CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

09b Omgevingsplan St. Willebrord - Maria Goretti bijlage 1 bij toelichting mer beoordelin

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 27 mei 2026, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel TAM-omgevingsplan St.Willebrord-Maria Goretti en grondexploitatie5.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Maria Goretti St. Willebrord Project-mer-beoordeling

datum projectnummer

17 december 2025 251829

Rapport

Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein

Project-mer-beoordeling

Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl

Maria Goretti St. Willebrord project projectnummer projectleider

opdrachtgever adres

contactpersoon

status versie fase auteur

TAM-IMRO Maria Goretti St. Willebrord 251829 Toby van Baast Gemeente Rucphen Postbus 9 4715 ZG Rucphen P Leijten Concept 3.0 TAM-Omgevingsplan Toby van Baast

paraaf gecontroleerd

ing. Marcel Volbeda

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2

Inleiding Aanleiding Leeswijzer

1 1 2

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Procedurele en inhoudelijke aspecten mer-beoordeling Wet- en regelgeving Toetsing aan de mer-verplichtingen Procedure en betrokken partijen Inhoudelijke eisen aan de project-mer-beoordeling

3 3 3 4 4

3 3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4 3.3.5 3.3.6 3.3.7 3.3.8 3.3.9

Planbeschrijving en effectenbeoordeling Kenmerken van het project Plaats van het project Kenmerken van de potentiële effecten Bodem Omgevingsveiligheid Geluid Natuurgebieden Flora en fauna Water Verkeersgeneratie Luchtkwaliteit Gezondheid

5 5 7 8 9 9 10 10 11 11 12 12 13

4

Conclusies en advies

14

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_RAP_0001_v3.0

1

Inleiding

1.1 Aanleiding De gemeente Rucphen is voornemens om op de locatie van basisschool Maria Goretti, gelegen aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord, maximaal 19 appartementen in vier bouwlagen te realiseren. Hiermee wordt voorzien in de actuele behoefte aan betaalbare woningen in St. Willebrord. Met de komst van de nieuwe basisschool Heilinde komt de functie van de huidige basisschool Maria Goretti te vervallen. Ter plaatse van deze locatie is de bouw van een appartementengebouw voorzien met maximaal 19 koopappartementen in diverse prijsklassen. Het gebouw wordt maximaal vier bouwlagen hoog en krijgt een nieuw parkeerterrein dat direct wordt aangesloten op het bestaande parkeerterrein aan de Vijverstraat.

Figuur 1 uitsnede luchtfoto met daarop het projectgebied aangeduid met rood Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl;

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal een ruimtelijke procedure worden doorlopen voor de planologische inpassing van deze woningbouw. Bij de voorbereiding van dit besluit moet beoordeeld worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. In deze aanmeldnotitie staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een milieueffectrapport (MER) moet maken en welke milieueffectrapportage procedure (mer) van toepassing is.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_RAP_0001_v3.0

P 1/14

1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. In hoofdstuk 3 wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving en worden de effecten van het plan beschreven. In hoofdstuk 4 worden de conclusies van de mer-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 2/14

2

Procedurele en inhoudelijke aspecten mer-beoordeling

2.1 Wet- en regelgeving De mer-procedure en mer-beoordeling is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een merprocedure en mer-beoordeling is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een omgevingsvisie, omgevingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de mer-procedure en merbeoordeling zijn vastgelegd in de Omgevingswet (Ow) en in het Omgevingsbesluit (Ob). 2.2 Toetsing aan de mer-verplichtingen Is er sprake van een project of van plannen en programma’s? De wet maakt onderscheid tussen milieueffectrapportage voor een project of voor plannen en programma’s. Het verschil zit in het kaderstellende karakter. Als het besluit rechtstreeks activiteiten toestaat die op grond van het Ob mer-(beoordelings)plichtig zijn, dan is sprake van een project-mer(-beoordeling). Als deze activiteiten slechts indirect worden mogelijk gemaakt, bijvoorbeeld omdat daarvoor eerst nog een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is, is sprake van een kaderstellend plan. In dat geval geldt de plan-mer (beoordeling). In deze situatie ligt een wijziging van het omgevingsplan voor. Het besluit over deze omgevingsvergunning staat rechtstreeks activiteiten toe die op grond van het Ob mer-(beoordelings)plichtig zijn.

