08b TAM-omgevingsplan St. Willebrord Fazantendonk Bijlage 4 bij toelichting - archeologi
Tekst van het document
Rapport 6790
FAZANTENDONK, SINT WILLEBRORD B. Verleijsdonk & R.M. van der Zee
Fazantendonk te St. Willebrord, gemeente Rucphen Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
B. Verleijsdonk & R.M. van der Zee
Colofon ADC Rapport 6790 Fazantendonk te St. Willebrord, gemeente Rucphen Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek Auteurs: B. Verleijsdonk & R.M. van der Zee In opdracht van: Aveco de Bondt © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 25 maart 2026 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status rapportage: Definitief Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Autorisatie: G.P.A.M. Nieuwlaat
ISSN 1875-1067
ADC ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort Tel. 033-299 81 81 E-mail info@archeologie.nl
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Bureauonderzoek 2.1 Doelstelling en vraagstelling 2.2 Methode 2.3 Resultaten 2.4 Gespecificeerde verwachting en conclusie 3 Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Verkennend booronderzoek: doel- en vraagstelling 3.2 Methode 3.3 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.4 Conclusies 4 Aanbeveling Literatuur Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen en tabellen Bijlagen
5 7 10 10 10 10 34 35 35 35 36 38 40 41 43 44 45
Tabel 1. Overzicht van de verschillende perioden
Samenvatting In opdracht van Aveco de Bondt heeft ADC ArcheoProjecten in november 2025 en februari 2026 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de locatie Fazantendonk te St. Willebrord, gemeente Rucphen. De aanleiding voor het onderzoek is voorgenomen woningbouw op onderhavige locatie. Voor deze ontwikkeling is een nieuw omgevingsplan nodig. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt op een terrasafzettingswelving en is door de enigszins hogere ligging relatief laat, waarschijnlijk vanaf omstreeks de jaartelling, met veen bedekt geraak. Rekening houdend met deze situatie en het ontbreken van een duidelijke gradiëntzone geldt een middelhoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum t/m IJzertijd en een lage verwachting voor resten uit de periode Romeinse tijd t/m Vroege Middeleeuwen. Voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd geldt onder meer op basis van archeologische waarnemingen in de directe omgeving een hoge verwachting. Omdat resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum zich vaak relatief ondiep in de natuurlijke ondergrond bevinden, is het aannemelijk dat deze resten zijn verstoord door turfwinning en landbouwactiviteiten.
Het vondstenniveau uit het Neolithicum t/m IJzertijd wordt verwacht onderin een landbouwdek. Grondsporen zullen zich in de top van het onderliggende dekzand aftekenen. Resten uit de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd kunnen direct onder de bouwvoor voorkomen en eveneens tot in de top van het onderliggende dekzand reiken. Om bovenstaande verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt dat de ondergrond wordt gevormd door uiterst fijn dekzand met enkele leemlagen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Het dekzand wordt in de boringen 1, 2 en 5 afgedekt door een 65 tot 135 cm dik antropogeen bewerkt pakket bestaande uit matig humeus zand (Ap-horizont). Dit pakket is vermoedelijk ontstaan door bodembewerking in het kader van de landbouw, maar zal gezien de aanwezigheid van zandbrokken verstoord zijn geraakt bij de aanleg van de woonwijk en het sportcomplex in de jaren zeven of tachtig van de vorige eeuw. In de boringen 3 en 4, waar het humushoudende zandpakket ontbreekt, gaat het onverstoorde dekzand direct over in een heterogeen zandpakket dat te relateren is aan de aanleg en sloop van het in het plangebied aanwezige sportcomplex, in het bijzonder de sporthal. In vier van de vijf de boringen zijn in de top van het dekzand geen sporen van een podzolbodem of een oude akkerlaag aangetroffen.
In één boring (boring 4) lijkt nog een deel van een podzolbodem bewaard te zijn. Aangezien de oorspronkelijke top van het dekzand veelal is opgenomen in de bovenliggende pakketten en de huidige top van het onverstoorde dekzand relatief laag ligt ten opzichte van het sporenniveau dat bij het in 2017 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek aan de Vosdonkseweg is vastgesteld, wordt de kans op de aanwezigheid van een intacte vindplaats als klein inschat. Hooguit kan het onderste deel van diep ingegraven grondsporen nog bewaard zijn gebleven. Daarbij zal het waarschijnlijk gaan om een voortzetting van sporen van landbouwactiviteiten uit de Nieuwe tijd A/B die bij eerdere onderzoeken zijn aangetroffen. De middelhoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum t/m IJzertijd en hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd dient daarom op basis van het veldonderzoek naar een lage verwachting te worden bijgesteld. De lage verwachting voor de overige perioden dient te worden gehandhaafd. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen.
Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Rucphen. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
5
Afb. 1.
Locatie van het plangebied.
6
1
Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van Aveco de Bondt heeft ADC ArcheoProjecten in november 2025 en februari 2026 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de locatie Fazantendonk te St. Willebrord, gemeente Rucphen (afb. en 2). De aanleiding voor het onderzoek is voorgenomen woningbouw op onderhavige locatie. Voor deze ontwikkeling is een nieuw omgevingsplan nodig.
Afb. 2.
Detailkaart van het plangebied
Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. De Omgevingswet brengt regelgeving over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water samen in één wettelijk stelsel. De wet vormt daarmee de basis voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In deze wet zijn de bestemmingsplannen vervangen door een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente en is ook de beheersverordening uit de Wet ruimtelijke ordening opgenomen.
7
Afb. 3.
Plangebied op een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen (naar Timmermans et al. 2019)
Bij een nieuw omgevingsplan is de archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen 1 leidend bij het vaststellen van de onderzoeksplicht (afb. 3). Op de deze kaart rust op het grootste deel van het plangebied Waarde-Archeologie 2 (WA2). Deze beleidscategorie is gekoppeld aan bekende vindplaatsen, historische kernen en gebieden met een hoge verwachting voor jagerverzamelaars’. Hier gelden vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 50 cm -mv. Op de noordwesthoek van het plangebied rust Waarde-Archeologie 4 (WA4). Deze beleidscategorie is gekoppeld aan gebieden met een middelhoge verwachting. Hier gelden vrijstellingsgrenzen van 1.000 m2 en 50 cm -mv. Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling de vrijstellingsgrenzen (naar verwachting) worden overschreden, dient de initiatiefnemer in het kader van het omgevingsplan een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden. In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.2). 2 De gemeente Rucphen heeft aanvullende richtlijnen vastgesteld. Behalve de protocollen van de vigerende KNA zijn de uitvoeringskaders van Programmabureau RWB gevolgd.
Deze bestaan uit het raadplegen van
1
Timmermans et al. 2019.
2
SIKB 2022.
