CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

08b Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 Sprundelseweg 10 te Rucphen - Juli 2021 - definitief

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 16 februari 2022, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Sprundelseweg 10 te Rucphen21.097 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Sprundelseweg 10 te Rucphen’

1

Datum: Planstatus:

30 juli 2021 Definitief

Toelichting Bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Sprundelseweg 10 te Rucphen’ NL.IMRO.0840.9000B0023-ON01 Ontwerp, 30 juli 2021 Gemeente Rucphen Urban Jazz B.V. Bijlagen 1 Quickscan ecologie, 1 februari 2016 2 Archeologisch onderzoek, 15 februari 2016 3 Bodemonderzoek, 23 februari 2016 4 Akoestisch onderzoek, 29 januari 2021 5 RvR bouwtitel 6 Verslag omgevingsdialoog 7 Landschappelijke inpassing 8 standaard advies brandweer 9 Zienswijzen pm Separate bijlagen Regels Verbeelding

2

Hoofdstuk 1

Inleiding ................................................................................................................ 5

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 5

1.2

Vigerend bestemmingsplan..................................................................................................... 6

1.3

Leeswijzer ................................................................................................................................ 8

Hoofdstuk 2 Huidige en beoogde situatie ................................................................................... 9 2.1

Rucphen ................................................................................................................................... 9

2.2

Plangebied ............................................................................................................................. 11

2.3

Beoogde situatie.................................................................................................................... 14

2.4

Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................................... 15

Hoofdstuk 3 Beleidskaders ....................................................................................................... 19 3.1

Rijksbeleid.............................................................................................................................. 19

3.2

Provinciaal en regionaal beleid ............................................................................................. 20

3.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 25

3.4

Toetsing beleidskaders .......................................................................................................... 36

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving................................................ 37 4.1

Bodem ................................................................................................................................... 37

4.2

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 37

4.3

Water ..................................................................................................................................... 43

4.4

Geluidhinder .......................................................................................................................... 48

4.5

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 49

4.6

Externe veiligheid .................................................................................................................. 51

4.7

Ecologie / flora en fauna ....................................................................................................... 54

4.8

Milieuhinder .......................................................................................................................... 60

4.9

Verkeer .................................................................................................................................. 61

4.10

Geurhinder ............................................................................................................................ 62

4.11

Overige belemmeringen, kabels en leidingen ....................................................................... 64

4.12

Besluit m.e.r. ......................................................................................................................... 64

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten .............................................................................................. 68 5.1

Planvorm ............................................................................................................................... 68

5.2

Toelichting op de bestemmingen .......................................................................................... 68

1

INLEIDENDE REGELS .............................................................................................................. 68

2

BESTEMMINGSREGELS .......................................................................................................... 68

3

ALGEMENE REGELS................................................................................................................ 69

4

OVERGANGS- EN SLOTREGELS .............................................................................................. 70

Hoofdstuk 6 Economische en financiële uitvoerbaaheid............................................................ 71 3

6.1

Regelgeving grondexploitatie ................................................................................................ 71

6.2

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 71

Hoofdstuk 7 Procedurele haalbaarheid..................................................................................... 72 7.1

Maatschappelijke toetsing .................................................................................................... 72

7.2

Overleg .................................................................................................................................. 72

4

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer wenst op het perceel aan de Sprundelseweg 10 te Rucphen één vrijstaande woning te realiseren. Per brief van 2 oktober 2015 heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek van 29 mei 2015. Momenteel ligt het perceel braak (voorheen dierenweide) met een agrarische bestemming. Het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken én planologisch vast te leggen. In 2016 is de procedure al opgestart maar na de vooroverlegfase gestaakt vanwege belemmeringen uit de provinciale vooroverlegreactie op het onderdeel kwaliteitsverbetering; overigens bezwaren vanuit provinciaal belang waren er niet. Na veelvuldig overleg en overwegingen, is het planvoornemen inmiddels deels gewijzigd. De woning zal als ruimte voor ruimte woning (RvR) worden gerealiseerd; uiterlijk ten tijde van de inzage van het ontwerpbestemmingsplan is een RvR bouwtitel (bijlage 5) overlegd. Gelet op het verstrijken van de tijd is het plan up tot date gemaakt en zal de volledige procedure herstarten. In figuur 1 en 2 zijn respectievelijk de ligging van het plangebied en een straatnamenkaart weergegeven.

