CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

09b DEF Visie Zonne- en Windenergie 17-11-20

gemeenteraad 3 februari 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Visie Zonne- en Windenergie21.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

1

Visie Zonne- en Windenergie

Rucphen, 17 november 2020

2

INHOUD

1.

Inleiding

2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Wettelijke / beleidskaders Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

3. 3.1 3.2 3.3

3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3

Toekomstige energievoorzieningen en infrastructuur Inleiding Systeemverandering Mogelijkheden duurzame invulling energiebehoefte 3.3.1 Zonne-energie 3.3.2 Windenergie 3.3.3 Geothermie 3.3.4 Restwarmte industrie 3.3.5 Biomassa 3.3.6 Biogas Overige aspecten Leveringszekerheid Kosten/baten en betaalbaarheid Inclusiviteit en participatie

4. 4.1 4.2

Profiel gemeente Rucphen Inleiding Huidig energiegebruik en CO2-uitstoot

5. 5.1 5.2 5.3 5.4

Opgaven Klimaatakkoord en Regionale Energiestrategie 2030 West-Brabant Inleiding Opgave Klimaatakkoord Opgave Regionale Energiestrategie 2030 West-Brabant Opgaven gemeente Rucphen

6. 6.1 6.2 6.3 6.4

Zonne-energie Inleiding Ambities De zonnelader Voordelen en nadelen zonne-energie 6.4.1 Voordelen 6.4.2 Nadelen Ruimtelijke voorwaarden voor zonneparken 6.5.1 Algemene ruimtelijke voorwaarden 6.5.2 Gebiedsafhankelijke ruimtelijk voorwaarden

6.5

7. 7.1 7.2 7.3

Windenergie Inleiding Ambities Voordelen en nadelen windenergie 7.3.1 Voordelen 7.3.2 Nadelen 7.4 Randvoorwaarden voor windparken 7.4.1 Effecten zo klein mogelijk 7.4.2 Respect voor erfgoed en landschap 7.4.3 Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving 7.4.4 Compensatie 7.4.5 Netwerkaansluitingen en –voorzieningen

3 8. 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

Mix van zonne- en windenergie Inleiding Noodzaak mix van zonne- en windenergie Wind en zon op dezelfde locatie Vergunningen voor bepaalde tijd Voorkeurscenario

9. 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5

Elektriciteitsnetwerk Inleiding Enexis Aanwezigheid grote afnemers Locaties met zware aansluitingen Netwerkaansluitingen en –voorzieningen

10. 10.1 10.2

Bestuurlijke workshop ‘Zonne- en Windenergie Inleiding Resultaten workshop

11. 11.1 11.2 11.3

Maatschappelijke voorwaarden Inleiding Proceswijzer participatie Betrekken en meeprofiteren samenleving 10.3.1 Zeggenschap 10.3.2 Rollen 10.3.3 Financiële participatie

12. 12.1 12.2 12.3 12.4

Procedure en processtappen Inleiding Omschrijving proces Proces in stappen Regelgeving en beleid

Bijlage 1 Regels Interim omgevingsverordening zelfstandige opstellingen van zonnepanelen (voorheen: o.a. Verordening ruimte) Bijlage 2 Toelichting Regels Interim omgevingsverordening zelfstandige opstellingen van zonnepanelen (voorheen: o.a. Verordening ruimte) Bijlage 3 Landschappelijke karakteristieken en visie per deelgebied Bijlage 4 Zoekgebieden zonneparken treden 1 t/m 3 Bijlage 5 Inpassingseisen per gebied

4

1.

Inleiding

Met het klimaatakkoord van Parijs in 2016 zijn er door 195 landen internationaal duidelijke afspraken gemaakt om verdere opwarming van de aarde tegen te gaan. Dit ‘klimaatverdrag’ was het sluitstuk van de klimaatconferentie die eind 2015 in Parijs werd georganiseerd. Het verdrag verplicht de landen die het ondertekend hebben onder andere om een eind te maken aan het gebruik van fossiele brandstoffen, die bijdragen aan de grote uitstoot van CO2. Nederland heeft in de zomer van 2017 (zo’n 1,5 jaar na sluiting) het klimaatverdrag ook bekrachtigd. In het Klimaatakkoord heeft Nederland onder andere vastgelegd dat in 2023 minimaal 16% van de energie afkomstig moet zijn van duurzame bronnen. Deze afspraken zijn vertaald naar nationaal, provinciaal, regionaal en lokaal niveau in diverse Regionale Energie Strategieën. Dit alles leidt tot de vraag hoe de energievoorziening van de toekomst in de gemeente er uit gaat zien.

Waar en onder welke voorwaarden wordt grootschalige duurzame energieopwekking (zon en wind) toegestaan, hoe worden woningen en bedrijven straks van warmte voorzien? Welke keuzes initiatiefnemers kunnen maken in relatie tot de benodigde investeringen? Wat is er nodig in het elektriciteitsnetwerk om de snel toenemende vraag naar en aanbod van duurzame elektriciteit te transporteren? In de Visie Zonne- en Windenergie Rucphen leest u hoe de gemeente Rucphen de opgaven van de Regionale Energie Strategie 2030 wenst in te vullen en welke denklijnen zij hanteert voor de Transitievisie Warmte. Technieken en inzichten zijn aan verandering onderhevig. Denk hierbij aan beleidswijzigingen van de overheid en innovaties. Dit betekent dat tussentijds het beleid aan veranderingen onderhevig kan zijn. Het is niet reëel om nu te stellen dat dit beleid in het kader van de energietransitie onveranderd blijft tot 2050. Door beleidswijzigingen op landelijk niveau, innovaties en opgedane ervaringen kunnen leiden tot actualisatie van het beleid.

Duurzame zonne- en windenergie

5

2.

Wettelijke beleidskaders

2.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een globale weergave van de kaders. Het beleid van het rijk, de provincie en de gemeente wordt beschreven in de volgende paragrafen. Het beleid en inzichten over duurzaamheid en energie veranderen regelmatig. Het laatst bekende beleid is opgenomen. We zijn ons er van bewust dat onderdelen gedurende de looptijd van dit beleid voor grootschalige zonneparken en windparken kan veranderen. 2.2

Rijksbeleid

Het kabinet heeft op 28 juni 2019 het Klimaatakkoord gepresenteerd waarin zij samen met het bedrijfsleven, de maatschappelijke organisaties en medeoverheden afspraken hebben gemaakt. Voor vijf sectoren van de samenleving geeft dit Klimaatakkoord invulling aan een pakket maatregelen. In zijn samenhang leidt dit tot tenminste 49% reductie CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 en 95% reductie in 2050. In onderstaande afbeelding is de opgave weergegeven.

Doelen van het klimaatakkoord

Met het kabinetsbesluit dat de gaskraan in Groningen in 2030 dicht gedraaid wordt, komt de energietransitie in een versnelling. Per 1 juli 2018 wordt geen aardgas meer toegepast in (vanaf dat moment vergunde) nieuwbouwprojecten en aan gemeenten is door het rijk gevraagd uiterlijk in 2021 met warmteplannen te komen per wijk (zie IPO & kamerbrief april 2018). In die plannen moet, in samenspraak met de bewoners, bedrijven en overige stakeholders uit de wijken, aangegeven worden hoe woningen en andere gebouwen ‘van het aardgas af gaan’.Dit is een flinke opgave, waar concrete plannen voor moeten komen. Om initiatieven op het gebied van duurzame energieopwekking te stimuleren, zijn er verschillende stimuleringsmaatregelen: Stimulering Duurzame Energieproductie Voor productie van hernieuwbare energie kent de landelijke overheid de subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+). De regeling richt zich op bedrijven en (non-profit) instellingen. Er zijn 6 categorieën: Biomassa, Biogas, Geothermie, Water, Wind (land, meer en primaire waterkering) en Zon. Met de SDE+ stimuleert het ministerie van Economische Zaken en Klimaat de ontwikkeling van een duurzame energievoorziening in Nederland. Om de SDE+ te financieren is er sinds 1 januari 2013 een extra belasting op energieverbruik bijgekomen (Wet Opslag Duurzame Energie (ODE)).