8
gebiedsspecifieke literatuur en het voorafgaand aan het inventariserend veldonderzoek toetsen van het Plan van Aanpak. De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: opdrachtgever:
Aveco de Bondt De heer T. van Baast Boschstraat 35 4811 GB Breda Tel.: 06-839 13 396 E-mail: tvbaast@avecodebondt.nl Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek woningbouw Fazantendonk ongenummerd St. Willebrord Rucphen Noord-Brabant gemeente Rucphen sectie D nummer 8816, 8817 9272 (alle gedeeltelijk) 50A (1:25.000) 5040 m2 NW: 99.749 / 395.114 ZO: 99.855 / 395.075 NO: 99.849 / 395.104 ZW: 99.769 / 395.031 gemeente Rucphen postbus 9 4715 ZG Rucphen tel.: 0165 - 349 500 regioarcheologen Regio West-Brabant postbus 503 4870 AM Etten-Leur tel.: 076 – 502 72 29 e-mail: regioarcheologie@west-brabant.eu ja (17 maart 2026) 5886599001 003714 B. Verleijsdonk & R.M. van der Zee n.v.t. G.P.A.M. Nieuwlaat november 2025 en februari 2026 ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort
fasen AMZ-cyclus:
aanleiding: locatie: plaats: gemeente: provincie: kadastrale gegevens: kaartblad: oppervlakte plangebied: coördinaten:
bevoegde overheid met contactgegevens:
deskundige namens de bevoegde overheid met contactgegevens:
goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archis-zaaknummer: ADC-projectcode: auteurs: projectmedewerker(s): autorisatie: periode van uitvoering: beheer en plaats documentatie:
9
2
Bureauonderzoek 2.1
Doelstelling en vraagstelling
Het bureauonderzoek vormt de eerste stap in het vaststellen van de archeologische waarde van het gebied. Het doel van bureauonderzoek is het aan de hand van bestaande bronnen verwerven van informatie over bekende en/of verwachte archeologische waarden in het plangebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: - Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting? - Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?
2.2
Methode
Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.2 Landbodems, protocol 4002 Bureauonderzoek en de richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de regio West-Brabant (versie 1 mei 2024). Tijdens het bureauonderzoek worden diverse bronnen geraadpleegd, op basis waarvan een gespecificeerde archeologische verwachting wordt opgesteld. Deze kan worden beschouwd als de conclusie van het bureauonderzoek, omdat hierin wordt aangegeven of archeologische waarden in het plangebied worden verwacht. Als dit het geval is, zal zo mogelijk de aard, de omvang, de diepteligging en de datering van deze waarden worden beschreven. Indien relevant zal de omvang worden weergegeven op een kaart.
2.3
Resultaten
2.3.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied, beschrijving huidig gebruik en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van St. Willebrord (afb. 1 en 2). De locatie is kadastraal bekend als gemeente Rucphen sectie D nummer 8816, 8817 en 9556 (alle gedeeltelijk) en wordt aan de noordzijde begrensd door de openbare weg (Fazantendonk) en door achtererven van woningen (Fazantendonk 25 t/m 37 oneven), aan de zuidzijde door een geluidsmuur langs de Vosdonkseweg en de westzijde eveneens door achtererven van woningen (Fazantendonk 22, 24, 32 en 34). De oostzijde is niet fysiek begrensd. De totale omvang van het plangebied bedraagt 5040 m2.
10
Afb. 4.
Plangebied geprojecteerd op een recente luchtfoto
Afb. 5.
Foto van het plangebied genomen in noordoostelijke richting
11
Het noordwestelijk deel van het plangebied wordt gevormd door een plantsoen bestaande uit een grasveld en bosschages (afb. 4 en 5). Het overige deel is sinds de sloop van de sporthal van tennisclub Rico in 2017 braakliggend.
Afb. 6.
Doorsnede van de sporthal die tot 2017 in het plangebied heeft gestaan
Ten behoeve van inzicht in eventuele verstoringen is bij het West-Brabants Archief (WBA) 3 het bouwdossier opgevraagd. Uit de tekeningen komt naar voren dat de sporthal was gefundeerd op betonnen poeren met een omvang van 400 x 750 mm en dat deze op 1000 mm -peil waren aangelegd (afb. 6). Een luchtfoto uit 2005 geeft een overzicht van de situatie in het plangebied ten tijde van het gebruik als sportterrein (afb. 7).
Afb. 7.
Luchtfoto van het plangebied ten tijde van het gebruik als sportterrein (opnamedatum: 9 juni 2005) 4
In oktober 2025 is in het plangebied door Milon een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. 5 Op basis van de uitgevoerde onderzoeken werden zowel in de grond als in het
3
https://westbrabantsarchief.nl/
4
https://westbrabantsarchief.nl/
5
Verkennend bodem- en asbestonderzoek Fazantendonk te Sint Willebrord Kadastrale gegevens: gemeente Rucphen, sectie
D, nummers 8816 (ged.), 8817 (ged.) en 9272 (ged.), Milon projectnummer 20251798 21 oktober 2025.
12
grondwater geen verhoogde waarden aangetoond. Tevens werden geen asbestgehalten boven de grenswaarde voor een nader asbestonderzoek aangetoond. In het kader van het onderzoek zijn gegevens met betrekking tot de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen opgevraagd bij het KLIC. 6 Uit de ontvangen gegevens blijkt deze in het noordwestelijk deel en langs de randen aanwezig zijn. Van het plangebied zelf zijn onvoldoende archeologische en aardkundige gegevens beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over de archeologische verwachting. Daarom zijn tevens gegevens betrokken uit de directe omgeving, waarmee het onderzoeksgebied kan worden gedefinieerd als het gebied binnen een straal van circa 300 m rondom het plangebied. De begrenzing van deze zone is gebaseerd op het gegeven dat hierbinnen sprake is van voldoende informatie om een uitspraak te doen over de archeologische verwachting die representatief is voor het plangebied.
Afb. 8.
Verkavelingstekening
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de bouw van woningen (voor de toekomstige situatie zie afb. 8). In het concept-stedenbouwkundig plan wordt uitgegaan van verschillende soorten woningen (twee-onder-één-kapwoningen en rijtjeswoningen met bijbehorende bergingen). Informatie over de funderingsconstructies en aanlegdieptes is in dit stadium nog niet voorhanden. De consequentie van de voorgenomen ontwikkeling kan zijn dat eventuele aanwezige waardevolle archeologische resten in de ondergrond worden aangetast.
6
meldnummer 26G0098592.
13
2.3.2 Beschrijving van de aardwetenschappelijke waarden De volgende aardwetenschappelijke informatie is bekend van het plangebied: Tabel 2. Aardwetenschappelijke informatie in het plangebied Bron
Informatie
Geologische kaart 2021 (afb. 9) 7
Formatie van Stramproy; afzettingen van middenBelgische rivieren, overwegend zandig (kaartcode SY)
Geomorfologische kaart, schaal 1:50.000
niet geclassificeerd, aangrenzende eenheid:
(afb. 10) 8
terrasafzettingswelvingen al dan niet bedekt of opgevuld met dekzand (kaartcode: 3L41d)
Bodemkaart, schaal 1:50.000 (afb. 11) 9
Laarpodzolgronden ontwikkeld in leemarm en zwak lemig fijn zand (bodemcode: cHn21)
Actueel Hoogtebestand Nederland
circa 9,8 tot 10,0 m +NAP
(AHN4; afb. 12) 10 Grondwatertrap 11
7
https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen
8
BRO 2023.
9
BRO 2023.
10
https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer
11
https://www.broloket.nl/ondergrondmodellen/kaart
VIId
14
Afb. 9.
12
Plangebied op een uitsnede van de Geologische kaart 2021 12
https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen
15
Afb. 10. Plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische kaart, schaal 1:50.000 13
13
BRO 2023.
16
Afb. 11. Plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart, schaal 1:50.000 14
14
BRO 2023.
