09b-8 NL.IMRO.0840.9000B0063-ON01 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING ZOEKSESTRAAT (ONG.) TE SCHIJF
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Zoeksestraat (ong.) te Schijf Opdrachtgever
Ruimte voor Ruimte CV Postbus 79 5201 AB ‘s Hertogenbosch
Rapportnummer Versienummer
14954.003 D1
Status
Eindrapportage
Datum
28 mei 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088-5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw A.M. Vergeer, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer J. Bakker, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen ......................................................................................................................... 13 Amfibieën ........................................................................................................................ 13 Vissen ............................................................................................................................. 14 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 16 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 16 Streng beschermde amfibieën ........................................................................................ 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 14954.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Ruimte voor Ruimte CV opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Zoeksestraat (ong.) te Schijf. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 1 van 22
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 2.000 m²) ligt aan de Zoeksestraat (ong.), circa 350 meter ten zuiden van de kern van Schijf. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een deel van een akker en is onbebouwd. De akker is onder andere begroeid met gras, klaver en schapenzuring. Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie loopt een sloot met onbeschoeide oevers. Deze oevers zijn begroeid met onder andere brandnetel en fluitenkruid. In de sloot groeit klimopwaterranonkel. Aan de overzijde van deze sloot loop een verharde en verlichte weg. Aan deze weg staat een rij gewone esdoorns. Aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie ligt de rest van de akker, die geen deel uitmaakt van de projectontwikkeling. Ten westen van de onderzoekslocatie ligt een bosschage van ± 13.000 m², bestaande uit onder andere bramenstruiken en verschillende soorten bomen, zoals hazelaar, zomereik en gewone es. Aan de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn de bomen geveld (anders dan te zien is in figuur 2). De onderzoekslocatie is gelegen in agrarisch gebied, net buiten de kern van Schijf. Op circa 35 meter ten noorden van de onderzoekslocatie begint de bebouwde kom van Schijf. Op 113 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie ligt een vijver van circa 7.400 m2 groot. Ten westen van de onderzoekslocatie, op circa 1 kilometer afstand, liggen de Rucphense bossen.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 2 van 22
In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 10 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 3 van 22
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. De bomen op het perceel ten noorden van de onderzoekslocatie zijn geveld.
Figuur 3. Overzichtsfoto van de onderzoekslocatie, kijkrichting naar het zuiden.
Figuur 4. Gewone esdoorns grenzend aan de oostzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 5. Het bosschage grenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 6. Het perceel waar de bomen zijn geveld, direct ten noorden van de onderzoekslocatie. Kijkrichting naar het
Figuur 7. Overzichtsfoto van de omgeving ten noorden van de onderzoekslocatie, kijkrichting naar het noordoosten.
Figuur 8. De verharde en verlichte weg direct ten oosten van de onderzoekslocatie, kijkrichting naar het zuiden.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 4 van 22
westen.
Figuur 9. De sloot aan de oostzijde van de onderzoekslocatie.
2.2
Figuur 10. Detailfoto van de rand van het bosschage grenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie, kijkrichting naar het noorden.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe ontwikkeling in het kader van ‘Ruimte voor Ruimte’ te realiseren. De gewenste ontwikkeling betreft het bouwen van een vrijstaande woning. Voor deze ontwikkeling zal het huidige kadastrale perceel opnieuw worden ingedeeld.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 5 van 22
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 17 mei 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 6 van 22
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 7 van 22
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 8 van 22
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 9 van 22
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze broedvogelsoorten zijn: boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief, zwarte wouw, kerkuil, steenuil, ooievaar, slechtvalk, gierzwaluw, huismus en grote gele kwikstaart. Van deze soorten kunnen de boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw op voorhand worden uitgesloten. Deze vogels broeden hoofdzakelijk in bossen of halfopen landschappen, soms in solitaire bomen en vaak midden hoog tot hoog in een boomkruin of nestkast, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten of nestkasten waargenomen. Nader onderzoek ten aanzien van bovenstaande soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De steenuil en kerkuil hebben de voorkeur voor kleinschalige, half open tot open cultuurlandschappen. De steenuil is een holenbroeder die onder andere bebouwing, nestkasten en holle bomen gebruikt als broedlocatie. De kerkuil broedt in schuren op boerderijerven of in speciale nestkasten.
