09b bijlage b. VGBP Pastoor Palsstraat 4 St Willebrord 2024-02-07 incl. bijlagen
Tekst van het document
De patiowoningen hebben een eigen privé tuin. De privé buitenruimte wordt daarnaast aangevuld met openbaar groen rond het middengebied waar ruimte is voor ontmoeting, spelen en activiteiten. Een haag in het openbaar gebied vormt een groene overgang tussen de woningen en de straat. Ook worden twee karakteristieke bomen aan de Pastoor Palsstraat behouden. Om te voorzien in de minimaal vereiste 975 m² aan groen is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. De wijze waarop het groen wordt vormgegeven is weergegeven in figuur 9.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|19
Figuur 9 Beoogde invulling groen
Het groene middengebied draagt bij aan het klimaatadaptieve vermogen van het plangebied. Met extreme neerslag is hier ruimte om water te laten infiltreren en te bergen in plaats van direct afvoeren. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een wadi. Gedurende extreme hitte zorgt het groene karakter met bomen voor verkoeling en schaduw. Door het zo min mogelijk verharden van de ruimte en een diverse inrichting ontstaat er tevens een bijdrage aan het vergroten van de biodiversiteit. Onderhavig planvoornemen sluit daarmee aan bij de Visie Duurzaamheid 2019-2023. Verder biedt het plan ruimte voor duurzame energieoplossingen. Er wordt gekozen voor een duurzame bouwmethode, bijvoorbeeld door het bouwen in houten modules met CLT (Cross Laminated Timber) of een andere duurzame bouwmethodiek. Ook kan gedacht worden aan het toepassen van biobased (natuurlijke) gevelmaterialen zoals planken van Kerloc. Daarnaast wordt voorzien in duurzame energievoorziening. De patiowoningen worden gasloos gemaakt door het toepassen van zonnepanelen in combinatie met een warmtepomp. Het platte dak van de begane grondlaag wordt voorzien van een vegetatiedak, bijvoorbeeld middels een mos-sedum, of sedumkruidendak. Bij het ontwerp van de gevel kan gedacht worden aan het opnemen van nestkasten voor vogels en vleermuizen.
Conclusie Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|20
4. Randvoorwaarden 4.1
Bodemkwaliteit
Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden verricht.
Onderzoek In opdracht van Handelsonderneming GOWA B.V. heeft Tritium Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er zintuigelijk tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden in de grond geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen zijn. Tevens is er geen (stedelijke) ophooglaag waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond een lichte verontreiniging met kwik is aangetoond. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien geen ophooglaag is waargenomen en er geen bron is voor een verontreiniging met kwik, wordt de hypothese voor een “verdachte heterogeen verontreinigde locatie” verworpen. De lichte verontreiniging met kwik is waarschijnlijk van diffuse oorsprong. Het aangetroffen gehalte is dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is. Gezien het huidige gebruik van de locatie wordt destructief onderzoek door middel van inpandige betonboringen momenteel niet wenselijk geacht.
Derhalve kan op basis van onderhavig onderzoek formeel geen uitspraak worden gaan over de bodemkwaliteit ter plaatse van de huidige bebouwing. Verwacht wordt echter dat de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de huidige bebouwing niet significant verschilt van de bodemkwaliteit ter plaatse van het buitenterrein. Aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van de huidige bebouwing is daarom niet noodzakelijk.
Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.2
Water
Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|21
Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen, • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen.
• Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (Waterschap Brabantse Delta) In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022 – 2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma hebben we aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur.