17
Afb. 12. Plangebied geprojecteerd op een hoogtebeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) Geologie en geomorfologie Het plangebied is gelegen in het zuidelijk zandgebied, ter plaatse van een tektonisch opheffingsgebied, namelijk de Kempische horst. Hier komen oude afzettingen relatief dicht aan de oppervlakte voor. Het gaat om vroegpleistocene eolische afzettingen en afzettingen van kleine rivieren en beken behorende tot de Formatie van Stramproy. Deze afzettingen zijn overwegend fijnzandig, met organische lagen, leemlagen en kleilagen. Het brongebied van de sedimenten zijn stroomgebieden uit België. 15 Ondanks dat op de Geologische kaart 2021 (afb. 9) is aangegeven dat de Formatie van Stramproy aan het oppervlakte ligt, zullen deze naar verwachting zijn bedekt met dekzand. Dekzand is een tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (116 tot 11,7 ka BP 16), gevormde windafzetting
15
Stouthamer et al. 2015.
16
Kiloannum before present
18
(Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). In de dekzandafzettingen zijn meerdere fasen te onderscheiden die samenhangen met klimaatwisselingen in het Weichselien. Geologische boringen in het gebied suggereren dat er ten hoogte van het plangebied een dekzandpakket tussen 1,4 en 2,6 m bovenop de sedimenten van de Formatie van Stramproy is afgezet. 17 Tijdens het Vroeg-Weichselien (laat MIS 18 5, ca. 110 tot 70 ka BP) was afwisselend sprake van klimaatafkoeling en klimaatopwarming. Dit heeft een sterke invloed gehad op de vegetatieontwikkeling gedurende deze periode. Tijdens het Brörup- (MIS 5c) en Odderadeinterstadiaal (MIS 5a) was er bebossing, terwijl er tijdens Herning- (MIS 5d) en Rederstall-stadiaal (MIS 5b) het toendra/steppevegetatie was. Bij de interpretatie van pollendiagrammen wordt er vanuit gegaan dat deze vegetatieafwisseling min of meer synchroon verliep over heel Europa. 19 Door de afwisselende aanwezigheid van naald- en loofbossen en steppe- en toendravegetatie hebben zandverstuivingen gedurende deze periode slechts een lokaal karakter. Het landschap veranderde gedurende het Pleniglaciaal (Midden-Weichselien, ca. 70 tot 14,65 ka BP). Gedurende deze periode daalde de temperaturen verder. Nederland raakte in deze periode niet met landijs bedekt.
Wel was er een poolwoestijnlandschap waarin de vegetatie vrijwel was verdwenen, waardoor door de wind veel bodemateriaal verplaatst kon worden. Gedurende deze periode werd in Nederland dan ook het meest wijdverbreid dekzand afgezet. Door sneeuwsmeltwater traden tevens uitgebreide verspoelingen op. Deze afzettingen bestaan uit min of meer gelaagde zanden, al dan niet met leemlagen en/of planten- en houtresten. Dit wordt ook wel ‘Oud Dekzand’ genoemd. Gedurende deze periode was er ook veel rivierenactiviteit in het gebied. Dit heeft geleid tot de vorming van terrasafzettingswelvingen (afb. 10), waarvan het ontstaan moeilijk is te verklaren. Deze zijn later bedekt met dekzand. De zone bij het plangebied is geomorfologisch niet gekarteerd vanwege bebouwing. Op basis van extrapolatie en andere geologische gegevens valt op te maken dat het plangebied ook in een zone ligt met terrasafzettingswelvingen. In het Laat-Glaciaal (Laat-Weichselien, ca. 14, 65 tot 11,7 ka BP) werd opnieuw op grote schaal dekzand gevormd. Het is afgezet in de vorm van vrij hoge ruggen en koppen. De goed gesorteerde, weinig gelaagde afzettingen worden ook wel ‘Jong Dekzand’ genoemd en vormen vrijwel overal het huidige oppervlak. De dikte is veelal minder dan 1 m; naar beneden gaat het met een onscherpe grens over in het Oud Dekzand.
In het Jong Dekzand kunnen soms sporen van bodemvorming uit het Allerød (14,65 – 12,85 ka BP), een warme periode binnen het Laat-Glaciaal die archeologisch gezien samenvalt met het Laat-Paleolithicum, worden aangetroffen. 20 Deze manifesteren zich als een grijswitte laag met houtskoolresten en wordt ook wel de Laag van Usselo genoemd. Aan het eind van het Weichselien en in het begin van het Holoceen, het huidige geologische tijdvak (11,7 ka BP tot heden), namen de temperaturen toe. De gunstigere klimatologisch gunstigere omstandigheden leidden tot een toename in bodemstabiliserende vegetatie, waardoor de verplaatsing van zand door de wind steeds minder werd en het zachtglooiende dekzandreliëf gefixeerd raakte. Door het geleidelijk vochtiger worden van het klimaat steeg de grondwaterspiegel. Daardoor werden op lage plekken met een stagnerende waterafvoer en in beekdalen de omstandigheden gunstig voor veenvorming. Uit paleogeografische kaarten van de gemeente Ruchpen 21 is af te leiden dat de veengroei aanvankelijk beperkt bleef tot de laagtes ten noorden en oosten van het plangebied en zich vandaaruit sterk uitbreidde. Op de kaart die de situatie van 500 v.C. weergeeft, is het plangebied nog niet bedekt met veen, maar op de kaart die situatie van 500 n.C. weergeeft is 17
https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen, geologische boringen B49F1025, B49F1078, B49F1080 en B50A0816.
18
Marine isotope stage.
19
E.g. de Beaulieu & Reille 1984.
20
Teunissen van Manen 1985.
21
Timmermans et al. 2019.
19
dit wel het geval. Op grond van deze verandering is het aannemelijk dat het plangebied vanaf omstreeks de jaartelling met veen bedekt was. Vanaf het begin van de Late Middeleeuwen werden de veengebieden op grote schaal afgegraven voor de turfwinning. 22 Deze ontwikkeling was ingegeven door de sterke vraag naar brandstof, die nodig was voor de groeiende bevolking en nijverheid in de Vlaamse en later ook Hollandse steden. In de loop der eeuwen werden steeds meer veengebieden ontgonnen. Gedurende deze periode is er geen bewoning bekend ter plaatse van het huidige St. Willebrord. Als gevolg van de turfwinning kwam het dekzand weer aan de oppervlakte te liggen en werden ze voor de landbouw in gebruik genomen. In de Turfdatabank 23 maken deze gronden deel uit van de eenheid ‘agrarische ontginning en turfwinning’. Bodem Op de Bodemkaart schaal 1:50.000 24 ligt het plangebied in een zone waar laarpodzolgronden ontwikkeld in leemarm en zwak lemig fijn zand (bodemcode: cHn21) zijn gekarteerd (afb. 11). Deze gronden hebben een mestdek van 30 à 50 cm dikte, dat evenals bij enkeerdgronden door plaggenbemesting is ontstaan. Ze worden kenmerkt door een bepaald type inspoelingshorizont, een zogenoemde humuspodzol-B. Op hoogtebeelden van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) zijn in het plangebied geen aanwijzingen voor afgravingen te ontwaren (afb. 12).