De bomen die grenzen aan de onderzoekslocatie zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van holtes en nesten, welke niet zijn aangetroffen. Het overige groen en de overige geschikte bebouwing in de directe omgeving van de onderzoekslocatie liggen buiten de invloedssfeer van de ingreep. Hierom is het redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soorten een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De ooievaar en slechtvalk zijn soorten die broeden op hoge of torenvormige structuren als hoogspanningsmasten, (kerk)torens, kantoorgebouwen of nestpalen. Vanwege het ontbreken van deze broedmogelijkheden op en om de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soorten op of nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De gierzwaluw en huismus zijn gebonden aan bebouwing als broedlocatie. Het zijn koloniebroeders die vaak broeden onder dakpannen bereikbaar via de dakgoot of losliggende dakpannen. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd. De woningen ten noorden van de onderzoekslocatie zijn in potentie geschikt als broedlocatie voor de huismus en gierzwaluw.
Gezien de afstand (circa 35 meter) en de beperkte schaal van de werkzaamheden liggen deze woningen echter buiten de invloedssfeer van de ingreep. Door het ontbreken van geschikte elementen als zand en dichte struiken wordt de onder-
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 10 van 22
zoekslocatie geen onderdeel van de essentiële leefomgeving van de huismus geacht. Nader onderzoek naar de huismus en de gierzwaluw wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van snelstromende beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Deze vogel nestelt graag in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in oevers. Vanwege het ontbreken van deze nestmogelijkheden op en om de onderzoekslocatie wordt nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart niet noodzakelijk geacht. 5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen. Tijdens het veldbezoek zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen nesten aangetroffen van bovengenoemde soorten. Daarnaast is in de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie voldoende broedgelegenheid van minimaal eenzelfde kwaliteit voor de hierboven genoemde soorten, indien zij in de omgeving zouden willen nestelen. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventueel aanwezige nesten van genoemde soorten in de nabijheid van de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het kan gebeuren dat op een later moment alsnog nesten worden aangetroffen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Het werken buiten het broedseizoen is in dat geval voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3
Overige broedvogels
De begroeiing die grenst aan de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, heggenmus en winterkoning. Nesten van deze soorten zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek, maar zijnvaak klein en daardoor lastig te ontdekken. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, grijze grootoorvleermuis, franjestaart en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten zijn. De bomen die grenzen aan de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen is niet aan de orde.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 11 van 22
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en andere bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig, zoals de verscheidene bosschages, de vijver ten zuidwesten van de onderzoekslocatie en de Rucphense bossen. Wel dient gewerkt te worden met vleermuisvriendelijke verlichting, om verstoring van eventueel omliggend foerageerhabitat te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden.
Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de bomen in de omgeving die als potentiële vliegroute kunnen fungeren, gehandhaafd blijven bij de herbestemming van de onderzoekslocatie. Gebruik maken van vleermuisvriendelijke verlichting is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, bunzing, wezel en eekhoorn. Bos is bij uitstek het biotoop van de boommarter. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. De bomen die grenzen aan de onderzoekslocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van holtes, welke niet zijn aangetroffen. De aanwezigheid van voorplantingsplaatsen nabij de onderzoekslocatie kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Het bosschage ten westen van de onderzoekslocatie is jong en open, en bestaat voornamelijk uit naaldbomen. Hierdoor vormt dit bosschage geen optimaal habitat voor de boommarter. Het is echter niet op voorhand uit te sluiten dat de boommarter incidenteel gebruik maakt van dit bosschage.
Het bosschage blijft echter behouden, waardoor verstoring van deze soort niet in aan de orde is. Nader onderzoek naar de boommarter wordt niet noodzakelijk geacht. De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. De kleine marterachtigen zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. De bra-
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 12 van 22
menstruiken direct ten westen van de onderzoekslocatie kunnen dekking bieden aan deze soorten. Vooropgesteld dat deze begroeiing behouden blijft wordt nader onderzoek naar deze soorten niet noodzakelijk geacht. Werken buiten het voorplantingsseizoen is voldoende om verstoring te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Eekhoorns foerageren en nesten in bomen ouder dan 20 jaar. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen in de bomen die grenzen aan de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn nabij de onderzoekslocatie kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de eekhoorn gebruik maakt van het bosschage ten westen van de onderzoekslocatie. Dit bosschage blijft echter behouden, waardoor verstoring van deze soort niet in aan de orde is. Nader onderzoek naar de eekhoorn wordt niet noodzakelijk geacht. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt, door het ontbreken van geschikte vegetatie en schuilmogelijkheden, minimaal geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. De oever aan de oostkant en de begroeiing ten westen van de onderzoekslocatie kunnen gebruikt worden door algemene soorten als rosse woelmuis. Voor deze soorten geldt de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: gladde slang en levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis hebben betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden Rucphense bossen en Oude Buisse Heide, respectievelijk 2.100 meter ten noordoosten en 2.600 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. De waarnemingen van de gladde slang hebben betrekking op een natuurgebied 2.600 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Er is geen reden om aan te nemen dat de onderzoekslocatie een functie heeft voor deze streng beschermde soorten. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.5
Amfibieën
Alle amfibieën in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieën waargenomen: heikikker, poelkikker, alpenwatersalamander en vinpootsalamander. Het is op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten dat de heikikker en poelkikker gebruik maken van de onderzoekslocatie. De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en half-natuurlijk grasland. De heikikker wordt nauwelijks aangetroffen in intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Omdat de onderzoekslocatie gelegen is in agrarisch gebied is het onwaarschijnlijk dat deze soorten gebruik maken van de onderzoekslocatie. Tevens zijn de waarnemingen van de NDFF voor deze soor-
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 13 van 22
ten gesitueerd in het natuurgebied Oude Buisse Heide, op circa 2.600 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar heikikker en poelkikker wordt niet noodzakelijk geacht. De dichtstbijzijnde waarneming van de alpenwatersalamander is gedaan in het bosschage Moergat, op circa 1.100 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. Het is echter niet op voorhand uit te sluiten dat de alpenwatersalamander gebruik maakt van de sloot op de onderzoeklocatie. De alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. De akker is minimaal geschikt voor de alpenwatersalamander als landhabitat, vanwege het ontbreken van schuilmogelijkheden. Vooropgesteld dat de sloot en de oevers behouden blijven kan overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden door te werken volgens een ecologisch werkprotocol (zie hoofdstuk 6). Vinpootsalamanders worden in Nederland in twee landschapstypen aangetroffen, de heidegebieden op de hogere zandgronden en het heuvellandschap van Zuid-Limburg. Als voortplantingswater wordt gebruik gemaakt van permanente vennen, plassen en bospoelen, bronpoeltjes, drinkpoelen en kleine, zwakstromende beekjes. Op de onderzoekslocatie ontbreekt het aan deze voortplantingsmogelijkheden.
Het is daarom op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten dat de vinpootsalamander gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar deze soort wordt niet noodzakelijk geacht. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. De sloot aan de oostzijde van de onderzoekslocatie kan voortplantingsmogelijkheden bieden aan algemene soorten als de bruine kikker. Voor de mogelijk te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). 5.6
Vissen
De sloot, die zich aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt, kan mogelijk opdrogen in de zomer. De sloot vormt daarom geen geschikt habitat voor vissen. Tevens zijn er volgens gegevens van de NDFF in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde vissen waargenomen. Nader onderzoek naar vissen wordt niet noodzakelijk geacht. 5.7
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen vijf jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de beschermde vlindersoorten bruine eikenpage en grote weerschijnvlinder waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen te vinden zijn. Geschikte waardplanten voor de bruine eikenpage zijn eikenbomen en voor de grote weerschijnvlinder boswilgen. De bomen ten westen van de onderzoekslocatie blijven behouden, waardoor verstoring van deze beschermde vlindersoorten niet aan de orde is. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 14 van 22
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8
Vaatplanten
Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde vaatplanten waargenomen: akkerboterbloem, akkerogentroost, dreps, getande veldsla, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, kleine wolfsmelk, korensla, naakte lathyrus, naaldenkervel, ruw parelzaad, smalle raai, wilde ridderspoor en wilde weit. Deze soorten hebben een voorkeur voor matig voedselrijke en kalkrijke grond. Aangezien de locatie geheel bestaat uit een gemaaide, voedselrijke akker is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende planten waargenomen: stinkende gouwe, braam, schapenzuring, brandnetel en klaver. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk en zuur is. In dergelijke pioniersvegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 15 van 22
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Algemene broedvogels
Indien aan de rand van het bosschage algemene vogelsoorten tot broeden komen kunnen deze hinder ondervinden van de werkzaamheden. Voor deze algemene broedvogelsoorten geldt dat werken buiten het broedseizoen voldoende is om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch groen binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning.
Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De onderzoekslocatie is onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig die een verblijfsfunctie vervullen voor boombewonende vleermuizen. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring. Zowel bij hun verblijfplaatsen, langs vliegroutes als in foerageergebied. Om verstoring van de potentiële vliegroutes of potentieel foerageergebied in de omgeving van de onderzoekslocatie te voorkomen dient de verlichting tijdens werkzaamheden en in de nieuwe situatie dusdanig ingericht te worden dat de functie ’s nachts behouden kan worden. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig en is weggericht van de bomen. Tevens dient de straal van de verlichting klein te zijn (strooilicht vermijden). 6.3
Overige zoogdieren
Voor de marterachtigen bunzing, wezel en hermelijn geldt dat zij gebruik kunnen maken van het bosschage aan de westzijde van de onderzoekslocatie. De opdrachtgever is niet voornemens dit
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 16 van 22
groen te verwijderen, daarom zal vernieling van vaste rust- of voortplantingsplaatsen niet aan de orde zijn. Wel kunnen door de werkzaamheden eventuele voorplantingsplaatsen aan de rand van dit bosschage verstoord worden. Het advies is daarom om de werkzaamheden te verrichten buiten het voortplantingsseizoen van deze soorten (globaal van mei tot eind augustus). 6.4
Streng beschermde amfibieën
Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de alpenwatersalamander gebruik maakt van de sloot op de onderzoeklocatie. De sloot en de oevers blijven behouden, waardoor eventueel voortplantingshabitat niet aangetast wordt. Aangezien de akker minimaal geschikt is als landhabitat, is werken volgens een ecologisch werkprotocol voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. In dit ecologisch werkprotocol wordt omschreven wat gedaan kan worden om het doden van individuen die incidenteel op de akker kunnen verblijven te voorkomen. 6.5
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.6
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 17 van 22
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Brabantse Wal, bevindt zich op circa 14,6 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 11).
Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 15 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (bouw van één woning) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 18 van 22
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Brabant. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 70 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 12 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant weergegeven.
Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Gezien de afstand en de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Brabant ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Brabant wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 19 van 22
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 20 van 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Ruimte voor Ruimte CV een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Zoeksestraat (ong.) te Schijf. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe ontwikkeling in het kader van ‘Ruimte voor Ruimte’ te realiseren. De gewenste ontwikkeling betreft het bouwen van een vrijstaande woning. Voor deze ontwikkeling zal het huidige kadastrale perceel opnieuw worden ingedeeld. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
werken buiten het broedseizoen om verstoring te voorkomen
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
minimaal
nee
nee
nee
aandacht voor vleermuisvriendelijke verlichting
nee
nee
nee
nee
aandacht voor vleermuisvriendelijke verlichting
Grondgebonden zoogdieren
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten en werken buiten voortplantingsseizoen van bunzing, wezel en hermelijn
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten en werken volgens ecologisch werkprotocol vanwege alpenwatersalamander
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
Broedvogels
Vleermuizen
vliegroutes
Gebiedsbescherming
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 21 van 22
Conclusie en aanbevelingen Ten aanzien van algemene broedvogels en de bunzing, wezel en hermelijn dienen de werkzaamheden buiten het broed- en voortplantingsseizoen (globaal van maart tot eind augustus) plaats te vinden, om verstoring van eventuele nesten of voortplantingsplaatsen te voorkomen. Voor vleermuizen geldt dat het van belang is om tijdens de werkzaamheden gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting, die weggericht is van het groen. Zo kan verstoring van mogelijke vliegroutes en mogelijk foerageerhabitat in de omgeving voorkomen worden. Vleermuisvriendelijke verlichting is bij voorkeur amberkleurig en heeft een kleine straal. Om verstoring van eventueel landhabitat van de alpenwatersalamander te voorkomen dient gewerkt te worden volgens een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Ook dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aantoonbaar werken conform de zorgplicht kan gebeuren door te handelen middels een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek ten aanzien van gebiedsbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Econsultancy Rotterdam, 28 mei 2021
Rapport 14954.003 versie D1
Pagina 22 van 22
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied 3 kilometer rondom onderzoekslocatie, periode 2016-2021 www.floravannederland.nl (soortgegevens vaatplanten) www.natura2000.nl/gebieden www.ravon.nl (soortgegevens reptielen en amfibieën) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
Rapport 14954.003 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 14954.003 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 14954.003 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,