09b bp Hazelaarstraat bodemonderzoek NL.IMRO.0840.9000B0049-ON01 tb1
Tekst van het document
AGEL adviseurs
Toetsingskader asbest In de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit is de interventiewaarde voor asbest in grond en waterbodem opgenomen. Hierin staat beschreven dat de interventiewaarde voor asbest in (water)bodem 100 mg/kg ds betreft (serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie). De restconcentratienorm voor toepassing en het hergebruik van alle asbest bevattende materialen (inclusief grond, baggerspecie en puingranulaat) is vastgesteld op 100 mg/kg (gewogen). Het resultaat van het verkennend onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707 is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Hierbij worden twee toetsingsniveaus gebruikt: 1. De streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. Dit zijn de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Voor metalen wordt er onderscheid gemaakt tussen diep en ondiep grondwater.
Reden hiervoor is het verschil in achtergrondconcentraties tussen ondiep (< 10 m) en diep (> 10 m) grondwater; 2. De tussenwaarde is in beginsel het concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek behoort te worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat. Voor grondwater is dit het gemiddelde van streef -en interventiewaarde en voor grond het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden. 3. De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging.
Geval van ernstige verontreiniging en saneringscriterium
In het ‘Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest’, dat is opgenomen als bijlage 3 bij de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, is geregeld wanneer er voor een bodemverontreiniging met asbest sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor een bodemverontreiniging met asbest is het volumecriterium voor het vaststellen van de ernst van het geval niet van toepassing. Op basis van het protocol asbest dient bij ernstige verontreiniging te worden bepaald of er sprake is van onaanvaardbare risico’s ten gevolge van de bodemverontreiniging met asbest. Voor het toepassen van het ‘protocol asbest’ gelden de volgende uitgangspunten: Het protocol heeft alleen betrekking op (water)bodem, grond en baggerspecie; Het protocol is alleen van toepassing indien er sprake is van een bodemverontreiniging met asbest, waarbij asbest aanwezig is in een gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool).
Opgemerkt wordt dat bij asbest in (water)bodem, grond en baggerspecie alleen over ‘verontreiniging’ wordt gesproken als de interventiewaarde wordt overschreden; Het protocol is alleen van toepassing op historische asbest verontreinigingen (die zijn voor 1993 ontstaan) in (water)bodem, grond en baggerspecie die niet op basis van de zorgplicht dienen te worden gesaneerd1; Het protocol heeft betrekking op de huidige en toekomstige situatie. Op materialen met een lagere asbestconcentratie (100 mg/kg gewogen) worden de voorschriften van het Arbeidsomstandigheden Besluit en Asbestverwijderingsbesluit geacht niet van toepassing te zijn.
1
Nieuwe gevallen van bodemverontreiniging met asbest, die zijn ontstaan vanaf 1993, dienen (ongeacht het asbest gehalte) voor zover redelijkerwijs mogelijk is, volledig te worden verwijderd. Volledig verwijderen betekent in het geval van asbest dat de verontreiniging tot de nul-waarde (detectiegrens) dient te worden verwijderd.
AGEL adviseurs
Schema Wettelijk kader en bevoegd gezag Voor asbest in/op bodem, grond of puin(granulaat), inclusief verhardingen
Asbest in/op bodem, grond of puin(granulaat): Welk wettelijk kader?
1. Stort asbesthoudende afvalstoffen buiten een inrichting (incl. wegen) ?
ja
Wet milieubeheer 10.2 / gemeente of provincie
nee
2. Asbesthoudende weg, erfverharding
ja
Besluit Asbestwegen / Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
(> 100 mg/kg gewogen asbest)? nee
3. Asbesthoudende ondergrondse (bouw)werken?
ja
Asbestverwijderingsbesluit / gemeente
nee
4. Toepassen van asbesthoudende grond / puin(granulaat) in een werk (zijnde een bouwstof)?
ja
Productenbesluit asbest / Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
ja
Productenbesluit asbest / Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)
nee
5. Handeling met een asbesthoudende product?
nee
6. Handeling met een asbesthoudende afvalstroom?
ja
Wet milieubeheer (afval) / Provincie
nee
7. Asbest verontreinigde bodem
ja
Wet bodembescherming / provincie, gemeente of waterkwaliteitsbeheerder
AGEL adviseurs
Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit met bijbehorende Regeling bevat het wettelijk kader voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem of in oppervlaktewater.
Definitie grond en bagger
Het Besluit hanteert voor grond en baggerspecie de volgende definities: Grond is vast materiaal en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie; Baggerspecie is materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter.
Bodemvreemd materiaal
Het Besluit stelt aanvullend dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet om bijmengingen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie nadat het materiaal is afgegraven.