Het maaiveld kent geen of nauwelijks hoogteverschillen, met uitzondering van de westrand die duidelijk hoger ligt. Hier bevindt zich een aarden wal. De BRO Grondwaterspiegeldiepte 2025-01 25 geeft een indicatie van de absolute grondwaterspiegel en de fluctuatie daarvan. Het plangebied ligt in een zone die vanwege bebouwing niet gekarteerd is. De omgeving is daarentegen wel deels gekarteerd en heeft grondwatertrap VIId. In deze klasse bedraagt de gemiddeld kleinste diepte (GLG) 80-140 cm -mv en de gemiddeld grootste diepte (GHG) dieper dan 180 cm -mv. 2.3.3 Beschrijving van bekende archeologische waarden waarden- en verwachtingskaarten In 2011 heeft de gemeente Rucphen een eigen archeologische waarden- en verwachtingskaart en een archeologische beleidskaart te laten opstellen, gekoppeld aan een archeologisch onderzoeksregime. 26 In 2019 zijn deze kaarten geactualiseerd en zijn tevens periode-specifieke verwachtingskaarten vervaardigd. 27 Op de geactualiseerde waarden- en verwachtingskaart (alle perioden) ligt het plangebied in een zone die is aangeduid als ‘hoge verwachting of bekende vindplaats’ (afb. 13). Op de verwachtingskaart voor jager-verzamelaars ligt het in een zone die is aangeduid als ‘vindplaatsen niet uitgesloten (droog, maar geen gradiëntzone).
Op zowel de verwachtingskaart voor landbouwers als de verwachtingskaart voor de staatse tijd ligt het plangebied in een zone met een middelhoge kans op vindplaatsen (met toevoeging van respectievelijk ‘geleidelijk met veen bedekt’ en ‘dun veendek’). Op laatst genoemde kaart is tevens een vindplaats aangegeven (staatsetijd-beakkering).
22
Groot & Wilbers 2011.
23
https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html
24
BRO 2023.
25
https://www.broloket.nl/ondergrondmodellen/kaart
26
Groot & Wilbers 2011.
27
Timmermans et al. 2019.
20
Afb. 13. Plangebied op een uitsnede van de gecombineerde archeologische waarden- en verwachtingskaart (alle perioden; naar Timmermans et al. 2019) Op de Archeologische MonumentenKaart (AMK 2014) 28 maakt het plangebied geen deel uit van een behoudenswaardig archeologisch terrein. Ook maakt het geen deel uit van een rijksmonument. In het onderzoeksgebied zijn dergelijke terreinen evenmin aanwezig. Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME1.2) 29 zijn in het onderzoeksgebied geen resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed aangegeven. 28
Sinds 2014 wordt de Archeologische Monumentenkaart niet meer bijgehouden door de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed. De huidige AMK moet daarom als een statisch bestand worden beschouwd. 29
https://www.ikme.nl
21
Afb. 14. Plangebied op een kaart met onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit Archis (RCE 2026) vondst- en onderzoeksmeldingen In het Archeologisch Informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Archis) zijn binnen het gedefinieerde onderzoeksgebied (straal van 300 m rondom het plangebied) een aantal archeologische onderzoeken en vondstlocaties geregistreerd (afb. 14; tabel 3 en 4). Hierbij valt het op dat in het onderzoeksgebied archeologische resten uit verschillende periodes voorkomen. Ook verschilt de mate van intactheid van de bodem. Voor het wegtracé direct ten zuiden van het plangebied is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd. 30 In de proefsleuf direct ten zuidwesten van het plangebied (werkput 15) kwamen geen sporen aan het licht (afb. 15). In de proefsleuf direct ten zuidoosten van het plangebied (werkput 16) werden greppels en een paalspoor aangetroffen, op basis waarvan een laatmiddeleeuwse vindplaats werd vermoed (afb. 16). 31 Uit een opgraving (zie onderzoeksmelding 4545204100) blijkt het echter om een vindplaats uit de Nieuwe tijd A/B te gaan. 32
30
Zie onderzoeksmelding 4027469100.
31
Koekkelkoren 2017.
32
Elsma 2017.
22
Afb. 15. Allesporenkaaart van werkput 15 (direct ten zuidwesten van het plangebied) 33
33
Koekkelkoren 2017.
23
Afb. 16. Allesporenkaaart van werkput 16 (direct ten zuidoosten van het plangebied) 34
34
Koekkelkoren 2017.
24
Tabel 3. Onderzoeksmeldingen en vondstlocaties in het onderzoeksgebied (Archis) Archis
Soort onderzoek
Resultaat
Advies
bureauonderzoek
Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het
inventariserend
onderzochte gebied veelal pleistocene
veldonderzoek in de
afzettingen aan het oppervlak liggen. Het
vorm van een
gaat om dekzandvlaktes, terrasafzettingen,
verkennend/karterend
dekzandruggen en beekdalen. Verder is er
booronderzoek voor
veen in het gebied ontgonnen. Dit heeft
gebieden met een
geleid tot de verstoring van eventuele
middelhoge tot hoge
archeologische waarden van de IJzertijd –
verwachting en
onderzoeksmelding 2200731100 35 (toponiem: N638)
Vroege Middeleeuwen. Voor hogere gelegen vrijgave voor gebieden gebieden in het landschap geldt een hoge
met een lage
verwachting voor resten uit de periode Laat- verwachting Paleolithicum – Neolithicum. In de nu bebouwde delen wordt een middelhoge tot hoge verwachting voor resten uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd gesuggereerd. 2358845100 36
bureauonderzoek
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het inventariserend
(toponiem: Nijverhei en inventariserend onderzochte gebied waarschijnlijk is gelegen veldonderzoek door N638; direct ten
veldonderzoek
op terrasafzettingswelvingen afgedekt met
middel van
zuiden van het
(verkennend
dekzand. Op de archeologische
proefsleuven (IVO-P)
plangebied)
booronderzoek)
verwachtingskaart van de gemeente Rucphen is deze zone een hoge archeologische waarde toegekend. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn dan ook intacte bodems aangetroffen die mogelijk archeologische resten kunnen bevatten.
2471394100 37
bureauonderzoek
(toponiem:
en inventariserend onderzochte locatie is gelegen op een
Koekoekstraat
veldonderzoek
Uit het bureauonderzoek blijkt dat
inventariserend veldonderzoek door
dekzandplateau aan de rand van een
middel van
ongenummerd naast (verkennend
voormalig veenontginningsgebied. In dit
proefsleuven (IVO-P)
nummer 74; circa 75 booronderzoek)
soort gebieden kunnen resten voorkomen uit
m ten zuidwesten
de periode Laat-Paleolithicum – Vroege
van het plangebied)
IJzertijd. De kans op resten vanaf de Midden-IJzertijd klein is vanwege de ongunstige waterhuishouding en de daarmee samenhangende veenvorming in het gebied. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw nog grotendeels intact is. De verwachting voor resten uit het LaatPaleolithicum – Vroege IJzertijd kan dus worden gehandhaafd.
4574802100 38
inventariserend
Op basis van eerder onderzoek (zie
(toponiem:
veldonderzoek
onderzoeksmelding 2471394100) zijn hier
Koekoekstraat
door middel van
proefsleuven gezet. Hierbij zijn geen sporen
ongenummerd naast proefsleuven
uit het Mesolithicum – Midden-IJzertijd
nummer 74; circa 75
aangetroffen. Wel zijn er sporen uit de
m ten zuidwesten
Nieuwe tijd aangetroffen. De vindplaats werd
van het plangebied)
als niet-behoudenswaardig aangemerkt.
35
Brokke 2014.
36
Moerman 2014.
37
Van der Zee 2015.
38
Mol 2018.
