CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

08c Particiaptieverordening gemeente Rucphen 2026

commissie Algemeen Bestuur en Middelen 29 januari 2026, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Participatiebeleid ‘Samen R toe doen’ en Participatieverordening gemeente Rucphen 20263.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Participatieverordening gemeente Rucphen 2026

De raad van de gemeente Rucphen;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

Gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Participatieverordening gemeente Rucphen 2026

Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities Deze verordening verstaat onder:

• beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;

• bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat: de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

• college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen; • gemeente: lokaal overheidsorgaan bestaande uit de drie bestuursorganen: burgemeester, college van burgemeester en wethouders en gemeenteraad;

• inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

• inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet; • inwonersparticipatie: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden, inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere overheden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.

2

• maatschappelijke organisaties: verenigingen, stichtingen, sociale ondernemingen en andere organisaties, die een collectief vormen, daaronder niet begrepen wettelijke adviesorganen en die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;

• ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;

• overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners of maatschappelijke organisaties samenwerken met de gemeente, waarbij de gemeente een faciliterende of ondersteunende rol vervult; hieronder begrepen het uitdaagrecht;

• participatie: de samenwerking tussen gemeente en inwoners, ondernemers of maatschappelijke organisaties, in welke vorm dan ook, daaronder ook inwonersparticipatie en overheidsparticipatie begrepen;

• Participatievisie: het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid van de gemeente Rucphen;

• uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke organisaties om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2 - Kaders en uitgangspunten Artikel 2. Doelstelling Het doel van deze verordening is: 1. Duidelijkheid te geven over het proces van participatie en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is; 2. De samenwerking tussen een bestuursorgaan enerzijds en inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties anderzijds te versterken; 3. De kwaliteit van de besluitvorming en lokale democratische processen te verbeteren ; 4. Het samenspel tussen inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties en de representatieve democratie verbeteren. Artikel 3. Reikwijdte 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie daarvan wordt toegepast en volgt daarbij de Participatievisie. 2. Het bestuursorgaan past bij participatie onder bijzondere regelgeving zoveel mogelijk deze verordening en de Participatievisie toe. Onder de Omgevingswet gaat het daarbij om het vaststellen of wijzigen van: a. de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet;

3

b. het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet; c. een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht. 3. Er vindt geen participatie plaats als: a.

participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;

b.

de uitkomst van participatie vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

c.

de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

d.

sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

e.

het interne aangelegenheden van de gemeente betreft;

f.

het de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet betreft;

g.

er sprake is van uitvoering van door de gemeenteraad vastgestelde regelgeving, waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft.

Hoofdstuk 3 – Participatie §1 Inwonersparticipatie Artikel 4. Plan voor participatie Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid een plan op met het proces en de planning van de participatie volgens het stappenplan participatie, zoals die is opgenomen in de Participatievisie. Artikel 5. Inspraak Als een bestuursorgaan in het kader van de participatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt. Artikel 6. Eindverslag inwonersparticipatie 1.

Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden, stelt het bestuursorgaan een eindverslag op en maakt dit openbaar.

2.

Het eindverslag bevat ten minste: a. een beschrijving van het gevolgde proces; b. de belangrijkste uitkomsten van de participatie; c. de reactie van het bestuursorgaan op die uitkomsten, inclusief eventuele aanpassingen in beleid of besluitvorming;

3.

Indien de raad bevoegd gezag is, stelt het college het eindverslag op en informeert de raad.

4

§2 Overheidsparticipatie Artikel 7. Verzoek om overheidsparticipatie 1. Inwoners en maatschappelijke organisaties kunnen bij het college een verzoek om overheidsparticipatie indienen. 2. Het verzoek bevat tenminste: a.

een omschrijving van de overheidsparticipatie die de indiener voor ogen heeft;

b.

de reden dat de indiener het verzoek indient; en

c.

het resultaat dat de indiener beoogt.

d.

In het geval het verzoek uitgaat van inwoners: aanduiding van de groep inwoners die het verzoek ondersteunt;

3. De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:

4.

a.

wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener is;

b.

welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn.

Het verzoek wordt beoordeeld volgens het stappenplan en afwegingskader ‘initiatieven vanuit de samenleving’ zoals dat in de Participatievisie is opgenomen.

