09b TAM-omgevingsplan Sprundel - Vissenberg III
Tekst van het document
woningbehoefteprognose 2020-2030: 495 woningen. Dit is gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose van 2020. Najaar 2023 is deze prognose geactualiseerd; 2. woningbouwrealisatie / toevoeging: circa 60 woningen per jaar (gem. laatste 10 jaar); 3. woningprogrammering 2020-2030: 695 woningen, waarvan hard 440 woningen; 4. binnenstedelijke mogelijkheden 2020-2030: circa 815 woningen, waarvan in programmering 385 woningen. In de toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030' spreekt de gemeente Rucphen de ambitie uit dat de kernen van de gemeente zich in 2030 onderscheiden in woonaantrekkelijkheid. De kwaliteiten van Rucphen als woongemeente
33/1123
zijn het dorpse gemeenschapsgevoel, het kleinschalige groene karakter, de nabijheid van de bossen en het goede aanbod van voorzieningen. De gemeente wil haar aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag rustig landelijk willen wonen, maar wel dicht bij (groot)stedelijke voorzieningen werk. De dorpen hebben een eigen karakter en het is er goed leven. De samenstelling van de bevolking is daarbij belangrijker dan de aantallen. Woonvisie 2020-2024 In de gemeentelijke Woonvisie is de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woonen leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Beschikbaarheid is een van de belangrijkste speerpunten in de visie. Bij 'beschikbaarheid' gaat het over voldoende woningen voor de verschillende doelgroepen. Door de sterke vergrijzing zal een groot deel van de toe te voegen woningen levensloopbestendig moeten zijn vertaald in appartementen en grondgebonden seniorwoningen. Daarnaast is aandacht nodig voor met name starterswoningen, om starters/ jongeren kansen te bieden in de dorpen. In de woonvisie wordt er van uitgegaan dat voor de komende 5 jaar een behoefte bestaat van 500 woningen.
Achterblijvende nieuwbouw in de afgelopen jaren door de economische crisis en momenteel juist een verhitte koopmarkt leiden tot een behoefte aan 50-100 nieuwbouwwoningen per jaar. De makelaars bevestigen bovenstaande behoefte aan woningen over die jaren en benadrukken met name de behoefte aan goedkope en middeldure koop. De te realiseren 500 nieuwbouwwoningen van 2020-2024 in de gemeente Rucphen zijn gedifferentieerd naar kern en naar woningtype. Dit zijn de ambities per kern, vraag en aanbod bepalen uiteindelijk de concrete invulling per kern.
Figuur 4.3 Indicatieve woningbehoefte kern Sprundel (Bron: Woonvisie 2020-2024) Prestatieafspraken 2024 In lijn met de nationale prestatieafspraken en de regionale woondeals willen Thuisvester en gemeente Rucphen de bouwproductie verhogen. In de regionale afspraken staan in de periode tot en met 2030 minimaal 159 sociale huurwoningen. In de programmering van Thuisvester zijn 205 huurwoningen opgenomen. Gemeente Rucphen heeft in haar woonvisie melding gemaakt van minimaal 100 extra sociale huurwoningen in de periode 2020-2024. De gemeente wenst op termijn een sociale huurwoningenvoorraad van 3.000 woningen.
34/1123
Op dit moment heeft Thuisvester 2.770 woningen en draagt bij aan de gewenste uitbreiding. Bij nieuwe uitbreidingen in de gemeente is Thuisvester bereid om naast 30% sociale huur, ook betaalbare huur (middeldure huur, € 808.06 t/m € 1.100,- ,prijspeil 2023) te ontwikkelen. Uit een enquête onder woningzoekenden in de gemeente Rucphen is naar voren gekomen dat er een vraag is naar gelijkvloerse woningen in de middeldure huur. Thuisvester zoekt bij ieder nieuwbouwproject naar mogelijkheden voor de bouw van deze woningen. Motivering locatiekeuze (waarom niet binnenstedelijk) De gemeente heeft per 1 januari 2023 een benodigde capaciteit van 595 woningen en slechts harde plancapaciteit voor 145 woningen. Binnenstedelijk is harde capaciteit voor 55 woningen. Er is te weinig harde plancapaciteit om in de behoefte te voorzien. Het is niet realistisch dat er voor de totale woningbehoefte alleen op binnenstedelijke locaties voldoende ruimte kan worden gevonden. De gemeenteraad van Rucphen heeft in november 2022 de 'Omgevingsvisie Rucphen 1.0' vastgesteld. In de 'Omgevingsvisie Rucphen' geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen. De concentratie van dorpskernen is kenmerkend voor de gemeente Rucphen. In de noordoostelijke hoek van de gemeente vormen de drie grootste dorpen Rucphen, St. Willebrord en Sprundel samen één driehoek.