De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlakte. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: • Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid; • Bij een toename van het verharde oppervlakte van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); • Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
Uitgangspunten gemeente Rucphen Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente Rucphen heeft op 2 mei 2022 het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2023-2026 vastgesteld. Hiermee sorteert de gemeente voor op de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking treedt. Het Gemeentelijk Rioleringsprogramma bevat actueel beleid, een evaluatie van het voorgaande GRP, een omschrijving van de huidige situatie en een toekomstvisie voorzien van actiepunten voor de komende planperiode en een financiële paragraaf. De laatste jaren is gemeente Rucphen zowel geconfronteerd met droogte als met hevige regenval. De praktijk leert dat acties om de gemeente te beschermen tegen overtollig regenwater noodzakelijk zijn. De gemeente Rucphen heeft daarom onderzoek laten doen naar de kwetsbare locaties voor wateroverlast om maatregelen te kunnen nemen om schade en overlast in de toekomst zo veel mogelijk te beperken. Hierbij is integraal werken (combinatie met weg- en groenbeheer) een randvoorwaarde; als de schop in de grond gaat dan worden klimaatmaatregelen ook meegenomen. Dit sluit ook aan bij het groenbeleid GroenR, zoals toegelicht in paragraaf 3.3. Combineren van werk is kosteneffectief en veroorzaakt tevens maar één keer overlast voor verkeer en burger per locatie.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|22
Voor de gemeente Rucphen gelden de volgende zorgplichten en bevoegdheden: • de zorgplicht voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater; • de zorgplicht voor het afvloeiende hemelwater; • de zorgplicht ter voorkoming van structureel nadelige gevolgen van het grondwater; • bevoegd gezag voor lozingen in rioolstelsels ('indirecte lozingen'); • bevoegd gezag voor directe lozingen in de bodem. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het rioleringsbeheer en hebben de zorgplichten voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. Gemeenten zijn tot op heden wettelijk verplicht om het managen hiervan vast te leggen in een Gemeentelijk Rioleringsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit niet langer verplicht. De gemeente Rucphen blijft dit (ondanks dat dit geen verplichting is) nog wel doen om daarmee het assetmanagement vast te leggen en keuzes te onderbouwen. Met het gemeentelijk rioleringsprogramma sluit de gemeente Rucphen ook aan bij de diverse duurzaamheidambities die de gemeente heeft vastgelegd in de duurzaamheidsvisie. Duurzaamheidsambities uit het duurzaamheidsprogramma die aansluiten op de water en rioleringswerkzaamheden zijn: • Het streven om binnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, per woning, 75 m² groen (incl. retentie) in de openbare ruimte te realiseren.
• Het beperken van wateroverlast bij hevige, langdurige regenval. • Klimaatadaptieve maatregelen integraal afstemmen met wegbeheer, rioolbeheer, groenbeheer; kosteneffectief ‘werk-met-werk’ maken.
Bestaande situatie Het plangebied ligt in de bebouwde kom van St. Willebrord en heeft een oppervlakte van circa 4.692,6 m². Het plangebied bestaat uit 3 bouwvlakken. Het bouwvlak in het midden van het perceel heeft een oppervlakte van circa 1.237 m² en is volledig bebouwd met het bedrijfspand. Het bouwvlak aan de noordzijde van het perceel heeft een oppervlakte van circa 110 m² en is bebouwd met een fietsenstalling. Het bouwvlak aan de oostzijde van het perceel heeft een oppervlakte van circa 47 m² en is onbebouwd. Dit betekent dat ongeveer 1.347 m² van het plangebied bebouwd is. Circa 1.698 m² van het plangebied is verhard. De overige 1.623 m² bestaat uit groen. Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit bebouwing, verharding en groen. In de bestaande situatie wordt de neerslag via inzijging, afroming naar lagere terreindelen en verdamping afgevoerd. De afvoer van neerslag, afkomstig van de huidige daken verloopt op traditionele wijze door lozing op het rioolstelsel. Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Binnen of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater In de huidige situatie is het afvalwater aangesloten op de riolering langs de Pastoor Palsstraat.
Bodem en grondwater De ondergrond in midden Noord-Brabant is opgebouwd uit afzettingen, die geohydrologisch kunnen worden onderverdeeld in relatief goed en slecht waterdoorlatende lagen. In de ondergrond van midden Noord-Brabant komen twee watervoerende pakketten voor, min of meer gescheiden door een slechte doorlatende laag.
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie dient een gescheiden stelsel aangelegd te worden, waardoor het hemelwater en afvalwater gescheiden van elkaar worden afgevoerd. Afkoppelen hemelwater In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt bij het maximale planologische gebruik van de locatie. Bruto (verharde) oppervlakten Totale oppervlakte plangebied Bebouwing Erf (tuinen bij woningen) Verharding Openbaar groen Totaal verhard oppervlak Totaal onverhard oppervlak Toename verhard oppervlak NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
Huidige situatie (m²) Circa 4.692,6 m² Circa 1.237,4 m² Circa 0 m² Circa 1.808,0 m² Circa 1.647,2 m²
Toekomstige situatie (m²) Circa 4.692,6 m² Circa 1.191,8 m² Circa 789,6 m² Circa 1.632,6 m² Circa 1.078,6 m²
Circa 3.045,4 m² Circa 1.647,2 m²
Circa 3.614,0 m² Circa 1.078,6 m² Circa 568,6 m²
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|23
Het totaal verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie toe met circa 568,6 m². Op basis van het beleid van het waterschap dienen voor de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² compenserende maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²). Daarmee is voor het planvoornemen afgerond 34,1 m³ aan waterberging nodig (568,6 x 1 x 0,06). Met het planvoornemen wordt een groen middengebied gerealiseerd, wat bijdraagt aan het klimaatadaptieve vermogen van de locatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een wadi, met een oppervlakte van 86,9 m² en een inhoud van minimaal 34,1 m³. Met extreme neerslag is hier ruimte om water te laten infiltreren en te bergen in plaats van direct af te voeren. Daarmee wordt voldaan aan de minimale bergingsopgave. De infiltratie van de wadi wordt geborgd door verticale waterdoorlatende kolommen van lavasteen of grind aan te brengen, met een diepte van 3 meter en een diameter van 0,5 meter. hiermee worden storende lagen (leem) doorbroken. De daadwerkelijke realisatie van voldoende waterberging is door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd in het bestemmingsplan. Bij de omgevingsvergunningprocedure zal de waterberging in overleg met de gemeente verder worden uitgewerkt.
Afvalwater De bebouwing blijft aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel.
Wateradvies De uitwerking van het voorliggende plan in deze waterparagraaf wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap Brabantse Delta toegezonden.
Conclusie Door het nemen van de juiste maatregelen levert het planvoornemen geen knelpunten op voor de waterhuishouding.
4.3
Luchtkwaliteit
Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Het begrip NIBM is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|24
Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2021) ter plaatse minder dan 10 μg/m³. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2021) is ter plaatse minder dan 18 μg/m³. De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2021) ligt ter plaatse tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. NIBM Onderhavig planvoornemen betreft een herontwikkeling waarbij een bestaand bedrijfsgebouw wordt vervangen door 13 patiowoningen. Het plan draagt ´niet in betekenende mate´ (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, aangezien er minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd, hetgeen betekent dat geen nader onderzoek noodzakelijk is.
Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.4
Geluid
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wet geluidhinder iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidshinder.
Onderzoek In onderhavige situatie is sprake van de sloop van een bedrijfsgebouw en de bouw van 13 patiowoningen. Het plangebied is gelegen aan de Pastoor Palsstraat waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Ook in de omliggende straten geldt een maximum snelheid van 30 km/u. In de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woonfuncties. Gezien de ligging van het plangebied in een omgeving waar de maximale snelheid 30 km/uur is en de aanwezigheid van voornamelijk woonfuncties in de omgeving van het plangebied, wordt een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|25
Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen.
De minimale afstand per categorie is als volgt: Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Met het planvoornemen wordt de bestemming gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen en wordt de realisatie van 13 wooneenheden mogelijk gemaakt. De bebouwing binnen de woonbestemming moet voldoen aan de vereist richtafstanden met betrekking tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. Het plangebied is gelegen aan de Pastoor Palsstraat. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woonfuncties aanwezig. Door de aanwezigheid van verschillende functies geldt voor het plangebied het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de bestaande bedrijven rond het plangebied weergegeven met bijbehorende richtafstand. Locatie
Aard bedrijvigheid
Milieu categorie
Pastoor Palsstraat 27
Verhuur voor feestapparatuur Bedrijf aan huis Interieurbouw Aannemersbedrijf Meubelwinkel Detailhandel (kerstpakketten) Bloemist Bedrijf aan huis Bedrijf aan huis (inpakservice) Fysio- en podotherapie Restaurant Sportschool Bouwbedrijf Aannemersbedrijf
Pastoor Palsstraat 11 Pastoor Palsstraat 1 Rugstraat 20 B Bremstraat 12 Bremstraat 19 Bremstraat 21 Bremstraat 51 Bremstraat 72 Dorpsstraat 189A Dorpsstraat 248-250 Willem III-straat 4 Kenbelstraatje 2A Rugstraat 20B
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
Afstand
1
Richtafstand gemengd gebied 10 m
1 2 2 1 1
10 m 30 m 30 m 10 m 10 m
70 m 90 m 58 m 103 m 45 m
1 1 1
10 m 10 m 10 m
49 m 100 m 75 m
1 1 2 2 2
10 m 10 m 30 m 30 m 30 m
155 m 200 m 210 m 103 m 60 m
22 m
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|26
Voor de nabijgelegen bedrijfsbestemmingen geldt dat uitsluitend bedrijven met milieucategorie 1 en 2 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn. Voor deze categorieën geldt een maximale richtafstand van respectievelijk 10 tot 30 meter in een rustige woonwijk. De beoogde woningen worden op voldoende afstand van de omliggende milieuhinderlijke bestemmingen gesitueerd. Bij de ontwikkeling van de woningen in het plangebied wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. En andersom worden de omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Door het saneren van de bedrijfsbestemming verbetert het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.
Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10 -6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.
Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: • De kans op een ongeval; • Het effect van het ongeval; • Het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; • De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|27
Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.
Onderzoek De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico’s in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. In de onderstaande uitsnede van de risicokaart wordt de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 10 Uitsnede Risicokaart Nederland (plangebied zwart omlijnd)
Inrichtingen In de omgeving van het plangebied is een LPG-tankstation aanwezig. Deze ligt op circa 185 meter ten noordwesten van het plangebied, aan de Poppestraat 130. Voor het tankstation geldt een vaste PR 10-6 contour en invloedsgebied van respectievelijk 45 en 150 meter. De PR 10-6 contour en invloedsgebied reiken derhalve niet tot het plangebied. Vervoer gevaarlijke stoffen Conform het gestelde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, paragraaf 5.2.3, hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebied te worden opgesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De dichtstbijzijnde route voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevindt zich op circa 4 kilometer ten noorden van het plangebied. Het gaat daarbij om de A58. De A58 heeft geen veiligheidszone, maar wel een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter en een invloedsgebied van meer dan 4.000 meter. Daarmee is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de A58. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Van een wezenlijke toename van het groepsrisico is geen sprake, omdat: • de realisatie van veertien woningen resulteert in een relatief kleine toename van het aantal aanwezigen; • de locatie is gelegen buiten de 100% letaliteitsgrens van een incident met de bepalende stofgroep LPG.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|28
Van een overschrijding van de oriëntatiewaarde is eveneens geen sprake. In het Basisnet is opgenomen dat het groepsrisico op dit traject een waarde heeft die onder 0,1 x de oriëntatiewaarde gelegen is. Om die reden is er vanuit de circulaire, het beleid dat in de toekomst vervangen gaat worden, formeel geen verantwoording benodigd. Vanuit het toekomstig beleid, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een berekening van het groepsrisico niet verplicht. Het plangebied is weliswaar gelegen op circa 4.000 meter van de A58, maar het groepsrisico is lager dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Daarom behoeft op grond van artikel 8 van het Bevt alleen aandacht besteed te worden aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Om die reden wordt in het onderstaande beknopt ingegaan op deze aspecten. Mogelijke scenario’s Het maatgevende scenario op de A58 is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankauto. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal en een drukgolf. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de tank.
Het meest geloofwaardige scenario is een plasbrand op de A58 als gevolg van het transport van brandbare vloeistoffen over de A58. De reikwijdte van dit incident reikt niet tot het plangebied en wordt daarom niet verder beschouwd. Het incident met de grootste reikwijdte is een toxisch scenario (ammoniak). Zelfredzaamheid Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Op een afstand groter dan 150 meter is bij een BLEVE het schuilen in een gebouw vaak de beste manier om de calamiteit te overleven. Met name de ruimten die buiten het bereik van rondvliegend glas liggen zijn als veilige plekken aan te merken. Na afloop van een 'BLEVE' kan het beste worden gevlucht, om secundaire branden te vermijden. De woningen hebben een bouwhoogte van maximaal 6 meter en zijn derhalve eenvoudig te ontvluchten. De woningen zijn daarnaast niet specifiek bedoeld voor nietzelfredzame personen.