Artikel 8. Uitdaagrecht Art. 7 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4 - Slotbepalingen Artikel 9. Nadere regels college Het college kan over participatie nadere regels inzake de uitvoering van deze verordening vaststellen. Artikel 10. Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt. Artikel 11. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De ‘Verordening participatie en inspraak gemeente Rucphen’ vastgesteld op 19 juni 2019 wordt ingetrokken. 2. De ‘Verordening participatie en inspraak gemeente Rucphen’ blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.

5

Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking vanaf de eerste dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Rucphen 2026.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Rucphen in zijn openbare vergadering van 11 februari 2026,

de griffier,

de voorzitter,

J.J.H. Lahaije.

mr. M. van der Meer Mohr.

TOELICHTING Algemeen deel Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203; hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor gemeentelijk beleid en de uitvoering en evaluatie daarvan te vergroten door inwoners een grotere rol te geven in het beleidsproces. Gezien de omvang en complexiteit van de maatschappelijke opgaven waarvoor gemeenten staan, acht de wetgever het van belang dat inwoners vroegtijdig, zorgvuldig en op een passende wijze worden betrokken. De wet verplicht gemeenten om inwoners niet langer uitsluitend bij de voorbereiding van beleid te betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, Gemeentewet). Daarbij wordt benadrukt dat inspraak slechts één van de mogelijke instrumenten is en dat participatie breder is dan het volgen van een formele inspraakprocedure. De wet beoogt daarnaast dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening, waarin ruimte is voor verschillende vormen van participatie. De participatieverordening stelt kaders voor participatie, maar creëert geen recht op een specifieke vorm van participatie of op een bepaalde uitkomst van het participatieproces. Het bestuursorgaan behoudt te allen tijde de bevoegdheid om belangen af te wegen en besluiten te nemen.

6

Tot slot verplicht de wet gemeenten om in de participatieverordening regels op te nemen over het uitdaagrecht. Dit houdt in dat inwoners en maatschappelijke organisaties de mogelijkheid krijgen om de uitvoering van gemeentelijke taken over te nemen, onder voorwaarden die door de gemeente worden vastgesteld (artikel 150, derde lid, Gemeentewet). Het indienen van een verzoek op grond van het uitdaagrecht leidt niet automatisch tot honorering daarvan. Invulling participatieverordening De wet schrijft niet voor welke participatiemiddelen gemeenten precies moeten inzetten of welke voorwaarden zij aan participatie en het uitdaagrecht verbinden. Gemeenten hebben hierin beleidsvrijheid. Bij het maken van keuzes moet rekening worden gehouden met lokale wensen, uitvoerbaarheid, beschikbare middelen en de ambtelijke capaciteit. De invulling van de participatieverordening heeft directe gevolgen voor de verwachtingen die inwoners en maatschappelijke organisaties van de gemeente mogen hebben. Om te voorkomen dat verwachtingen ontstaan die niet waargemaakt kunnen worden, is in deze verordening gekozen voor een realistisch en uitvoerbaar kader. Deze verordening heeft tot doel de kennis en ervaring van inwoners, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden te benutten in alle fasen van het beleidsproces: van agendering tot uitvoering en evaluatie.

De verordening bevat daartoe spelregels voor inwonersparticipatie (initiatief bij de gemeente) en voor overheidsparticipatie (initiatief bij inwoners en maatschappelijke organisaties), waaronder het uitdaagrecht. De burgemeester heeft op grond van artikel 170, eerste lid, onderdelen a en c, van de Gemeentewet een zorgplicht ten aanzien van een zorgvuldige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid, alsmede voor de kwaliteit en samenhang van participatieprocessen. Aansprakelijkheid en aanbesteding Bij de toepassing van overheidsparticipatie en het uitdaagrecht dient rekening te worden gehouden met geldende wettelijke kaders, waaronder het aanbestedingsrecht en het aansprakelijkheidsrecht. Het uitdaagrecht zet deze wettelijke kaders niet opzij. De memorie van toelichting bij de wet benadrukt dat gemeenten ook bij toepassing van het uitdaagrecht de aanbestedingsregels moeten naleven. Wel kunnen aanbestedingsprocedures zodanig worden ingericht dat zij aansluiten bij initiatieven uit de samenleving. Daarnaast kan de gemeente in bepaalde gevallen risicoaansprakelijkheid dragen, bijvoorbeeld bij werkzaamheden in de openbare ruimte of het gebruik van gemeentelijke eigendommen. Deze aansprakelijkheid kan niet volledig worden overgedragen.