De woningen worden gerealiseerd aan de zuidwestzijde van de kern van Sprundel. Om tegemoet te komen aan de gewenste woningbehoefte is kleinschalige uitbreiding van de dorpen mogelijk. Dit kan bijdragen aan de landschappelijke versterking. Concrete zoekgebieden liggen vooral in de buurt van de Binnentuin. De beoogde locatie is een logische uitbreidingsrichting van Sprundel.
Figuur 4.4 Ruimtelijke structuur gemeente Rucphen Conclusie De voorgenomen woningbouw voorziet met maximaal 167 woningen in een gemengd programma waarvan twee
35/1123
derde betaalbaar zowel in de kwantitatieve als in de kwalitatieve behoefte. Met het toevoegen van woningen op deze locatie aansluitend aan de kern Sprundel wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.3
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisie van provincie Noord Brabant en Nota Parkeernormen Rucphen 2017 gaan wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid bieden de CROW-richtlijnen een belangrijk kader voor de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Toetsing Er is een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor verkeer en parkeren. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. De totale verkeersgeneratie vanwege het plan is afgerond 1.402 mvt/etmaal en kan vlot en veilig worden afgewikkeld over de relevante wegvakken. De verkeerstoename vanwege de beoogde ontwikkeling veroorzaakt geen veiligheidsknelpunten op het omliggende wegennet. Ook binnen de beoogde ontwikkeling is de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid geen knelpunt. De straten zijn veilig vormgegeven. Het langzaamverkeersnetwerk is fijnmazig en veilig.
Geadviseerd is om binnen de plangrenzen in plaats van losse verkeersdrempels oversteekplateau’s te realiseren. Dit is meegenomen in de constructieve uitwerking van het plan. In het plan kunnen is in voldoende parkeerplaatsen voorzien om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Conclusie Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van verkeer en parkeren. Door het treffen van maatregelen kan de verkeerssituatie worden verbeterd.
4.4
Water
Toetsingskader Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken;
36/1123
waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl). De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst. De provinciale verordening kan instructieregels bevatten over water. In het kader van deze ontwikkeling zijn er geen artikelen van toepassing. Beleid Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’.
In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg.
Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan.
37/1123
Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. Opnieuw gebruiken; 2. Vasthouden / in laten trekken in de grond; 3. Water bergen; 4. Afvoeren naar sloten of rivieren; 5. Afvoeren naar een riool. Waterschapsverordening De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing.
In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; De toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; De toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt
38/1123
toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling is de weging van het waterbelang onderzocht, zie hiervoor Bijlage 5. Op basis hiervan kan het volgende geconcludeerd worden. Het projectgebied Vissenberg III, dat is gelegen aan de zuidwestzijde van de kern van Sprundel, ingeklemd tussen de Vorenseindseweg in het zuiden en de Rucphensebaan in het noorden, heeft in de huidige situatie een agrarische functie bestaande uit akkergronden en weilanden en is altijd onbebouwd en onverhard geweest. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 167 woningen en een huisartsenpraktijk in combinatie met de realisatie de ontsluiting en openbare ruimte (groen en water) en voorziet in een toekomstig verhard oppervlak van 31.485 m2.
Omdat de toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater dient deze toename van verharding gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsof compensatieopgave voor het projectgebied in totaal 1.889 m³. Buiten de compensatie voor het toekomstig verhard oppervlak zal ook rekening gehouden moeten worden met het bestaande oppervlaktewater dat rondom het projectgebied is en zelfs door het projectgebied loopt. Met name de lagergelegen delen in het projectgebied zijn gevoelig voor wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem. Waterfeit Adviseurs heeft de waterhuishouding en de riolering voor het plan uitgewerkt, zie bijlage 6. De waterbergingsopgave wordt voorzien door de realisatie van een grote wadi en een drietal laagtes. Deze waterbergingsopgave is bepaald op basis van de eerste inrichtingsschets. Waterfeit heeft ook een rioleringsplan opgesteld, zie bijlage 7. In dit rioleringsplan is het rioolontwerp verder uitgewerkt en hydraulisch getoetst. De waterbergingsopgave is opnieuw bepaald op basis van de definitieve inrichtingsschets. Tevens is een stresstest berekening uitgevoerd met een rioleringsmodel met maaiveldmodel. Deze stresstestberekening geeft inzicht in de het optredende water op straat bij extreme neerslag.
Het rioolontwerp kan het type bui09 verwerken zonder dat er water op straat wordt berekend. Volgens de uitgevoerde stresstest wordt er bij 70 mm neerslag in een uur op enkele locaties water op straat berekend, maar ontstaat er geen schade. De hoeveelheid water op straat kan op één locatie eenvoudig worden verminderd door de berm richting de naastgelegen watergang iets te verlagen. Conclusie
39/1123
Het plan voldoet aan de gestelde regels voor water. Er wordt voorzien in voldoende waterberging en door het treffen van maatregelen wordt geen wateroverlast bij hevige regenval verwacht. De resultaten worden aan het waterschap voorgelegd en het advies van het waterschap wordt in het plan verwerkt.
