09b bijlage b. TOELICHTING NL.IMRO.0840.2584K0039-DEF1 2024-01-08
Tekst van het document
Externe Veiligheid
5.9.1
Algemeen
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Figuur 22: Zone indeling verantwoording groepsrisico
5.9.2
Risico inventarisatie externe veiligheid
Een risico-inventarisatie externe veiligheid betreft alle risicobronnen die invloed hebben of kunnen hebben op het groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, transportleidingen en autowegen die gebruikt worden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In een verantwoording groepsrisico wordt door het bevoegd gezag (De Gemeenteraad) de aanwezige risicobronnen beschouwd en verantwoord.
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 49 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Transportassen Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van het Bevt zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
Transportleidingen Wanneer sprake is van relevante buisleidingen in een gebied, dient er een ruimtelijke reservering opgenomen te worden in het bestemmingsplan voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 106 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden. De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt minimaal 5 meter aan beide zijden van de leiding. 5.9.6
Samenvatting
Figuur 23: Uitsnede risicokaart
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 50 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
LPG-tankstation De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation Total Berkman aan de Poppestraat 130 te St. Willebrord. Plaatsgebonden risico Het dichtstbij gelegen plangebied ligt circa 98 meter vanaf de ondergrondse opslagtank en het vulpunt. De aan te houden afstanden voor kwetsbare objecten is 25 meter vanaf de tank en het vulpunt. Het plangebied ligt dus buiten deze aan te houden afstanden. Groepsrisico Bij de verantwoording van het risico moet sinds 29 juni 2016 rekening worden gehouden met de zogeheten effectbenadering. Voor (beperkt) kwetsbare objecten geldt de 60 meter effectafstand en als (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze afstand komen te liggen, dan moet deze situatie gemotiveerd worden. Hetzelfde geldt voor zeer kwetsbare objecten binnen de 160 meter effectafstand. Beide afstanden worden gemeten vanaf het vulpunt. De afstanden gelden alleen bij besluiten waarbij het risico toeneemt. Bij bijvoorbeeld conserverende bestemmingsplannen gelden deze afstanden niet. Effectafstand Het plangebied wordt gezien als (beperkt) kwetsbaar object. De ruimtelijke ontwikkeling valt buiten de 60 m effectafstand voor (beperkt) kwetsbare objecten. Het is daarom niet nodig hier aanvullende maatregelen te overwegen of anderzijds te motiveren waarom wordt afgeweken van deze effectafstand. Rijksweg A58 Ten noorden van het plangebied is de A58 gelegen.
Deze transportroute is op een afstand van circa 175 meter van het plangebied gelegen. Over de A58 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het gaat op grond van het Basisnet om de volgende jaarintensiteiten.
Dit traject van de A58 heeft geen veiligheidszone, maar wel een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Het plasbrandaandachtsgebied reikt niet tot het plangebied. Het invloedsgebied is afhankelijk van de gevaarlijke stoffen, die over de A58 worden vervoerd. Omdat er zeer toxische gassen vervoerd worden over de A58 bedraagt het invloedsgebied meer dan 4.000 meter. Daarmee is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de A58. Op grond van het vigerende beleid, de circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) is een verantwoording van het groepsrisico benodigd indien sprake is van een toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Van een wezenlijke toename van het groepsrisico is geen sprake, omdat: • de realisatie van drie woningen resulteert in een relatief kleine toename van het aantal aanwezigen, te weten respectievelijk 3,6 en 7,2 personen in de dag- en nachtperiode; • de locatie is gelegen buiten de 100% letaliteitsgrens van een incident met de bepalende stofgroep LPG. Van een overschrijding van de oriëntatiewaarde is eveneens geen sprake. In het Basisnet is opgenomen dat het groepsrisico op dit traject een waarde heeft die onder 0,1 x de oriëntatiewaarde gelegen is. Om die reden is er vanuit de circulaire, het beleid dat in de toekomst vervangen gaat worden, formeel geen verantwoording benodigd.
Vanuit het toekomstig beleid, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een berekening van het groepsrisico niet verplicht. Het plangebied is weliswaar gelegen binnen 200 meter van de A58, maar het groepsrisico is lager dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Daarom behoeft op grond van artikel 8 van het Bevt
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 51 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
alleen aandacht besteed te worden aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Om die reden wordt in het onderstaande beknopt ingegaan op deze aspecten. Mogelijke scenario’s Het maatgevende scenario op de A58 is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankauto. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal en een drukgolf. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de tank. Het meest geloofwaardige scenario is een plasbrand op de A58 als gevolg van het transport van brandbare vloeistoffen over de A58. De reikwijdte van dit incident reikt niet tot het plangebied en wordt daarom niet verder beschouwd. Het incident met de grootste reikwijdte is een toxisch scenario (ammoniak). Zelfredzaamheid Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident.