25
vrijgave
Archis
Soort onderzoek
Resultaat
Advies
inventariserend
In het totaal zijn 16 proefsleuven gezet in het vervolgonderzoek voor
veldonderzoek
gebied waar gepland wordt om een nieuwe
bronstijd- en
weg aan te leggen. Hierbij zijn twee
laatmiddeleeuwse
onderzoeksmelding 4027469100 39
(toponiem: verlengde door middel van Helakkerstraat en
proefsleuven (IVO- vindplaatsen aangetroffen. Het gaat om een vindplaatsen
verlengde
P)
bronstijdvindplaats in werkput 11 en een
aangetroffen in
Vosdonkseweg;
laatmiddeleeuwse vindplaats in werkput 16.
werkput 11 en 16
direct ten zuiden van
Beide vindplaatsen liggen op de
respectievelijk in
het plangebied)
Vosdonkseweg. Werkput 16 (de
bijvoorbeeld de vorm
laatmiddeleeuwse vindplaats) ligt in het
van een uitbreiding
huidige plangebied (i.e. Fazantendonk
van het proefsleuven-
ongenummerd). Het gaat om greppels die in onderzoek en vrijgave de Late Middeleeuwen kunnen worden
van het overige deel
gedateerd. Momenteel is het onduidelijk of deze greppels bij een huisplaats of agrarisch complex behoren. Een paalspoor uit dezelfde of een eerdere periode wijst mogelijk op oudere bebouwing, maar in de werkput was geen structuur zichtbaar om het spoor aan te koppelen. 4036354100 en
bureauonderzoek
4036362100 40
en inventariserend onderzochte terrein op een verveend
(toponiem:
veldonderzoek
dekzandplateau ligt. Door de vervening is
Vosdonkseweg;
(verkennend
het archeologisch bodemprofiel aangetast.
circa 60 m ten
booronderzoek)
Aan het terrein is daarom een lage
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het
oosten van het
archeologische verwachting toegekend voor
plangebied)
resten uit de periode Laat-Paleolithicum –
vrijgave
Mesolithicum, een hoge archeologische verwachting voor resten uit de periode Neolithicum – Midden-Bronstijd, een lage verwachting voor resten uit de periode Late Bronstijd – Vroege Middeleeuwen, en wederom een hoge verwachting voor resten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Uit het booronderzoek blijkt echter dat het bodemprofiel is verstoord. Resten kunnen dus niet meer in situ worden aangetroffen. Dusdanig is de verwachting voor alle periodes bijgesteld naar laag. 4039198100 41
Uit het bureauonderzoek blijkt dat de
vrijgave voor het
(toponiem:
onderzochte locatie is gelegen op dekzand
noordelijk deel,
Noorderstraat 95;
dat gedurende de IJzer- of Bronstijd bedekt
inventariserend
circa 30 m ten
was geraakt met veen. Door de vervening in veldonderzoek door
zuiden van het
de Late Middeleeuwen worden er uit de
middel van
plangebied)
periode van veenvorming geen
proefsleuven ten
archeologische resten verwacht. Ook de
plaatse van de
kans op resten uit de Late Middeleeuwen en bouwvlakken en Nieuwe tijd wordt laag geacht gebaseerd op behoud van historisch kaart materiaal. De kans op resten dubbelbestemming
39
Koekkelkoren 2017.
40
Stiekema 2017.
41
Verboom-Jansen 2017.
uit de periode Laat-Paleolithicum – IJzertijd
voor het overige deel
wordt wel hoog geacht. Ter plaatse van de
waar de verwachting
toekomstige bebouwing zijn boringen gezet
niet getoetst is.
26
Archis
Soort onderzoek
Resultaat
Advies
onderzoeksmelding om deze verwachting te toetsen. Hieruit blijkt dat het bodemprofiel dusdanig verstoord is dat de kans op resten voor de periode LaatPaleolithicum – Mesolithicum kan worden bijgesteld naar laag, met uitzondering van een plaats waar een intacte B-horizont is aangetroffen. Aangezien de verstoringen maar tussen 20 tot 80 cm -mv gaan is er nog wel een kans om grondsporen uit de periode Neolithicum – IJzertijd aan te treffen. De hoge verwachting voor deze periode kan dus worden gehandhaafd. 4545204100
42
Opgraving
Aan de hand van een eerder
(toponiem:
proefsleuvenonderzoek (zie
Vosdonkseweg;
onderzoeksmelding 4027469100) zijn de
direct ten zuide van
bronstijdvindplaats en laatmiddeleeuwse ter
het plangebied)
hoogte van Vosdonksweg opgegraven
-
(respectievelijk vindplaats 11 en vindplaats 16). Hieruit blijkt dat vindplaats 16 jonger is dan verwacht, en uit de Nieuwe tijd dateert. 5147797100 43
bureauonderzoek
(toponiem:
en inventariserend dekzand aangetroffen, met in de top
Nachtegaalstraat
veldonderzoek
plaatselijk resten van een podzolbodem.
e.o.; circa 30 m ten
(verkennend
Elders was de bodem verstoord/afgetopt tot proefsleuven (IVO-P),
noorden van het
booronderzoek)
in de C-horizont. Het oude (geploegde)
ter hoogte van
maaiveld is regelmatig afgedekt met een
Noorderstraat vrijgave
plangebied)
Tijdens het inventariserend veldonderzoek is inventariserend veldonderzoek door middel van
zandig ophogings-/egalisatiepakket. In de (geploegde) bovengrond in de top van het dekzand en in de opgebrachte grond zijn verschillende fragmenten bouwpuin en een fragment aardewerk uit de 19e eeuw aangetroffen. De vondsten zijn voornamelijk aangetroffen nabij de locaties van oude (boeren)erven aan de Rucphensestraat, langs de Nachtegaalstraat ter hoogte van de Duivenstraat en de Fazantendonk en bij de Noorderstraat. Ter hoogte van een plantsoen aan Noorderstraat komt een zeer diepe verstoring voor tot ver in de Chorizont. 5271620100 44
inventariserend
Tijdens dit proefsleuvenonderzoek zijn
(toponiem:
veldonderzoek
verschillende sporen uit de Nieuwe tijd
Nachtegaalstraat
door middel van
aangetroffen. Er zijn geen archeologische
e.o.; circa 30 m ten
proefsleuven
resten aangetroffen van oude periodes.
noorden van het
Hieruit blijkt dat er zich geen
plangebied)
behoudenswaardige vindplaatsen op dit
vrijgave
terrein bevinden. 5285967100 45
bureauonderzoek
Uit het bureauonderzoek blijkt dat de
en inventariserend ondergrond van de onderzochte locatie
42
Elsma 2017.
43
Kalisvaart & Houwman 2022.
44
Brouwer 2022.
45
Rap & de Wit 2023.
27
vrijgave
Archis
Soort onderzoek
Resultaat
Advies
veldonderzoek
bestaat uit terrasafzettingswelvingen bedekt
onderzoeksmelding (toponiem:
Noorderstraat; 50 m (verkennend
met dekzandglooiingen. Op basis van
ten zuidoosten van
eerdere onderzoeken wordt op de top van
booronderzoek)
het plangebied)
de terrasafzettingswelvingen geen archeologisch relevant niveau verwacht. Wel is er een hoge kans op archeologische resten in het dekzand. Vanwege de hogere ligging is het gebied niet bedekt geraakt met veen. Daarom geldt er een hoge verwachting voor de periode LaatPaleolithcum – Vroege Middeleeuwen. Ook geldt er een hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd door vondsten uit deze periode direct ten westen van de onderzochte locatie. Uit het verkennend booronderzoek blijkt echter dat de top van het dekzand tot ca. 65 cm -mv is verstoord. De kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische vindplaatsen is daarom klein.
