CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

09b Omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti bijlage 5 bij toelichting archeologisch

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 27 mei 2026, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel TAM-omgevingsplan St.Willebrord-Maria Goretti en grondexploitatie10.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Pastoor Bastiaansensingel 21 Sint Willebrord, gemeente Rucphen

Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Pastoor Bastiaansensingel 21 in Sint Willebrord, gemeente Rucphen Opdrachtgever

Aveco de Bondt Boschstraat 35-37 4811 GB Breda

1

Rapportnummer

22866.002

Versienummer1

1

Datum

27 september 2023

Opstellers2

R.S. Verheij, MSc Drs. A.J. Wullink Met bijdrage van P.J.L. Wemerman

Kwaliteitscontrole

Ir. F.F.J.M. Top

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld

door de bevoegde overheid. 2

AVG

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwartgelakt te worden.

Econsultancy Archeologisch Rapport

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNAprotocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 3 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 14 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 3 Methoden ...................................................................................................................................... 3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 4 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 5 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 5 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................................ 7 Archeologische waarden ................................................................................................................ 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 12 Conclusie bureauonderzoek......................................................................................................... 13

Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 14 Methoden .................................................................................................................................... 14 Resultaten .................................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 16

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 17

BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 1.

Gespecificeerde archeologische verwachting

FIGUREN Figuur 1.

Ligging van het plangebied

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15.

Het plangebied op de topografische kaart Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op paleogeografische kaarten Het plangebied op de geologische kaart Het plangebied op de geomorfologische kaart Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op historische kaarten De ontwikkeling van de bebouwing binnen het plangebied Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de archeologische verwachtingskaart Boorpuntenkaart Resultaten booronderzoek en archeologische verwachting

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6.

AMZ-cyclus Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Planontwerp GeoTOP-model voor het plangebied Onderzoeksmeldingen Boorstaten

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

22866.002

Opdrachtgever

Aveco de Bondt

Toponiem

Pastoor Bastiaansensingel 21

Plaats

Sint Willebrord

Gemeente

Rucphen

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Rucphen, sectie D, percelen 7347 en 7015

Omvang plangebied

7.700 m2

Centrumcoördinaten (X/Y)

99.585 / 395.930

Archeoregio NOaA

4: Brabants zandgebied

Bevoegde overheid

Gemeente Rucphen Binnentuin 1 4715 RW Rucphen

T: 0165-349500 E: gemeente@rucphen.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Regio West-Brabant Drs. L. Korthorst Postbus 503 4870 AM Etten-Leur

T: 076-5027229 E: regioarcheologie@west-brabant.eu

Uitvoeringsperiode

september 2023

Uitvoerders

Econsultancy, R.S. Verheij, MSc & drs. A.J. Wullink (Senior KNA-Prospector)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

5451043100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Aveco de Bondt in september 2023 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 in Sint Willebrord in de gemeente Rucphen. De initiatiefnemer heeft het voornemen om twee onderwijsgebouwen van de basisschool Heilinde te slopen en daarvoor één nieuw schoolgebouw terug te plaatsen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Volgens het bureauonderzoek heeft de top van het dekzand een middelhoge verwachting voor sporen van kampementen uit het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum en een lage verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen.

Archeologische resten worden alleen verwacht als het gebied droog genoeg is geweest om podzolisatie te laten plaatsvinden en wanneer deze podzolbodem niet is afgetopt. Het gebied is waarschijnlijk altijd vrij nat geweest en is ergens tussen het Neolithicum – Middeleeuwen overveend geraakt. In 1357 is het gebied uitgegeven voor agrarische ontginning en turfwinning. Volgens het historisch kaartmateriaal is het plangebied in gebruik geweest als bouwland en vanaf 1899 bebouwd met verschillende gebouwen. Aan het maaiveld worden sporen van bewoning en landgebruik uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd verwacht. De archeologische verwachting voor dit niveau is laag. Het veldonderzoek heeft aangetoond dat het dekzand in het plangebied onder een humeuze toplaag met een dikte van 40 tot 220 cm ligt. Deze humeuze toplaag betreft een (sub-)recent geroerd/opgebracht pakket. Dit (sub-)recent geroerde/opgebrachte pakket heeft een lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het (sub-)recent geroerde/opgebrachte pakket is het dikst ter plaatse van boring 1, 4 en 6 (150 tot 220 cm). Onder de humeuze toplaag is in het plangebied in boring 2, 3 en 5 een (restant van een) podzolbodem aangetroffen, in de vorm van een Bh-, Bhs-, en/of BC-horizont.

In delen van het plangebied is de ondergrond flink vergraven (boring 1, 4 en 6), waarbij vermoedelijk ook de top van het dekzand flink is geroerd. Deze delen van het plangebied hebben daarom een lage verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen. Voor het deel van het plangebied waar een restant van een podzolbodem is aangetroffen (BChorizont; boring 3) geldt een middelhoge verwachting voor resten uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen, voor het deel waar een Bhs- en BC-horizont is aangetroffen (boring 5) geldt een middelhoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen en voor het deel waar een intacte podzolbodem is aangetroffen (Bh-, Bhs- en BC-horizont; boring 2) geldt een hoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen. Aan de hand van het booronderzoek kan niet vastgesteld worden of het plangebied overveend is geraakt en wanneer dit het geval is, in welke periode dit is geweest. Er zijn enkel in boring 6 tussen 80 en 125 cm -mv veenbrokjes aangetroffen, die duiden op overvening van het gebied. De verwachting voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd blijft aan de hand van het booronderzoek laag. De ondergrond is vanaf

22104.001 versie 1

het maaiveld vergraven tot een diepte van 40 tot 220 cm -mv, waardoor resten van eventueel bewoning uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd zijn verdwenen of uit context zijn gehaald. Econsultancy adviseert om de dubbelbestemming die op het plangebied te handhaven, maar de delen met een lage verwachting binnen het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Voor de delen met een middelhoge tot hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen geldt dat er verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen te toetsen. Voor de delen van het plangebied die momenteel bebouwd zijn en zullen worden gesloopt kan het beste vervolgonderzoek plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding tijdens de sloop van de bebouwing in het plangebied (IVO-P, variant archeologische begeleiding). Voorafgaand aan dit onderzoek mag de bebouwing wel bovengronds worden gesloopt. Bij de sloop van de aanwezige constructies beneden het maaiveld begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden.