Er is dus mogelijk sprake van een project-mer(-beoordeling). Is er sprake van een project-mer of van een project-mer-beoordeling? Of een besluit over een project mer-(beoordelings)plichtig is kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Ob. In deze bijlage is een tabel opgenomen met 4 kolommen: 1. Projecten 2. Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow) 3. Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow) 4. Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit. Behalve de in kolom 4 aangewezen besluiten bepaalt artikel 11.6 lid 3 sub a, b en d van het Ob dat voor alle categorieën projecten ook enkele andere besluiten als mer-(beoordelings-)plichtig besluit hebben te gelden. Hieronder vallen in beginsel de projectbesluiten (als bedoeld in artikel 5.44 van de Ow), de regels in een omgevingsplan die zijn gericht op gemeentelijke projecten van publiek belang als bedoeld in art. 5.55b van de Ow en de besluiten uit artikel 11.8 van het Ob. Onder die laatste categorie valt dus ook de hiervoor besproken situatie waarin in plaats van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit het project-merbeoordelingsplichtige besluit is.

Indien het project of de activiteit voorkomt in kolom 1 en het besluit in kolom 4 dan kan op basis van kolom 2 en 3 afgeleid worden of sprake is van een mer-plicht (kolom 2) of mer-beoordelingsplicht (kolom 3). In deze situatie betreft het project, vanwege de aard van de functiewijziging en de omvang van de bebouwing, een stedelijk ontwikkelingsproject. Een stedelijk ontwikkelingsproject komt voor onder categorie J11 van bijlage V bij het Ob. De wijziging van het omgevingsplan is aangewezen als besluit waarvoor een mer-(beoordelingsplicht) geldt. Bij categorie J11 is kolom 2 niet van toepassing. Kolom 3 wijst ‘aanleg, wijziging of uitbreiding’ aan als gevallen waarin sprake is van de mer-beoordelingsplicht. Hiervan is in deze situatie sprake. Geconcludeerd wordt dus dat sprake is van een project-mer-beoordeling.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 3/14

2.3

Procedure en betrokken partijen

Betrokken partijen Bij deze mer-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. Gemeente Rucphen is de initiatiefnemer van het plan. Het college van de gemeente Rucphen treedt op als bevoegd gezag. Het college moet immers een besluit nemen over de wijziging van het omgevingsplan. Burgers en andere belanghebbenden hebben geen formele rol in de mer-beoordelingsprocedure, maar wel in de procedure van het besluit (omgevingsvergunning) dat nodig is voor het project waar de mer-beoordeling bij hoort. Procedure De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen private initiatiefnemers of een initiatiefnemer binnen dezelfde overheidsorganisatie. Voor de mededeling worden eisen gesteld aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (onderhavig document). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een milieueffectrapport (MER) moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een mer-beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.

Het bevoegd gezag beslist vervolgens over de project-mer-beoordeling (wel/niet een MER maken). Dat is de merbeoordelingsbeslissing. Deze moet binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling worden genomen. Er is niet direct bezwaar of beroep mogelijk tegen de mer-beoordelingsbeslissing dat een mer niet nodig is. Er is wel inspraak mogelijk op of bezwaar en beroep tegen het besluit waar de mer-beoordelingsbeslissing bij hoort. Op dat latere moment kan de inhoud van de mer-beoordelingsbeslissing door derden worden betwist. De initiatiefnemer kan wel meteen bezwaar maken of beroep instellen tegen de mer-beoordelingsbeslissing dat een mer wél nodig is. 2.4 Inhoudelijke eisen aan de project-mer-beoordeling De mededeling aan het bevoegd gezag moet een beschrijving bevatten van: • het project: de fysieke kenmerken en de locatie • de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project • wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Een initiatiefnemer mag in de mededeling ook een beschrijving opnemen van de kenmerken van het voorgenomen project, evenals van de voorgenomen maatregelen om mogelijke aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen.

Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 4/14

3

Planbeschrijving en effectenbeoordeling

3.1 Kenmerken van het project Bij het criterium ‘kenmerken van het project’ moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. de omvang en het ontwerp van het gehele project B. de opstapeling van effecten (cumulatie) met andere projecten C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen D. de productie van afvalstoffen E. verontreiniging en hinder F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering G. de risico’s voor de menselijke gezondheid Ad A. de omvang en het ontwerp van het gehele project Het project betreft de realisatie van een woningbouwplan aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord. Het plangebied ligt in de kern van St. Willebrord en staat kadastraal bekend als gemeente Rucphen, sectie D, percelen 9552, 9551 en gedeeltelijk 8555. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2.950 m2. In de huidige situatie bevindt het zich binnen het plangebied het verouderde, voormalige schoolgebouw van de Maria Gorettischool. Door de fusie en de bouw van een nieuw schoolgebouw is dit pand niet langer in gebruik. De initiatiefnemer is voornemens het verouderde gebouw te amoveren en 19 appartementen in vier bouwlagen te realiseren. Het plangebied krijgt binnen het planvoornemen een nieuwe inrichting en functie. Binnen de vigerende bestemmingsplannen “Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord” en “Kom St.

Willebrord” zijn de gronden bestemd als ‘Maatschappelijk’ met de functieaanduiding ‘onderwijs’, en als ‘Groen’. Beoogd wordt de afwijkende functie en stedenbouwkundige structuur binnen het plangebied planologischjuridisch mogelijk te maken door middel van een TAM-IMRO plan, en deze in gebruik te nemen door de realisatie van 19 gestapelde koopwoningen. In de beoogde situatie wordt één appartementencomplex gerealiseerd, bestaande uit vier bouwlagen. Het gebouw bevat in totaal 19 appartementen met verscheidene oppervlaktematen tussen 64 m 2 en 121 m2. Van de 19 woningen worden 13 woningen gerealiseerd in het goedkope – en betaalbare segment en 6 binnen het dure segment. De bestaande infrastructuur en ontsluitingsstructuur blijft behouden eveneens als het naastliggende parkeerterrein. Het plangebied wordt ontsloten doormiddel van de Vijverstraat, Poppestraat en de Pastoor Bastiaansensingel. Parkeergelegenheden worden in het plangebied aangeboden door middel van parkeerplaatsen in de vorm van haaksparkeren. Binnen het plan wordt ruimte ontwikkeld voor groene elementen door parkeerplaatsen te verwezenlijken met toepassing van mogelijk halfopen verharding. Overig terrein krijgt een groene invulling. Aan de bomenrij grenzend aan de westzijde van het plangebied worden wijzigingen aangebracht, middels het verwijderen van maximaal 2 bomen.

Binnen andere delen van het plangebied worden meerdere nieuwe bomen aangeplant, aan de oostgrens wordt een nieuwe bomenrij gerealiseerd ter compensatie van de onderbreking van de bestaande bomenrij. Hierdoor krijgt het plangebied een klimaatadaptieve inrichting.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 5/14

Figuur 2: Stedenbouwkundig ontwerp. Bron: Aveco de Bondt, 18-09-2025

Ad B. de opstapeling van effecten (cumulatie) met andere projecten In de omgeving van het plangebied vinden geen grootschalige ontwikkelingen plaats die kunnen leiden tot een significante opstapeling van milieueffecten (cumulatie). Gezien het stedelijke karakter van de omgeving en de geringe toename van woningen, is de kans op cumulatieve milieueffecten met andere projecten verwaarloosbaar. Kortom op basis van de beschikbare informatie en de huidige ruimtelijke context kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van significante negatieve cumulatie die aanleiding geeft tot het opstellen van een milieueffectrapport. Ad C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van het project legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Ten behoeve van bouwen woonrijp maken zijn bouwmaterialen en grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. De woningen worden niet op aardgas aangesloten en moeten voldoen aan de laatste eisen qua energieprestatie. Behoudens de reguliere materialen en hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in het onderhavige plan.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 6/14

Ad D. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen binnen het project is beperkt. Tijdens de realisatiefase van de 19 gestapelde koopwoningen ontstaat uitsluitend bouw- en sloopafval. Na oplevering betreft het reguliere huishoudelijke en eventueel bedrijfsmatige afvalstoffen afkomstig van de woningen. Gezien de beperkte toename van 19 woningen ten opzichte van de bestaande situatie, is de verwachte toename in afvalproductie marginaal. De aard en omvang van de afvalproductie geven geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Er is geen sprake van afvalstoffenproductie zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, waarmee wordt verwezen naar grootschalige of risicovolle afvalverwerking. Ad E. verontreiniging en hinder In het kader van het bouw- en woonrijp maken en bij de bouw van de woningen kan tijdelijk sprake zijn van verkeers- en/of geluidhinder door bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Deze situatie is tijdelijk en vormt in principe geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage, tenzij deze emissies tot een aanzienlijk effect leiden. In de gebruiksfase worden ten gevolge van de activiteiten geen belangrijke nadelige effecten verwacht. Verder leidt dit project niet tot onevenredige aantasting van beschermde natuurgebieden.