Alle bedrijven en inwoners in Nederland betalen hieraan mee. Duurzame energie is beter voor het milieu, maakt Nederland minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en is goed voor de economie.

6 Om overheden te ondersteunen bij het opstellen van een afwegingskader heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2016 de publicatie “Grondgebonden zonneparken; Verkenning naar de afwegingskaders rond locatiekeuze en ruimtelijke inpassing in Nederland” uitgegeven. Regeling Verlaagd Tarief (Postcoderoos) De regeling biedt een vrijstelling van energiebelasting over de zon- of windenergie die de deelnemers in een project gezamenlijk opwekken. Dit betekent dat zonnepanelen niet langer op het eigen huis of bedrijfspand hoeven te liggen, maar ook elders geïnstalleerd kunnen worden. Bijvoorbeeld op een groot agrarisch dak net buiten het dorp, op het dak van het lokale dorpshuis of zelfs op een beschikbaar stuk grond in de buurt. Deelnemers richten samen een coöperatie op of maken gebruik van een bestaande VVE (Vereniging Van Eigenaren) en investeren gezamenlijk in een zonnedak door het kopen van zonparticipaties. De regeling blijft tot eind 2020 in stand. Daarna verschijnt er een nieuwe regeling, naar verwachting in combinatie met de salderingsregeling voor particulieren. Gasloos wonen De Wet Voortgang Energietransitie (VET) regelt dat de aansluitverplichting van gas bij nieuwbouw is verdwenen. De wet bepaalt tevens dat de netwerkbeheerder niet meer verplicht is om gasaansluitingen te realiseren in nieuwbouwwoningen.

Feitelijk betekent dit een gasverbod nieuwbouwwoningen. Wel is er in de wet de mogelijkheid opgenomen om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang af te kunnen wijken van het gasloze uitgangspunt. Deze redenen moet de gemeente aandragen en zijn bijvoorbeeld de maatschappelijke kosten en baten. De gemeente Rucphen heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. 2.3

Provinciaal beleid

Brabant Energie Akkoord De impact van duurzame energieopwekking, transport en opslag op de ruimte in Brabant is groot. Inzet van de Gebiedsstrategie Duurzame Energieopgave is om bestuur en politiek inzicht te geven in de impact van een duurzame energievoorziening op de ruimte en welke keuzeruimte er in Brabant is tussen de verschillende soorten duurzame energievoorziening. Hierbij zal niet alleen (de beschikbaarheid van) ruimte bepalend zijn en de huidige kwaliteit van die ruimte, maar ook wat een duurzame energievoorziening voor bijdrage kan leveren aan versterking en ontwikkeling van de sociale en economische kenmerken en potenties van een gebied. Er is daarom in september 2016 een onderzoek verricht naar de ruimtelijke impact en de potentie van verschillende scenario’s. Zonneparken zijn één van de mogelijke ontwikkelingen die worden benoemd. Er wordt in de Gebiedsstrategie omschreven hoe de panelen het best geplaatst kunnen worden om optimaal te kunnen functioneren. In 2015 heeft een groot aantal strategische partners het Brabant Energie Akkoord gesloten. In dat akkoord zijn drie versnellingspaden aangegeven: gebouwde omgeving (volledig energieneutraal in 2050), industrie en bedrijven (een groene en concurrerende industrie gebaseerd op circulaire economie en biobased economy) en de landbouw (in 2050 klimaat- en energie neutrale landbouw).

In juli 2018 heeft de provincie de haalbaarheidsstudie ‘Brabant op 100% Wind, water en zon’ gepresenteerd. Deze studie is uitgevoerd in opdracht van de provincie door TU Eindhoven en H+N+S Landschapsarchitecten. Belangrijkste conclusie uit de studie: er is binnen Brabant meer dan voldoende oppervlak aanwezig is om alle benodigde duurzame energie op te wekken. Interim omgevingsverordening van de Provincie Noord Brabant De provincie Noord-Brabant heeft haar ruimtelijk beleid verwoord in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en in de Interim omgevingsverordening (voorheen: Verordening ruimte) . In deze verordening staan ook regels opgenomen voor grondgebonden zonneparken. Er bestaan mogelijkheden in het stedelijk gebied, in zoekgebieden verstedelijking en op bestaande locaties in het landelijk gebied zoals rioolzuiveringsinstallaties, stortplaatsen maar ook op vrijkomende agrarische locaties tot een omvang van 5.000 m2. Daarnaast zijn er onder strikte voorwaarden regels voor grootschalige, bedrijfsmatig geëxploiteerde zonneparken. Hiervoor zijn in 2017 de artikelen 6.19 (locaties in de Groenblauwe mantel) en 7.20 (locaties in het Gemengd landelijk

7 gebied) toegevoegd. Sinds 2020 hebben Gedeputeerde Staten een terughoudende houding aangenomen met betrekking tot zonneparken op landbouwgronden. In de Omgevingsvisie van Brabant (dec. 2018) wordt eveneens een aantal richtlijnen gegeven voor de energietransitie, waaronder (1) niet afwentelen van de opgaven energieneutraal op andere provincies, (2) meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik en (3) alleen onder voorwaarden energieopwekking in het Natuurnetwerk Brabant. In de Interim omgevingsverordening (bijlage 1) is het onderstaande opgenomen (ook wel de zonneladder genoemd).

“………De voorkeur van het beleid gaat uit naar plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie*. De verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien. Daarom biedt de regeling ook de mogelijkheid om zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen. Hieraan zijn diverse eisen verbonden. Bij de afweging van locaties vragen wij specifiek aandacht voor transformatie en meervoudig gebruik van locaties zoals op vliegvelden, langs snelwegen, stortplaatsen, zuiveringsinstallaties, grond- en slibdepots, gunstig gelegen vrijkomende locaties in het buitengebied etc. De gemeente weegt hierbij diverse belangen af zoals een efficiënte aansluiting op het energienet in samenspraak met de netwerkbeheerders, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energie-infrastructuur maar ook aspecten rondom zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteit. Deze aanpak past ook bij de regionale energie strategieën die regio's gezamenlijke gemeenten nu aan het opstellen zijn……” *Tevens betekent dit een minimale belasting van de netcapaciteit, aangezien de opwek dichtbij het verbruik plaatsvindt.

Dit is gunstig voor de realisatie en de maatschappelijke kosten ten opzichte van grootschalige opwek in het buitengebied. In de toelichting op de Interim omgevingsverordening staat dat de voorkeur van het beleid uitgaat naar plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied (bijlage 2). Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en kostenefficiency. Bij de afweging van locaties vraagt de provincie vervolgens specifiek aandacht voor transformatie en meervoudig gebruik van locaties zoals op vliegvelden, langs snelwegen, stortplaatsen, zuiveringsinstallaties, grond- en slibdepots, gunstig gelegen vrijkomende locaties in het buitengebied etc. Zonneparken in het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is (nu nog) strijdig met de Interim omgevingsverordening. Dit betekent dat deze gebieden vooralsnog worden uitgesloten. Er loopt wel een verkenning om in de randen van het NNB te onderzoeken of een combinatie van zonnevelden en natuurontwikkeling mogelijk is, zodanig dat de komende 20 tot 25 jaar energie wordt opgewekt en dat intussen onder en rondom de panelen nieuwe natuur is ontstaan. Als de zonnepanelen dan worden weggehaald is er nieuwe natuur ontstaan. Deze natuur moet gehandhaafd blijven.

Samengevat komt het erop neer dat de gemeente een visie op energie moet ontwikkelen met daarbinnen de toepassing van zonnevelden in de buitenruimte. Daarin moeten afwegingen gemaakt worden over: • de energiebehoefte en het opwekken van energie in de toekomst; • een ruimtelijke afweging waar zonnevelden mogelijk zijn; • de voorwaarden voor meervoudig ruimte gebruik en maatschappelijke meerwaarde.