Voor dit onderzoek en voor het proefsleuvenonderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Rucphen), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Rucphen wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Rucphen op de hoogte te stellen.

22104.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Aveco de Bondt een archeologisch onderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 in Sint Willebrord, gemeente Rucphen (figuur 1). De initiatiefnemer heeft het voornemen om twee onderwijsgebouwen van de basisschool Heilinde te slopen en daarvoor één nieuw schoolgebouw terug te plaatsen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in september 2023 door R.S. Verheij, MSc en drs. A.J. Wullink (Senior KNA-Prospector). Het rapport is gecontroleerd door ir. F.F.J.M. Top.

22104.001 versie 1

1 / 17

Figuur 1.

3

Ligging van het plangebied3

Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT)

22104.001 versie 1

2 / 17

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 40024, volgens specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. Ook zijn de richtlijnen voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Rucphen gevolgd. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:  afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01);  beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02);  beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);  beschrijving van bekende archeologische, ondergrondse bouwhistorische en aardwetenschappelijke waarden (LS04);  opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05);  opstellen van een standaardrapport (LS06).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS);  de Archeologische Monumenten Kaart (AMK);  geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten;  de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket);  literatuur en historisch kaartmateriaal;  bouwhistorische gegevens;  recente topografische kaarten, kadastrale kaarten en luchtfoto’s;  het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN);  de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Rucphen;  plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

4

BRL SIKB 4000 Archeologie; versie 4.1, 2018

22104.001 versie 1

3 / 17

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld, dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Pastoor Bastiaansensingel 21, in de bebouwde kom van Sint Willebrord, in de gemeente Rucphen (kaart 1). Ten noordwesten van het plangebied ligt de Vijverstraat, ten oosten de Smidsstraat en Smidshof, ten zuidoosten de Dahliastraat en ten westen de Poppestraat. Rondom het plangebied staan woonhuizen en ten noordoosten van het plangebied ligt de Sint-Willebrorduskerk en terrein. Het plangebied heeft een oppervlak van 7.700 m2 en is kadastraal bekend als gemeente Rucphen, sectie D en beslaat percelen 7347 en 7015 (kaart 2). De centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 99.585 en Y: 395.930. Huidige situatie Het plangebied beslaat een basisschoolterrein met drie gebouwen, waarvan één in het noordelijke deel en twee in het zuidelijke deel van het plangebied. Het plangebied is rondom de bebouwing grotendeels verhard met stoeptegels. De huidige situatie is weergegeven op kaart 3.

Vigerend beleid Volgens de gemeentelijke beleidskaart en de bijbehorende beleidsnota uit 2018 ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachting (Waarde – Archeologie 3; kaart 4). Voor deze zone gelden vrijstellingsgrenzen voor werkzaamheden die zullen plaatsvinden over gebieden kleiner dan 500 m2 en ondieper dan 50 cm -mv.5 Dit beleid is overgenomen in het bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Processiepark e.o. uit 2017. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ en gelden dezelfde vrijstellingsgrenzen als aangegeven op de beleidskaart.6 Milieuhygiënische situatie Tegelijkertijd met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy.7 Uit het bodemonderzoek is gebleken dat in een zintuiglijk schoon mengmonster van de bovengrond een matige PAK verontreiniging is aangetoond. De bovengrond is verder plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie, de ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Er is geadviseerd om een naderbodemonderzoek naar de mattige PAK-verontreinigingen uit te laten voeren. De andere verontreinigingen behoeven geen naderonderzoek.

5

Weterings-Korthorst e.a., 2019

6

Portaal voor Ruimtelijke Plannen

7

Econsultancy-rapport 22866.001

22104.001 versie 1

4 / 17

2.4 Toekomstige situatie De initiatiefnemer heeft het voornemen om twee van de drie schoolgebouwen binnen het plangebied te slopen, om zo plaats te maken voor een nieuw schoolgebouw. Het meest noordelijke schoolgebouw blijft bestaan. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is nog onbekend (bijlage 3). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Landschappelijke ontwikkeling De landschappelijke ontwikkeling zal worden beschreven aan de hand van enkele standaardwerken.8 Het plangebied ligt in het zuidwesten van Noord-Brabant, in het Brabants zandgebied. Het plangebied ligt in een gebied met dekzandruggen, dekzandwelvingen, vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden of löss en beekdalen. Aan of nabij het maaiveld liggen in dit gebied afzettingen van de Formatie van Stramproy.9 Deze afzettingen zijn voornamelijk door kleine rivieren die vanuit België in noordelijke en oostelijke richting afwaterden, afgezet in het Vroeg- en Midden-Pleistoceen. Een deel van deze afzettingen heeft een eolische oorsprong. In dit gebied zijn door de pleistocene zeespiegelbewegingen rivierterrassen ontstaan. In het Laat-Glaciaal (13.000 – 10.000 jaar geleden), het laatste deel van de laatste ijstijd, is op de rivierterrassen een dun pakket eolisch dekzand afgezet. Dit dekzand betreft het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) en bestaat uit hogere dekzandruggen en iets lager liggende dekzandwelvingen. In het eerste deel van het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden), wanneer het klimaat verandert, vindt er bodemvorming plaats in de top van de pleistocene afzettingen. Echter wordt er vanaf het Atlanticum (8.000 – 5.000 jaar geleden) veen gevormd dat het dekzand deels afdekt.