In paragraaf 3.3 zijn eventuele milieugevolgen nader in beeld gebracht en worden de effecten in meer detail beoordeeld. Ad F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Het project voorziet niet in de realisatie van risicobronnen waardoor zware ongevallen en/of rampen kunnen ontstaan. In de omgeving zijn ook geen relevante risicobronnen aanwezig. In paragraaf 3.3 wordt dit nader toegelicht als onderdeel van het aspect omgevingsveiligheid. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. In paragraaf 3.3 wordt hier verder op ingegaan als onderdeel van het aspect water. Ad G. de risico’s voor menselijke gezondheid Het project leidt niet tot relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. 3.2 Plaats van het project Bij het criterium ‘plaats van het project’ moet de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn in overweging worden genomen: A. het bestaande (en goedgekeurde) grondgebruik B.

relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en de ondergrond ervan. C. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met aandacht voor: − wetlands, oeverformaties, riviermondingen − kustgebieden en het mariene milieu − berg- en bosgebieden − reservaten en natuurparken − gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd − speciale beschermingszones (Natura 2000 gebieden) door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) − gebieden waar de Europese milieukwaliteitsnormen al niet worden gehaald − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 7/14

Ad H. het bestaande grondgebruik Het plangebied beslaat een totale oppervlakte van circa 2.950 m2. In de huidige situatie bevindt zich binnen het plangebied een voormalig schoolgebouw van de Maria Gorettischool, bestaande uit een bouwlaag zonder kap. Het plangebied is volledig omsloten door het stedelijk gebied van St. Willebrord. Aan de zuidzijde van het plangebied is de in ontwikkeling zijnde Basisschool Heilinde gelegen. Ten westen van het plangebied is een parkeerterrein gelegen voor de medewerkers van de basisschool en naschoolse opvang. Ten noorden van het plangebied is een groenstrook gelegen met hierop het tijdelijke schoolgebouw van Basisschool Heilinde. Ten oosten is stedelijk gebied met de kern van St. Willebrord gelegen, met een medisch centrum en woonfuncties afgescheiden van het centrum en het plangebied. De omliggende bebouwing is een mix van functies als maatschappelijk en wonen. Echter de realisatie van een woonfunctie past in de context van de omgeving. In de huidige planologische situatie vigeert thans het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Rucphen, zoals in werking getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en de rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat).

Op basis van regels uit de vastgestelde bestemmingsplannen “Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord” en “Kom St. Willebrord” kennen de gronden de enkelbestemmingen ‘Maatschappelijk’ en ‘Groen’. Ad I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard en bebouwd. Door middel van bodemonderzoek is aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Om zorg te dragen voor een duurzame leefomgeving wordt aandacht besteed aan klimaatadaptief bouwen, door duurzame materialen toe te passen en overblijvende ruimte groen/klimaatadaptief in te richten door het toevoegen van groen en toepassen van mogelijk halfopen bestrating. De groene elementen voegen meer opgaand groen toe aan het plangebied, hierdoor ook schaduw, deze maatregelen zorgen ervoor dat de effecten van hittestress afnemen. In het plan zijn maatregelen opgenomen om wateroverlast te voorkomen. Ad J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het plangebied is niet gelegen in of direct nabij een gebied dat een kwetsbaar natuurlijk milieu vertegenwoordigd of een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruime afstand (15 km) van het plangebied. 3.3 Kenmerken van de potentiële effecten Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn in voorgaande paragrafen (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten • de aard van het effect • het grensoverschrijdend karakter van het effect • de intensiteit en de complexiteit van het effect • de waarschijnlijkheid van het effect • de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect • de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten • de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. Het is daarbij niet noodzakelijk dat alle bovengenoemde aspecten aan de orde komen.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 8/14

Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Voor de rapportages van uitgevoerde milieuonderzoeken en een uitvoerige beschrijving van onderstaande milieuaspecten, wordt echter verwezen naar hoofdstuk 4 van de motivering van de TAM-IMRO. 3.3.1 Bodem Huidige situatie Het plangebied bestaat uit gronden met een maatschappelijke bestemming en is ingericht met een oud, voormalig schoolgebouw en een schoolplein. Op het plein zijn enkele groene elementen aanwezig, waaronder heesters en jonge bomen. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig zand met lokaal beperkte humus. Tijdens veldonderzoek, uitgevoerd door Econsultancy in september 2023, zijn sporadisch baksteen- en betonresten aangetroffen, maar geen asbestverdachte materialen of zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De locatie kent geen intensief bodemgebruik en is niet ingericht voor milieubelastende functies. Effecten voornemen In september 2023 is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Op basis hiervan is geen aanvullend onderzoek naar asbest in bodem of puin noodzakelijk. In een zintuiglijk schoon mengmonster van de bovengrond is een matige PAK-verontreiniging vastgesteld.

Daarnaast is de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie en de ondergrond plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Naar aanleiding van de waargenomen PAKverontreiniging is in januari 2024 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Na uitsplitsing van het mengmonster is geen PAK-verontreiniging aangetoond. De eerder vastgestelde PAK-verontreiniging blijkt een incidentele afwijking te zijn en kan worden beschouwd als een uitbijter. Op basis van de resultaten van het verkennend en het aanvullend bodemonderzoek bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw. De beoogde woningbouw en het toekomstige gebruik van de gronden brengen geen verhoogd risico met zich mee voor bodemverontreiniging. Het plan voorziet niet in milieubelastende activiteiten die de bodemkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten voor de kwaliteit van de bodem. 3.3.2 Omgevingsveiligheid Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in een gifwolkaandachtsgebied van de seveso-inrichting, Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Het plangebied is niet gelegen in aandachtsgebieden van het basisnet.

Tevens is het plangebied niet gelegen in een gebied met plaatsgebonden risico’s. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig, overigens ligt het plangebied niet in aandachtsgebieden van dit soort buisleidingen, idem voor pr-contouren. Effecten voornemen Uit de inventarisatie van eventuele risicobronnen op basis van de Atlas Leefomgeving volgt dat het plangebied zich bevindt in een aandachtsgebied van een seveso-inrichting. Het beoogde plan en werkzaamheden realiseren geen milieubelastende activiteiten of transportroutes voor gevaarlijke stoffen binnen het plangebied. Binnen het beoogde plan worden geen nieuwe milieurisico’s ten opzichte van omgevingsveiligheid ontwikkeld. Nadere verantwoordingsplicht voor deze aspecten ten aanzien van het externe veiligheidsrisico is derhalve niet aan de orde.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 9/14

Er wordt geen planologisch kader geboden voor de oprichting van risicovolle milieubelastende activiteiten of transportroutes voor gevaarlijke stoffen die mogelijk negatieve effecten hebben op het milieu. Het project voorziet daarmee niet in de realisatie van nieuwe bronnen die een risico vormen voor de omgevingsveiligheid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten ten aanzien van de omgevingsveiligheid. 3.3.3 Geluid Huidige situatie In de huidige situatie zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving diverse geluidbronnen aanwezig zoals omliggende wegen en bedrijvigheid in de dorpskern van St. Willebrord. Rondom het plangebied is reeds sprake van een bestaande ontsluitingsstructuur. Het plan voorziet niet in de aanleg van een nieuwe wegenstructuur. Effecten voornemen Het project voorziet in de realisatie van geluidgevoelige gebouwen. Ten behoeve van het aspect geluid is in 2025 door de Roever Omgevingsadvies akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit volgt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 51 dB is. Dit is onder de standaardwaarde van 53 dB, en overschrijdt de grenswaarde van 70 dB niet. Uit het akoestisch onderzoek volgt bovendien dat het plan niet leidt tot een significant hogere verkeersgeneratie dan de autonome ontwikkeling.