Figuur 1: Ligging plangebied (topografische kaart)

5

Figuur 2: Straatnamenkaart (bron: Google 2020)

1.2

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan (figuur 3a) ‘Buitengebied Rucphen 2012’, vastgesteld door de gemeenteraad van Rucphen op 29 maart 2012 (Raad van State 21 mei 2014). Tevens geldt een 1e herziening van 11 december 2013, de 3e herziening van 16 december 2015/2 augustus 2017/9 september 2020 en 4e herziening van 8 februari 2017. De 2e herziening uit 2014 is niet relevant. Online is een geconsolideerde versie van 17 juli 2018 beschikbaar ten behoeve van de leesbaarheid van deze plannen. Ook geldt het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’ van 13 december 2017. De locatie is bestemd als ‘Agrarisch gebied met waarden – Landschappelijk’ met diverse aanduidingen: vrijwaringszone – radar, beslotenheid, bebouwingsconcentratie, beperkingen veehouderij en een hoge archeologische verwachtingswaarde. In de bestemmingsomschrijving van deze agrarische bestemming is aangegeven dat de gronden ook bestemd zijn voor het behoud, herstel of de ontwikkeling van abiotische, landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische en/of natuurlijke waarden. Het perceel kent, door het ontbreken van een bouwvlak, minimale bouwmogelijkheden. Het bestemmingsplan heeft vooral een beheersmatig karakter. Een agrarische bestemming kan met een wijzigingsbevoegdheid art.

3.6 Wet ruimtelijke ordening (Wro) naar een woonbestemming worden omgezet, mits er een bouwvlak verdwijnt/ 6

verkleint en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Dit is hier echter niet aan de orde; er is geen bouwvlak aanwezig.

Figuur 3a: Vigerend bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling, die verder in hoofdstuk 2 wordt beschreven, past qua bouw- en gebruiksmogelijkheden niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Aangezien er tevens geen passende afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden zijn opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, dient er - om de ontwikkeling mogelijk te maken - een bestemmingsplan te worden opgesteld, waarbij de agrarische bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming met een gelijktijdige investering in de kwaliteit van het buitengebied, in ruil voor aantasting van dit buitengebied. Het voorliggende bestemmingsplan biedt dus het juridisch planologische kader om de voorgestelde ontwikkeling ter plaatse mogelijk te maken. Inmiddels heeft ook een ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020 terinzage gelegen (figuur 3b). De strekking van het plan is in grote lijnen hetzelfde; een aantal benamingen en regels is gewijzigd. Het bestemmingsplan voor de RvR woning wordt hierop afgestemd.

7

Figuur 3b: Ontwerpbestemmingsplan 2020

1.3

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en plankaart (verbeelding). De plankaart vormt samen met de regels het juridisch bindende gedeelte van het plan. Daarop wordt een toelichting gegeven. In de onderhavige toelichting worden de uitgangspunten voor de planherziening weergegeven. Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk beleid dat op de beoogde ontwikkeling van toepassing is. De milieu- en duurzaamheidaspecten worden behandeld in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vorm van het bestemmingsplan beschreven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde en tot slot wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke toetsing en overleg behandeld.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige en beoogde situatie

Rucphen

De gemeente Rucphen ligt tussen Roosendaal, Etten-Leur en Zundert in de provincie Noord-Brabant, telt 22.873 inwoners (1 januari 2020) en staat bekend als wielerdorp met mooie bossen. Rucphen is een gevarieerde landelijke en groene gemeente, waar de landbouw een economisch belangrijke functie heeft en bovendien een belangrijke beheerder is van het buitengebied. Door het aantrekkelijke landschap is het ook een mooi recreatiegebied. De hoofdstructuur van de gemeente is bepaald door de ontginning van woeste gronden en de latere turfwinning in de 13e en 14e eeuw. De turfwinning zorgde voor het uitgraven van een aantal vaarten die dragend zijn voor de historische structuur van het dorp. De Schijfse Vaart loopt in de richting van de kern Rucphen en gaat na de woonkern over in de Vlette Vaart. In de kern Rucphen is de gehele Schijfse Vaart overkluisd. Het oppervlaktewater is er wel, maar niet zichtbaar aanwezig. Tot 1810 maakte de gemeente deel uit van enerzijds de baronie van Breda en anderzijds het markiezaat Bergen op Zoom. Daarna werd een officiële decreet ondertekend. Een nieuwe gemeente werd genoemd naar de plaats welke het eerst werd vermeld en ging heten: la commune de Sprundel. Hierna hebben nog enkele grenscorrecties plaatsgevonden. In figuur 4 en 5 zijn twee historische kaarten opgenomen.