De veenvorming vindt plaats door een stijgende zeespiegel en daarmee gepaard gaande stijging van het grondwater. De veenvorming begint in de beekdalen, maar breidt zich uiteindelijke uit (rond 600 v. Chr.) over grote delen van West-Brabant.10 Alleen de hoger gelegen rivierterrassen worden niet overdekt met veen. In het Pleistoceen liggen er ten westen en ten noordoosten van het plangebied twee beekdalen (kaart 5A). De beeksedimenten bestaan uit een afwisseling van kleiige en zandige lagen en behoren tot het Laagpakket van Singraven (Formatie van Boxtel). Vanaf 3850 v. Chr. vindt er in het beekdal ten westen van het plangebied veenvorming plaats (kaart 5C) en vanaf 2750 v. Chr. ook in het beekdal ten noordoosten van het plangebied. De veenvorming bereikt het plangebied niet (kaart 5). Volgens de Turfdatabank van provincie Antwerpen11 is een gebied van 1403 ha in 1357 uitgegeven voor agrarische ontginning en turfwinning. Dit gebied betreft het gebied Rucphen en het plangebied maakt hier deel van uit. Volgens deze bron zou het plangebied wel bedekt zijn geweest met veen.

8

Ball et al., 2016; Jongmans et al., 2013; Mulder et al., 2003; Stouthamer et al., 2015

9

De Mulder e.a., 2003

10

Leenders, 2013

11

Turfdatabank

22104.001 versie 1

5 / 17

Het veen is vanaf de Late Middeleeuwen (tussen 1250 en 1750 na Chr.) afgegraven ten behoeve van de turfwinning.12 Door de winning van het turf zijn de oudere dekzanden en terrasafzettingen wederom aan het maaiveld komen te liggen. Geologie, geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geologische kaart van Nederland, die de geologische opbouw van de bovenste meters vanaf het maaiveld weergeeft, worden in het plangebied afzettingen van midden-Belgische rivieren behorend tot de Formatie van Stramproy verwacht (kaart 6). Dit beeld wordt bevestigd door het GeoTOP-model in DINOloket (bijlage 4). Volgens het GeoTOP-model bestaat de ondergrond in het plangebied uit afzettingen van de Formatie van Stramproy tot 4 m -mv (4,75 m NAP). Op deze afzettingen worden zandafzettingen afgezet door de Formatie van Boxtel tot 1,5 m -mv (7,25 m NAP) verwacht. Op deze afzettingen is een dun pakket eolisch dekzand afgezet, behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) tot 0,5 m -mv (8,25 m NAP). Op het eolische zand is een 0,5 m dik antropogeen pakket opgebracht, tot 8,75 m NAP. De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied in bebouwd gebied en komen rondom Sint Willebrord terrasafzettingswelvingen voor (kaart 7).

Ten oosten van Sint Willebrord komt een dalvormige laagte voor. Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) zijn de beekdalen ten westen en ten noordoosten van het plangebied duidelijke te onderscheiden van de terrasafzettingswelvingen en de bebouwing van Sint Willebrord (kaart 8). Het maaiveld van het beekdal ligt tussen circa 3 en 6,5 m NAP. Het maaiveld van de terrasafzettingswelvingen ligt tussen circa 5 en 8 m NAP. Binnen het plangebied varieert de maaiveldhoogte tussen 8,75 en 10 m NAP en loopt deze af naar het noordoosten. Bodem Volgens de bodemkaart van Nederland ligt het plangebied in bebouwd gebied en komen ten oosten, zuiden en westen van Sint Willebrord laarpodzolgronden voor (code cHn21; kaart 9). Ten noorden van Sint Willebrord komen hoge zwarte enkeergronden voor (code zEZ21). Laarpodzolgronden zijn veldpodzolbodems met een matig dikke (30 – 50 cm) eerdlaag, die in de Late Middeleeuwen vanaf de ontginning is ontstaan door plaggenbemesting.13 Kenmerkend voor laarpodzolbodems is een humusinspoelingshorizont (Bh(s)-horizont). Hoge zwarte enkeerdgronden zijn oude bouwlandgronden met een humushoudende bovengrond, de eerdlaag, heeft een minimale dikte van 50 tot 100 cm. Deze gronden zijn ontstaan door het ‘potstalsysteem’, waarbij heidenplaggen werden gestoken die dienden als strooisellaag in de stallen.

De combinatie van mest, plaggen en zand werd gefermenteerd en vervolgens op de akkers gebracht als bemesting. Dit leidde tot ophoging van de akkers.14

12

Leenders, 2013

13

Jongmans e.a., 2013

14

Sonneveld & Jongmans, 2010

22104.001 versie 1

6 / 17

Grondwater De grondwaterstand in het plangebied heeft invloed op de conservering van archeologische resten, met name organisch materiaal en metaal. Boven de laagste grondwaterstand zijn deze resten slecht geconserveerd of verdwenen. Volgens het BRO Grondwaterspiegeldiepte-model15 is de grondwatertrap van het plangebied niet bepaald.