Toetsingskaders
Het generieke kader is van toepassing op elk gebied waarvoor geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld. Uitgangspunt van het generieke kader voor landbodems is dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet aansluiten bij de functie die de bodem heeft. Ook mag de actuele kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Naast de toetsingskaders voor gebiedsspecifiek en generiek beleid, kent het Besluit nog een andere categorie van toepassingen: grootschalige toepassingen. Bij deze categorieën hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Wél moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en randvoorwaarden die het Besluit stelt aan deze toepassingen.
Tabel: Toetsingskaders grond en bagger Generiek of gebied specifiek beleid Alleen generiek beleid
Toepassingsmogelijkheden grond en baggerspecie Toepassen grond en baggerspecie
Verspreiden baggerspecie
Op de landbodem In oppervlaktewater In grootschalige toepassing
In oppervlaktewater Over aangrenzend perceel
Partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. Uitgangspunt bij het toepassen van grond en baggerspecie is dat de toegepaste grond en baggerspecie onderdeel gaat uitmaken van de ontvangende bodem, zonder dat extra maatregelen zoals afscheidingslagen of maatregelen in het kader van isoleren, beheersen en controleren (IBC) worden toegepast.
Bodemfuncties en bodemfunctieklassen
In die gebieden waarvoor de bevoegde bestuursorganen geen lokale maximale waarden in een besluit hebben vastgelegd, wordt de toepassing van grond en baggerspecie generiek getoetst. Voor deze generieke toetsing zijn zowel maximale waarden voor bodemfunctieklassen (landbodem) als maximale waarden voor bodemkwaliteitsklassen vastgelegd.
Klassenindeling voor bodemfuncties en bodemkwaliteit
Om te toetsen of de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie aansluit bij de functie en kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt in het generieke kader gewerkt met een klassenindeling voor de kwaliteit en functie. Uitgangspunt van het Besluit is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie. Om hier invulling aan te geven zijn voor 7 bodemfuncties referentiewaarden ontwikkeld. Deze functies worden gebruikt in het gebiedsspecifieke beleid. Voor toepassing in het generieke kader zijn de functies samengevoegd tot 2 bodemfunctieklassen: wonen en industrie. De functies landbouw en natuur zijn niet ingedeeld in een klasse. Hiervoor is gekozen omdat in gebieden met een van deze functies alleen schone grond of baggerspecie mag worden toegepast. Dat wil zeggen: grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden.
Tabel: Bodemfuncties Gebiedspecifiek
wonen met tuin plaatsen waar kinderen spelen groen met natuurwaarden ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie moestuinen/volkstuinen Landbouw Natuur
Generiek beleid wonen industrie Kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de Achtergrondwaarden
AGEL adviseurs
Naast de bodemfuncties, wordt de bodemkwaliteit ook ingedeeld in de klassen wonen en industrie. De bodemkwaliteit geeft hiermee een maat voor de kwaliteit van zowel de ontvangende als de toe te passen bodem en toe te passen baggerspecie. Aan de bodemkwaliteitsklassen zijn nieuwe normen gekoppeld: de Maximale waarden voor de klasse wonen en de Maximale waarden voor de klasse industrie. Wanneer de maximale waarde voor industrie wordt overschreden, mag deze grond of baggerspecie binnen het generieke kader niet worden toegepast. Om een partij grond of baggerspecie toe te mogen passen, moet de partij worden getoetst aan de bodemfunctieklasse en de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Bij deze dubbele toetsing geldt dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. In onderstaand schema is de toepassingseis voor de toe te passen grond of baggerspecie gegeven.
Tabel: Bepaling toepassingseis voor een partij grond of baggerspecie Functie op kaart Wonen
Industrie
Niet ingedeeld (bijv. landbouw/natuur
Actuele bodemkwaliteit
Toepassingseis
Achtergrondwaarde Wonen industrie Achtergrondwaarde Wonen Industrie Achtergrondwaarde Wonen industrie
Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde wonen Achtergrondwaarde Maximale waarde wonen Maximale waarde Industrie Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde
Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Maximale Waarden voor de klasse wonen en de Maximale Waarden voor de klasse industrie. Deze Generieke Maximale Waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op de lange termijn geschikt te houden voor de betreffende functie. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen lokale bodembeheerders zelf bodemkwaliteitsnormen vaststellen. Als randvoorwaarde voor het opstellen van gebiedsspecifiek beleid geldt dat sprake moet zijn van standstill op gebiedsniveau. De ruimte voor de Lokale Maximale Waarden ligt tussen de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. Wanneer de Lokale Maximale Waarden een verruiming van de normen ten opzicht van het generieke kader zijn, moet getoetst worden of dit niet leidt tot onaanvaardbare risico’s. Voor het bepalen van de gevolgen van de gekozen Lokale Maximale Waarden is een Risicotoolbox ontwikkeld. In de onderstaande figuren is de normstelling schematisch weergegeven.