4.5
Planologische relevante leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Toetsing en conclusie In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft in het TAM-omgevingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.
4.6
Omgevingsveiligheid
Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toetsing Woningen zijn conform artikel 5.3 van het Bkl kwetsbare gebouwen. Uit de informatie op de risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het projectgebied buiten het de risicocontour (PR10-6) van het Ijspaleis valt. Het Ijspaleis dat zich ten noorden van het projectgebied bevindt heeft een ammoniakkoelinstallatie. Verder ligt het projectgebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van een stationaire activiteit. Omdat het veroorzakende bedrijf op meer dan 1.500m afstand ligt heeft dit geen consequenties voor dit plan. Het toelaten van de nieuwe woningen leidt niet tot nieuwe risico's op het gebied van externe veiligheid.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen nodig. Ook zal de bereikbaarheid van de nieuwe woningen moeten zijn gewaarborgd. Dit wordt geborgd door de artikelen 22.13, 22.14 en 22.151 van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan (de bruidsschat). De bereikbaarheid dient getoetst te worden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving § 4.6.3 (Bereikbaarheid
40/1123
van een bouwwerk). Tevens dient er rekening gehouden te worden met de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening, vastgesteld door de Interregionale Adviesleidraad Bluswatervoorzieningen Bereikbaarheid 2022. Het advies van de brandweer is om bluswatervoorziening op te nemen in de bouwaanvraag. Dit zal beoordeeld worden volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening, vastgesteld door de Interregionale Adviesleidraad Bluswatervoorzieningen Bereikbaarheid 2022. Het advies van de brandweer wordt in acht genomen. Conclusie Gelet op het voorgaande, draagt de beoogde ontwikkeling voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en hoeven er geen regels te worden opgenomen met betrekking tot het thema omgevingsveiligheid.
4.7
Cultureel erfgoed
Toetsingskader Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichten tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta (Valletta)' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, het bodemarchief met zorg ontsloten dient te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016. Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale wet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving is sinds 2024 in de Omgevingswet geregeld.
Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 4.7.1 Archeologie Toetsingskader In het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020' heeft het
41/1123
projectgebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' en bijbehorende aanduidingen 'overige zone – waarde archeologie 2' of 'overige zone – waarde archeologie 3'. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 2' is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de oppervlakte van de bodemverstoring meer dan 500 m2 en meer dan 50 centimeter diep bedraagt. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde archeologie 3' is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de oppervlakte van de bodemverstoring meer dan 1.000 m2 en meer dan 50 centimeter diep bedraagt. Toetsing Aangezien de omvang en diepte van de bodemverstoring de vrijstellingsgrenzen uit het omgevingsplan overstijgt, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 8. Op basis van het bureauonderzoek wordt aan het projectgebied een diverse archeologische verwachting toegekend. Voor het laat-paleolithicum geldt een lage tot hoge verwachting, afhankelijk van de intactheid van de bodem. Aan de periode neolithicum tot en met vroege middeleeuwen wordt een hoge verwachting toegekend, terwijl voor de late middeleeuwen/nieuwe tijd een lage verwachting geldt. Deze verwachting is aangescherpt aan de hand van de resultaten van het booronderzoek. Op basis daarvan wordt de verwachting voor alle periodes voor het grootste deel van het projectgebied bijgesteld naar laag.
Alleen voor het noordoostelijke deel van het projectgebied blijft een hoge verwachting op alle periodes van laat-paleolithicum tot en met vroege middeleeuwen gehandhaafd. Dit vanwege de aanwezigheid van een deels intact bodemprofiel. In de rest van het projectgebied is de natuurlijke bodemopbouw afgetopt en is sprake van een AC-profiel. De regioarcheoloog adviseert naar aanleiding van het rapport om binnen het projectgebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om de archeologische waarde van het terrein vast te stellen en om de landschappelijke ligging nader in kaart te brengen. Het proefsleuvenonderzoek omvat in eerste instantie de hoger gelegen delen van het terrein. Indien sprake is van een of meer vindplaats(en), dient het onderzoek te worden uitgebreid naar de lager gelegen delen. Conclusie Er wordt nader onderzoek naar de archeologische waarden in het projectgebied uitgevoerd. 4.7.2 Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische kaart van provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het projectgebied aanwezig zijn. Ook zijn historische topografische kaarten beschouwd.
Toetsing Uit de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt dat ter plaatse van het projectgebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn.