2.6 Beschrijving van het historische gebruik Bewoningsgeschiedenis van Sint Willebrord De eerste bewoning in het gebied vindt plaats door jager-verzamelaars vanaf het Mesolithicum, voornamelijk aan de randen van beekdalen. In het Neolithicum doen akkerbouw en veeteelt geleidelijk hun intrede. Landbouwers vestigen zich in westelijk Brabant voornamelijk op hogere dekzandruggen en hooggelegen flanken van deze dekzandruggen. Vondsten uit deze periode in de regio zijn tot nu toe beperkt, maar zijn wel aangetroffen in het gebied van Schijf. Door de stijgende grondwaterspiegel en de daarmee samenhangende veengroei raken grote delen van het gebied onbewoonbaar. Dit geldt niet alleen voor de delen van het landschap die daadwekelijk worden overveend, maar ook voor de delen waar de grondwaterspiegel tot minder dan 30 cm onder het maaiveld stijgt.16 De veengroei begint in de beekdalen en groeit uit over alle lagergelegen delen van het landschap. Vanaf de Romeinse tijd wordt de bewoning in het gebied weer intensiever en is af te leiden aan verschillende vondsten in Sint Willebrord. Hierna lijkt de bewoning in de regio wederom af te nemen en komt pas weer opgang vanaf de Vroege Middeleeuwen.17 Vanaf de 13e eeuw worden delen van het gebied uitgegeven voor turfwinning en ontginning. Het plangebied wordt rond 1357 uitgegeven voor turfwinning.

Er kan aangenomen worden dat het gebied in de eeuwen hiervoor niet is bewoond. Oorspronkelijk wordt Sint Willebrord ’t Heike genoemd door de ligging in een toenmalig heidegebied. Het Heike wordt voor het eerst in 1636 vermeld. Na de stichting van de parochie in 1842 wordt de naam veranderd naar Sint Willibrord en later Sint Willebrord.18 Historisch kaartmateriaal Volgens de kadastrale minuut uit 1811 – 1832 beslaat het plangebied delen van percelen 265 t/m 267, 373, 374 en 376 (kaart 10A). Percelen 266 en 373 zijn in bezit van arbeider Adriaan Kools, de percelen 266 en 267 zijn in bezit van arbeider Frans de Bruijn en percelen 374 en 376 van Anna de Bruijn. Percelen 265 t/m 267, 373 en 374 zijn in gebruik als bouwland. Perceel 376 betreft heide. Ten oosten van het plangebied ligt de Heufsche straat van Sprundel naar de Hoeven. Het plangebied ligt in het gebied het Heiken. 15

BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021

16

Ball e.a., 2018

17

Groot, 2011

18

Sint Willebrord | Plaatsengids.nl

22104.001 versie 1

7 / 17

Rond 1880 is de situatie in en rond het plangebied nagenoeg hetzelfde gebleven ten opzichte van de kadastrale kaart (kaart 10B). Ten noordoosten van het plangebied is een school en kerk afgebeeld. Rond 1899 heeft er verkaveling in en rond het plangebied plaatsgevonden en is er in de uiterste zuidoostelijke hoek van het plangebied bebouwing komen te staan (kaart 10C). Ten zuiden en zuidoosten van het plangebied is er bebouwing bijgekomen. Rond 1910 heeft er in en rond het plangebied herverkaveling plaatsgevonden en is de bebouwing binnen het plangebied weer verdwenen (kaart 10D). Het gebied, waar het plangebied deel van uitmaakt, staat afgebeeld als Sint Willebrord of Het Heike. Rond 1937 heeft er wederom herverkaveling in en rond het plangebied plaatsgevonden en is er in het midden van het plangebied bebouwing komen te staan (kaart 10E). Langs de wegen is er bebouwing bijgekomen en ten noordoosten van het plangebied is het gebied rondom de kloosterschool aangepast. Rond 1962 is het gebied in en rond het plangebied drastisch veranderd, er zijn straten aangelegd en er is bebouwing bijgekomen (kaart 10F). Het noordelijk deel van het plangebied beslaat twee straten en groen en in het zuidelijke deel van het plangebied staan meerdere gebouwen. Pal ten westen van het plangebied is er een straat bijgekomen, de huidige Poppestraat.

Rond 1970 heeft er verdere ontwikkeling van het plangebied en omgeving plaatsgevonden (kaart 10G). In het gebied ten westen en zuidwesten van het plangebied is er bebouwing en zijn er straten bijgekomen. Rond 1980 is er pal ten noorden van het plangebied, ten westen en ten noordwesten van het plangebied bebouwing bijgekomen (kaart 10H). Rond 1990 is de bebouwing binnen het plangebied aangepast (kaart 10I). Er staat een groot gebouw in het midden en in het zuidwestelijke deel van het plangebied en een klein gebouw in het oostelijke deel van het plangebied. Rond 1995 is in het noordelijke deel van het plangebied een groot gebouw bijgekomen en is het gebouw in het oosten van het plangebied uitgebreid (kaart 10J). Rond 2004 is het gebouw in het oostelijke deel van het plangebied verdwenen (kaart 10K). Rond 2009 is er een gebouw in de zuidoostelijke hoek van het plangebied bijgekomen (kaart 10L). Tot op heden lijkt de situatie binnen het plangebied onveranderd te zijn gebleven.

22104.001 versie 1

8 / 17

Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Rucphen is bij het gemeentelijk archief op 1 augustus 2023 een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied en is dit dossier ontvangen.19 De ontwikkeling van de bebouwing binnen het plangebied is weergegeven op kaart 11. Op tekeningen uit 1968 is de bouw van een werkplaats met woning weergegeven. De bebouwing is volgens de tekeningen gefundeerd op poeren van 30 tot 55 cm tot een diepte van 70 cm -mv. Uit 2003 zijn meerdere tekeningen bekend van de uitbreiding van de bassischool Maria Goretti met een multifunctionele ruimte. Uit de tekeningen blijkt de bebouwing te zijn gefundeerd op betonstroken en op poeren van 15 bij 15 cm tot op een diepte van 77 cm -mv. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat deze dateert uit 1944, 1988 en 2003.20 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.21 Het raadplegen van de bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Vergraven gronden Volgens de verstoringskaart van Brabant bevinden zich geen vergraven gronden binnen het plangebied.22

2.7 Archeologische waarden 2.7.1

AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen

Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied, is Archis3, geraadpleegd, de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. Archeologische monumenten (AMK-terreinen) zijn terreinen waar op basis van historische gegevens of vondsten archeologische resten worden vermoed of aanwezig zijn.