Figuur: Normstelling en toepassingskader landbodem Generiek Gebieds specifiek
Achtergrond waarden
Altijd toepasbaar
Maximale waarden klasse wonen
Klasse wonen
Maximale waarden klasse industrie
Klasse industrie
Ruimte voor lokale maximale waarden Achtergrond waarden
Interventiewaarden droge bodem
Figuur: Normstelling en toepassingskader waterbodem Achtergrond waarden
Generiek
Niet toepasbaar
Vrij toepasbaar
Gebieds specifiek
Maximale waarden klasse A
Maximale waarden klasse B
Toepasbaar klasse A
Toepasbaar klasse B
Nooit toepasbaar
Nooit toepasbaar Sanerings criterium
Nooit toepasbaar
Ruimte voor lokale maximale waarden Achtergrond waarden
Interventiewaarden waterbodem
Sanerings criterium
Voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel is een criterium ontwikkeld dat gebaseerd is op ecologische risico’s. De risico’s worden uitgedrukt met de parameter msPAF (meer-soorten Potentieel Aangetaste Fractie). De msPAF geeft een indicatie van het deel van de potentieel aanwezige organismen dat nadelige gevolgen kan ondervinden van het aanwezige mengsel van verontreinigingen. Op basis van het beleidscriterium dat de verspreidbare hoeveelheid bagger minimaal gelijk moet blijven is de norm gesteld op msPAFmetalen < 50%, en msPAForganisch < 20%. Daarnaast zijn 5 stoffen individueel genormeerd. Voor overige stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF geldt de achtergrondwaarde.
Figuur: Verspreiden baggerspecie Vrij verspreidbaar Achtergrondwaarde
Ontvangstplicht
Verspreidbaar op aangrenzend perceel msPAF metalen < 50% ms PAF organisch < 20% 5 stoffen individueel genormeerd Alle stoffen < interventiewaarde bodem
Niet verspreidbaar op aangrenzend perceel
AGEL adviseurs
Op maandag 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een 'Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' aangeboden aan de Tweede Kamer. Het handelingskader is gericht op het aantreffen van de stoffen PFOA (Perfluoroctaanzuur), PFOS (Perfluoroctaansulfonaat) en GenX (HFPO-DA). Op basis van de stukken blijkt dat de bovengrond en geroerde bodems in heel Nederland verdacht zijn op het (diffuus) voorkomen van PFAS. Hierdoor geldt per direct dat onderzoek op PFAS verplicht is, tenzij kan worden aangetoond dat de grond of baggerspecie onverdacht is. Op 29 november 2019 is door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Aanpassing tijdelijk handelingskader PFAS’ voorgelegd bij de Tweede Kamer waarbij een aantal aanpassingen en wijzigingen zijn opgenomen en op 1 december 2019 is een geactualiseerde tijdelijke handelingskader PFAS naar de Tweede Kamer gestuurd. Het tijdelijke handelingskader is een uitwerking van de Kamerbrief 'Aanpassing tijdelijk handelingskader PFAS’. In het geactualiseerd tijdelijk handelingskader PFAS zijn de onderstaande toepassingsnormen opgenomen. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar het geactualiseerd tijdelijk handelingskader PFAS.
Tabel: Toepassingsnormen PFAS Toepassingssituatie
Toepassingswaarde (μg/kg d.s.) (4) (5)
Op de landbodem Grond en baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau(1) Bodemkwaliteitsklasse Bodemfunctieklasse Wonen of industrie Wonen of industrie Landbouw/natuur
Wonen of industrie
Landbouw/natuur, wonen of Landbouw/natuur industrie Baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau(1), als bedoeld in artikel 35, onder f, BBK (verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel of weilanddepot) Grond en baggerspecie grootschalig toepassen boven grondwaterniveau(1) Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden Grond en baggerspecie toepassen onder grondwaterniveau(2), met inbegrip van grootschalige toepassing
PFOA = 7 PFAS = 3 PFAS = 0,8 PFOS = 0,9 PFAS = 0,8 PFOS = 0,9 PFOA = 7 PFAS = 3 PFOA = 7 PFAS = 3 Bepalingsgrens = 0,1 PFAS = 0,8 PFOS = 0,9
In oppervlaktewater Grond toepassen Bepalingsgrens = 0,1 Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of Toepasbaar, wel meten en toetsen aansluitende (sedimentdelende) stroomafwaarts gelegen oppervlakteop uitschieters waterlichamen als bedoeld in artikel 35, onder g, BBK (verspreiden van baggerspecie in zoet of zout oppervlaktewater) Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen Toepasbaar, wel meten en toetsen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas, als bedoeld op uitschieters in artikel 35, onder d, BBK Baggerspecie toepassen in een ander oppervlaktewaterlichaam in Bepalingsgrens = 0,1 ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas, als bedoeld in artikel 35, onder d, BBK Baggerspecie toepassen in niet-vrijliggende diepe PFAS = 0,8 Plassen die in open verbinding staan met een rijkswater, voor zover is PFOS = 3,7 voldaan aan de volgende voorwaarde: in de nabijheid van de diepe plas is geen kwetsbaar object gelegen, als bedoeld op p. 26 van de ‘Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen’(3) Baggerspecie toepassen in andere diepe plassen dan bedoeld onder 4.9.1 Bepalingsgrens = 0,1 1) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld.
Indien de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt wordt de grond geacht boven grondwater te zijn toegepast; 2) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Indien de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt wordt de grond geacht boven grondwater te zijn toegepast; 3) Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: oppervlaktewaterlichaam, ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak. Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders. Deze plassen zijn aangegeven op de kaart die als bijlage bij dit tijdelijk handelingskader is gevoegd.
Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet; 4) Op de waarden uit deze tabel hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt; 5) Tenzij een lokale maximale waarde is vastgesteld.
Project
20180138-00-Bernhardstraat te Rucphen
Certificaten
1019121
Toetsing
T.1 - Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem BoToVa 3.0.0
Toetsversie Monsterreferentie
6285008
Monsteromschrijving
MM01
Analyse
Eenheid
Analyseres.
Gestand.Res. Toetsoordeel
Toetsdatum: 28 april 2020 10:19
AW
WO
IND
Lutum/Humus Organische stof
% (m/m ds)
3.5
10
Lutum
% (m/m ds)
1.0
25
%
87.7
87.7
@
Droogrest droge stof
Metalen ICP-AES barium (Ba)
mg/kg ds
< 20
< 54
@
cadmium (Cd)
mg/kg ds
< 0.2
< 0.23
-
0.6
1.2
4.3
kobalt (Co)
mg/kg ds
<3
< 7.4
-
15
35
190
koper (Cu)
mg/kg ds
7.3
14
-
40
54
190
kwik (Hg) (niet vluchtig)
mg/kg ds
< 0.05
< 0.05
-
0.15
0.83
4.8
lood (Pb)
mg/kg ds
13
20
-
50
210
530
molybdeen (Mo)
mg/kg ds
< 1.5
< 1.0
-
1.5
88
190
nikkel (Ni)
mg/kg ds
<4
<8
-
35
39
100
zink (Zn)
mg/kg ds
< 20
< 32
-
140
200
720
mg/kg ds
< 35
< 70
-
190
190
500
naftaleen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
fenantreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
anthraceen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
fluoranteen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(a)antraceen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
chryseen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(k)fluoranteen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(a)pyreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(ghi)peryleen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
indeno(1,2,3-cd)pyreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
mg/kg ds
0.35
< 0.35
-
1.5
6.8
40
PCB - 28
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0020
PCB - 52
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0020
PCB - 101
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0020
PCB - 118
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0020
PCB - 138
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0020
PCB - 153
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0020
PCB - 180
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0020
mg/kg ds
0.005
< 0.014
-
0.02
0.04
0.5
Minerale olie minerale olie (florisil clean-up)
Polycyclische koolwaterstoffen
Sommaties som PAK (10)
Polychloorbifenylen
Sommaties som PCBs (7)
Toetsoordeel monster 6285008:
Pagina 1 van 2
Altijd toepasbaar
Pagina 2 van 2 Monsterreferentie
6285009
Monsteromschrijving
MM02
Analyse
Eenheid
Analyseres.
Gestand.Res. Toetsoordeel
AW
WO
IND
Lutum/Humus Organische stof
% (m/m ds)
2.4
10
Lutum
% (m/m ds)
1.0
25
%
87.3
87.3
@
Droogrest droge stof
Metalen ICP-AES barium (Ba)
mg/kg ds
< 20
< 54
@
cadmium (Cd)
mg/kg ds
< 0.2
< 0.24
-
0.6
1.2
4.3
kobalt (Co)
mg/kg ds
<3
< 7.4
-
15
35
190
koper (Cu)
mg/kg ds
6.4
13
-
40
54
190
kwik (Hg) (niet vluchtig)
mg/kg ds
< 0.05
< 0.05
-
0.15
0.83
4.8
lood (Pb)
mg/kg ds
10
16
-
50
210
530
molybdeen (Mo)
mg/kg ds
< 1.5
< 1.0
-
1.5
88
190
nikkel (Ni)
mg/kg ds
<4
<8
-
35
39
100
zink (Zn)
mg/kg ds
< 20
< 33
-
140
200
720
mg/kg ds
< 35
< 100
-
190
190
500
naftaleen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
fenantreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
anthraceen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
fluoranteen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(a)antraceen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
chryseen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(k)fluoranteen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(a)pyreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
benzo(ghi)peryleen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
indeno(1,2,3-cd)pyreen
mg/kg ds
< 0.05
< 0.035
mg/kg ds
0.35
< 0.35
-
1.5
6.8
40
PCB - 28
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0029
PCB - 52
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0029
PCB - 101
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0029
PCB - 118
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0029
PCB - 138
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0029
PCB - 153
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0029
PCB - 180
mg/kg ds
< 0.001
< 0.0029
mg/kg ds
0.005
< 0.020
-
0.02
0.04
0.5
Minerale olie minerale olie (florisil clean-up)
Polycyclische koolwaterstoffen
Sommaties som PAK (10)
Polychloorbifenylen
Sommaties som PCBs (7)
Toetsoordeel monster 6285009: Legenda @
Geen toetsoordeel mogelijk
-
<= Achtergrondwaarde
Pagina 2 van 2
Altijd toepasbaar
BIJLAGE 7 RELEVANTE INFORMATIE VOORONDERZOEK
RAPPORT Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord AM09297
Opdrachtgever BRO-Boxtel Postbus 4 5280 AA BOXTEL Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM09297 Status rapport Definitief
Autorisatie Opsteller rapport:
paraaf
ing. B.W. Buizer Kwaliteitscontrole: ing. J.M.G. Reuver
datum 28 oktober 2009
paraaf
datum 28 oktober 2009
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING RESULTATEN
3
1. INLEIDING
5