8 Gebieden in het Natuur Netwerk Brabant worden uitgesloten van mogelijkheden voor grootschalige energieopwekking. 2.4

Regionaal beleid

Regionale Energiestrategie West-Brabant Ons 2050 Ondernemers, omgeving, onderwijs en overheid (gemeenten, provincie, waterschappen, RWB) binnen de regio West-Brabant hebben de ambitie uitgesproken om als regio in 2050 energieneutraal te zijn. Daarbij wordt ingezet op het besparen van energie, maximale duurzame opwekking en nieuw bewustzijn en eigenaarschap. De Regionale Energiestrategie West-Brabant Ons 2050 geeft richting hoe wij deze ambitie kunnen bereiken. Om in 2050 als regio energieneutraal te zijn moeten wij: • 28 PJ (peta joule) energie besparen. Voor de bestaande woningvoorraad betekent dit een renovatie van 9.500 woningen per jaar. Regionaal is hierbij uitgegaan van een besparing van 25% van het verwachte verbruik in 2050. Lokaal kan de besparingsdoelstelling van deze gemiddelde 25% afwijken; • 95 PJ hernieuwbare energie opwekken: 42 PJ elektriciteit en 53 PJ warmte. Dit kan alleen met een combi van wind, zon en warmte. De energiestrategie maakt onderscheid in vier energiebehoeftes: • Kracht & Licht (verlichting, apparaten en ICT); • Mobiliteit & Transport; • Lage Temperatuurwarmte en Hoge Temperatuurwarmte (warmte boven 100-120 graden Celsius); • warmte voor het maken van producten en hoge temperatuur proceswarmte). Per energiebehoefte geeft de strategie aan wat we kunnen doen.

De energiebehoeftes Mobiliteit & Transport en Hoge Temperatuur Warmte kunnen we niet helemaal regionaal oplossen. Hiervoor is ondersteuning vanuit de provincie en het rijk noodzakelijk. Regionale Energie Strategie 2030 West-Brabant In West-Brabant wordt momenteel op basis van het Klimaatakkoord een Regionale Energie Strategie 2030 opgesteld. De RES2030 wordt gemaakt door 16 gemeenten in de regio, de provincie Noord-Brabant, het waterschap Brabantse Delta en Enexis in een proces met maatschappelijke partners, het bedrijfsleven en inwoners. In de RES2030 wordt aangegeven: waar (grootschalige) duurzame elektriciteit in de regio kan worden opgewekt; welke mogelijkheden er zijn voor energiebesparing; een denkrichting hoe de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving er uit kan gaan zien; welke uitgangspunten daarbij moeten worden gehanteerd; de betekenis hiervan voor de energie-infrastructuur in 2030. De RES2030 gaat over onderwerpen die om regionale keuzes een afstemming vragen, met als voornaamste keuzes van grootschalige elektriciteitsopwekking en inzet ten aanzien van grootschalige warmtebronnen. 2.5

Gemeentelijk beleid

Visie duurzaamheid/ Duurzaamheidsagenda • Visie Duurzaamheid Op 19 juni 2019 heeft de raad de Visie Duurzaamheid en de Duurzaamheidsagenda vastgesteld. Deze visie biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng van inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad, andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. De volgende thema’s zijn in de Visie Duurzaamheid opgenomen: ➢ Klimaat, Energie en Wonen; ➢ Groen en Water; ➢ Afval en Grondstoffen; ➢ Mobiliteit.

9 ➢ Landbouw; ➢ De Gemeente. Het onderwerp ‘hernieuwbare energie’ behoort bij het thema ‘Klimaat, Energie en Wonen’. Het voornemen is om de gemeenteraad in maart 2021 te laten besluiten over het aanbod van hernieuwbare energie. Daarnaast stelt de raad in 2021 de Transitievisie Warmte vast. In deze visie staat de denkrichting van hernieuwbare energie die in 2050 mogelijk kan worden ingezet op het moment dat alle woningen gasloos moeten zijn. In de Visie Duurzaamheid is ook bepaald dat de gemeenteraad een heroverweging maakt over de realisatie van windturbines. Voorheen heeft de raad immers besloten om geen windturbines te realiseren. De geldende bestemmingsplannen bieden hiervoor geen mogelijkheden. Uit onderzoek is echter gebleken dat de opgave voor hernieuwbare energie, zonder de inzet van windenergie, niet realistisch is.

Bij CO2- neutraliteit in 2050 zou de gemeente Rucphen zonder windenergie 297 ha. aan zonnepanelen moeten aanleggen. Dit zijn 1.115.058 zonnepanelen. Per inwoner zijn dit 49 zonnepanelen. Uitgaande van een gemiddelde gezinssamenstelling van 2,1 personen komt dit op 103 zonnepanelen per huishouden.

Ten slotte staat in de Visie Duurzaamheid beschreven dat afspraken worden gemaakt met Thuisvester over het onder andere verduurzamen van de woningvoorraad. • Duurzaamheidsagenda De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan per thema. Landschapsontwikkelingsplan 2012 (LOP) Op 26 juni 2012 heeft de gemeenteraad het Landschapsontwikkelingsplan vastgesteld. Dit plan heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg om kwaliteit van het landschap. Dit alles conform het ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ principe uit de provinciale Verordening ruimte (Interim Omgevingsverordening). De gemeente Rucphen heeft namelijk een zeer aantrekkelijk buitengebied. De eventuele ontwikkelingen van zonnevelden in het buitengebied van de gemeente Rucphen zal moeten passen binnen de kaders van het LAP. In het Landschapsontwikkelingsplan zijn 11 gebieden onderscheiden. Voor 9 deelgebieden is in bijlage 3 een puntsgewijze opsomming van landschappelijke karakteristieken en een visie weergegeven.

10

Gebieden landschapsontwikkelingsplan (LOP) 1. Heipolder 6. Het oosten 2. Rucphense Bossen 7. Militair Mobiliteits Centrum (MMC-complex) 3. Schijfse Vaart 8. Grensgebied Zundert 4. Het noorden 9. Oude Zoek 5. Zegge

11

3.

Toekomstige energievoorziening en infrastructuur

3.1

Inleiding

In de gebouwde omgeving wordt aardgas (in gebruik voor verwarmen, warm water en koken) vervangen door duurzame bronnen en alle elektriciteit die we gebruiken zal duurzaam moeten worden opgewekt. De RES2030 West-Brabant legt de focus op het ruimtelijk beleid ten aanzien van grootschalige zonparken en windparken is opgezet om met elkaar de dialoog aan te gaan over keuzes die Rucphen moet maken om de komende jaren een stevige basis te leggen voor een duurzame energietoekomst voor alle doelgroepen in de gemeente. 3.2 Systeemverandering De energietransitie vraagt een systeemverandering. Dat doen we in een snel veranderend speelveld. Het is daarom van belang een dynamisch plan te maken, dat aangepast kan worden op de ontwikkelingen, die elkaar snel zullen opvolgen. Maar we moeten starten om de doelen op tijd te realiseren. Als wordt gekeken naar de toekomstige energievoorziening in technische zin in de gebouwde omgeving dan zijn grofweg 3 scenario’s denkbaar, namelijk: a. In gebieden met veel nieuwbouw en woningen die na 2012 zijn gebouwd is het mogelijk gebouwen volledig elektrisch van warmte te voorzien; b. In gebieden met hoge woningdichtheid, vaak met corporatiebezit, komen hoge en lage temperatuur warmtenetten het meest in aanmerking c.

In gebieden met een lage bebouwingsdichtheid en veel particulier bezit, zullen systemen waarbij gebruik gemaakt wordt van combinaties van elektriciteit, zonthermie, kleine warmtenetten en soms duurzaam gas, zoals biogas, veelal de oplossing bieden (zgn. hybride-systemen). Voor de gemeente Rucphen zal in grote delen van de gemeente en ook in de kernen het derde scenario van toepassing zijn. Overigens moeten de gemeenten uiterlijk in 2021 een warmteplan (Transitievisie Warmte) opleveren, waaruit blijkt welke (deel)gebieden wanneer van het aardgas afstappen en op welke warmtebron ze daarbij aangesloten worden. 3.3

Mogelijkheden duurzame invulling energiebehoefte

Op dit moment zijn er globaal de volgende mogelijkheden om op een duurzame manier in de energievraag te voldoen: 1. zonne-energie; 2. windenergie; 3. geothermie; 4. restwarmte industrie; 5. biomassaverbranding; 6. biogas. 3.3.1

Zonne-energie

Met de op dit moment meest gangbare zonnepanelen wordt jaarlijks 240 tot 250 kWh (= 0,0009 TJ/ terra joule) geproduceerd. Eén zonnepark van 1 ha. (3.000 zonnepanelen) levert, bij 900 vollasturen per jaar, 0,001 GWh (gigawattuur) op. Geschikte locaties voor zonnevelden zijn gras- dan wel akkerlanden. Gronden moeten de mogelijkheid bieden tot plaatsing van zonnepanelen in de vrije ruimte met voldoende zoninstraling. Deze locaties voor zonnevelden zijn aaneengesloten terreinen met een oppervlakte van 0,5-1,0 hectare, (categorie: klein) 1,0-3,0 hectare (categorie: middelgroot) of > 3,0 hectare (categorie groot). Zonnevelden uit de categorie ‘middelgroot’ zijn kansrijker naarmate de afstand tot het dichtstbijzijnde 10-kV-middenspanningsnet klein is. Zonnevelden op een ‘middelgroot’ areaal kunnen op het middenspanningsnet worden aangesloten. Bij een lange afstand tot dit net lopen de aansluitkosten fors op, wat rendabele exploitatie snel verhindert. Zonnevelden uit de categorie ‘groot’ zijn kansrijker naarmate de afstand tot het dichtstbijzijnde onder-, regel- of schakelstation

12 van de regionale netbeheerders klein is. Voor zonnevelden met een benodigde aansluitwaarde van 2 MVA (megavoltampère) of meer (> 3 hectare) is een verbinding met het meest nabijgelegen onder-, regel- of schakelstation noodzakelijk. Bij een lange afstand tot dergelijke stations lopen de aansluitkosten fors op, wat rendabele exploitatie snel verhindert. 3.3.2

Windenergie

Windmolens hebben de laatste jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Op dit moment worden bij wind op land turbines geplaatst van 3 tot 4 MW (megawatt) met een ashoogte van 100 tot 130 meter en een tiphoogte van 150 tot 200 meter. Daarmee worden ca 3.000 vollasturen gedraaid. Windmolens van 4-5 MW leveren per stuk ongeveer 37 TJ energie per jaar. Uitgegaan wordt dat in de West-Brabant er een uitbreiding van het aantal windturbines zal plaatsvinden. Windmolens van 5,6 MW leveren per stuk ongeveer 126.128 MWh/jaar energieopwek. Als we kijken naar de hoeveelheid elektriciteit die een windmolen produceert, staat de productie van een windmolen van 5,6 MW gelijk aan ca. 13 ha. zonneparken (17 MW vermogen). Dit komt omdat een windmolen meer productie-uren heeft ten opzichte van een zonnepark. De maatschappelijke kosten die gepaard gaan met een zonnepark zijn ook ca. 3 maal zo groot.

3.3.3

Geothermie

Bij geothermie wordt warmte uit de diepe bodem (tot enkele kilometers diep) gehaald. Boring naar die diepten is kostbaar en kan alleen rendabel gemaakt worden als daaraan grootschalige verwarmingssystemen gekoppeld worden. Geothermie vindt zijn toepassing in grootschalige glastuinbouw en in wijkverwarming waarbij gebruik gemaakt wordt van een collectief warmtenet. De besparing uitgedrukt in aardgasequivalenten bedraagt 15 tot 20 miljoen m3 per jaar. Niet op iedere locatie in Nederland kan geothermie worden toegepast. Volgens de haalbaarheidsstudie ‘Brabant op 100% Wind, water en zon’ zijn er in West-Brabant wel kansen. Verkend moet worden of de dichtheid van bebouwing in de gemeente Rucphen een rendabele exploitatie van een geothermiebron mogelijk maakt. Specifiek aandacht zal er moeten zijn voor het gebied in en rondom Schijf en het gebied ten noorden van St. Willebrord en Rucphen, waar op grond van de Provinciale Milieuverordening geen boringen mogen plaatsvinden vanwege de ligging in de beschermingszones van waterwingebieden. Dit betekent dat voor de woningen in deze gebieden geen warmtenet of warmtepompen die gebruik maken van bodemwarmte zijn toegestaan. In bijlage 6 zijn grotere afbeeldingen van deze kaarten weergegeven.

13

Beschermingszone Schijf

3.3.4

Beschermingsgebied Seppe

Restwarmte industrie

In de regio is veel restwarmte beschikbaar, met name vanuit het haventerrein Moerdijk. Op dit moment wordt onder de naam Energyweb XL verkend of er warmte vanuit Moerdijk geleverd kan worden aan AFC-Prinsenland, de glastuinbouwlocatie ten oosten van Dinteloord. Voor de gemeente Rucphen zal deze restwarmte niet beschikbaar komen. De afstand tussen de gebieden is te groot. In onze gemeente is het bedrijventerrein De Nijverhei gelegen. Onderzocht zal moeten worden of de bedrijven die hier gevestigd zijn restwarmte produceren. Mogelijk dat de restwarmte van indoor skibaan Snow World kan worden ingezet voor de warmtetransitie. Hiervoor zal nader onderzoek noodzakelijk zijn. 3.3.5

Biomassa

Met een op biomassa gestookte verwarmingsketel kan warmte geproduceerd worden. Deze ketels worden veelal toegepast bij bedrijven met een substantiële warmtebehoefte, maar ook verwarming van woningen is in principe mogelijk met een kleinschalige biomassaketel. De brandstof voor deze ketels bestaat uit restafval, pellets of snippers. Pellets zijn geperste brokjes met als grondstof gemalen hout of zaagsel. Snippers bestaan uit gehakseld hout of snoeiafval. Er is op dit moment veel discussie over de duurzaamheid van deze verwarmingsmethode. De omvang van het restafval neemt in de toekomst af. Voor de pellets of snippers worden in Canada bossen gekapt. Deze worden over grote afstanden verscheept. Daarnaast is de verbranding minder schoon dan die van gas. Een andere mogelijkheid is een lokaal warmtenet aan te leggen en dit te voeden met een biomassaketel. Voor het buitengebied kan de toepassing van biomassa voor individuele gevallen een oplossing zijn. De concept RES 2030 West-Brabant hanteert het uitgangspunt dat biomassa voor de langere termijn geen structurele oplossing is. 3.3.6

Biogas

Bij de productie van biogas wordt organisch materiaal (o.a. mest) omgezet in methaan en CO2. Het gas heeft een lagere verbrandingswaarde dan aardgas, maar kan goed ingezet worden om er via een warmtekrachtkoppeling (WKK), een motor met dynamo, elektriciteit mee te maken. Bij die toepassing komt er naast elektra ook warmte vrij, die nuttig kan worden ingezet. De nuttig te gebruiken restwarmte bedraagt energetisch ongeveer evenveel als de geproduceerde elektriciteit. Een biogasinstallatie met een WKK van 1 MWe (megawatt elektriciteit) kan jaarlijks 7,5 tot 8 miljoen kWh elektrisch vermogen produceren en dus nog evenzoveel warmte. De hoeveelheid voor zo’n installatie benodigde input aan organisch materiaal is sterk afhankelijk van de aard van het

14 product. Bij toepassing van alleen mest is bij productie van 1 MWe circa 125.000 ton product nodig. Bij toepassing van producten met meer afbreekbare organische stof kan met 35.000 ton worden volstaan. Biogas is ook rechtstreeks in te zetten in speciaal daarvoor uitgeruste verwarmingsketels. Biogas wordt gezien als mogelijkheid aardgas te vervangen, waarbij mogelijk de huidige logistieke structuur (gasleidingen) gebruikt kan worden. Het is ook mogelijk biogas te zuiveren. Wanneer biogas wordt geconditioneerd naar aardgaskwaliteit spreekt men van groen gas. Dit kan dan rechtstreeks ingevoerd worden op het aardgasnet. 3.4

Overige aspecten

Bij het ontwerpen van een energievoorziening voor de toekomst spelen nog drie belangrijke aspecten een rol: 1. leveringszekerheid (continuïteit); We willen graag dat stroom en warmte altijd beschikbaar is. 2. kosten/baten en betaalbaarheid; De toekomstige voorziening moet betaalbaar zijn. 3. inclusiviteit en participatie; Iedereen moet mee kunnen doen, ongeacht de omvang van de portemonnee. 3.4.1 Leveringszekerheid Stroom en warmte moet altijd in voldoende mate beschikbaar zijn. Dat betekent dat we 365 dagen lang 24 uur per dag over voldoende energie willen beschikken. Dat is 8.750 uur per jaar. De zon schijnt maximaal 1.000 uur per jaar en windmolens draaien ongeveer 3.000 uur per jaar. Dus ook al plaatsen we voldoende zonnepanelen en windmolens om in de vraag te voorzien, vraag en aanbod zijn nooit gelijk. Het elektriciteitsverbruik zal in de toekomst stijgen, ondanks de 20% besparingsopgave. Denk alleen al aan de effecten van all-electric verwarmen en een (verdere) toename van elektrisch rijden. Dit betekent dat er op de momenten dat er meer geproduceerd wordt dan gevraagd, energie terug geleverd wordt op het elektriciteitsnet. De ontwikkelingen voor de opslag van energie zijn nog niet zo ver dat deze kunnen worden toegepast bij klein en grootschalige energieopwekking. Met opslag kunnen fluctuaties tussen dag en nacht en tussen zomer en winter worden opgevangen.