19

West-Brabants Archief | Bouwdossier gemeente Moerdijk

20

Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).

21

BeoBOM ruimingskaart; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME); TracesOfWar.nl; Wageningen University & Research - Geoportal

22

Kaartbank Noord-Brabant; Verstoringsbronnenkaart

22104.001 versie 1

9 / 17

Archeologische onderzoeksmeldingen zijn meldingen van onderzoeken die vanaf de jaren 1990 zijn uitgevoerd op basis van artikel 46 van de Monumentenwet uit 1989. Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden: bureauonderzoeken, booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en definitieve opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Vondstmeldingen zijn meldingen van vondsten die bij toeval zijn gedaan of bij archeologisch onderzoek dat niet op basis van de Monumentenwet is uitgevoerd. Het gaat hierbij veelal om onderzoeken die voor de jaren 1990 zijn uitgevoerd. Bij elke vondstmelding hoort één vondstlocatie. Vaak is de locatie van toevalsvondsten niet nauwkeurig vastgelegd en is de ligging van de vindplaats bij benadering aangegeven. Op kaart 12 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weergegeven (bijlage 5). Voor het onderzoek wordt gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. In dit gebied liggen geen AMK-terreinen, zijn drie vondstmeldingen gedaan en zijn er negen onderzoeken uitgevoerd.

Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied is in 2016 door Bureau voor Archeologie een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd, pal ten noordoosten van het plangebied aan de Pastoor Bastiaansensingel 17 (zaakid. 3991124100). Uit het booronderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen voor veenbegroeiing en of vervening zijn aangetroffen. In drie boringen is sprake van een dikke (>50 cm) A-horizont op dekzand. De dikke A-horizont is waarschijnlijk deels door het systeem van potstalbemesting ontstaan en vormt een antropogeen dek. In het noorden van het onderzochte gebied is het bodemprofiel bij één boring verstoord en zijn eventuele archeologische sporen niet (meer) aanwezig. Bij een boorprofiel ten oosten van de huidige bebouwing reikt de bodemverstoring tot 65 cm diep. Uit vergelijking met de diepteligging van de top van de C-horizont in andere boorprofielen volgt dat eventuele archeologische sporen hier nog wél aanwezig zouden kunnen zijn. Er is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het proefsleuvenonderzoek is in hetzelfde jaar uitgevoerd en daaruit is gebleken dat in het onderzochte gebied de bodemopbouw bestaat uit een (deels verstoord) plaggendek op dekzand (zaakid. 4008482100). Het dekzand bestaat uit een C-horizont, met lokaal kleine restanten van de B- of BC-horizont in de top van het dekzand.

In totaal zijn 19 sporen in vier proefsleuven gedocumenteerd, waarvan het merendeel als (sub)recente sporen (o.a. paalkuilen) en verstoringen kan worden geïnterpreteerd, enkele sporen als hoogstwaarschijnlijk natuurlijk, en twee greppels met mogelijk 17e-eeuws materiaal (aardewerkfragmenten) in het noordelijk deel van het onderzochte gebied. De greppels wijzen op agrarisch landgebruik sinds circa de 17e eeuw. Er is geconcludeerd dat het plaggendek daarom relatief jong is. Er is geadviseerd om het onderzochte gebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

22104.001 versie 1

10 / 17

Circa 95 m ten zuidwesten van het plangebied aan de Dahliastraat 45A is in 2018 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (zaakid. 4583420100). Tijdens het proefsleuvenonderzoek is een werkput aangelegd, waarin 27 sporen zijn aangetroffen. Het betreft 22 paalkuilen, vier kuilen en een baan met spitsporen. De paalkuilen en kuilen kunnen gerelateerd worden aan de voormalige 20e-eeuwse varkensstal die binnen het onderzochte gebied aanwezig is geweest ter hoogte van de aangelegde werkput. In vijf sporen zijn acht vondsten aangetroffen die globaal in de 20e eeuw dateren en daarmee de datering van de sporen ondersteunen. Het vondstmateriaal betreft een scherf industrieel wit aardewerk, drie fragmenten glas, een brokje onbewerkt en ongebruikt vuursteen, een brokje machinaal vervaardigd baksteen en twee brokjes cement. De bodemopbouw in het onderzochte gebied bestaat uit een omgewerkt esdekpakket van circa 20 cm dik op een (restant esdek) van circa 20 cm dik, dat aan de basis is verploegd in de top van de C-horizont, die bestaat uit lichtgrijs, matig fijn dekzand. De top van de Chorizont is vanwege de verploeging niet bewaard gebleven. In het onderzochte gebied is sprake van een hoge zwarte enkeerdgrond, maar podzolering is niet meer aanwezig. Het omgewerkte esdekpakket kan gerelateerd worden aan de sloop van de varkensstal. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Ten oosten van het plangebied, circa 115 m, is aan de Dorpsstraat 91, 93 en 95 in 2021 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat de bodem bestaat uit een eerddek/subrecent ophoogdek met aan de aan de basis een vergraven laag met restanten van een podzol (zaakid. 4896795100). Hieronder is dekzand aangetroffen met in de top soms nog een restantje van een Bhs- of BC-Horizont. Er is vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Het proefsleuvenonderzoek is in 2022 uitgevoerd (zaakid. 5149043100). Uit het onderzoek is gebleken dat er in werkput 1 twee grote kuilen zijn aangetroffen met glas, emaille vaatwerk en bouwpuin. De kuilen betreffen afvalkuilen uit het eind van de 19e/begin van de 20e eeuw. In de andere werkputten zijn enkel recente kuilen gevonden met daarin veel afval, zoals dakpannen, geëmailleerde pannen en glas. Er zijn dus geen archeologische grondsporen aanwezig in het onderzochte gebied. Ook zijn er geen vondsten aangetroffen uit eerdere periodes. Circa 150 m ten zuidoosten van het plangebied is aan de Dorpsstraat 71-77 is in 2008 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat de bodemopbouw bestaat uit een 20 tot 75 cm dikke humeuze laag op dekzand (zaakid. 2183658100). De bodem betreft een laarpodzolbodem. Er is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.