Tabel 4. Archeologische vondstlocaties in het onderzoeksgebied Archis
Archis
Omschrijving
Datering 46
Op vindplaats zijn sporen gevonden die op basis van
LME – NT
onderzoeksmelding vondstlocatie 4027469100
1174671
aardewerk dateren in de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. De sporen kunnen tot niet nader te bepalen agrarische activiteiten worden gerekend en perceleringsgreppels. Verder zijn er enkele kuil- en
onbekend,
paalsporen aangetroffen die vermoedelijk dateren uit de vermoedelijk BT Bronstijd 4545204100
1155517
Op vindplaats 16 zijn 63 sporen gevonden die op basis NTA – NTB van aardewerk dateren in de Nieuwe tijd A/B. De sporen kunnen tot niet nader te bepalen agrarische activiteiten worden gerekend en perceleringsgreppels.
4574802100
46
1169083
Akkerlaag zonder vondsten bij vindplaats 11.
BT
Waterput/waterreservoir spoor
LME – NT
Bouwaardewerk en keramiek fragmenten
NT
Voor een verklaring van de afkortingen, zie tabel 1.
28
2.3.4 Beschrijving van de historische situatie, mogelijke verstoringen en bouwhistorische waarden Bewoningsgeschiedenis Het gronden ter plaatse het huidige Sint Willebrord werden in 1297 door de Heer van Breda uitgegeven ter vervening. In het uitgiftegebied Rucphen, waarin zich het plangebied bevindt, startte de turfwinning in 1357. 47 Omstreeks 1500 werden de turfafgravingen beëindigd. De goede gronden die hierna beschikbaar kwamen, werden voor de landbouw in gebruik genomen, terwijl de slechte gronden begroeid raakten met gagel (‘Gagelrijzen’) of met heide (‘Het Heike’). Als nederzetting komt Het Heike voor het eerst voor in 1636. In 1841 veranderde de naam in Sint Willebrord. Oude kaarten Tabel 5. Overzicht van de historische situatie Bron
Jaartal
Kadastrale minuut 48
1811-1832 perceel 714 (gedeeltelijk): hakhout
Historische situatie perceel 715 (gedeeltelijk): dennebosch percelen 716 en 720 (gedeeltelijk): bouwland
Topografische Militaire Kaart (TMK) 49 ~1850
onderdeel van rechthoekige percelen in gebruik als bouwland en weiland
Bonnekaart 50
1870
idem
Bonnekaart
1897
idem
Bonnekaart
1910
idem
Bonnekaart
1928
idem
Topografische kaart 51
1937
idem
Topografische kaart
1948
idem
Topografische kaart
1960
onderdeel van een groot perceel in gebruik als bouwland
Topografische kaart
1968
idem
Topografische kaart
1980
onderdeel van een groot perceel in gebruik als bouwland
Topografische kaart
1989
en glastuinbouw, woonwijk in aanleg sportcomplex, weg/parkeerterrein, bosschages en plantsoen Topografische kaart
1995
Topografische kaart
1998
idem
Topografische kaart
2004
idem
Topografische kaart
2010
idem
Topografische kaart
2015
idem
Topografische kaart
2018
braakliggend, plantsoen, doorgaande weg direct ten
Topografische kaart
2020-2024 grasland, bosschages en plantsoen, doorgaande weg
sportcomplex met groot gebouw (sporthal), weg/parkeerterrein, bosschages en plantsoen
zuiden van het plangebied (Vosdonkseweg) direct ten zuiden van het plangebied (Vosdonkseweg)
47
https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html
48
Kadaster 1811-1832.
49
Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 1990.
50
Bureau Militaire Verkenningen 1870, 1897, 1910 & 1928.
51
https://www.topotijdreis.nl
29
Afb. 17. Plangebied op een uitsnede van het minuutplan van de gemeente Rucphen en Vorenseinde (1811–1832) 52
52
Kadaster 1811-1832.
30
Afb. 18. Plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit 1980 53
53
https://www.topotijdreis.nl
31
Afb. 19. Plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit 1995 54
54
https://www.topotijdreis.nl
32
Afb. 20. Plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit 2018 55 Het oudst geraadpleegde kaartmateriaal, de kadastrale minuut van de gemeente Rucphen en Vorenseinde, komt uit 1811-1832 (afb. 17). Hierop is te zien dat het gebied ter hoogte van het plangebied nog niet bebouwd was. Het plangebied valt deels samen met de percelen 714, 715, 716, en 720. Volgens de oorspronkelijke aanwijzingstabel waren deze percelen destijds respectievelijk in gebruik als ‘hakhout’, ‘dennebosch’, ‘bouwland’, en ‘bouwland’. Gebieden die aangewezen worden als ‘bouwland’ op de kadastrale minuut hebben vaak een hogere ligging in het landschap. Dit komt overeen met hoogtebeelden van het AHN (afb. 12). De situatie blijft relatief onveranderd tot aan het eind van de 20e eeuw. Op de topografische kaart van 1980 (afb. 18) lijkt het gebied een andere bestemming te krijgen en wordt de Fazantendonk aangelegd. Op de topografische kaart van 1989 raakt het gebied bebouwd. Dit is in tegenspraak met het Basisregister Adressen en Gebouwen (BAG). 56 Volgens de BAG hebben namelijk alle gebouwen aan de Fazantendonk bouwjaar 1978. Op de topografische kaart van 1989 maakt het plangebied deel uit van een sportcomplex. Op de topografische kaart van 1995 (afb. 19) verschijnt in het plangebied een groot gebouw (sporthal).
Op de topografische kaart van 2018 is dit gebouw niet meer aanwezig en bevindt zich direct ten zuiden van het plangebied een doorgaande weg, de Vosdonkseweg (afb. 20). Het plangebied bestaat uit gras, bosschages en plantsoen, waarmee de huidige situatie ontstaat (afb. 4 en 5).
55
https://www.topotijdreis.nl
56
https://bagviewer.kadaster.nl/
33
2.4
Gespecificeerde verwachting en conclusie
De eerste, voor het bureauonderzoek opgestelde onderzoeksvraag “Zijn in het plangebied archeologische waarden aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting?” kan als volgt worden beantwoord: Het plangebied ligt op een terrasafzettingswelving en is door de enigszins hogere ligging relatief laat, waarschijnlijk vanaf omstreeks de jaartelling, met veen bedekt geraak. Rekening houdend met deze situatie en het ontbreken van een duidelijke gradiëntzone geldt een middelhoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum t/m IJzertijd en een lage verwachting voor resten uit de periode Romeinse tijd t/m Vroege Middeleeuwen. Voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd geldt onder meer op basis van archeologische waarnemingen in de directe omgeving een hoge verwachting. Omdat resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum zich vaak relatief ondiep in de natuurlijke ondergrond bevinden, is het aannemelijk dat deze resten zijn verstoord door turfwinning en landbouwactiviteiten. Het vondstenniveau uit de periode Neolithicum t/m IJzertijd wordt verwacht onderin een landbouwdek. Grondsporen zullen zich in de top van het onderliggende dekzand aftekenen. Resten uit de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd kunnen direct onder de bouwvoor voorkomen en eveneens tot in de top van het onderliggende dekzand reiken. Tabel 6.
Gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied Karakteristiek
Omschrijving
datering:
Laat-Paleolithicum – IJzertijd en Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd
complextype(n):
bewoning, begraving en landbouw
omvang:
puntlocatie of kleine nederzetting (500 m2)
landschappelijke en/of geologische context:
terrasafzettingswelving bedekt met dekzand
diepteligging:
in de top van het dekzand
locatie:
gehele plangebied
soort vindplaats:
vindplaats met zowel grondsporen als een vondststrooiing
uiterlijke kenmerken:
haardkuilen, (paal)kuilen, greppels en spitsporen
conservering:
anorganische resten redelijk tot goed, organische en botanische resten matig tot slecht vanwege de diepe grondwaterspiegel
wordt het archeologisch relevante niveau
mogelijk bij aanleg funderingen en ondergrondse
bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden: infrastructuur (zoals riolering)
De beantwoording van de tweede onderzoeksvraag “Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?” is als volgt: Om de kans op de aanwezigheid van archeologische resten te bepalen is vooral het verwerven van inzicht in de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan van belang. Geadviseerd wordt daarom een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren (zie hoofdstuk 3).
34
3
Inventariserend Veldonderzoek 3.1
Verkennend booronderzoek: doel- en vraagstelling
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde archeologische gespecificeerde verwachting (zie § 2.4). Het verkennend booronderzoek leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja: - Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? - Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? - Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?
3.2
Methode
Het inventariserend veldonderzoek bestaat uit een verkennend booronderzoek. De werkwijze is gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw en het vaststellen van (grootschalige) verstoringen, waarbij tevens rekening is gehouden met de aard en de diepte van de geplande ingrepen. Op 9 februari 2026 is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek is vastgelegd. Dit PvA is ter beoordeling voorgelegd aan de regioarcheoloog van RWB en op 17 februari 2026 goedgekeurd. 57
Voor het beantwoorden van de genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: Tabel 7. Beschrijving van de onderzoeksmethode aantal boringen:
5
boorgrid:
niet van toepassing, evenredig verdeeld over het plangebied
diepte boringen:
tot minimaal 25 cm in het onverstoorde dekzand (C-horizont)
boormethode:
Edelmanboor met diameter 7 cm (handmatig)
waarnemingstechniek: versnijden of verbrokkelen
De lithologische en bodemkundige kenmerken van de boringen zijn beschreven conform respectievelijk NEN 5104 58 en het Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere
57
E-mail de heer P.P.J. Kimenai (regioarcheoloog RWB) d.d. 17 februari 2026.
58
Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.
35
niveaus 59 en vastgelegd middels het invoerprogramma Deborah. De X- en Y-coördinaten en maaiveldhoogtes zijn ingemeten met een RTK-DGPS met een nauwkeurigheid van 1 cm. Hoewel een verkennend booronderzoek niet als primair doel het opsporen van archeologische vindplaatsen en indicatoren heeft, is het opgeboorde sediment wel gecontroleerd op het voorkomen van archeologische vondsten en indicatoren zoals baksteen, aardewerk en houtskool. Deze zijn opgenomen in de boorbeschrijvingen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen bodemmonsters genomen.
3.3
Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)
3.3.1 Veldinspectie en uitvoering Plan van Aanpak (PvA) Direct voorafgaand aan het inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) op 11 februari 2026 is een veldinspectie uitgevoerd. Het noordwestelijk deel van het plangebied bestaat uit plantsoen, het overige deel is braakliggend. Aan de noordzijde zijn resten van bestrating aanwezig. Afgezien van een aarden wal in het westelijk deel zijn er geen of nauwelijks hoogteverschillen. Er zijn geen archeologisch relevante zaken waargenomen. De boringen zijn in overeenstemming met het Plan van Aanpak (PvA) verricht. 3.3.2 Lithologische en bodemkundige beschrijving De locatie van de boringen is weergegeven in afb. 21. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1.
Afb. 21. Boorpuntenkaart 59
De Bakker et al. 1989.
36
Bij het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat de ondergrond van het plangebied, beneden een diepte variërend van 135 tot 65 cm -mv (circa 8,60 tot 9,25 m -NAP), wordt gevormd door kalkloos, humusarm, matig tot sterk siltig zand. De korrels zijn goed gesorteerd en matig afgerond. De mediane korrelgrootte is uiterst fijn (63-105 µm). Plaatselijk komen dunne leemlagen voor. Onderin de boringen heeft het zand een lichtgrijze kleur, bovenin een lichtgeelgrijze of lichtgrijsgele kleur en is het sediment door fluctuaties in de grondwaterstand veelal sterk roesthoudend. In boring 4 heeft de bovenste 20 cm door enige humusaanrijking een bruine kleur. Het humusarme zand gaat in de boringen 1, 2 en 5 via een geleidelijke of scherpe grens over in een 65 tot 135 cm dik pakket kalkloos, zwak tot matig humeus, matig siltig zand. Dit zand is enigermate grover dan het onderliggende zand, de mediane korrelgrootte is zeer fijn (105-150 µm), en heeft een grijsbruine tot donkergrijze kleur. Het humushoudende zandpakket wordt gekenmerkt door lichtgekleurde zandbrokken. Verder komen antropogene insluitsels voor in de vorm van fragmenten baksteen en kleine hoeveelheden grind. In boring 5 wordt het humushoudende zandpakket afgedekt door een 25 cm dikke laag kalkloos, humusarm, zwak siltig zand met een lichtgeelgrijze kleur. Dit zand heeft eveneens een zeer fijne korrelgrootte.
In de boringen 3 en 4 is het humushoudende zandpakket niet aangetroffen. In deze boringen gaat het humusarme zand over in een heterogeen, 95 tot 105 cm dik pakket kalkloos, humusarm, zwak siltig zand met lichtgeelgrijze of lichtgrijsgele kleur en donkergrijze of donkergrijsbruine zandbrokken. Ook dit zand heeft een zeer fijne korrelgrootte. Plaatselijk komen antropogene insluitsels voor in de vorm van fragmenten baksteen. 3.3.3 Interpretatie Het in de ondergrond aanwezige humusarme zand wordt op basis van lithologische kenmerken geïnterpreteerd als onverstoord dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Gezien de lemige samenstelling is sprake van zogenoemd ‘Oud dekzand’. De onderliggende afzettingen van de Formatie van Stramproy zijn niet bereikt. Deze bevinden zich beneden de maximale boordiepte (200 cm -mv oftewel circa 7,80 tot 8,00 m +NAP). Het humushoudende zand in de boringen 1, 2 en 5 betreft een antropogeen bewerkt pakket (Aphorizont). Dit pakket is vermoedelijk ontstaan door bodembewerking in het kader van de landbouw. Op basis van de dikte is bodemkundig gezien sprake van hoge zwarte enkeerdgronden. Het landbouwdek is echter is gezien de aanwezigheid van lichtgekleurde zandbrokken (dekzand) verstoord geraakt bij de aanleg van de woonwijk en het sportcomplex in de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw.