De vijf kernen in de gemeente Rucphen zijn allen ontstaan vanuit bebouwingslinten op hoger gelegen gedeeltes in het landschap. De basis van het dorp Rucphen is de voormalige Dorpsstraat die hernoemd is als Raadhuisstraat. Via de Sprundelseweg en de Rucphensebaan loopt de lintstructuur over in de St. Jansstraat welke de oorsprong is van Sprundel. De Noorderstraat is een ander historisch lint wat overloopt in het oude lint van St. Willebrord; de Dorpsstraat. St. Willebrord is de grootste plaats in de gemeente met circa 9.250 inwoners. Rucphen telt circa 4.615 inwoners. Behalve Rucphen, Sprundel en St. Willebrord liggen nog twee kleinere kernen in de gemeente; Zegge en Schijf. In het noordwesten van de gemeente en boven de rijksweg A58 ligt Zegge. Zegge is ontstaan door de samenvoeging van vier buurtschappen die door de Onze Lieve Vrouwestraat verbonden zijn. Aan de andere kant van de gemeente en ten zuidoosten van de Rucphense bossen ligt de kern Schijf, grenzend aan België. Schijf is ontstaan langs de Sint Antoniusstraat op een uitloper van de hoger gelegen zandgronden. Rucphen kent een uitgestrekt buitengebied, met diverse van elkaar te scheiden deelgebieden met eigen kenmerken, landschappelijke waarden en eigen invulling, zoals de Heipolder, Oude Zoek, Schijfse Vaart en MMC-complex.

9

Figuur 4: Historische kaart 1896

Figuur 5: Historische kaart 1965

10

Figuur 6: Uitsnede topografische kaart 2015

2.2

Plangebied

Het plangebied (figuur 7, 8 en 9) ligt ten oosten van de kern Rucphen aan de Sprundelseweg, tussen de Zundertseweg en Molenweg. Het langgerekte perceel C nummer 3800 is 3.525 m2 groot en ligt volledig braak ingeklemd tussen diverse andere burgerwoonpercelen (nummers 6, 8 en 12, figuur 10) en tegenover de middelbare school Munnikenheide College. Bestemmingsplanmatig ligt de grens tussen stedelijk en buitengebied tussen Sprundelseweg 6 en 8, verkeerskundig ligt nummer 10 wel in de bebouwde kom. De overzijde van het perceel is eveneens onbebouwd. Er is sprake van een gebied met een intensief bebouwd karakter met gemengde functies. Tot 1988 heeft er zelfs een pand op het perceel gestaan. Verkeerskundig ligt het perceel in de bebouwde kom. Een zelfstandig agrarisch gebruik van het perceel ligt niet voor de hand, gelet op de beperkte omvang van het perceel en de milieuzonering. Verloedering moet worden voorkomen. Elke andere invulling dan woning is ruimtelijk, functioneel en maatschappelijk gezien ongewenst. De gronden ten zuiden van de locatie zijn niet aangemerkt voor stedelijke uitbreiding noch dient het perceel om in de toekomst als ontsluiting te dienen. Er is geen sprake van een open gebied met zichtlijnen. Het perceel geen landschappelijk waardevolle betekenis; het maakt geen onderdeel uit van een groenstructuur of groene/ecologische verbindingszone.