Dit proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd in hetzelfde jaar (zaakid. 2225194100). Uit het onderzoek is gebleken dat er in het noordelijke deel van het onderzochte gebied geen restanten van bodemvorming zijn aangetroffen. In het zuidelijke deel zijn restanten van bodemvorming aangetroffen, met daaronder een ontwikkelde B-horizont. Het verschil in bodemprofiel tussen beide delen is te verklaren door nivelleringswerken voorafgaand of gekoppeld aan landbouwactiviteit. De hoger gelegen gronden zijn afgeschoven naar de lagergelegen delen. Er zijn geen archeologische resten aangetroffen, er is daarom geen vervolgonderzoek geadviseerd. Uit een onderzoek circa 250 m ten zuidwesten van het plangebied blijkt de ondergrond verstoord te zijn tussen 70 en 110 cm -mv (zaakid. 2268538100).

22104.001 versie 1

11 / 17

Circa 270 m ten zuiden van het plangebied blijkt het aangetroffen bodemprofiel intact te zijn en te bestaan uit 20 cm dikke A-horizont, een B-horizont en een C-horizont (zaakid 2429169100). Het onverstoorde profiel is waargenomen in de zuidwesthoek en noordoosthoek van het onderzochte gebied. In de rest van het onderzochte gebied is de bodem tot een diepte van 80 tot 130 cm verstoord. Eenzelfde waarneming is gedaan circa 270 m ten oosten van het plangebied, waar maar op enkele plaatsen een restant van de natuurlijke bodemopbouw is aangetroffen (zaakid. 2361817100). De rest van het gebied is tot 55 cm -mv verstoord. De bodem blijkt circa 400 m ten noordoosten van het plangebied verstoord te zijn tussen 95 en 230 m -mv (zaakid. 5275444100). Circa 430 m ten zuidwesten van het plangebied blijkt de bodem ook verstoord te zijn, tot op een diepte van 50 tot 120 cm -mv (zaakid. 5175377100). Archeologische verwachting Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Rucphen valt het plangebied in een zone met een hoge verwachting (kaart 13).

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Het plangebied ligt vermoedelijk op terrasafzettingswelvingen uit het Vroeg- tot Midden-Pleistoceen (Formatie van Stramproy) afgedekt door eolisch dekzand uit het Laat-Glaciaal (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Het gebied is waarschijnlijk altijd vrij nat geweest en is ergens tussen het Neolithicum – Middeleeuwen overveend geraakt. In 1357 is het gebied uitgegeven voor agrarische ontginning en turfwinning. Volgens het historisch kaartmateriaal is het plangebied in gebruik geweest als bouwland en vanaf 1899 bebouwd met verschillende gebouwen. De top van het dekzand, direct onder het eerddek, heeft een middelhoge verwachting voor kampementen en resten van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum en een lage verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen. De resten uit het LaatPaleolithicum – Mesolithicum worden verwacht in de vorm van een vondstlaag met strooiingen van vuursteen en houtskool en resten uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen in de vorm van akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen, sloten en greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten, vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot en verbrand leem (tabel 1).

Archeologische resten uit met name het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum worden alleen verwacht als het gebied droog genoeg is geweest om podzolisatie te laten plaatsvinden. Aan het maaiveld worden sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd verwacht in de vorm van akkerlagen, sloten en greppels. De archeologische verwachting voor dit niveau is laag, omdat het gebied bouwland en heide betrof en er vanaf 1899 bebouwing in het plangebied is komen te staan.

22104.001 versie 1

12 / 17

Tabel 1.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

Laat-Paleolithicum – Mesolithicum

Middelhoog; kampementen

Vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool; haardkuilen

In de top van het dekzand, onder bouwvoor of eerddek, wanneer er een (restant) van een podzolbodem aanwezig is

Neolithicum – Vroege Middeleeuwen

Laag; bewoningssporen, sporen van landgebruik

Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglaIn de top van het dekzand, onder gen; sloten/greppels, afvalkuilen, paal- bouwvoor of eerddek kuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem

Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd

Laag; sporen van landgebruik

Akkerlagen; sloten/greppels

Aan het maaiveld

Bodemverstoring Voor resten in de top van het dekzand, met name die uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum, geldt dat deze alleen worden verwacht als het pleistocene maaiveld nog intact is, dus als er nog een (restant van een) podzolbodem aanwezig is. Eventuele archeologische lagen kunnen bij de turfwinning van het gebied in de Late Middeleeuwen zijn verdwenen. Als dit het geval is en er geen restant van een podzolbodem meer aanwezig is, is de kans op de resten van jager-verzamelaars erg klein. Diepere grondsporen uit het Neolithicum kunnen dan nog wel aanwezig zijn, maar het is moeilijk vast te stellen hoeveel er van de top van het dekzand is verdwenen als er geen restanten van podzolbodems meer aanwezig zijn.

2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen in de top van het dekzand worden verwacht en resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd direct aan het maaiveld. Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring voor het plangebied vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen. In dit specifieke geval kan met het verkennend booronderzoek worden vastgesteld hoe diep het dekzand ligt binnen het plangebied en of de top van het dekzand nog intact is (aanwezigheid van een podzolbodem).