Opslag van energie kan op een paar manieren: 1. In batterijen (thuis- of wijkbatterij, batterij van de elektrische auto, enz.) 2. Als warmte in een medium als water, zout, e.d. (warmtekoude opslag, warmtebuffers, ecovat, enz.) 3. Door het omzetten van wind- en zonenergie naar bijvoorbeeld waterstof. De verwachting is dat het aandeel elektrische auto’s flink zal toenemen. Er wordt op dit moment al geëxperimenteerd met het gebruiken van de autobatterijen als opslagmedium. Batterijen alleen zijn echter niet genoeg. Alle andere opties zullen waarschijnlijk ook nodig zijn. Daarbij moet ook nog eens rekening gehouden worden met het energieverlies tijdens de omzetting. Als windenergie wordt omgezet in waterstof leidt dat tot een verlies van ca 50%, met andere woorden, de behoefte aan opslag zal waarschijnlijk leiden tot vergroting van de behoefte aan duurzaam opgewekte energie. Met deze extra capaciteit is in de berekeningen nog geen rekening gehouden. De conclusie is dat bij het ontwerp van het energiesysteem van de toekomst rekening moet worden gehouden (waarschijnlijk ook in ruimtelijke zin) met voldoende opslagcapaciteit. In deze visie ligt de focus op zonne- en windparken en wordt deze mogelijke extra ruimtelijke behoefte voor opslag niet meegenomen. 3.4.2 Kosten/baten en betaalbaarheid.

Een van de vertrekpunten bij het ontwerpen van een energiesysteem voor de toekomst is betaalbaarheid. Dit betekent dat naast technische, ruimtelijke, duurzaamheids- en organisatorische aspecten, de financiën ook een grote rol spelen. Uiteindelijk zijn het de inwoners, bedrijven en organisaties die via hun energierekening de hele transitie betalen.

15 Een aantal aspecten verdient bijzondere aandacht in het kader van de ruimtelijke afweging van duurzame opwekking. Kostprijs en ruimtebeslag windenergie versus zonne-energie bij grootschalige opwekking. Bij grootschalige opwekking van duurzame energie wordt gebruikt gemaakt van de subsidieregeling duurzame Energie (SDE+). Het gevolg van het huidige subsidieregime is dat er een flink verschil zit tussen de kostprijs van een kWh opgewekt via de zon of via de wind. Door de manier waarop de SDE+ subsidie bepaald wordt, kan het verschil oplopen tot een factor 2. Een kWh opgewekt met wind kost gemiddeld € 0,03 en een kWh uur opgewekt met zon kost gemiddeld € 0,06. De SDE+ wordt betaald uit de ODE (opslag duurzame energie) die iedereen betaalt over zijn energierekening. Op deze manier betalen de inwoners ongeveer 60% van de SDE+ via hun energierekening. Behalve dat de kostprijs van windenergie op ongeveer de helft ligt van die van zonne-energie, speelt ook het ruimtebeslag een rol. Eén windturbine van 4 MW wekt evenveel energie op als 10 hectare zonnepanelen (ca. 6.100 zonnepanelen). Als kosten en ruimtebeslag alleen een rol zouden spelen in de afweging, zou de voorkeur daarom uit moeten gaan naar het plaatsen van zoveel mogelijk windmolens in plaats van het realiseren van grote zonneparken.

Echter, om op regionaal niveau te zorgen voor voldoende stabiliteit op het net en om fluctuaties in de vraag (wisselingen binnen een dag, veranderende vraag en aanbod door de seizoenen) op te kunnen vangen, is een combinatie van wind, zon, biomassa en geothermie noodzakelijk. 3.4.3 Inclusiviteit en participatie Een belangrijk aandachtspunt in de energietransitie is draagvlak binnen de lokale gemeenschap. De energietransitie heeft als gevolg dat in de direct leefomgeving van mensen duurzame opwekinstallaties als windmolens en zonneparken zullen verschijnen. Lang niet iedereen is daar blij mee, zeker niet als deze voorzieningen in de directe omgeving in het zicht worden aangelegd. Het proces om voldoende duurzame energie in de direct omgeving op te wekken, zal zorgvuldig moeten worden doorlopen. Naast de ruimtelijke en technische voorwaarden die in deze visie worden besproken, betekent dit ook: 1. Ervoor zorgen dat de lokale gemeenschap vanaf het begin nauw betrokken wordt bij deze ontwikkeling; bij de maatschappelijk voorwaarden wordt dit geborgd; 2. Zorgdragen voor inclusiviteit; daarmee wordt bedoeld dat iedereen mee moet kunnen doen in de energietransitie.

Hierbij is met name aandacht nodig voor de doelgroep met een smalle beurs, namelijk de mensen die niet kunnen investeren in het isoleren van hun woning, het aanschaffen van zonnepanelen of het participeren in een zonneveld. Voor deze doelgroep zullen specifieke maatregelen moeten worden getroffen. Projecten die hierop anticiperen worden hoog gewaardeerd doordat bijvoorbeeld mensen met smalle beurs zonder te investeren kunnen deelnemen in dit soort projecten. 3. Lokale participatie; de lokale gemeenschap moet de mogelijkheid krijgen financieel te profiteren van de opbrengsten van zonnevelden. In hoofdstuk 10 wordt dit onderwerp uitgebreid behandeld.

16

4.

Profiel gemeente Rucphen

4.1

Inleiding

Ondertussen melden ontwikkelaars voor zonneparken zich bij de gemeente. De SDE+ subsidieregeling waarmee de exploitatie van duurzame energieproductiemiddelen wordt geproduceerd maakt rendabele exploitatie van zonneparken mogelijk. De ontwikkelaars vragen de gemeente ruimtelijke procedures te starten om die zonneparken mogelijk te maken. In het kader van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2017 (vanaf hier Verordening ruimte) is het noodzakelijk dat gemeenten een Visie Zonne- en Windenergie opstellen. De Verordening ruimte is sinds 2019 opgenomen in de Interim omgevingsverordening. De inhoud van de Verordening is met betrekking tot zonneparken niet gewijzigd.

Interim omgevingsverordening 1. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan zonneparken in de groen blauwe mantel of gemengd landelijk gebied met een omgevingsvergunning, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie; b. in deze visie is afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit; c.

de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; De maatschappelijke meerwaarde 1. c wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen. Maatschappelijke meerwaarde creëer je ook door meervoudig ruimtegebruik (2.a: combineren klimaatadaptatiedoelen bijv. waterberging, vergroten biodiversiteit, extensieve landbouw, opwekken elektriciteit en bufferen warmte via pvt panelen), landschappelijke inpassing (2.b.).

d.

de ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving. Inpassing in de omgeving kan door er een landschappelijke visie aan te koppelen.