De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Op een afstand groter dan 150 meter is bij een BLEVE het schuilen in een gebouw vaak de beste manier om de calamiteit te overleven. Met name de ruimten die buiten het bereik van rondvliegend glas liggen zijn als veilige plekken aan te merken. Na afloop van een 'BLEVE' kan het beste worden gevlucht, om secundaire branden te vermijden. De woningen hebben een bouwhoogte van maximaal 7,5 meter en zijn derhalve eenvoudig te ontvluchten. De woningen zijn daarnaast niet specifiek bedoeld voor nietzelfredzame personen. Derhalve kan verondersteld worden dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen. Het Kenbelstraatje vormt in zuidelijke richting een geschikte vluchtroute in geval van een calamiteit. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.
Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de A58 is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Indien dit niet mogelijk is kan ervoor gekozen worden te vluchten. Bij een toxische wolk dient gevlucht te worden haaks op de wolk. Voor het plangebied geldt dat het Kenbelstraatje in westelijke of zuidelijke richting daarvoor gebruikt kan worden. Het plangebied is gunstig gelegen ten opzichte van de meest voorkomende windrichting (uit zuidwestelijke richting). Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit kan met behulp van het zogenaamde waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Het WAS-netwerk is dekkend voor het plangebied. Het gebruik van WAS, eventueel aangevuld met het gebruik van SMS-alert kan eraan bijdragen dat het aantal slachtoffers wordt beperkt. Bestrijdbaarheid Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken.
Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 52 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Conclusie Het invloedsgebied van het LPG-tankstation en de A58 overlappen het plangebied, in geval van een toxisch incident of incident met brandbaar gas (LPG). Volledigheidshalve is een korte beschrijving gegeven van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 5.10
Kabels en leidingen
Op of in de directe nabijheid van de locatie, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke de realisatie van het bouwplan kunnen belemmeren. De KLIC-melding wordt voor het uitvoeren van de werkzaamheden uitgevoerd om eventuele kabels en leidingen in beeld te brengen tijdens de bouwfase. 5.11
Besluit milieueffectrapportage
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. Onder lijst D van het Besluit m.e.r. valt een stedelijk ontwikkelingsproject als het een project meer dan 2.000 woningen omvat. Binnen het plangebied omvat de ontwikkeling elf appartementen. Gesteld kan worden dat de milieueffecten gevolgen van de realisatie van elf appartementen van dien aard zijn dat er geen m.e.r.-plicht of m.e.r –beoordeling aan de orde is. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben beneden de drempelwaarden, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Drempelwaarde lijst D Op het plangebied is sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een klein stedelijke ontwikkelingsproject. Het toevoegen van elf appartementen valt onder de activiteiten D.11.2. in bijlage II van het Besluit m.e.r. waarvoor de term ‘stedelijke ontwikkeling’ geldt. De drempelwaarde voor een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten van D.11.2. in bijlage II van het Besluit vermeld: ▪ Een oppervlakte van 100 ha of meer; ▪ Een aangesloten gebied; ▪ 2000 of meer woningen.
De ontwikkeling ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 53 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen. Er is dus geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu. Milieugevolgen In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid, luchtkwaliteit etc. Gelet op de kenmerken van het project, het plangebied en de kenmerken van de effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot significante nadelige milieueffecten. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure. Conclusie Het uitvoeren van een (vorm-vrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 54 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten
Inleiding
Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’, een globaal bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze zijn gehanteerd in het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’. 6.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. Bestemmingsvlak en bouwvlak Elke bestemming bestaat doorgaans uit een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied op de verbeelding waarvoor de mogelijkheden om te bebouwen in de bestemmingsregels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering en/of functie. Aanduidingen De letteraanduiding van de bestemmingen zijn ingetekend in het bestemmingsvlak. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn aangegeven door aanduidingen. Als deze specificaties op het hele bestemmingsvlak van toepassing zijn, staan de aanduidingen achter de bestemmingsaanduiding in het bestemmingsvlak. 6.3
Algemene toelichting regels
De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). Deze afspraken en aanbevelingen zijn op 1 januari 2010 wettelijk vastgesteld. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels; ▪ Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels; ▪ Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 6.3.1
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die van toepassing zijn op de regels verklaard. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde begrippen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 55 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
6.3.2
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor langzaamverkeersroutes, park, plantsoen, bermstroken, bermsloten, paden, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen extensief recreatief gebruik water en waterhuishoudkundige voorzieningen en andere tot de bestemming behorende voorzieningen. Artikel 4 Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en overige tot de bestemming behorende voorzieningen. Artikel 5 Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor straten, voet- en fietspaden, rabatten, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, terrassen, waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds, oevers, bruggen, nutsvoorzieningen en overige tot de bestemming behorende voorzieningen. Artikel 6 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, tuinen en erven, langzaamverkeersroutes, en bij deze bestemmingen behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen. 6.3.3
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals een regeling voor ondergronds bouwen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de regels met betrekking tot een of meer gebiedsaanduidingen opgenomen. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met toepassing van de afwijkingsbepalingen geregeld kunnen worden.
Artikel 13 Overige regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die niet onder een andere regel zijn te vatten.
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 56 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
6.3.4
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 14 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 15 Slotregel In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven.