Derhalve kan verondersteld worden dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen. De Dorpsstraat of de Poppestraat vormt in zuidelijke richting een geschikte vluchtroute in geval van een calamiteit. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de A58 is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien dit niet mogelijk is kan ervoor gekozen worden te vluchten. Bij een toxische wolk dient gevlucht te worden haaks op de wolk. Voor het plangebied geldt dat de Dorpsstraat of de Poppestraat in zuidelijke richting daarvoor gebruikt kunnen worden. Het plangebied is gunstig gelegen ten opzichte van de meest voorkomende windrichting (uit zuidwestelijke richting). Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit kan met behulp van het zogenaamde waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Het WAS-netwerk is dekkend voor het plangebied.
Het gebruik van WAS, eventueel aangevuld met het gebruik van SMS-alert kan eraan bijdragen dat het aantal slachtoffers wordt beperkt. De veiligheidsregio wordt in het kader van het vooroverleg om advies gevraagd. Bestrijdbaarheid Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie.
Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|29
4.7
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.
Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
Beschermde planten en dieren De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: •
• •
Vogels o Alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. Internationaal beschermde soorten o Alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb). Overige beschermde soorten o Soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|30
Onderzoek In opdracht van Ordito B.V. heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen Het te slopen bedrijfspand bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven.
Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: • 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken); • 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Vogels In de bebouwing bevinden zich twee kauwennesten en in de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen en de bebouwing buiten deze periode te slopen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.
Stikstof Natura 2000 Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden. Met de inwerkingtreding van de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijk emissies op lokale effecten te toetsen. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Voor het planvoornemen moet gekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op 13,7 kilometer ten noorden van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld’. Overige Natura 2000-gebieden liggen op nog grotere afstand van het plangebied. Het Natura 2000-gebied ‘Hollands Diep’ is gelegen op circa 14,5 km. Het Natura-2000 gebied ‘Ulvenhoutse Bos’ ligt op een afstand van circa 14,7 km van het plangebied. Met behulp van een stikstofdepositieonderzoek met de Aerius calculator is inzichtelijk gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de Natura 2000-gebieden.
Het onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Geconcludeerd kan worden dat stikstof geen problemen oplevert voor voorgenomen ontwikkeling.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|31
Natuurnetwerk Nederland Op circa 558 meter ten noorden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), het Brabantse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit bestaat uit het beheertype ‘Houtwal en houtsingel’. De bouw en het gebruik van de woningen en de eventueel toenemende verkeersbewegingen hebben geen negatieve effecten op het NNB.
Conclusie Het te slopen bedrijfspand bevat mogelijk vleermuisverblijven, waardoor slopen kan leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven te worden onderzocht in 5 onderzoeksronden. De uitvoer van het onderzoek is derhalve gewaarborgd in de planregels door een voorwaardelijke verplichting bij sloop.
4.8
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|32
Figuur 11 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)
Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Op de CHW is af te lezen dat het plangebied ligt in de regio ‘West-Brabantse Venen’. De regio bestaat uit een zwak golvend dekzandlandschap op een oudpleistocene ondergrond met afsluitende kleilagen. Tussen 1250 en 1750 hebben hier grootschalige veenafgravingen plaatsgevonden. Dit heeft de bewoningsgeschiedenis en de inrichting en vormgeving van het huidige landschap in belangrijke mate bepaald. Tot de meest karakteristieke elementen in de regio behoren de vele turfvaarten. Door de veenafgravingen nam de bevolking sterk toe en kwam er ook meer grond beschikbaar om landbouw te bedrijven. Er werden nieuwe dorpen gesticht. Dat wil echter niet zeggen dat het hele gebied door de boeren in gebruik werd genomen. Grote delen bleven 'woest' liggen: heidegronden, broekbossen en vennen. In de loop van de eeuwen werden deze gronden gebruikt om landgoederen en productiebossen aan te leggen. In de omgeving van Rucphen zijn op grote schaal bossen aangelegd voor houtproductie en als beteugeling van stuifzanden. Delen van de woeste gronden zijn ook in de negentiende en twintigste eeuw tot landbouwgrond ontgonnen. St. Willebrord, Rucphen en Sprundel zijn drie dorpen ten zuidwesten van Etten-Leur, die nagenoeg aan elkaar zijn vastgegroeid. De ontwikkelingsstrategie voor het gebied is: 1.
Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De relicten van de veenontginningsgeschiedenis gebruiken als inspiratiebron voor toekomstige ontwikkelingen zodat deze structuren weer zichtbaar worden in het landschap. Dit kan door: Versterken van de structuur van turfvaarten en turfhavens; Hier aandacht aan te besteden bij dorpsontwikkelingen, landgoedontwikkeling en bij de inrichting van waterbergingsgebieden; In te zetten op het behoud dan wel het herstel van het zicht op de grote kerken als de basiliek van Oudenbosch, Klein Lourdes in St. Willebrord en de kerk van Wouw vanaf de hoofdwegen (snelwegen en provinciale wegen); 3. De cultuurhistorische waarden van de West-Brabantse Venen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor het cultuurhistorisch landschap: “Landgoederen en veenrelicten bij Zundert en Etten-Leur” (Pannenhoef, Wallsteyn, De Moeren, Oude Buisse Heide). Herstel Karakter A-58 als Napoleonsweg tussen Etten-Leur en Roosendaal: een oorspronkelijk rijk beplante kaarsrechte weg, gelegen tussen de Kerktorens van beide kernen; 4. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap: ”Dekzandrug BosschenhoofdHoeven”.
Het planvoornemen om de bedrijfsbebouwing te slopen en 13 patiowoningen te bouwen heeft geen nadelige consequenties voor de cultuurhistorische waarden van de regio ‘West-brabantse Venen’.
Beleid gemeente Ruchpen De provincie Noord-Brabant gaat ervan uit dat de informatie afkomstig uit de kaartlaag 'overige cultuurhistorische waarden: informatie van CHW 2006' op gemeentelijk niveau wordt geactualiseerd en waar nodig geacht beschermd. De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Rucphen. NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|33
Figuur 12 Uitsnede cultuurhistoriekaart gemeente Rucphen (plangebied met zwarte ster gemarkeerd)
Toetsing Het plangebied is gelegen binnen een historisch gegroeide ruimtelijke structuur en kent een lage waarde wat betreft historische stedenbouw. In het plangebied bevinden zich geen bepalende objecten en rijks- en gemeentelijke monumenten. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig. De beoogde ontwikkeling vindt wel plaats op gronden die vallen binnen de zone cultuurgronden. Hier is geen toetsingskader voor opgenomen.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9
Archeologie
Beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden.
Beleid gemeente Om het aspect archeologie goed mee te wegen in een gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en verschillende archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart.
NL.IMRO.0840.2584K0042-VG01
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord
|34
Figuur 13 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Ruchpen (plangebied blauw omlijnd)
De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Rucphen in een zone met de Categorie 4: gebieden met middelmatige verwachting. Binnen deze zone geldt een onderzoeksgrens van 500 m² en 50 centimeter beneden maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is. De voorgenomen woningbouwontwikkeling overschrijdt de gestelde grenswaarden. Archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk.
Onderzoek Op 21 juni 2022 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Pastoor Palsstraat 4 te St. Willebrord (gemeente Rucphen). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen sloop van de huidige bebouwing ten behoeve van woningbouw en de aanpassing van het bestemmingsplan naar wonen. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar zal, uitgaande van een standaard funderingsdiepte, naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden zoals beschreven in het bureauonderzoek aanwezig is. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak tot matig siltig, matig fijn, (matig) slecht gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte tussen de circa 55 en 105 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 7,18 tot 7,53 meter +NAP. In een groot deel van het plangebied zijn (deels) intacte bodems aangetroffen.