42/1123
Rond 1900 waren de landbouwpercelen In Rucphen omzoomd door bomenrijen en struiken, en vormden daarmee een kamerstructuur. In latere situaties is deze structuur door herverkaveling niet meer te herleiden. De planlocatie ligt aan de westelijke rand van Sprundel. De historische dorpslinten begrenzen de locatie aan de noord- en zuidzijde met de achterzijde van de lintbebouwing richting het projectgebied. In het stedenbouwkundig plan is een relatie of een aansluiting gemaakt op deze elementen. Dit gebeurt door het versterken en behouden van doorzicht op het landschap en door te refereren aan de oude verkavelingstructuur. Aan de noordoostzijde van de planlocatie, tegen de uitbreidingswijk aan, bevindt zich een bosschage die al zichtbaar is in kaartbeelden van 1900. De bosschage heeft hierdoor historische (en ecologische) waarde. In het stedenbouwkundig plan is deze bosschage behouden. Conclusie In het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het projectgebied.
4.8
Landschap
Toetsingskader In artikel 5.11 van de omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgelegd dat een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant is geregeld in het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant'. De handreiking bevat afspraken die in het regionaal ruimtelijk overleg (RRO) van West-Brabant zijn gemaakt. Uitgangspunt van de investering in het landschap is dat de kwaliteitsverbetering in verhouding moet zijn met de ruimtelijke ontwikkeling. Dat betekent dat ‘rood’ wordt omgerekend naar een tegenprestatie in euro’s, die wordt omgezet in een fysieke tegenprestatie. Wanneer dat niet mogelijk is, kan worden volstaan met een financiële tegenprestatie, waarbij het investeringsbedrag in het groenfonds van de betreffende gemeente wordt gestort. Toetsing Met de ontwikkeling van een uitbreidingswijk van maximaal 167 woningen en een huisartsenpraktijk wordt het projectgebied betrokken bij het stedelijk gebied. Hiervoor heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden. Vanwege de uitbreiding in landelijk gebied is kwaliteitsverbetering noodzakelijk.
In het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant', wordt inzake kwaliteitsverbetering van het landschap ingeval van uitbreiding uitgegaan van een basisinspanning van 1% van de uitgifte prijs. In het projectgebied is sprake van circa 25.000 m² uitgeefbare grond. De gemiddelde uitgifteprijs bedraagt € 275 per m². Uit de gronduitgifteberekening blijkt dat de opbrengsten van uitgifte van gronden in het projectgebied 25.000 m2 x € 275,- = € 6.875.000,- bedragen. Gegeven de bijdrage van 1% kan worden gesteld dat voor de kwaliteitsverbetering ten minste een investering van € 68.750,- nodig is. De uitwerking van de kwaliteitsverbetering en de toepassing van het richtbedrag heeft in overleg met de
43/1123
gemeente plaatsgevonden. Het projectgebied wordt waar mogelijk groen ingericht, de bijdrage aan kwaliteitsverbetering is echter beperkt, omdat er een forse waterbergingsopgave is. Met de gemeente is afgesproken dat de benodigde investering wordt gestort in het gemeentelijke groenfonds. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de regels voor kwaliteitsverbetering zoals is bedoeld in artikel 5.11 van de omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.9
Ecologie: gebiedsbescherming
Toetsingskader Natura 2000-gebieden Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (zie figuur 4.6). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is het 'Ulvenhoutse Bos' en bevindt zich op circa 14,5 kilometer ten oosten van het projectgebied.
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie, voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Om de eventuele toename van stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De memo en berekeningen zijn opgenomen in bijlage 9. Hierbij kan geconcludeerd worden dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project.
44/1123
Figuur 4.6 Ligging projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Ulvenhoutse Bos' (lichtgroene vlak) (Bron: Rho Basisviewer) Natuurnetwerk Brabant Het projectgebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) (zie figuur 4.7). Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op ongeveer 700 meter afstand ten zuiden van het projectgebied. Dit is natuurgebied N16.03 Droog bos met productie. Op ongeveer 800 meter afstand ten westen van het projectgebied bevindt zich ook het NNB gebied N16.03 Droog bos met productie. De geplande activiteit ligt op voldoende afstand van deze gebieden en heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant.
45/1123
Figuur 4.7 Ligging projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (Bron: Provincie Noord-Brabant, bewerking Rho adviseurs) Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot directe effecten op Natura 2000-gebieden. Er is daarnaast sprake van een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr. op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuur Netwerk Brabant.
4.10 Ecologie: soortenbescherming Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid daarvan. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
46/1123
Toetsing Quickscan flora en fauna Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna op 14 april 2024 uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 10. De conclusies van deze quickscan worden hierna kort weergegeven. Vogels Binnen het projectgebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 1 t/m 4 te verwachten. Daarmee zijn negatieve effecten op deze soorten ook uitgesloten. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 5 welke mogelijk binnen de verstoringszone broeden, zoals ekster, koolmees en pimpelmees, zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het projectgebied. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Omgevingswet, artikel 5.1 lid 2 en artikel 11.34 Bal. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van maart tot en met augustus.
Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het projectgebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden het afval dat vrijkomt in het projectgebied (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het projectgebied te beperken. Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn. Vleermuizen Het projectgebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Op basis van de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving zijn significant negatieve effecten op essentieel foerageergebied op voorhand uitgesloten. Ook zijn er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied of de verstoringszone van de ingreep. Het kan op basis van dit onderzoek niet uitgesloten dat de bosranden aan de oost en noordzijde, en de bomen grenzend aan het noordelijkste perceel door vleermuizen gebruikt wordt als vaste vliegroute. Deze blijven bij de ingreep behouden.
Als zowel gedurende de aanlegfase als in de gebruiksfase verlichting van deze bosranden en bomenrijen voorkomen wordt, treden er geen significant negatieve effecten op de mogelijke aanwezige vliegroute op. In dat geval zijn nadere stappen in het kader van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen niet noodzakelijk. Als het voorkomen van het aanlichten van de potentiële vliegroutes niet voorkomen kan worden kan dit leiden tot een overtreding van artikel 5.1 lid 2 en artikel 11. 46 Bal Lid 1d van de Omgevingswet. In dat geval is het
47/1123
noodzakelijk om voorafgaand aan de ingreep een nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Het verdient aanbeveling dit aanvullende onderzoek uit te voeren volgens het Vleermuisprotocol 2021 van de Gegevensautoriteit natuur. Bij gebruikmaking van het vleermuisprotocol wordt een eventuele ontheffingsaanvraag vrijwel zeker in behandeling genomen. Tevens geeft het vleermuisprotocol invulling aan de minimale onderzoeksinspanning voortkomend uit de Omgevingswet. Afhankelijk van de resultaten van het nader onderzoek naar vleermuizen kan het noodzakelijk zijn mitigerende maatregelen te treffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast kan het noodzakelijk zijn een vergunning aan te vragen voor een ‘Flora- en fauna-activiteit’ onder de Omgevingswet. Kleine marterachtigen Twee percelen in het noorden van het projectgebied (zie figuur 5 in bijlage 10) zijn potentieel geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. Vanuit de richtlijn uit het kennisdocument voor de kleine marterachtigen van BIJ12 kan de keuze gemaakt worden om er vanuit te gaan dat deze soorten er zitten. In dat geval moet een mitigatieplan opgesteld worden en een ontheffing worden aangevraagd. Als alternatief kan een nader onderzoek uitgevoerd worden om de daadwerkelijke aanwezigheid aan te tonen dan wel uit te sluiten.
In het geval alle soorten uitgesloten kunnen worden zijn nadere stappen niet meer noodzakelijk. Voor de soorten waarbij dit niet het geval is, dient alsnog een ontheffing te worden aangevraagd. Het nader onderzoek moet uitgevoerd worden conform de richtlijnen uit het kennisdocument van BIJ12. Er zijn verschillende methodes welke geaccepteerd worden. In overleg met een marterdeskundige kan de best passende methode voor dit gebied gekozen worden. Overige soorten Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het projectgebied niet te verwachten. De ingrepen leiden dan ook niet tot overtreding van de Omgevingswet voor deze soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna In de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘flora - en fauna-activiteiten’ die vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). Kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten is dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Dit geldt voor alle in het wild voorkomende planten en dieren, ongeacht of ze ook daadwerkelijk als beschermd zijn aangewezen in de Omgevingswet.
De wijze waarop invulling gegeven moet worden aan de specifieke zorgplicht is op dit moment nog niet duidelijk. De wijze waarop deze is geformuleerd in de Omgevingswet laat veel ruimte voor verschil in interpretatie. Het is de verantwoordelijk van de initiatiefnemer om af te wegen welke maatregelen hij in het kader van de specifieke zorgplicht neemt. Nader onderzoek Naar aanleiding van de conclusies uit de quickscan flora en fauna is op 13 augustus 2024 een nader onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 11.
48/1123
Het volgende kan geconcludeerd worden. Bij het onderzoek zijn geen kleine marterachtigen of sporen daarvan waargenomen binnen of in de directe omgeving van het projectgebied. De aanwezigheid van beschermde gebiedsfuncties van de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel is binnen het projectgebied redelijkerwijs uitgesloten. Met de uitvoering van de ingreep wordt de Omgevingswet niet overtreden met betrekking tot kleine marterachtigen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het kennisdocument kleine marterachtigen van BIJ12. Hiermee is voldoende inspanning geleverd om de aanwezigheid van kleine marterachtigen uit te sluiten. De initiatiefnemer heeft daarmee gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden om te voldoen aan de zorgplicht uit de Omgevingswet. Aanbevelingen Bij het uitvoeren van de ingreep dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen en dient invulling gegeven te worden aan de zorgplicht welke voor alle in het wild levende planten en dieren geldt. Er wordt aangeraden om aan een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin de werkwijze om zorgvuldig te handelen wordt vastgelegd.