Aan de omgevingsvergunning worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning voor zonneparken bestaande toestand hersteld met uitzondering van de landschappelijke inpassing. Alleen de zonnepanelen en overige objecten worden verwijderd; c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld. De visie is nodig voor het bepalen van de situering en inpassing van grootschalige zonne- en windparken, maar ook om een goede maatschappelijke kosten baten afweging te kunnen maken, de rol van de gemeente te kunnen bepalen en de gemeenschap bij het maken van de plannen te betrekken. Hoe de ontwikkelingen er tot 2030 (landelijk doel 49% reductie CO2 -uitstoot) en 2050 (landelijk doel geen CO2 uitstoot meer) er uit zullen zien is nu nog niet duidelijk. Welke keuzes er precies

17 gemaakt moeten worden, vraagt de nodige uitwerking. Wat op dit moment wel duidelijk is, is dat de opgave in de energietransitie groot is. Het overgrote deel van het energieverbruik wordt nog niet duurzaam opgewekt. De gemeente en haar lokale partners zullen dan ook nu al aan de slag moeten gaan om de opgaven voor 2030 en voor 2050 te kunnen realiseren. 4.2

Huidig CO2 uitstoot en energiegebruik

In deze paragraaf wordt de huidige energievraag voor de gemeente Rucphen in beeld gebracht. Hoeveel energie wordt er eigenlijk gebruikt en door wie? Als dat in beeld is, kunnen scenario’s voor de toekomst gemaakt worden (inclusief energiebesparing). Daaruit kan worden afgeleid hoeveel zonne- en windparken nodig zijn en wat het ruimtebeslag daarvan zal zijn. De data die hieronder worden gepresenteerd zijn afkomstig uit de Klimaatmonitor van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deze monitor wordt op dit moment vaak gebruikt omdat hierin de meest actuele gegevens zijn opgenomen. De Klimaatmonitor 2017 vermeldt voor de gemeente Rucphen de volgende informatie (bron: klimaatmonitor Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2017). Een recentere bron is niet beschikbaar. CO2 uitstoot gemeente Rucphen Branche Gebouwde omgeving Verkeer en vervoer Industrie, Energie en afvalwater Land- en bosbouw Verbruiksgegevens gemeente Rucphen Sector / Branche

Ton 66.336 58.715 9.814 6.323

Energie TJ 876 808 107

Gas m³ p/w 1.830 * 2.064.000

Elektriciteit KWh p/w 3.700 * 10.220.000

Woningen Verkeer en vervoer Industrie, Energie en afvalwater Land- en bosbouw 82 1.777.000 7.444.000 Bouwnijverheid 16 305.000 2.001.000 Afval/ Water 2 0 628.000 Winning delfstoffen 0 0 26.000 *In 2017 bestond 0,6% van het wagenpark uit elektrische of gas auto’s (ca. 60 stuks).

18

5.

Opgaven Klimaatakkoord en Regionale Energiestrategie 2030 West-Brabant

5.1

Inleiding

De nationale opgaven die zijn verwoord in het Klimaatakkoord zijn vertaald naar opgaven per regio. Alle concepten van de 30 Regionale Energiestrategieën zijn overhandigd aan de landelijke overheid. Het PlanBureau voor Leefomgeving (PBL) zal in samenwerking met het Nationaal Programma RES (NP RES) de concepten van de RES-regio’s analyseren en bekijken. Met de som van alle Regionale Energiestrategieën moeten de afgesproken opgaven en de doelstellingen worden bereikt. 5.2

Opgave Klimaatakkoord

In het kader van het landelijk klimaatakkoord wordt, zoals eerder aangegeven, aan gemeenten de komende periode gevraagd aan te geven welke bijdrage zij kunnen leveren aan de landelijke doelstelling van 49% reductie in 2030 en CO2 neutraal in 2050. Om die ambitie van 49% te halen zijn aan de klimaattafels afspraken gemaakt. De voor lokale gemeenten relevante tafels zijn die van de elektriciteitsproductie en de gebouwde omgeving. Aan de elektriciteitstafel is de opdracht meegegeven tot 2030 de CO2 emissies met 20,2 Mton (megaton) te verminderen. Concreet betekent dit dat gestreefd wordt naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot ten minste 84 TWh (terrawattuur). 49 TWh moet komen van duurzame energieproductie op zee en 35 TWh moet komen van duurzame productie op land. 5.3

Opgave Regionale Energie Strategie 2030 West-Brabant

De regionale opgave voor de Regio West-Brabant (RES2030) bedraagt 2.5 TWh. Er is sprake van een overprogrammering van 0,3 TWh omdat niet 100% vaststaat dat alle projecten ook daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd. Hierdoor wordt voorkomen dat de regio zijn opgave niet haalt. Om deze 2.2 TWh te kunnen realiseren zullen alle partijen hun aandeel moeten leveren. Wat betekent 2.2 TWh nu eigenlijk voor de regio? Concreet wordt de extra duurzame energie opgewekt door: • Ontwikkelen en stimuleren van innovatieve technieken. Daarmee wordt in 2030 minimaal 0,2 TWh opgewekt. Na 2030 wordt de verduurzaming opgeschaald. Innovatieve technieken, zoals zonnepanelen op gevels en nieuwe vormen van waterkracht, zijn veelbelovend om de kosten en het beslag op de ruimte te beperken. Het ondersteunt werkgelegenheid voor start-ups en in de techniek; •

Stimuleren van kleinschalige opwek van elektriciteit, met een groei van 0,1 TWh in 2018 naar 0,5 TWh in 2030 (ca. 160.000 woningen met zonnepanelen) zonnepanelen op eigen dak verlaagd de energierekening van inwoners en bedrijven en kan onderdeel zijn van een stap naar zelfvoorzienend wonen en werken;

•

Initiëren en faciliteren van een groei van zonne-energie tot 25% van alle grote daken in de regio. Dit is 0,5 TWh extra ofwel ca. 600 hectare zonnepanelen. De zon op dak draagt bij aan besparing op de energierekening (van ondernemers/ verenigingen etc.). Opbrengst van lokale opwekking op dak en veld kan de lokale leefbaarheid ondersteunen, bijv. als financieringsbron voor sportclubs;

•

Aanwijzen van zoekgebieden voor het opwekken van 0,2 TWh extra windenergie (9-12 nieuwe windturbines en het verbeteren van bestaande windturbines naar 3 à 4 MW). Deze liggen vooral in het westen en noordwesten van de regio vanwege de netcapaciteit. De zoekgebieden en locaties sluiten veelal nauw aan bij bestaande lokale initiatieven en beleid. De realisatie van deze windturbines draagt bij aan een CO2- en kostenefficiënte aanpak;

19 •

Opwekken van 0,3 TWh elektriciteit met extra zonneparken, te ontwikkelen in combinatie met bijv. natuur, waterberging en/of landbouw. De combinaties bevorderen functionele koppelingen, zoals bufferzones langs beken en nieuwe verdienmodellen in de landbouw.

Met deze inzet wekt West-Brabant 2.3 TWh elektriciteit grootschalig op in 2030. Samen met 0,2 TWh duurzame elektriciteit uit innovatie draagt de regio substantieel meer bij aan de landelijke opgave van 35 TWh dan wat nationaal naar ratio van het elektriciteitsverbruik van de regio kan worden verwacht (1,8 TWh). Om hier een gevoel bij te krijgen, is hieronder een vergelijking weergegeven.

Vermenigvuldigd met 2.2 komt dit neer op de volgende grootheden: 165-198

2.200-3.960

792.000

37.620

152

Energieproductie duurzame energie

5.4

Opgave gemeente Rucphen

In de Regionale Energie Strategie 2030 West-Brabant is de volgende opgave voor de gemeente Rucphen opgenomen:

Opgave grootschalige energieopwekking vóór 2030

30 GWh Zon op dak (= 30 ha zonnepanelen)

Opgave grootschalige energieopwekking na 2030

36 GWh windenergie ( = 3 of 4 windturbines afhankelijk van hoogte))

20

6.