Het heterogene, humusarme zandpakket in de boringen 3 en 4 en de humusarme zandlaag in boring 5 worden als (sub)recent beschouwd. De laag of het pakket is te relateren aan de aanleg en sloop van het sportcomplex, in het bijzonder de sporthal. In vier van de vijf boringen zijn in de top van het dekzand geen sporen van een podzolbodem of een oude akkerlaag aangetroffen. In één boring (boring 4) lijkt nog een deel van een podzolbodem bewaard te zijn. Aangezien de oorspronkelijke top van het dekzand veelal is opgenomen in de bovenliggende pakketten en de huidige top van het onverstoorde dekzand relatief laag ligt ten opzichte van het sporenniveau dat bij het in 2017 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek 60 is vastgesteld (afb. 15 en 16), wordt de kans op de aanwezigheid van een intacte vindplaats als klein inschat. Hooguit kan het onderste deel van diep ingegraven grondsporen nog bewaard zijn gebleven. Daarbij zal het waarschijnlijk gaan om een voortzetting van sporen van landbouwactiviteiten uit de Nieuwe tijd A/B die bij eerdere onderzoeken 61 aan de Vosdonkseweg, direct ten zuiden van het plangebied, zijn aangetroffen. De middelhoge archeologische verwachting dient daarom op basis van het veldonderzoek naar een lage verwachting te worden bijgesteld.
60
Koekkelkoren 2017.
61
Koekkelkoren 2017, Elsma 2017.
37
3.4
Conclusies
De in paragraaf 3.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: -
Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied bevindt zich geomorfologisch gezien op een terrasafzettingswelving. De ondergrond wordt gevormd door uiterst fijn dekzand met enkele dunne leemlagen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Het dekzand wordt in de boringen 1, 2 en 5 afgedekt door een 65 tot 135 cm dik antropogeen bewerkt pakket bestaande uit matig humeus zand (Ap-horizont). Op basis van de dikte is bodemkundig gezien sprake van hoge zwart enkeerdgronden, maar is gezien de aanwezigheid van lichtgekleurde zandbrokken (dekzand) is het landbouwdek verstoord geraakt bij de aanleg van de woonwijk en het sportcomplex in de jaren zeventig of tachtig van de vorige eeuw. In de boringen 3 en 4, waar het humushoudende zandpakket ontbreekt, gaat het onverstoorde dekzand direct over in een heterogeen, humusarm zandpakket dat te relateren is aan de aanleg en sloop van het in het plangebied aanwezige sportcomplex, in het bijzonder de sporthal.
-
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bovenste 135 tot 65 cm van de bodem bestaat uit verstoorde of (sub)recent opgebrachte pakketten. Beneden deze diepte, die overeenkomt met circa 8,60 tot 9,25 m -NAP, is de bodemopbouw intact.
-
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De top van het dekzand wordt in beginsel als een potentieel archeologisch niveau beschouwd. Dit niveau is, met uitzondering van boring 4 waar een deel van een podzolbodem bewaard lijkt te zijn, echter veelal opgenomen in het bovenliggende pakket. Bovendien ligt de huidige top van het onverstoorde dekzand relatief laag ligt ten opzichte van het sporenniveau dat bij het in 2017 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek 62 is vastgesteld (afb. 15 en 16).
-
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Niet van toepassing
-
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In de verstoorde of (sub)recente opgebrachte pakketten zijn enkele antropogene insluitsels aangetroffen. Deze worden niet als aanwijzingen voor een archeologische vindplaats beschouwd. Zo ja: - Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? n.v.t. - Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? n.v.t. - Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? n.v.t.
-
62
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld?
Koekkelkoren 2017.
38
In vier van de vijf de boringen zijn in de top van het dekzand geen sporen van een podzolbodem of een oude akkerlaag aangetroffen. In één boring (boring 4) lijkt nog een deel van een podzolbodem bewaard te zijn. Aangezien de oorspronkelijke top van het dekzand veelal is opgenomen in de bovenliggende pakketten wordt de kans op de aanwezigheid van een intacte vindplaats als klein inschat. Uit proefsleuvenonderzoek 63 aan de Vosdonkseweg, direct ten zuiden van het plangebied, is af te leiden dat het sporenvlak in oostelijke richting flauw afhelt en zich ter hoogte van het plangebied waarschijnlijk tussen 9,5 en 8,9 m +NAP bevindt (respectievelijk NAP-hoogte sporenvlak in oostelijk deel van werkput 15 en NAP-hoogte sporenvlak in westelijk deel van werkput 16). Hooguit kan het onderste deel van diep ingegraven grondsporen nog bewaard zijn gebleven. Daarbij zal het waarschijnlijk gaan om een voortzetting van sporen van landbouwactiviteiten uit de Nieuwe tijd A/B die reeds ten zuidoosten van het plangebied zijn aangetroffen. 64 De middelhoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum t/m IJzertijd en hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd dient daarom op basis van het veldonderzoek naar een lage verwachting te worden bijgesteld. De lage verwachting voor de overige perioden dient te worden gehandhaafd. -
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Er is geen sprake van een bedreiging van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden.
-
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied wordt als voldoende onderzocht beschouwd.
63
Koekkelkoren 2017.
64
Koekkelkoren 2017, Elsma 2017.
39
4
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Rucphen. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
40
Literatuur Beaulieu, J.-L. de & M. Reille, 1984: A long upper Pleistocene pollen record from Les Echets near Lyon, France. Boreas 13, pp. 111-132. Brokke, A., 2014. Archeologisch bureauonderzoek MER omlegging N638, gemeente Rucphen. Arcadis. Amersfoort. Brouwer, M.C., 2022. Sint Willebrord Rucphense- en Nachtegaalstraat. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). BAAC-rapport A-22.0149. ’sHertogenbosch. Bureau Militaire Verkenningen, 1870, 1987, 1910 & 1928: Roosendaal, blad 642 1:25.000. Elsma, R., 2017. Vosdonkseweg, Sprundel en Sint Willebrord Gemeente Rucphen. Archeologische opgraving. IDDS Archeologie rapport 2026. Noordwijk. Groot, N.C.F. & A.W.E. Wilbers, 2011: Een verleden te midden van verdwenen venen. Archeologische Waarden- en Verwachtingskaart en Advies archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen. IDDS Archeologie B.V. Rapport 1132. Noordwijk. Kadaster, 1811-1832: Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Rucphen en Vorenseinde, NoordBrabant, sectie D, blad 02 (MIN10134D02). Kalisvaart, C.C., & M.T. Houwman, 2022: Plangebied Nachtegaalstraat en Rucphensestraat te Sint Willebrord. Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). BAAC-rapport V-21.1025. 's-Hertogenbosch. Koekkelkoren, AM.H.C., 2017: verl. Helakkerstraat en verl. Vosdonkseweg, Rucphen, Gemeente Rucphen.
Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. IDDS Archeologie rapport 1957. Noordwijk. Milon, 2025: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Fazantendonk te Sint Willebrord Kadastrale gegevens: gemeente Rucphen, sectie D, nummers 8816 (ged.), 8817 (ged.) en 9272 (ged.), Milon projectnummer 20251798 21 oktober 2025. Veghel. Moerman, S., 2014: Nijverhei N638, Rucphen Gemeente Rucphen. Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. IDDS Archeologie rapport 1370. Noordwijk. Mol, E., 2018: Sprundel, Koekoekstraat (naast nr. 74). Gemeente Rucphen(NB). Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Transectrapport 1541. Nieuwegein. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Rap, J. & J.P.M. de Wit, 2023: Sprundel, Noorderstraat Gemeente Rucphen (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transectrapport 4271. Nieuwegein. SIKB, 2022: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Gouda. Stiekema, M., 2019: Vosdonkseweg te St. Willebrord. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Econsultancy rapportnummer 3461.001. Swalmen. Stouthamer, E., K.M. Cohen & W.Z. Hoek, 2015: De vorming van het land. Geologie en geomorfologie. Utrecht.