Wanneer bij de werkzaamheden onverwachts beschermde soorten worden aangetroffen welke op basis van de uitgevoerde natuuronderzoeken niet te verwachten waren, dan dienen de werkzaamheden direct gestaakt te worden en dient contact opgenomen te worden met een deskundig ecoloog. In samenspraak kan vastgesteld worden op welke wijze de werkzaamheden voortgezet kunnen worden, waarbij negatieve effecten en overtreding van de Omgevingswet voorkomen wordt. Conclusie Het aspect soortenbescherming levert geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Hierbij moet rekening worden gehouden met de voorgestelde aanbevelingen.
4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader Het aspect luchtkwaliteit is om meerdere redenen relevant. In de eerste plaats omdat woningen worden gerealiseerd en luchtkwaliteit een gezondheidsaspect is voor de toekomstige bewoners. In de tweede plaats omdat de een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op wegen die van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit. Voor luchtkwaliteit zijn de instructieregels in § 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving relevant. Deze zijn met name relevant als het projectgebied is gelegen in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, locaties met hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is voor de gewenste ontwikkeling. Toetsing Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het projectgebied. Maatgevend is het toetspunt aan de Rucphensebaan , direct
49/1123
ten noorden van het projectgebied. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2024; 14,3 µg/m³ voor NO2, 14,8 µg/m³ voor PM10 en voor 8,3 PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Het projectgebied bevindt zich niet in de in artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Het initiatief valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Om deze reden is nader onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Bodemkwaliteit Toetsingskader Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Besluit kwaliteit leefomgeving. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Toetsing Op 28 mei 2024 is een gecombineerd (water) bodemonderzoek, asbestonderzoek en infiltratie onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Het volgende kan geconcludeerd worden. Milieuhygiënisch onderzoek Zintuigelijke waarnemingen Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling zeer plaatselijk sporen van baksteen aangetroffen. Verder zijn geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen. Grond Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond van het gehele gebied voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse landbouw/natuur.
Wel geldt op basis van de gemeten PFAS gehalten dat de grond bij toepassing in een grondwaterbeschermingszone voor toepassing eerst dient te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit van de ontvangende bodem. Tevens geldt voor de grond uit mengmonster MM04 dat ook sprake is van een toepassingsbeperking in een oppervlaktewaterlichaam.
50/1123
De ondergrond van het noordoostelijk deel voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse wonen. Hier geldt op basis van de gemeten PFAS gehalten dat de grond bij toepassing in een grondwaterbeschermingszone voor toepassing eerst dient te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit van de ontvangende bodem. De ondergrond van het overige deel van het onderzochte gebied voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Plaatselijk geldt op basis van de gemeten PFAS gehalten dat de grond bij toepassing in een grondwaterbeschermingszone voor toepassing eerst dient te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit van de ontvangende bodem. Ter plaatse van de druppellijn is geen PCB aangetoond in de bovengrond. Opgemerkt dient te worden dat de toetsingen vooralsnog zijn uitgevoerd volgens tijdelijke kaders Omgevingswet in afwachting van formele vaststelling door Rijkswaterstaat medio 2024, hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. Grondwater Het grondwater is niet verontreinigd. CROW 400 Na toetsing van de resultaten blijkt dat er geen veiligheidsklasse van toepassing is. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese 'niet verdachte locatie' formeel verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen mag de hypothese toch aanvaard worden.