Zonne-energie

6.1

Inleiding

Voor onze gemeente bedraagt de opgave grootschalige energieopwekking door Zon-op-dak voor 2030 30 GWh. Dit resulteert in ongeveer 25 ha. zonnepanelen. Het Nationaal Programma RES (NRES) gaat ervan uit dat 26 ha. dakoppervlak binnen onze gemeente kan worden gebruikt voor grootschalige opwekking van zonne-energie via zon-op-dak. Naar verwachting is deze opgave alleen met Zon-op-dak niet te realiseren. Daarom is een aanvulling met zonneparken noodzakelijk. Voor zonneparken wordt een vergunning verleend voor een periode van 25 jaren. Omwille van onder andere een zorgvuldige, duurzame ruimtelijke ordening moet voor de realisatie van zonne-energie de systematiek van de zonneladder worden toegepast. Gemeenten zijn bevoegd hiervoor hun eigen kaders vast te stellen. 6.2 Ambities De gemeente heeft met betrekking tot zonne-energie vier ambities geformuleerd. ➢

Binnen de zoekgebieden mag door het realiseren van zonneparken zonne-energie worden opgewekt met een totaal opwekvermogen van maximaal 40 GWh

➢

Voor het realiseren van zonneparken moet de systematiek van de zonnelader worden gevolgd.

➢

De gemeente wil dat inwoners vroegtijdig en volwaardig worden betrokken in het proces bij de ontwikkeling van zonne-energie en ziet erop toe dat marktpartijen voor inwoners een gelijkwaardig speelveld creëren.

➢

De gemeente wil dat lasten en lusten eerlijk verdeeld worden en dat waar sprake is van belasting, maatwerk in compensatie wordt gepleegd.

➢

De gemeente wil een begeleid proces waarin het plaatsen van zonneparken als een integrale gebiedsontwikkeling wordt gezien: aandacht voor plaatsing, inpassing en nieuwe functies.

6.3 De zonneladder De zonneladder is een proces dat in stappen verloopt en is gebaseerd op traditionele RO gebaseerde locatiebepaling. Duurzaamheid en participatie worden hierin niet meegenomen en ook met een businesscase en netbeschikbaarheid is geen rekening gehouden. De ladder kent 5 treden: 1. Stedelijk gebied (daken en braakliggende gronden) 2. Om/aansluitend aan stedelijk gebied 3. Meervoudig ruimtegebruik 4. Combinatie zonnepark met windpark 5. Buitengebied/agrarische gronden •

Trede 1: stedelijk gebied

Het beleid is erop gericht zoveel mogelijk zonne-energie op te wekken op de bovenste trede van de ladder, dus op daken en braakliggende gronden in het bebouwde/stedelijke gebied. In de gemeente Rucphen is voor Zon- op-dak (grootschalige opwekking > 6 MW) 26 hectare dak geschikt voor zonnepanelen. De daken van bedrijfsgebouwen op de Nijverhei hebben potentie. We gaan er van uit dat het uiteindelijk (richting 2050) lukt om 80% van het potentieel te benutten. Dit betekent dat ca. 21 hectare van de opgave ingevuld kan worden op bestaande grote daken.

Voor 2030 schatten we in dat 25 % van het potentieel benut is, hetgeen

21 overeenkomt met circa 6,5 hectare.

Vervolgens is verkend of binnen het bebouwde gebied van de gemeente Rucphen gronden beschikbaar zijn om: 1. te overkappen met zon (denk aan grote parkeerterreinen). Dit soort terreinen zijn niet aanwezig in het bebouwde gebied van onze gemeente; 2. braakliggende gronden die geschikt zijn. De conclusie is dat twee gebieden in de bebouwde kom van St. Willebrord geschikt zijn voor zonneparken te weten: ▪ het braakliggend gebied ten noord-westen, genoemd de Bremhoef, gelegen tussen Bremstraat – Kaaistraat – Rozenkransstraat – Poppestraat. Dit gebied is ca. 2 ha. groot. ▪ het gebied ten zuid-oosten van St. Willebrord, gelegen tussen de Vlaanders, Krommestraat en de Vosdonkseweg. Dit gebied is ca. 3 ha. groot. •

Trede 2: Om- en aansluitend aan stedelijk gebied

Aansluitend aan het stedelijk gebied is verkend welke gebieden eventueel in aanmerking komen voor het plaatsen van grondgebonden zonneparken. In figuur 6 zijn deze gebieden zeer globaal aangegeven als zoekgebieden in blauw. De stippellijn geeft aan dat de gebieden geen harde grenzen hebben, maar globaal ingekleurd zijn. Voor de dorpen St. Willebrord, Sprundel en Rucphen wordt 2 ha zonnevelden per dorp geraamd. Voor de dorpen Zegge en Schijf 1 ha. per dorp. Totaal komt dit neer op 8 ha. zonneparken. •

Trede 3: Meervoudig ruimtegebruik

De volgende trede betreft gebieden waar in het kader van meervoudig grondgebruik zonnevelden gerealiseerd kunnen worden. Denk daarbij aan vliegvelden, langs snelwegen, stortplaatsen, zuiveringsinstallaties, grond- en slibdepots, gunstig gelegen vrijkomende locaties in het buitengebied etc. In Rucphen betreft dit een gebied ten zuiden langs de A58. Een aanvullende voorwaarde die hierbij moet worden gesteld is dat 90% van het zonneveldproject moet zijn gelegen in de langgerekte gele band op de kaart. De overige bestemmingen zijn in de gemeente niet aanwezig of het gebied is te klein verkaveld om ruimte te bieden aan zonneparken. In het gebied langs de A58 wordt ca. 20 ha. zonnevelden geraamd. •

Trede 4: Combinatie zonnepark met windpark

Wanneer een project zich aandient in het buitengebied waarbij het streven is om een combinatie van zonnepark en windpark te realiseren, moet dit onder voorwaarden mogelijk zijn. Ter bescherming van de kwaliteit van het buitengebied is er in het zoekgebied ‘wind’ slechts op twee locaties ruimte voor de combinatie grootschalige opwek zonne-energie en windenergie. Met een combinatie van zonne- en windenergie wordt de netcapaciteit optimaal benut vanwege de ongelijktijdigheid in de opwekking van energie. Daarbij kan tevens het afschakelen van pieken plaatsvinden. •

Trede 5: Buitengebied/agrarisch open landschap

Tenslotte kunnen, wanneer de treden 1, 2 en 3 niet voldoende mogelijkheden bieden, in het buitengebied zonneparken gerealiseerd worden. Het betreft hier maatwerk voor agrariërs. Bij individuele initiatieven wordt medewerking verleend voor het realiseren van 1 ha. zonnepark buiten het bouwblok, mits wordt voldaan aan de verplichting dat ook grote daken maximaal worden ingezet voor het installeren van zonnepanelen. Voordat vergunning wordt verleend, moet instemming worden verleend door Enexis met betrekking tot de aansluitmogelijkheid. Er zijn in de gemeente 180 vestigingen in de landbouwsector. In bijlage 4 worden op de luchtfoto van de gemeente Rucphen de zoekgebieden van treden 1, 2 en 3 globaal aangegeven. Een zoekgebied is een gebied waarbinnen een plek voor een nieuwe functie kan worden gezocht. Aan een zoekgebied kunnen geen rechten en plichten worden ontleend.

22

6.4

Voordelen en nadelen zonne-energie

6.4.1 Voordelen • Geen horizon vervuiling Vanwege de landschappelijke inpassing zijn de zonneparken slechts zeer beperkt zichtbaar vanuit aangrenzende woonpercelen. • Geen vogelsterfte Het realiseren van zonneparken heeft in Nederland slechts zeer beperkt invloed op de vogelsterfte. • Uitbereiding landselementen De duurzame aanleg en instandhouding van zonneparken leidt tot een landschappelijke inpassing met een permanent karakter. Ook na verwijdering van de zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen blijven de nieuwe landschapselementen in stand. Dit kan als voorwaarde worden meegenomen in de vergunning dan wel met een overeenkomst worden geborgd. 6.4.2 Nadelen • Productie en ruimtebeslag Omdat de productie van zonneparken beperkt is ten opzichte van windturbines is het ruimtebeslag van het buitengebied significant groter dan bij windenergie. Eén windturbine is gelijk aan 10 ha. zonnepanelen. • Continuïteit Er is alleen sprake van opwekking van energie wanneer de zon ook daadwerkelijk schijnt. De ontwikkelingen zijn nog niet zover dat deze energie ter plaatse kan worden opgeslagen. • Productie landbouw Op locaties waar zonneparken worden gerealiseerd is akkerbouw niet meer mogelijk. Slechts beweiden van schapen, geiten e.d. is mogelijk in combinatie met zonneparken. Het beweiden van deze locaties door koeien en paarden is niet mogelijk.