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 57 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in het oprichten van maximaal vier vrijstaande woningen, volgens de Bro aan te merken als bouwplan. De gemeente Rucphen heeft ten behoeve van het voorgestane plan een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer van de gronden. Deze overeenkomst heeft onder andere de strekking dat de gemeente geen enkel risico loopt ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit plan. 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Inleiding procedure
Planologische procedure Voordat een bestemmingsplan geldig is, volgt de gemeente een procedure. De procedure bestaat uit drie fasen: vooroverleg, ontwerp en vastgesteld plan. In de vooroverlegfase wordt vooroverleg gepleegd met alle betrokken overheden en partijen. De achtereenvolgende fase is de ontwerpfase. Tijdens de ter inzageperiode (6 weken) heeft eenieder het recht om een zienswijze te geven. De zienswijzen worden verwerkt en beantwoord in een zienswijzenrapportage. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Relatie onderhavig bestemmingsplan met eerdere bestemmingsplannen Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dit plan is gehanteerd. Het onderhavig bestemmingsplan wordt middels een zogenoemde ‘postzegelbestemmingsplannen’ juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. 7.2.2
Omgevingsdialoog
Er is met de omwonenden een omgevingsdialoog gevoerd over het initiatief. Op 1 juni 2022 heeft er een bewonersavond plaatsgevonden met de omwonenden. De omwonenden staan overwegend positief tegenover de ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Kenbelstraatje ong. te St. Willebrord. Tijdens de avond zijn er een aantal afspraken gemaakt. De bestaande parkeervakken blijven gehandhaafd. Aan de percelen aan de noordkant worden drie parkeerplaatsen extra gerealiseerd. Er dienen snelheidsremmende maatregelen gerealiseerd te worden (ten minste één drempel). Er wordt vanuit de gemeente gekeken wat hier mogelijk is. Uitgangspunt om de riolering te ontlasten is dat de nieuwe woningen op hun eigen perceel waterberging dienen te realiseren. Er wordt een gezamenlijk afvalinzamellocatie gerealiseerd. De gemaakte afspraken zijn verwerkt in het bestemmingsplan. In februari 2023 is het initiatief opnieuw met de omwonenden besproken. Uit deze dialogen zijn geen nieuwe afspraken gekomen. Het verslag van de omgevingsdialoog is toegevoegd aan de bijlagen. 7.2.3
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gepleegd met het waterschap, diensten van het rijk en provincie die betrokken zijn bij de ruimtelijke ordening en eventueel andere gemeenten. Het plan is in het kader van het vooroverleg beschikbaar gesteld aan de volgende partners:
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 58 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪ ▪ ▪ 7.2.4
Provincie Noord-Brabant. Waterschap Brabantse Delta. Brandweer Midden- en West-Brabant.
Voorontwerp bestemmingsplan
Het voorontwerp bestemmingsplan ´ Kom St. Willebrord, Kenbelstraatje ong. te St. Willebrord’ met planidentificatie NL.IMRO.0840.2584K0039-VO01 is voor een ieder ter inzage gelegd met ingang van 18 mei 2023 t/m 28 juni 2023 voor een periode van zes weken in het Raadshuis van de gemeente Rucphen. Daarnaast is het plan digitaal raadpleegbaar via de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbende (overheid)instanties zijn voorts separaat op de hoogte gebracht van de terinzagelegging. Resultaten voorontwerp bestemmingsplan Tijdens de ter inzage periode is één inspraakreactie ingediend op het voorontwerp bestemmingsplan, van Rijkswaterstaat. De inspraakreactie betreft twee opmerkingen. Een opmerking over dat de nieuwbouw gedeeltelijk in de vrijwaringzone weg komt te liggen. In de planregels is opgenomen dat er binnen een afstand van 50 met vanuit de rand van de meest nabijgelegen rijbaan geen bouwwerken opgericht mogen worden. De woningen worden op meer dan 50 meter van de rand van de meest nabijgelegen rijbaan gebouwd. Er kan voldaan worden aan deze regel. Daarnaast maakt Rijkswaterstaat de opmerking dat het akoestisch onderzoek niet gebaseerd is op het meest recente geluidsregister. Het akoestisch onderzoek is aangepast naar aanleiding van deze opmerking. Het bestemmingsplan zal gewijzigd als ontwerp ter inzage gelegd worden. 7.2.5
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan ´ Kom St. Willebrord, Kenbelstraatje ong. te St. Willebrord’ met planidentificatie NL.IMRO.0840.2584K0039-ON01 is voor een ieder ter inzage gelegd met ingang van 9 november 2023 t/m 20 december 2023 voor een periode van zes weken in het Raadshuis van de gemeente Rucphen. Daarnaast is het plan digitaal raadpleegbaar via de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbende (overheid)instanties zijn voorts separaat op de hoogte gebracht van de terinzagelegging. Resultaten ontwerpbestemmingsplan Tijdens de terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend. 7.2.6
Vaststelling
p.m.
Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024
Pagina 59 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling