieuwbouwplan in de omgeving. Deze tekeningen en schetsen zijn onder Bijlage 8 bij dit verslag opgenomen. De inloopavond is aangekondigd via de Rucphense Bode, de gemeentewebsite en het Gemeenteblad. Daarnaast ontvingen circa 60 directe omwonenden per post een persoonlijke uitnodiging. Belangstellenden die verhinderd waren, konden de stukken digitaal per e-mail opvragen. Op de avond zelf waren weinig bezoekers aanwezig. Gezien het beperkte aantal bezoekers konden de projectmedewerkers één-op-één gesprekken voeren met de aanwezigen. De bezoekers waren vooral geïnteresseerd in de beoogde bouwhoogte/aantal bouwlagen en de situering van de parkeerplaatsen en routing van de wegen.

De sfeer tijdens de bijeenkomst was overwegend positief. Uit de gesprekken bleek dat de meeste aanwezigen zich kunnen vinden in het doel van het plan. Er waren bij enkele bewoners wel wat vragen en zorgen over de verkeersafwikkeling en de ontsluiting van het verkeer. Meerdere bezoekers hebben aangegeven graag geïnformeerd te willen blijven over het verdere planproces. De vijf ingekomen reactieformulieren zijn (anoniem) beantwoord en in het verslag opgenomen.

7.3 Tervisielegging Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft voor zes weken, van 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens de periode van terinzagelegging kon iedereen binnen de gestelde termijn, schriftelijk of mondeling, een zienswijze indienen.

Tijdens de periode van de terinzagelegging van het TAM-omgevingsplan, zijn er vier schriftelijke zienswijzen naar voren gebracht, waarbij 1 zienswijze (later) is ingetrokken.

De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de nota van zienswijzen, die als Bijlage 9 bij de toelichting is opgenomen. De zienswijzen hebben tot aanpassingen geleid van het TAM-omgevingsplan. Alle aanpassingen zijn opgesomd in Bijlage 9.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 47

Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het plan treedt vier weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit in werking. Wanneer geen beroep wordt ingesteld, wordt het besluit na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.

48 tendonk

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazan

Hoofdstuk 8

Conclusie

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de beoogde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de beoogde activiteit) zorgvuldig onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 4. Om te waarborgen dat het project niet in strijd is met de beleidsdoelen, is het planvoornemen in hoofdstuk 3 getoetst aan het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. In de hoofdstukken 5 en 6 is daarnaast ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid. Op basis van deze toetsing wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met de beleidsdoelen en geen onaanvaardbare effecten heeft op de fysieke leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan St. Willebrord- Fazantendonk 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17035719/1