Op voorhand is duidelijk dat het verkeer niet met meer dan 40% toeneemt en er geen toename van meer dan 1,50 dB zal optreden. Er is dus geen sprake van significante effecten als gevolg van indirecte effecten door veranderend verkeer. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van een significante toename van het geluid vanwege de nieuwe bebouwing. Conclusie Het project leidt niet tot aanzienlijke nadelige effecten op het gebied van geluid. 3.3.4 Natuurgebieden Huidige situatie De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Ulvenhoutse bos’ en ‘De Maatjes Wuustwezelsheide en Groot Schietveld’ liggen op een afstand van circa 15 km. Het plangebied valt daarmee buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied. De afstand tot het Natuurnetwerk Brabant (ecologische verbindingszone) betreft ongeveer 1,25 km van het plangebied. Effecten voornemen Significante negatieve effecten op Natura-2000 gebied kunnen zijn: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door trilling, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en beschadiging van beschermde flora en fauna. Afgaande op de huidige en beoogde inrichting van het plangebied is schade aan kernwaarden van Natura 2000-gebieden redelijkerwijs uit te sluiten. Het plangebied is omgeven door stedelijk gebied en betreft de kern van St.

Willebrord met in het plangebied een kleine hoeveelheid groen en staat niet in direct contact met beschermde natuurgebieden. Vanwege mogelijke emissie van stikstof is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Uit de berekening is gebleken dat het beoogde plan zowel in de realisatiefase als de gebruiksfase niet leidt tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 10/14

Deze beschermde gebieden zijn op dusdanige afstand gelegen dat negatieve effecten van het plan op voorhand kunnen worden uitgesloten voor de gunstige staat van instandhouding van deze in het kader van de Omgevingswet (in het kader van het overgangsrecht) beschermde gebieden. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ingreep binnen het plangebied vallen daarmee redelijkerwijs geen effecten te verwachten die van invloed zijn op de doelstellingen van de Provinciale omgevingsverordening of anderszins Provinciaal natuurbeleid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten ten aanzien van natuurgebieden. 3.3.5 Flora en fauna Huidige situatie Het plangebied is vrijwel volledig verhard en bebouwd. Binnen het gebied ontbreekt open grond (op enkele plekken is een dunne humuslaag van bladafval op bestrating aanwezig). Bomen en struweel zijn gering aanwezig op het schoolplein. De enige vegetatie binnen het plangebied betreft kruiden tussen bestrating en tegen de rand van de bebouwing met enkele algemene soorten. Effecten voornemen Door Blom Ecologie is februari 2022 een Quickscan uitgevoerd. Een quickscan is een gebiedsgericht onderzoek waarbij binnen het plangebied en in de directe omgeving de (potentiële) aanwezigheid van beschermde soorten én soorten die onder de algemene zorgplicht vallen wordt geïnventariseerd.

Hierbij wordt beoordeeld of er sprake is van ecologische waarden die bij de uitvoering van het plan in acht moeten worden genomen. Naar aanleiding van de quickscan is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de huismus en vleermuizen. Dit aanvullend onderzoek toont aan dat de voorgenomen sloop van de Maria Gorettischool leidt tot een overtreding van de Omgevingswet (activiteit flora & fauna) met betrekking tot vleermuizen. Hiervoor is een ontheffing aangevraagd en in 2023 verleend, geldig tot 1 november 2028, uitsluitend voor de in het besluit genoemde soorten (gewone dwergvleermuis) en de beschreven activiteiten. Naast de verleende ontheffing is een mitigatieplan opgesteld dat de schade aan beschermde soorten voorkomt en dat is goedgekeurd in de ontheffing. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform het mitigatieplan en de verleende ontheffing. Hiermee wordt significante en permanente schade aan de betreffende soorten voorkomen en blijft de staat van instandhouding van vleermuizen (specifiek gewone dwergvleermuis) gunstig. Conclusie Op basis van een soortenmanagementplan met mitigerende en permanente maatregelen zal de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd moeten worden. 3.3.6 Water Huidige situatie Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard en bebouwd.