Algemeen Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Civieltechnische onderzoek Geconcludeerd kan worden dat de onderzochte grond (onder de humeuze toplaag) ter plaatse van de toekomstige wegen voldoet aan de eisen voor zand in aanvulling en ophoging, maar niet aan de eisen voor zand in zandbed en/of draineerzand. Waterbodemonderzoek Geconcludeerd kan worden dat de onderzochte waterbodem voldoet aan kwaliteitsklasse AT bij toepassing in een oppervlaktewaterlicht en aan kwaliteitsklasse landbouw/natuur bij toepassing op landbodem. Wel geldt op basis van de gemeten PFAS gehalten dat de grond bij toepassing in een grondwaterbeschermingszone voor toepassing eerst dient te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit van de ontvangende bodem. Asbestonderzoek
51/1123
In asbestgaten G01 en G02 nabij de druppellijn van het schuurtje is asbesthoudend plaatmateriaal (serpentijn) aangetroffen van respectievelijk 21,8 mg en 49,9 mg. Tevens is in de fijne fractie een concentratie gemeten van 0,11 mg/kgds. In G01 is een berekende concentratie van 40 mg/kg ds asbest aanwezig en in G02 is een berekende asbestconcentratie van 90 mg/kg ds aangetoond. De asbestconcentratie in G02 geeft formeel gezien aanleiding tot nader onderzoek. Infiltratie onderzoek Overzadigde zone Aan de hand van de in het veld uitgevoerde infiltratieproeven in de onverzadigde zone (diepte 0,8/0,9 m-mv) zijn k-waarden in de onverzadigde zone nabij de toekomstige wadi bepaald tussen de 0,23 en 0,92 m/dag. De waterdoorlatendheid van de onverzadigde zone op de locatie is gemiddeld genomen matig tot vrij goed. Bij het zuidelijk gebied, waar mogelijk een groenvoorziening wordt voorzien, is een k-waarde bepaald tussen 0,12 en 0,64 m/dag. Deze k-waarde is bepaald op een diepte van 0,5 m-mv. Een diepere meting was niet mogelijk omdat het grondwater ten tijde van het onderzoek hoog stond. De waterdoorlatendheid van de onverzadigde zone op de locatie is gemiddeld genomen matig. Een meting geeft vrij goed aan, maar gezien het zeer beperkt aantal metingen wordt een matige doorlatendheid aangehouden.
Berekende k-waarde Aan de hand van de korrelverdeling zijn in de mengmonster nabij de toekomstige wadi, zonder de uitbijter van k-waarde volgens formule van Seelheim, een gemiddelde k-waarde van 2,0 m/dag bepaald. Op basis van de toetsing zou hier sprake zijn van goed doorlatende grond. Verkennend bodemonderzoek - Vorenseindseweg ong. Op 3 december 2024 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Vorenseindseweg ong. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 13. Het volgende kan geconcludeerd worden. Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Voor de bovengrond geldt geen beperking voor PFAS, met uitzondering van de toets voor gebiedskwaliteit in grondwaterbeschermingsgebied. De ondergrond voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Het grondwater is niet verontreinigd. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden.
Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat op basis van vastgestelde kwaliteitsklassen voor zowel de boven- als de
52/1123
ondergrond wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in het gemeente omgevingsplan. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek dan wel het nemen van maatregelen. Asbestinventarisatie Op 28 mei 2024 is een asbestinventarisatie uitgevoerd ter plaatse van de Ruchphensebaan ong. Het onderzoek is opgenomen in 14. Het volgende kan geconcludeerd worden. Bij het vooronderzoek, visuele inspectie en na monsterneming/laboratoriumonderzoek, is vastgesteld dat in dan wel ter plaatse van de onderzoeksbouwwerken asbesthoudend materiaal aanwezig is. Ten tijde van onderhavig uitgevoerde asbestinventarisatie zijn geen asbestverdachte en/of asbesthoudende installatie(onderdelen) waargenomen. Asbestverwijdering Er bestaat momenteel geen wettelijke verplichting tot het verwijderen van asbesthoudende materialen. Kanttekening hierbij is wel dat het asbesthoudend materiaal nimmer mag leiden tot een (actueel dan wel potentieel) blootstellingsrisico. Indien overgegaan wordt tot het saneren van het asbesthoudende materiaal dient, conform vigerende wet- en regelgeving, het materiaal verwijderd te worden door een ter zake deskundig asbestverwijderingbedrijf welke is gecertificeerd conform het 'Certificatieschema voor Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering'.
Blootstellingsrisico Ten tijde van de inventarisatie zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen die in redelijk vermoeden kunnen leiden tot een direct normoverschrijdende concentratie aan asbestvezels in de lucht. Het wordt derhalve niet noodzakelijk geacht een risicobeoordeling conform NEN 2991:2015 uit te voeren. Volledigheid en geschiktheid van het onderzoek Ten tijde van de asbestinventarisatie waren alle bouwkundige ruimten binnen de reikwijdte van het onderzoek toegankelijk voor visuele inspectie. Daarnaast is onderzocht in hoeverre asbestverdachte materialen aanwezig kunnen zijn op niet direct zichtbare plaatsen. Onderhavige asbestinventarisatie is op basis van deze resultaten geschikt voor volledige sloop van de onderzoeksbouwwerken. Aanvullend onderzoek De resultaten van de uitgevoerde asbestinventarisatie in relatie tot de reikwijdte en geschiktheid van de rapportage geven geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek zoals een aanvullende asbestinventarisatie (met behulp van (grootschalig) destructief onderzoek), bodemonderzoek of risicobeoordeling. Nader onderzoek asbest in bodem 'Voormalige druppellijn' Rucphensebaan ong. Sprundel Op 14 januari 2025 is een nader onderzoek asbest in de bodem uitgevoerd ter plaatse van de Ruchphensebaan ong. Het onderzoek is opgenomen in 15. Het volgende kan geconcludeerd worden.