Om risico’s te beperken maakt de gemeente per geval afspraken met inwoners en maatschappelijke organisaties over verantwoordelijkheden, voorwaarden, veiligheidsmaatregelen en de gevolgen van het niet-nakomen van afspraken.

7

Welke maatregelen nodig zijn om risico’s te beperken, verschilt per situatie en wordt per geval vastgelegd in afspraken tussen gemeente en initiatiefnemers? Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke organisaties mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke organisaties afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen. Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet In sommige gevallen bevat specifieke wetgeving eigen regels voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet of slechts gedeeltelijk van toepassing. Een belangrijk voorbeeld is de omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning ligt het initiatief bij de aanvrager en is participatie in beginsel niet verplicht. In die gevallen geldt deze participatieverordening niet als leidend kader.

Artikelsgewijs Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities Beleid: Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan. Inwonersparticipatie: In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners en ondernemers bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip inwonersparticipatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Maatschappelijke organisaties: Op grond van de wet kunnen ook maatschappelijke organisaties om toepassing van het uitdaagrecht vragen. In de wet is echter geen definitie van dit begrip opgenomen. Het is dus aan de gemeente om deze groep af te bakenen. In deze verordening is ervoor gekozen de nadruk te leggen op de lokale binding. Onder maatschappelijke organisaties vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd.

Sociale ondernemingen, dat wil zeggen bedrijven die ook een maatschappelijke of ecologische missie nastreven, kunnen daar ook onder vallen als zij een lokale binding

8

hebben. Ondernemers in algemene zin echter niet. Er moet een maatschappelijke component zijn. Er kan bij maatschappelijke organisaties onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, dorps-, buurt- of wijkcomités en inwonerscollectieven. Overheidsparticipatie: Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonersparticipatie en omvat alle vormen van participatie waarbij inwoners en maatschappelijke organisaties het initiatief nemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder overheidsparticipatie valt ook het uitdaagrecht. Participatie: Omdat insteek van de verordening is zowel inwonersparticipatie als overheidsparticipatie te omarmen en te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip voor inwoners- en overheidsparticipatie opgenomen. Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke organisaties ligt. De samenwerking staat voorop. Participatievisie: In deze verordening wordt veelvuldig verwezen naar de Participatievisie. Deze visie bevat de handvatten voor de uitvoering. De verordening moet altijd in het licht van de Participatievisie worden gelezen. Toegankelijk: Toegankelijkheid van processen en informatie geldt als een belangrijke basis van participatie.

Het is de bedoeling dat iedere inwoner van de gemeente kan participeren. Uitdaagrecht: Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke organisaties een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen.

Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten Dit hoofdstuk bevat de kaders en uitgangspunten die in het algemeen voor alle vormen van participatie gelden. Dit omvat zowel inwonersparticipatie, waaronder ook inspraak, als overheidsparticipatie, waaronder ook het uitdaagrecht. Artikel 2. Doelstelling Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke organisaties, bestuursorganen en beleidsmedewerkers. Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat organisaties over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het doel van de verordening zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt een kader bij het maken van die keuzes. De doelstelling is in lijn met de visie zoals deze is vastgesteld in de Participatievisie van de gemeente Rucphen.

9

Artikel 3. Reikwijdte Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of participatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht. Hier is aan toegevoegd dat bij het vaststellen of wijzigen van bepaalde kerninstrumenten uit de Omgevingswet, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s ook zoveel mogelijk de verordening wordt gevolgd. Dit om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat, voor zover de toepassing van de verordening op grond van de Omgevingswet niet uitgesloten of beperkt is (zie de passage over participatie bij omgevingsvergunningen in het algemeen deel van de toelichting), deze verordening leidend is. Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, maar ook als er voor het bestuursorgaan heel weinig ruimte is gelaten om (beleids-)keuzes te maken of als het interne en bestuurlijke aangelegenheden van de gemeente betreft. In die gevallen heeft participatie geen toegevoegde waarde.

Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een acute situatie die om direct optreden van het bestuursorgaan vraagt. Ook met de uitzonderingsgrond onder h. moet terughoudend worden omgegaan. Het belang dat een participant beoogt, kan ook een algemeen belang zijn, zonder dat hij belanghebbende zou zijn volgens de Awb, maar waarbij participatie van toegevoegde waarde is. Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van participatie wordt afgezien, dan moet dat worden toegelicht. De uitzonderingsgrond spoedeisendheid moet terughoudend worden toegepast.

Hoofdstuk 3 – Participatie

§1 Inwonersparticipatie Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van inwonersparticipatie. Artikel 4. Plan voor Participatie In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een plan voor de participatie moet opstellen. Het plan voor participatie geeft inzicht in doel, proces en vorm van de participatie en is gebaseerd op de Participatievisie van de gemeente Rucphen. Het participatieplan is een hulpmiddel bij de voorbereiding van besluitvorming en heeft geen zelfstandig besluitkarakter in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit plan zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de participatie. Benadrukt is dat het plan in lijn moet zijn met het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid. Verder zijn de elementen

10

opgenomen die in ieder geval in het stappenplan participatie van de Rucphense participatieaanpak moeten staan. Het plan kan in overleg met inwoners en maatschappelijke organisaties worden opgesteld. Wat betreft de te kiezen vorm van participatie is aangesloten bij het participatiepalet zoals deze is opgenomen in de Participatievisie van de gemeente Rucphen. Vormen van participatie kunnen worden gemengd tot een proces dat werkt. Meedenken, adviseren, samenwerken en meebeslissen en in geval van overheidsparticipatie, zelfsturing zijn geen stappen, maar kleuren op het participatiepalet. Je kunt de kleuren ofwel de “vormen” combineren, afstemmen op de context, en zorgvuldig kiezen wat het beste past. De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het plan zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat. Artikel 5. Inspraak Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen. Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast. Artikel 6. Eindverslag inwonersparticipatie Het bestuursorgaan moet een eindverslag van de inwonersparticipatie opstellen dat een compleet overzicht geeft van het inwonersparticipatieproces. In het verslag moeten in elk geval het proces, de reacties en de uitkomsten van de participatie worden beschreven. Het is bijvoorbeeld genoeg om kort te beschrijven wat mensen hebben gezegd en wie dat heeft gedaan.

In de eindfase van de participatie moet het bestuursorgaan ook laten weten wat er met de uitkomsten van de participatie is gedaan. Het eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd het eindverslag toe te sturen. Als dat mogelijk is, is het raadzaam om de deelnemers van het participatietraject ook bij het opstellen van het

11

eindverslag te betrekken. Het eindverslag wordt openbaar gemaakt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het verslag zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat.

§2 Overheidsparticipatie Dit hoofdstuk bevat specifieke bepalingen met betrekking tot overheidsparticipatie. Artikel 7. Verzoek om overheidsparticipatie Overheidsparticipatie begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt. In het verzoek moet in ieder geval de overheidsparticipatie beschreven worden die de indiener voor ogen heeft, de reden waarom de indiener dit voor ogen heeft en het resultaat dat de indiener wil bereiken. Daarbij levert de indiener ook specifieke informatie aan met betrekking tot de uitvoering van de over te nemen taak. Denk bijvoorbeeld aan informatie over de kosten of andere middelen die daarmee gemoeid zijn. Dit moet het indienen van een verzoek om overheidsparticipatie vergemakkelijken. Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat. Het indienen van een verzoek om overheidsparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht verplicht het college niet tot honorering van het verzoek.

Het verzoek wordt beoordeeld door het college volgens het stappenplan en afwegingskader ‘initiatieven vanuit de samenleving’ zoals dat in de Participatievisie is opgenomen en maakt daarbij een integrale afweging van belangen, uitvoerbaarheid, kosten en wettelijke randvoorwaarden.

Artikel 8. Uitdaagrecht Art. 7 is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen

Artikel 9. Nadere regels college Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken. Dit betreft nadrukkelijk de uitvoering van deze regels. Artikel 10. Hardheidsclausule Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel nadrukkelijk onderbouwen waarom het afwijkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16491847/1