2. VOORONDERZOEK 7 2.1 Inleiding .......................................................................................................................................... 7 2.2 Topografische beschrijving............................................................................................................. 7 2.3 Historisch overzicht en omgeving................................................................................................... 7 2.4 Dossieronderzoek........................................................................................................................... 8 2.5 Asbest............................................................................................................................................. 8 2.6 Omgeving van de onderzoekslocatie ............................................................................................. 8 2.7 Bodemopbouw en geo(hydro)logie................................................................................................. 9 2.8 Beschrijving van de onderzoekslocatie ......................................................................................... 9 2.9 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie ..............................................................................
9 2.10 Onderzoekshypothese.................................................................................................................... 9 3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 11 3.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 11 3.2 Onderzoeksstrategie .................................................................................................................... 11 4. VELDWERKZAAMHEDEN 13 4.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 13 4.2 Grondbemonstering...................................................................................................................... 13 4.3 Grondwatermonstername............................................................................................................. 13 5. LABORATORIUMONDERZOEK 15 5.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 15 5.2 Grond(meng)monster(s) ............................................................................................................... 15 5.2.1 Analyseresultaten grond(meng)monsters............................................................................
15 5.2.2 Toetsing van de gestelde hypothese ................................................................................... 15 5.2.3 Toetsing aan bodemgebruikswaarden................................................................................. 16 5.3 Grondwatermonster(s).................................................................................................................. 16 5.3.1 Analyseresultaten grondwatermonster(s) ............................................................................ 16 5.3.2 Toetsing van de gestelde hypothese ................................................................................... 16 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8
Topografische overzichtskaart Kadastrale situatie Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten Boorprofielen en zintuiglijke waarnemingen Analyseresultaten grond(meng)monster(s) met achtergrond- en interventiewaarden Analyseresultaten grondwatermonster(s) met streef- en interventiewaarden Foto’s onderzoekslocatie Verklaring Veldmedewerker
17
Pagina 2 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
SAMENVATTING RESULTATEN Algemeen Projectnummer Soort onderzoek Adres onderzoekslocatie Gemeente Kadastrale registratie Coördinaten Oppervlakte onderz. locatie Peil maaiveld Peil grondwater Bodemgebruiksvorm: Aanleiding onderzoek Opdrachtgever
: AM09297 : Verkennend bodemonderzoek : Bernhardstraat nnb, St. Willebrord : Rucphen : Sectie U nr. 1128 : X = 98.657 / Y = 395.400 : circa 1.500 m2 : circa 7,2 m + NAP : circa 5,0 m + NAP : agrarische doeleinden : ruimtelijke onderbouwing : BRO-Boxtel
Onderzoekshypothese Hypothese conform NEN 5740
: onverdacht
Onderzoeksopzet Boringen tot 0,5 m-mv. Boringen tot 2,0 m-mv. Peilbuizen
:6 :1 :1
Zintuiglijke waarnemingen Bovengrond (0,0-0,5 m-mv.) Ondergrond (0,5-2,0m-mv.) Grondwater
: geen bijzonderheden : geen bijzonderheden : geen bijzonderheden
Laboratoriumonderzoek Bovengrond (0-0,5 m-mv.) Ondergrond (0,5-2,0 m-mv.) Grondwater
: geen verhoogde concentraties verontreinigingen aangetoond : geen verhoogde concentraties verontreinigingen aangetoond : licht verontreinigd met benzeen en naftaleen
Conclusie en aanbevelingen In opdracht van BRO-Boxtel heeft Aeres Milieu B.V. in oktober 2009 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen aan de Bernhardstraat nnb, St. Willebrord. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grondmengmonsters MM1 (dieptetraject 0-0,5 m-mv.) en MM2 (dieptetraject 0,5-2,0 m-mv.) geen van de onderzochte componenten gemeten zijn in een gehalte verhoogd ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde. Uit de analyseresultaten van het freatisch grondwater, afkomstig uit peilbuis 1, blijkt dat deze licht verontreinigd is met benzeen en naftaleen. Opgemerkt wordt dat het gecorrigeerde gehalte groter is dan de streefwaarde voor benzeen (0,2 µg/l) en naftaleen(0,01 µg/l), en groter dan de AS3000 rapportagegrens-eis. Zie ook bijlage 6 “analyserapport grondwater”. Deze verhoging is veroorzaakt door een storende matrix bij de analyse van beide componenten. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de grond vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De grond is multifunctioneel toepasbaar. Pagina 3 van 17
Pagina 4 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
1.
INLEIDING
In opdracht van BRO-Boxtel heeft Aeres Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie Gemeente Kadastrale registratie Oppervlakte Huidig perceelsgebruik Toekomstig perceelsgebruik
: Bernhardstraat nnb, St. Willebrord : Rucphen : Sectie U nr. 1128 : circa 1.500 m2 : weide : wonen met tuin
Op onderstaande luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.
Globale begrenzing onderzoekslocatie (Bron: Google Maps)
Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN-5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de ruimtelijke onderbouwing. Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Pagina 5 van 17
Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond- en grondwateronderzoek) beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de laboratoriumwerkzaamheden en de onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in oktober 2009. De chemische analyses zijn uitgevoerd door ALcontrol Laboratories BV te Hoogvliet. ALcontrol is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000). Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN-5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters.
De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is.
Pagina 6 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
2.
VOORONDERZOEK
2.1
Inleiding
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: • Terreininspectie; • Gemeente Rucphen; • Het Bodemloket. De grenzen van het gebied voor vooronderzoek worden gevormd door de aangrenzende percelen van de onderzoekslocatie tot maximaal 50 meter ervandaan.
2.2
Topografische beschrijving
De onderzoekslocatie is gelegen aan Bernhardstraat nnb, St. Willebrord. Kadastraal is de locatie bekend onder Sectie U nr. 1128 van de gemeente Rucphen. De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 98.657 / Y = 395.400. Zie bijlage 1 voor een topografisch overzicht. In bijlage 2 is de kadastrale situatie weergegeven.
2.3
Historisch overzicht en omgeving
Uit kaartmateriaal van de Grote Historische Topografische atlas van Noord-Brabant is af te leiden dat de onderzoekslocatie en directe omgeving in de periode omstreeks 1908 in gebruik was voor agrarische doelen.
Bron: Grote Historische Topografische atlas van Noord-Brabant (kaartblad 642) Pagina 7 van 17
2.4
Dossieronderzoek
Op 2 oktober 2009 is contact opgenomen met de afdeling milieu van de gemeente Rucphen voor het verkrijgen van de historische informatie. In het gemeentelijk archief waren echter geen, voor het verkennend bodemonderzoek relevante, (milieu)dossiers beschikbaar. Het is niet bekend dat zich op de onderzoekslocatie calamiteiten hebben voorgedaan. Op de locatie zijn geen potentieel verdachte locaties te onderscheiden en er heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende product plaatsgevonden. Op de locatie is voor zover bekend niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor zover bekend hebben op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden. De locatie is momenteel in gebruik als weide.
2.5
Asbest
Conform de NEN 5707 (Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond)) is er sprake van een asbestverdachte locatie indien er sprake is van één of meer van de hieronder beschreven activiteiten of gebeurtenissen: de eventuele aanwezigheid in het verleden van bedrijven, die asbesthoudende producten, apparaten of voorwerpen vervaardigen en/of verwerken; de eventuele aanwezigheid in het verleden en/of heden van bedrijfsgebouwen (o.a. schuren), waarin (veel) asbesthoudende bouwstoffen zijn verwerkt, en of de aanwezigheid van asbestresten in de bodem en/of onder verhardingen (o.a. erven van boerderijen); de aanwezigheid van woongebouwen, gebouwd van asbestcementplaten, dan wel in het verleden gerenoveerd met toepassing van asbestcementproducten, met een gerede kans dat asbestresten in tuinen en/of plantsoenen zijn achtergebleven; eventuele stortingen van asbestverdachte afvalstoffen; de kans op aanwezigheid van asbesthoudende buizen of ophooglagen in de ondergrond; de toepassing van asbesthoudende beschoeiingen langs watergangen of in (volks)tuinen; de (vroegere) aanwezigheid van glastuinbouw, danwel afval van kassen op of in de bodem; er hebben in het verleden calamiteiten met asbest plaatsgevonden (asbestbrand), zonder dat de verspreid geraakte asbestresten (meteen) zijn opgeruimd.
Uit het historisch onderzoek is gebleken dat (voor zover bekend) geen van de bovengenoemde activiteiten op de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden.
2.6
Omgeving van de onderzoekslocatie
In de omgeving (binnen een straal van circa 50 meter) van de onderzoekslocatie hebben, voor zover bekend, geen bodembelastende (bedrijfs)activiteiten plaatsgevonden. Voor zover bekend is alleen op het perceel ten oosten van de onderzoekslocatie (Bernhardstraat 48) in 2005 een bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een bouwvergunning. De verkregen resultaten vormden geen belemmering van de voorgenomen bouwplannen ter plaatse.
Pagina 8 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
2.7
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.1 voor het gebied St. Willebrord en omgeving. diepte [m-mv] 0-2
lithostratigrafie
lithologie
geohydrologie
formatie van Boxtel
matig tot slecht doorlatend
2 - 11
formatie van Stramproy
11 - 76
formatie van Waalre
zand, zeer fijn, matige siltig, afgewisseld met kleilaagjes klei lagen afgewisseld met zandlaagjes, zwak siltig. zand, matig grof tot fijn
slecht doorlatend slecht tot goed doorlatend
Tabel 2.1: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)
De stroming van het freatisch grondwater is volgens het Dino-loket in Noordwestelijke richting georiënteerd en bevindt zich op een hoogte van circa 5 m+ NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich binnen de boringvrije zone van het waterwingebied Seppe.
2.8
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 12 oktober 2009 is een veldinspectie uitgevoerd, hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbesthoudend materiaal op het maaiveld. Er zijn geen waarnemingen gedaan welke wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 7. De onderzoekslocatie wordt aan de Noordzijde begrensd door de openbare weg “Bernhardstraat”, aan de oostzijde door een woning met tuin en opstallen, aan de zuid en westzijde door percelen voor agrarische doeleinden.
2.9
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie
De toekomstige bestemming van de onderzoekslocatie zal wonen met tuin worden.
2.10
Onderzoekshypothese
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Het onderzoek kan dan ook worden uitgevoerd conform de NEN 5740 norm voor onverdachte locaties.
Pagina 9 van 17
Pagina 10 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
3.
ONDERZOEKSSTRATEGIE
3.1
Inleiding
Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN-5740 (Bodem. Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek; Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, oktober 1999) van het Nederlands Normalisatie-Instituut.
3.2
Onderzoeksstrategie
In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN-5740 'onverdacht' Aantal boringen oppervlakte m²
tot 0,5 m
èn tot 2m
circa 1.500
6
1
Aantal te nemen monsters èn met peilbuis 1
grondwater
grond 0-0,5 m
0,5-2,0 m
8
6
Analysepakket
Aantal te onderzoeken (meng)monsters
1
1
bovengrond
ondergrond
grondwater
1 NEN-grond incl. lutos
1 NEN-grond incl. lutos
1 NENgrondwater
Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN-5740 “onverdacht” 1) Uit elke boring van 0,5 tot 2,0 diepte worden drie monsters in trajecten van ten hoogste 0,5 m genomen.
Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen • 7 Polychloorbifenylen (PCB’s) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de locale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen • minerale olie
Pagina 11 van 17
Pagina 12 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
4.
VELDWERKZAAMHEDEN
4.1
Algemeen
Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 (versie 3.2a, 13 maart 2007) conform VKB protocollen 2001 (versie 3.1, 13 maart 2007) en 2002 (versie 3.2, 13 maart 2007) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer.
4.2
Grondbemonstering
Op 12 oktober 2009 zijn de boringen geplaatst door een medewerker van Aeres Milieu, de heer H.L.J. van den Tillaar, volgens de in paragraaf 3.2 weergegeven onderzoeksstrategie conform VKB protocol 2001 (versie 3.1, 13 maart 2007) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De boringen zijn verricht met behulp van de Edelmanboor (∅ 7 of 10 cm). Zie voor de boorpuntlocaties bijlage 3. Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4). In het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen zintuiglijk waargenomen afwijkingen geconstateerd. Gebaseerd op de diepte en stroming van het freatisch grondwater is een boring afgewerkt met een peilbuis (zie bijlage 3). Deze is benedenstrooms op de onderzoekslocatie geplaatst, ter plaatse van boorpunt 1. De bovenkant van het peilbuisfilter is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst en bevindt zich van 2,5 - 3,5 m-mv meter beneden maaiveld.
Tijdens de installatie van de peilbuis is geen werkwater gebruikt.
4.3
Grondwatermonstername
De peilbuis is op 20 oktober 2009 bemonsterd door een medewerker van Aeres Milieu, de heer H.L.J. van den Tillaar, conform VKB protocol 2002 (versie 3.2, 13 maart 2007) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrische-geleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in onderstaande tabel samengevat.
Pagina 13 van 17
peilbuisnummer Pb 1 filterstelling [m-mv] 2,5 - 3,5 m-mv grondwaterpeil [m-mv] 2,0 toestroming goed 12 temperatuur [ ℃] zuurgraad [pH] 5,9 elektrisch geleidingsvermogen [µS/cm] 380 kleur kleurloos helderheid helder drijflaag geen geur geen waargenomen afwijkingen geen Tabel 4.1: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername
De meetresultaten wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden.
Pagina 14 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
5.
LABORATORIUMONDERZOEK
5.1
Algemeen
De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van ALcontrol BV te Hoogvliet waar verdere (voor)behandeling en analyse van de monsters plaats heeft gevonden.
5.2
Grond(meng)monster(s)
In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele monsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie. mengmonstergrondmonster(s) 1) bodemlaag zintuiglijke nummer [m-mv ] waarnemingen MM1 1-1/2-1/3-1/4-1/5-1/6-1/7-1/8-1 0 - 0,5 geen bijzonderheden MM2 1-2/1-3/1-4/2-2/2-3/2-4 0,5 - 2,0 geen bijzonderheden Tabel 5.1: schema grond(meng)monsters 1) Het eerste cijfer geeft het boorpunt aan, het tweede cijfer het monsternametraject (zie bijlage 3).
5.2.1
Analyseresultaten grond(meng)monsters
De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * ** ***
Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde; het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 4 voor het analyserapport met nummer 11490794. mengmonsternummer
bodemlaag [m-mv ]
zintuiglijke waarnemingen
MM1 0 - 0,5 geen bijzonderheden MM2 0,5 - 2,0 geen bijzonderheden Tabel 5.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters
verhoogde component ---
gemeten concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing ---
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grondmengmonsters MM1 (dieptetraject 0-0,5 m-mv.) en MM2 (dieptetraject 0,5-2,0 m-mv.) geen van de onderzochte componenten gemeten zijn in een gehalte verhoogd ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde. 5.2.2
Toetsing van de gestelde hypothese
Geconcludeerd kan worden dat de gemeten concentraties in zowel boven- als ondergrond niet in tegenspraak zijn met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden.
Pagina 15 van 17
5.2.3
Toetsing Besluit Bodemkwaliteit
De analyseresultaten van de onderzochte grondmengmonsters zijn tevens getoetst aan de Maximale Waarden uit het Besluit Bodemkwaliteit. Hierin worden drie kwaliteitsklassen onderscheiden: Achtergrondwaarde (AW); De Maximale Waarde Wonen (MWW); De Maximale Waarde Industrie (MWI). Aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn vastgesteld voldoen alle grondmonsters aan het klasse oordeel AW.
5.3
Grondwatermonster(s)
5.3.1
Analyseresultaten grondwatermonster(s)
De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * ** ***
Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde; het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende streefwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 6 voor het analyserapport met nummer 11493832. peilbuis
filtertraject [m-mv]
verhoogde component
Pb1
2,5 - 3,5 m-mv
benzeen naftaleen
gemeten concentratie [µg/l] en toetsing <2,0 <2,0
*# *#
Tabel 5.3: Toetsingsresultaten van de grondwatermonsters
Uit de analyseresultaten blijkt dat het freatisch grondwater afkomstig uit peilbuis 1 licht verontreinigd is met benzeen en naftaleen. #) Het gecorrigeerde gehalte is groter dan de streefwaarde voor benzeen (0,2 µg/l) en naftaleen(0,01 µg/l), en groter dan de AS3000 rapportagegrens-eis. Zie ook bijlage 6 “analyserapport grondwater”. Deze verhoging is veroorzaakt door een storende matrix bij analyse van de beide componenten. De lichte verontreinigingen met benzeen en naftaleen worden mogelijk (gedeeltelijk) van buiten de onderzoekslocatie aangevoerd. Aangezien bij de veldinspectie op de locatie, geen verontreinigingsbronnen zijn aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd gemeten gehalten van deze componenten.
5.3.2
Toetsing van de gestelde hypothese
Geconcludeerd kan worden dat de gemeten concentraties in het grondwater in tegenspraak zijn met de vooraf opgestelde hypothese dat de locatie onverdacht is.
Pagina 16 van 17
Verkennend bodemonderzoek Bernhardstraat nnb, St. Willebrord/ AM09297
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In opdracht van BRO-Boxtel heeft Aeres Milieu B.V. in oktober 2009 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Bernhardstraat nnb, St. Willebrord. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grondmengmonsters MM1 (dieptetraject 0-0,5 m-mv.) en MM2 (dieptetraject 0,5-2,0 m-mv.) geen van de onderzochte componenten gemeten zijn in een gehalte verhoogd ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde. Uit de analyseresultaten van het freatisch grondwater, afkomstig uit peilbuis 1, blijkt dat deze licht verontreinigd is met benzeen en naftaleen. Opgemerkt wordt dat het gecorrigeerde gehalte groter is dan de streefwaarde voor benzeen (0,2 µg/l) en naftaleen(0,01 µg/l), en groter dan de AS3000 rapportagegrens-eis. Zie ook bijlage 6 “analyserapport grondwater”. Deze verhoging is veroorzaakt door een storende matrix bij de analyse van beide componenten. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de grond vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De grond is multifunctioneel toepasbaar.
Pagina 17 van 17