53/1123
Geconcludeerd kan worden dat in de grond bij sleuf SL02 asbest is aangetroffen. De asbestconcentratie (2,4 mg/kg ds) blijkt echter ruim onder de interventiewaarde (= 100 mg/kg ds). In de grond van de overige sleuven is geen asbest aangetoond. Middels het nader onderzoek is aangetoond dat op de locatie geen maatregelen genomen behoeven te worden voor het wegnemen van een asbestverontreiniging. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om tot grondroerende werkzaamheden over te gaan. Conclusie Het aspect bodem levert geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.13 Geluid door activiteiten Toetsingskader Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol: 1. de situatie waarin een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw; 2. de situatie waarin een geluidgevoelig gebouw gerealiseerd zal worden waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. Dat kan al snel leiden tot het beperken van de milieuruimte van deze bestaande activiteit (en bijvoorbeeld het beperken van een bedrijfsactiviteit). In deze gevallen is een wijziging van het omgevingsplan een beter instrument om de activiteit mogelijk te maken. Bij de wijziging van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast zal het omgevingsplan moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Toetsing Het project zelf maakt geen nieuwe activiteiten met mogelijke geluiduitstraling mogelijk. Er is een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten buiten het projectgebied die een mogelijke belemmering kunnen vormen voor woningbouw in het projectgebied en er is gekeken of woningbouw een belemmering kan vormen voor omliggende bedrijvigheid. De onderbouwing is opgenomen in Bijlage 16.
Aan de noordzijde van het plan zijn op het bedrijventerrein Nijverhei diverse bedrijven gelegen. Op de meeste van de bedrijven, die nabij het plan gelegen zijn, is voor het aspect geluid het omgevingsplan van de gemeente Rucphen van toepassing. Op het bedrijf IJspaleis B.V. is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, thans de Omgevingswet, van toepassing. Er is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidbelastingen vanwege de relevante bedrijven op het bedrijventerrein Nijverhei op het projectgebied. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 16. Uit onderzoek is gebleken dat het geluid van de nabij het plan gelegen bedrijven ter plaatse van de in het projectgebied geprojecteerde woningen in het projectgebied niet meer bedraagt dan de waarden, die opgenomen zijn in artikel 22.63 van het omgevingsplan dan wel de standaardwaarden uit het eerste lid van
54/1123
artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Conclusie Het project maakt geen nieuwe activiteit met mogelijke geluiduitstraling mogelijk. De akoestische situatie vanwege activiteiten in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geluid door activiteiten.
4.14 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling is een een onderzoek verricht naar de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op het plan Vissenberg III in Sprundel. Rondom en in het plan zijn diverse verkeerswegen gelegen, waarvan het geluid op de gevoelige bestemmingen in het plan optreedt. Er is onderzoek verricht naar het geluid vanwege de rondom en in het plan gelegen wegen. Deze wegen behoren allemaal tot het brontype gemeentewegen. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 18. Uit onderzoek is gebleken, dat de standaardwaarde voor gemeentewegen van 53 Lden op een geprojecteerd gevoelig gebouw in het plan overschreden wordt tot 54 Lden. In artikel 5.78t Bkl is bepaald, dat geluidgevoelige gebouwen bij voorkeur worden toegelaten op een locatie waar het geluid niet hoger is dan de standaardwaarde. De gemeente kan met toepassing van artikel 5.78u Bkl afwijken van artikel 5.78t en meer geluid toestaan. Hiervoor is onderzocht of geluidbeperkende maatregelen mogelijk zijn om het geluid te beperken tot de standaardwaarde en het geluid mag in ieder geval niet hoger zijn dan de in dat artikel opgenomen grenswaarde voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Gebleken is dat er maatregelen zijn, maar deze financieel niet doelmatig zijn. Bij twee geprojecteerde woningen bedraagt het gezamenlijk geluid meer dan 53 Lden, namelijk 54 Lden. Er kan
55/1123
worden geconcludeerd dat het geluidsniveau aanvaardbaar is. Het geluidklimaat in het plangebied varieert van zeer goed tot matig. Op de achtergevel van de woning Rucphensebaan 27 neemt de geluidbelasting van de gemeentewegen vanwege het plan met maximaal 1,6 dB toe. Na deze toename bedraagt het geluid van de gemeentewegen op die gevel ten hoogste 36 Lden. Dit geluid is 17 dB lager dan de standaardwaarde van 53 Lden, zodat er juridisch gezien geen sprake is van een toename. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregels voor geluid door wegen.
4.15 Trillingen Beleid en normstelling In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Toetsing en conclusie Het projectgebied ligt niet binnen een trillingaandachtsgebied van een spoorlijn. Het omgevingsplan bevat geen lokale regels voor trillinghinder.