In figuur 6, waarin de drie grootste woonkernen van de gemeente Rucphen ook duidelijk zichtbaar zijn, is te zien dat de planlocatie aansluit bij bestaande bebouwing. De woonkern Rucphen wordt via bedrijventerrein De Nijverhei en recreatie- en sportpark De Binnentuin, waar ook het project WielerWereld wordt gepland en de Skidôme is gelegen, verbonden met de kernen Sprundel en St. Willebrord. Er is dus sprake van intensivering aansluitend op de bestaande lintbebouwing.

11

Figuur 7: Luchtfoto Rucphen (bron: Google)

Figuur 8: Luchtfoto plangebied (bron: Google 2020)

12

Figuur 9: plangebied gekeken in zuidelijke richting (www.bing.com/maps/rucphen/vogelvlucht)

13

Figuur 10: Zicht vanaf de Sprundelseweg (bron: Google 2018)

2.3

Beoogde situatie

Op het perceel zal één vrijstaande RvR woning worden gerealiseerd (figuur 11), welke zich qua vorm, bouwmassa en maatvoering zal voegen in de bestaande omgeving en de nabijgelegen woningen. Mede uit akoestisch oogpunt zal de voorgevelrooilijn grotendeels worden afgestemd op de voorgevel van Sprundelseweg 12, te weten circa 25 meter uit de as van de weg. Op eigen terrein worden minimaal drie parkeerplaatsen gerealiseerd en in stand gehouden. Gelet op de omvang van het perceel is dit vanzelfsprekend. De huidige eigenaar zal de toekomstige bouwer in staat stellen een schetsontwerp naar eigen inzicht te maken, zodat nu niet meer details of architectonische informatie beschikbaar is. De maatvoering die elders in het buitengebied geldt, is maatgevend. Zo zal de woning maximaal 1000 m3 inhoud hebben, met een maximale goothoogte van 5,5 meter en maximale bouwhoogte van 9 meter, in lijn met de regels uit het bestemmingsplan voor het buitengebied. De bijbehorende bouwwerken mogen maximaal 3,5 resp. 6 meter hoog zijn qua goot- en nok. Maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat vergunningsvrij wellicht een groter oppervlak te realiseren is, afhankelijk van de omvang van bebouwingsgebied/achtererfgebied. Een afstand van 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrens moet worden aangehouden bij de situering van de woning.

Een dakhelling is voorgeschreven tussen 30 en 65 graden. Het perceel is dermate ruim dat de bebouwingsdichtheid past bij de overgangszone tussen de kern en het buitenbied én dat een deel ook wordt gebruikt voor een goede groene inpassing, waarover hierna meer.

14

Figuur 11: Kadastrale situatie

2.4

Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering

Huidig landschap en beleid Rucphen kent een uitgestrekt buitengebied, met diverse van elkaar te scheiden deelgebieden met eigen kenmerken, landschappelijke waarden en eigen invulling, zoals de Heipolder, Oude Zoek, Schijfse Vaart en het Militair Mobiliteit Centrum (MMC). De planlocatie ligt nabij het MMC en de Binnentuin. Aan de noordkant grenst de locatie aan de bebouwde kom van Rucphen en bedrijventerrein De Nijverhei. Aan de westzijde loopt de Zundertseweg die begeleid wordt door een historische bomenrij. Aan deze kant liggen enkele agrarische bedrijven. Het grootste deel van de bossen rondom het naastgelegen MMC functioneert als buffer en is toegankelijk voor extensieve recreatie door middel van paden en wegen. Het bos heeft daarnaast ook een ecologische functie en speelt door de ligging op een dekzandrug een belangrijke rol in de waterhuishouding van de gemeente Rucphen. Kenmerkend voor de omgeving van Rucphen is het coulisselandschap zoals dat rondom het plangebied terug te vinden is. Het kenmerk van een coulisselandschap is de structuur van afwisselend bos, houtwallen en open ruimtes (kamers). Ook in het Groenstructuurplan is aangegeven dat lanen en kamers omringd met houtwallen typerend zijn voor de omgeving van Rucphen. Het beleid is er op gericht deze lanen en kamers vooral aan de randen van de kernen terug te laten komen.