22104.001 versie 1

13 / 17

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400323, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Halderberge. Het veldonderzoek is op 19 september 2023 uitgevoerd door R.S. Verheij, MSc en drs. A.J. Wullink (Senior KNAprospector). Voorafgaand aan het veldwerk is het Plan van Aanpak (PvA) goedgekeurd door Regio West-Brabant. In totaal zijn er zes boringen tot maximaal 220 cm -mv geplaatst. De boringen zijn verspreid in het plangebied gezet, waarbij rekening is gehouden met de bebouwing, kabels en leidingen. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van meetlinten. De maaiveldhoogte is bepaald aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is te zien op kaart 14. Voor de boringen is gebruikgemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.24 De boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 6.

23

SIKB, 2018

24

Bosch, 2005

22104.001 versie 1

14 / 17

3.3 Resultaten Geologie en bodem De ondergrond in het plangebied bestaat over het algemeen uit een A(a)p-horizont op eolisch dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). In alle boringen is matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen, al dan niet met resten van baksteen, puin, grind, aardewerk, wortels, houtskool, roestknollen en roestvlekken. De top van dit zand is zwak humeus en (sub-)recent geroerd/opgebracht. Het geroerde dan wel opgebrachte pakket heeft een dikte variërend tussen 40 en 220 cm. In boring 2, 3 en 5 betreft dit pakket een Ap-horizont. In boring 1 en 6 bestaat dit opgebrachte of geroerde pakket uit meerdere lagen, waarvan enkele niet humeus. In boring 1 zijn tussen 50 en 140 cm -mv en tussen 160 en 220 cm -mv restjes Bhs-horizont aangetroffen. Boring 1 is onder dit pakket op 220 gestuit. In boring 6 zijn in dit pakket tussen 80 en 125 cm -mv resten van grind en veenbrokjes aangetroffen. In boring 6 zou de onderste laag van dit pakket tussen 130 tot 150 cm -mv een A-horizont van een beekeerdgrond kunnen betreffen of een A/Cp-horizont. Boring 4 is onder het opgebrachte of geroerde pakket gestuit op 150 cm -mv (7,7 m NAP). In boring 5 en 6 komt boven het (sub-)recent geroerde of opgebrachte pakket een laag bouwzand voor van 5 tot 8 cm dik voor.

Onder het (sub-)recent geroerde of opgebrachte pakket komt een matig fijn, zwak siltig zandpakket voor met een minimale dikte van 50 cm. Dit zijn in het Laat-Glaciaal afgezette dekzanden. De top van het dekzand ligt tussen 40 en 150 cm -mv (7,7 en 9,07 m NAP). In de top van deze dekzanden is in drie boringen een restant van een podzolbodem aangetroffen (boring 2, 3 en 5). In boring 2 bestaat dit restant uit een Bh-, Bhs-horizont en een BC-horizont, in boring 5 uit een Bhs- en BC-horizont en in boring 3 is alleen nog een BC-horizont aanwezig. Archeologische indicatoren In boring 2 is, volgens P.J.L. Wemerman, in de Ap-horizont een fragment bouwkeramiek uit vermoedelijke de 19e-20e eeuw aangetroffen. In de Bhs-horizont is vermoedelijk een fragment aardewerk aangetroffen. In boring 5 is zeer waarschijnlijk een fragment laat Kogelpotaardewerk uit de 13e eeuw of grijsbakkend aardewerk uit de 14e-15e eeuw aangetroffen. Het gaat hier echter om een verkennend booronderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

22104.001 versie 1

15 / 17

3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Volgens het bureauonderzoek heeft de top van het dekzand een middelhoge verwachting voor sporen van kampementen uit het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum en een lage verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen. Archeologische resten worden alleen verwacht als het gebied droog genoeg is geweest om podzolisatie te laten plaatsvinden en wanneer deze podzolbodem niet is afgetopt. Het gebied is waarschijnlijk altijd vrij nat geweest en is ergens tussen het Neolithicum – Middeleeuwen overveend geraakt. In 1357 is het gebied uitgegeven voor agrarische ontginning en turfwinning. Volgens het historisch kaartmateriaal is het plangebied in gebruik geweest als bouwland en vanaf 1899 bebouwd met verschillende gebouwen. Aan het maaiveld worden sporen van bewoning en landgebruik uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd verwacht. De archeologische verwachting voor dit niveau is laag. Het veldonderzoek heeft aangetoond dat het dekzand in het plangebied onder een humeuze toplaag met een dikte van 40 tot 220 cm ligt.

Deze humeuze toplaag betreft een (sub-)recent geroerd/opgebracht pakket. Dit (sub-)recent geroerde/opgebrachte pakket heeft een lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het (sub-)recent geroerde/opgebrachte pakket is het dikst ter plaatse van boring 1, 4 en 6 (150 tot 220 cm). Onder de humeuze toplaag is in het plangebied in boring 2, 3 en 5 een (restant van een) podzolbodem aangetroffen, in de vorm van een Bh-, Bhs-, en/of BC-horizont. In delen van het plangebied is de ondergrond flink vergraven (boring 1, 4 en 6), waarbij vermoedelijk ook de top van het dekzand flink is geroerd. Deze delen van het plangebied hebben daarom een lage verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen. Voor het deel van het plangebied waar een restant van een podzolbodem is aangetroffen (BChorizont; boring 3) geldt een middelhoge verwachting voor resten uit het Neolithicum – Vroege Middeleeuwen, voor het deel waar een Bhs- en BC-horizont is aangetroffen (boring 5) geldt een middelhoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen en voor het deel waar een intacte podzolbodem is aangetroffen (Bh-, Bhs- en BC-horizont; boring 2) geldt een hoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen (kaart 15).

Aan de hand van het booronderzoek kan niet vastgesteld worden of het plangebied overveend is geraakt en wanneer dit het geval is, in welke periode dit is geweest. Er zijn enkel in boring 6 tussen 80 en 125 cm -mv veenbrokjes aangetroffen, die duiden op overvening van het gebied. De verwachting voor de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd blijft aan de hand van het booronderzoek laag. De ondergrond is vanaf het maaiveld vergraven tot een diepte van 40 tot 220 cm -mv, waardoor resten van eventueel bewoning uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd zijn verdwenen of uit context zijn gehaald.