De locatie omvat het schoolgebouw van de voormalige Maria Gorettischool en is omgeven door verhard terrein dat dienstdoet als trottoir en schoolplein. De totale oppervlakte bedraagt 2.950 m2, waarvan circa 2.500 m2 verhard is. In de directe omgeving bevinden zich woonhuizen, siertuinen en het Processiepark. Er zijn geen watergangen in de directe nabijheid van het plangebied. Effecten voornemen Een van de uitgangspunten voor de ontwikkeling is dat er voldaan wordt aan de waterbergingseisen van zowel de gemeente als het waterschap. Dit betekent dat sprake moet zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarin problemen ten aanzien van watertekorten en -overlast zoveel worden voorkomen. Ten behoeve van

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 11/14

onderhavige ontwikkeling is door De Roever Omgevingsadvies in november 2025 een watertoets uitgevoerd. Hierbij is onderzocht hoe binnen het plangebied met de waterhuishouding (waterveiligheid, oppervlaktewater, hemelwater, grondwater, waterkwaliteit en afvalwater) dient te worden omgegaan. Uit de weging van het waterbelang volgt dat de herontwikkeling uit het oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar is. Het project voorziet in een afname van verhard oppervlak van circa 2.500 m 2 naar 2.165 m2. Dit betekent dat er geen compensatie nodig is voor het afvoeren van hemelwater, aangezien de ontwikkeling hydrologisch neutraal is. Binnen het planvoornemen wordt de hemelwatervoorziening aangepast, infiltratie en berging staan centraal. Het plan voorziet in een toename van openbaar groen en halfopen verharding hierdoor wordt meer water vastgehouden en geïnfiltreerd, wat druk op het rioolstelsel vermindert. Er zijn geen aanwijzingen dat het project leidt tot verhoogde risico’s voor verontreiniging van het grondwater. Er worden geen milieubelastende activiteiten voorzien en het gebied ligt buiten grondwaterbeschermingszones. Conclusie Geconcludeerd wordt dat op basis van een afgewogen ‘weging van het waterbelang’ sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het project leidt niet tot aanzienlijke nadelige milieueffecten.

3.3.7 Verkeersgeneratie Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan bestaande ontsluitingswegen. In de huidige situatie vinden hier al verkeersbewegingen plaats. Effecten voornemen Het plangebied wordt ontsloten op bestaande ontsluitingswegen. Daarmee voorziet het plan niet in de aanleg van een nieuwe wegenstructuur. Met het plan ontstaat er een worst-case verkeersgeneratie van (per saldo) 120 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op het omliggende wegennetwerk en de beperkte verkeerstoename als gevolg van onderhavige ontwikkeling in relatie tot de nog beschikbare capaciteit van deze wegen, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Uit akoestisch onderzoek van de Roever Omgevingsadvies volgt bovendien dat is uitgesloten dat wegverkeerslawaai voortvloeiend uit het onderhavige plan een negatief effect heeft op het milieu. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten. 3.3.8 Luchtkwaliteit Huidige situatie Het plangebied is niet gelegen in een door het Rijk aangewezen aandachtsgebied (artikel 5.51 Bkl) voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10).

Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog dat, bij toevoeging van een nieuw project, de kans bestaat dat de rijksomgevingswaarde wordt overschreden. De luchtkwaliteit in en rondom het plangebied voldoet op basis van het CIMLK in de huidige situatie reeds ruimschoots aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit (met name fijnstof en stikstofdioxiden relevant).

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 12/14

Effecten voornemen Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 19 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten voor de luchtkwaliteit. 3.3.9 Gezondheid Huidige situatie Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Effecten voornemen Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In voorgaande paragrafen zijn deze aspecten behandeld.

Hieruit volgt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het aspect gezondheid voldoende is afgewogen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project niet leidt tot aanzienlijke nadelige milieueffecten.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 13/14

4

Conclusies en advies

In navolgende tabel zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het noodzakelijk is om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. (milieu)thema

Conclusie beoordeling potentiële effecten

Opstellen MER noodzakelijk?

Bodem

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Omgevingsveiligheid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van omgevingsveiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Geluid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Luchtkwaliteit

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Natuurgebieden

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van natuurgebieden geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Flora en fauna

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van natuurgebieden geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Water

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Verkeersgeneratie

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van verkeersgeneratie geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Gezondheid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van gezondheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

Nee

Op basis van de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Wanneer er geen aanzienlijke milieueffecten zijn is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Geadviseerd wordt om op basis van deze aanmeldnotitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapport (MER) nodig is.

datum referentie

17 december 2025 251829_AdB_MER_0001_v3.0

P 14/14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16935304/1