Er is een afname van de landbouwproductie. • Verstoring buitengebied Om de opgave van 30 GWh te kunnen realiseren zullen verschillende zonneparken moeten worden gerealiseerd. Dit beïnvloedt de uitstraling van het buitengebied en daarmee zijn recreatieve en landbouw functie. • Maatschappelijke kosten Ten opzichte van windenergie moeten er meer investeringen worden gedaan om dezelfde productie van duurzame energie te bereiken. Ook de SDE++ subsidiebedragen zijn tezamen hoger dan bij windenergie. De kosten voor de realisatie van 1 ha. zonnepanelen liggen tussen de € 600.000,00 en € 1.000.000,00. 6.5

Ruimtelijke voorwaarden voor zonneparken

6.5.1 Algemene ruimtelijke randvoorwaarden In de ruimtelijke randvoorwaarden voor het plaatsen van zonnevelden wordt onderscheid gemaakt in algemene randvoorwaarden, die los van de locatie overal op het grondgebied van Rucphen gelden en locatie specifieke voorwaarden, die worden ingegeven door de specifieke kenmerken van de gebieden waar zonnevelden worden gerealiseerd. De gemeente Rucphen hanteert de volgende algemene ruimtelijke randvoorwaarden voor zonneparken: 1.

Voor iedere nieuwe ontwikkeling in het buitengebied is een kwaliteitsverbetering van het landschap verplicht. De landschappelijke inpassing van het zonnepark kan ingezet worden als kwaliteitsverbetering. Deze moet een duurzaam en robuust karakter hebben. De

23 minimale oppervlakte voor de landschappelijke inpassing is 10% van het bruto oppervlak van het zonnepark. De inpassing moet zowel landschappelijke als ecologische meerwaarde hebben voor de omgeving. 2.

De gemeente streeft naar duurzame aanleg en instandhouding. Dit houdt in dat de landschappelijke inpassing een permanent karakter heeft. Ook na verwijdering van de zonnepanelen en bijbehorende voorzieningen moeten de nieuwe landschapselementen worden behouden.

3.

Uitgangspunt voor nieuwe zonneparken is het behoud en/of ontwikkeling van het bestaande landschapspatroon c.q. de bestaande verkaveling. Het zonnepark heeft een groene en/of blauwe inrichting op het maaiveld in de vorm van oppervlaktewater, grasland of andere gebiedseigen vegetatie.

4.

Het zonnepark moet worden uitgevoerd in een zuid-opstelling met uitzondering van een zonnepark in trede 1. Hierdoor is het beweiden van schapen en geiten nog mogelijk. Bij een oost-west opstelling is dit niet mogelijk en is er na verloop van tijd sprake van een ‘dode’ ondergrond.

zuid-opstelling

oost-west opstelling

5.

De maximum bouwhoogte van de zonnepanelen is 2,00 meter. De constructie van de opstellingen van zonnepanelen moet zo eenvoudig mogelijk worden vormgegeven om zo min mogelijk op te vallen.

6.

De gronden waarop een zonnepark wordt gerealiseerd moet de mogelijkheid bieden tot het funderen van zonnepanelen tot maximaal circa 1,5 meter minus maaiveld (met in acht name van eventuele archeologische waarden). Het gebruik van ballast als fundatiewijze acht de gemeente niet gewenst, aangezien dit ten koste gaat van de ecologische waarden.

7.

De minimumafstand van zonneparken, in het bijzonder het transformatorgebouw, tot bestaande woningen van derden bedraagt 30 meter: het maatgevende hinderaspect betreft geluid, waarbij de grootste hinder wordt veroorzaakt door een transformatorgebouw.

8.

Ondersteunende bouwwerken als schakelcellen, algemene laagspanningsborden en transformatoren moeten zo gepositioneerd worden dat zij zich voegen naar het patroon van de opstelling van de zonnepanelen. De bijbehorende voorzieningen mogen maximaal 2,5 meter hoog worden

9.

Zonneparken zijn beperkt toegankelijk omwille van risicobeperking ten aanzien van diefstal en/of vandalisme. Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke oplossingen voor de beveiliging aan de rand van een zonnepark. Indien dit onmogelijk is, worden ter plaatse de hekwerken landschappelijk ingepast. Indien de plaatsing van een hekwerk wel noodzakelijk is, dan mag dit geen barrière vormen voor dieren. Als oplossing kunnen faunapassages worden aangelegd.

10.

Bij een zonnepark moet voor derden informatie te vinden zijn over duurzame energie in de vorm van een informatiebord. Hierop kunnen bijvoorbeeld de hoeveelheid opgewekte stroom, het aantal ton vermeden koolstofdioxide (CO2) en het aantal huishoudens dat wordt voorzien van groene stroom worden weergegeven.

24 11.

Zonneparken worden zoveel mogelijk ontsloten via de bestaande infrastructuur. Waar dit niet mogelijk is, worden nieuwe toegangswegen uitgevoerd in half-verharding of geheel onverhard.

12.

De landschappelijke inpassing van een zonnepark moet dusdanig van kwaliteit zijn dat de zonnepanelen slechts zeer beperkt zichtbaar zijn vanuit aangrenzende woonpercelen.

13.

De impact op de omgeving moet beperkt zijn, er mag geen sprake zijn van overlast door bijvoorbeeld lichtschittering. Er mag geen overlast ontstaan voor het verkeer.

14.

Wandel- of fietspaden en de aanleg van verbindingen voor toeristisch-recreatieve routes dragen bij aan een maatschappelijke meerwaarde. Deze routes moeten bij voorkeur in of aansluitend aan de nieuwe landschapselementen worden aangelegd zodat ook deze een permanent karakter krijgen. Routes naar de gemeentelijke trekpleisters dragen bij aan de ontwikkeling van de vrijetijdseconomie in de gemeente Rucphen. Het is niet gewenst evenwijdig aan deze route meerdere zonneparken worden gerealiseerd.

6.5.2 Gebiedsafhankelijke ruimtelijke randvoorwaarden Ieder nieuw te ontwikkelen zonnepark vraagt om een passende landschappelijke inpassing. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap. Op basis van de gebiedskenmerken is een opsomming gemaakt van de verplichte beeldkwaliteitseisen per landschapstype. Er is onderscheid gemaakt in de perceelbeplanting en de vorm van het erf. Het gaat hierbij om algemene principeoplossingen. Uiteraard dienen deze naar de specifieke situatie te worden vertaald. Een nieuwe functie ‘energieteelt’ in het buitengebied moet ook zorgen voor landschappelijke kwaliteitsverbetering. Dit kan door de aanleg van nieuw landschap en door natuurontwikkeling. Het gebied waar een zonnepark wordt gerealiseerd, wordt niet meer (primair) agrarisch gebruikt wat de ontwikkeling van biodiversiteit mogelijk maakt onder en nabij de zonnepanelen zelf. De landschappelijke inpassing aan de rand zorgt eveneens voor een meerwaarde op het ecologisch en landschappelijk vlak. Aansluiting op natuurgebieden en het leggen van ecologische verbindingen draagt bij aan maatschappelijke doelen in de vorm van natuurontwikkeling. Het overgrote deel van de aangelegde landschapselementen moet een permanente bestemming krijgen.

Deze zorgen voor ecologische verbindingen in het landschap en mogen na sanering van de zonnepanelen niet meer worden verwijderd. De eigenaar van de gronden en de aanvrager van het initiatief moeten hier nadrukkelijk mee instemmen. Landschappelijke inpassing is maatwerk en moet aansluiten bij de schaal en het karakter van het betreffende landschapstype. Bestaande landschappelijke (kavel)structuren zijn hierbij leidend. Bij het ontwerpen van zonneparken moet verder rekening gehouden worden met de bestaande landschaps- en bebouwingskarakteristieken zoals landschapselementen, beplantingssoorten, waardevolle historische bebouwing of beeldbepalende gebieden en de mate van openheid. In bijlage 5 worden per gebied de inpassingeisen beschreven. Vanuit netwerkperspectief en maatschappelijke kosten verdienen clusters van grootschalige opwekking de voorkeur boven versnippering van kleinere initiatieven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9673020/1