22104.001 versie 1

16 / 17

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage verwachting heeft vanaf het maaiveld tot 40 tot 220 cm -mv voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Voor de top van het dekzand geldt voor het deel van het plangebied waar een restant van een podzolbodem is aangetroffen (BChorizont; boring 3) een middelhoge verwachting voor resten uit het Neolithicum – Vroeg Middeleeuwen, voor het deel waar een Bhs- en BC-horizont is aangetroffen (boring 5) geldt een middelhoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen en voor het deel waar een intacte podzolbodem is aangetroffen (Bh-, Bhs- en BC-horizont; boring 2) geldt een hoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen (kaart 15). Voor de delen van het plangebied waar geen (restant van een) podzolbodem is aangetroffen (boring 1, 4 en 6) geldt een lage verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen. Econsultancy adviseert om de dubbelbestemming die op het plangebied te handhaven, maar de delen met een lage verwachting binnen het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Voor de delen met een middelhoge tot hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen geldt dat er verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd (kaart 15).

Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen te toetsen. Voor de delen van het plangebied die momenteel bebouwd zijn en zullen worden gesloopt kan het beste vervolgonderzoek plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding tijdens de sloop van de bebouwing in het plangebied (IVO-P, variant archeologische begeleiding). Voorafgaand aan dit onderzoek mag de bebouwing wel bovengronds worden gesloopt. Bij de sloop van de aanwezige constructies beneden het maaiveld begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek en voor het proefsleuvenonderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend.

De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Rucphen), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Rucphen wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Horst aan de Maas op de hoogte te stellen.

22104.001 versie 1

17 / 17

BRONNEN Ball, E. A. G., Delaruelle, S., Heeringen, R. M. V., Huijbers, A., Linde, C. V. D., Schrijvers, R., & Tebbens, L. A. (2018). Westelijk Noord- Brabant in het Malta-tijdperk Synthetiserend onderzoek naar de bewonings geschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied [Application/pdf]. https://doi.org/10.17026/DANS-2ZV-E83Q Ball, E. A. G., Delaruelle, S., Heeringen, R. M. van, Huijbers, A., Linde, C. van der, Schrijvers, R., & Tebbens, L. A. (2016). Westelijk Noord- Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied [dataset]. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. https://archaeology.datastations.nl/dataset.xhtml?persistentId=doi:10.17026/dans-2zve83q BeoBOM ruimingskaart. (z.d.). Geraadpleegd 8 maart 2023, van https://beobom.maps.arcgis.com/apps/instant/sidebar/index.html?appid=355df8af501d46659f35c8c26e8f7231 Bosch, J. (2005). Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. NITG-TNO. https://www.sikb.nl/doc/archeo/leidraden/Leidraad%20ASB%20versie%205_2%20geactualiseerd%20september%202008.pdf Bouwdossier. (z.d.). Geraadpleegd 28 juni 2023, van https://bouwdossiers.westbrabantsarchief.nl/bouwdossiers/bouwdossier/id/8c46f8bf-aea2-7fa0-a999-362370f0cd1e BRL SIKB 4000 Archeologie; versie 4.1. (2018, mei 24). SIKB.

https://sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000 BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid). (2021). [dataset]. NGR/Wageningen Environmental Research. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/757a7c50-540d-4105-9135-73f09f700743 Econsultancy. (2023). Rapportage verkennend bodemonderzoek (22866.001) Pastoor Bastiaansesingel 21 St. Willebrord (22866.001). Econsultancy. Groot, N. W. (2011). Groot, N. W. (2011). Gemeentelijke Erfgoedkaart. Gemeentelijke Erfgoedkaart. Gemeente Rucphen. Deel: Een verleden te midden van verdwenen Venen Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart en Advies archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen. (Rapport 1132). IDDS Archeologie B.V. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME). (z.d.). Geraadpleegd 6 oktober 2022, van http://www.ikme.nl/ikmekaart.html Jongmans, A., Van den Berg, M., Sonneveld, M., Peek, G., & Van den Berg van Saparoea, R. (2013). Landschappen van Nederland. Wageningen Academic Publishers. Kaartbank. (z.d.). Geraadpleegd 26 oktober 2021, van https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=b6414403ef5e4e9aa8875a7c366209c6 Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT). (s.d.). TOP10NL [Map]. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/29d5310f-dd0d-45ba-abad-b4ffc6b8785f Mulder, E. F. de, Geluk, M.

C., Ritsema, I., Westerhoff, W. E., & Wong, T. E. (2003). De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhof. SIKB. (2018). BRL SIKB 4000. Beoordelingsrichtlijn Archeologie (Versie 4.1, 24 mei 2018 ed.). SIKB. Sint Willebrord | Plaatsengids.nl. (z.d.). Geraadpleegd 1 september 2023, van https://www.plaatsengids.nl/sintwillebrord

22104.001 versie 1

1/2

Sonneveld, M. P. W., & Jongmans, A. G. (2010). De Enkeerdgrond: De meest kenmerkende bodem van Nederland. 24-25. Stouthamer, E., Cohen, K. M., & Hoek, W. Z. (2015). De vorming van het land: Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Perspectief Uitgevers. TracesOfWar.nl. (z.d.). Geraadpleegd 12 mei 2022, van https://www.tracesofwar.nl/default.asp Verstoringsbronnenkaart. (z.d.). Geraadpleegd 6 april 2022, van https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart# Wageningen University & Research—Geoportal. (z.d.). Geraadpleegd 22 oktober 2021, van https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf#1 Weterings-Korthorst, L., Timmermans, F., & Melsen, D. (2019). Nota Archeologie gemeente Rucphen. Regio West-Brabant, Etten-Leur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16935311/1