Het realiseren van de RvR kavel is zodoende passend in de landschappelijke ambitie voor dit karakteristieke landschap. Eén van de voorwaarden voor het toepassen van RvR is namelijk dat er een stevige beplantingsstrook van 5 meter breed aan de zijdelingse en de achterste perceelsgrens van het kavel aangeplant dient te worden. Op deze wijze wordt er een nieuwe ‘kamer’ toegevoegd en zo het beeld van het coulisselandschap ondersteund.

15

Inpassingsplan De voorgestelde landschappelijke inpassing van het plangebied is terug te vinden in bijlage 7. De landschappelijke inpassing benadrukt de kwaliteiten van het omliggende landschap. De landschappelijke inpassing wordt vormgegeven door een houtwal die de aanwezige structuur van het omliggende landschap versterkt. Het omliggende landschap bestaat voornamelijk uit bebossing met daarin open ruimten, ook wel kamers genoemd. Deze karakteristiek van het landschap en hoe de landschappelijke inpassing van de Sprundelseweg daarin past is schematisch verbeeld in figuur 12.

Figuur 12: Bebossing en kamers Gekozen is voor een houtwal vormgegeven als bossingel. Dit is een lijnvormig aaneengesloten landschapselement, met opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. De gekozen soorten zijn veel voorkomend in Noord-Brabant en de omgeving van Rucphen. Zoals in bijlage 7 en op figuur 13 te zien is, is het plangebied opgedeeld in vier vlakken: een voortuin, bouwvlak, gecultiveerde tuin een landschappelijke tuin. De voortuin geeft toegang tot de woning en wordt voor een deel verhard voor parkeergelegenheid en toegang tot het terrein. Op beide zijdelingse erfgrenzen wordt een bomenrij voorzien. De locatie van de inrit tot het plangebied vanaf de Sprundelseweg wordt later aangegeven door de desbetreffende bewoner. Het mogelijk te bebouwen oppervlak is ingetekend op 25 meter uit de as van de weg en ongeveer 200 m2 groot. Aan de zuidzijde van het beoogde bouwvlak is, voor zover noodzakelijk, rekening gehouden met archeologische waarden; de begrenzing die aangegeven is op de tekening komt overeen met de archeologische boringen die gedaan zijn (figuur 26), waarover in paragraaf 4.2. meer. De vijf hoogstamfruitbomen vormen een afscheiding tussen de gecultiveerde tuin en de landschappelijke tuin met bloemrijk grasland. Voor een gedetailleerde toelichting met beplantingstypen en aantallen wordt verwezen naar bijlage 7.

Deze bomen vormen, volgens het gemeentelijk beleid van juni 2020, de compensatie voor 16

de voorziene ruimere woninginhoud. Vanaf drie bomen of meer worden hoogstamfruitbomen, als solitaire bomen, ook gezien als landschappelijke inpassing; per 50m3 extra woninginhoud is een solitaire boom als extra inzet op landschappelijke inpassing te beschouwen.

Figuur 13: Landschappelijk inpassingsplan 17

Kwaliteitsverbetering In de gemeente geldt ook het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ van 18 december 2014. Dit kader bevat eenduidige afspraken die de regio WestBrabant en de provincie Noord-Brabant gezamenlijk hebben gemaakt met betrekking tot de toepassing van het principe Kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit principe vindt zijn oorsprong in de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant en de Vr en IOV waarover in paragraaf 3.2 meer. Het principe voor kwaliteitsverbetering van het landschap is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen die plaatshebben buiten het bestaand stedelijk gebied, zoals begrensd in de IOV. In art. 3.9 lid onder b IOV is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording kan bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in afdeling 5.4 IOV, worden nagekomen’. De regio West-Brabant is landschappelijk gezien een regio met grote verschillen. Waar het zuidelijk gedeelte overwegend bestaat uit een meer kleinschalig landschap op zandgronden, wordt het landschap naar het noorden toe grootschaliger met open polders op zee- en rivierklei. In het landschap komen ook relicten uit het verleden voor, zoals linies, vestingen en turfvaarten.

Ook de infrastructuur en de verstedelijking bepalen voor een groot deel het beeld van het landschap. Vanwege deze diversiteit zal de ene gemeente andere gedachten hebben bij kwaliteitsverbetering van het landschap dan de andere. Het afsprakenkader biedt ruimte voor kwaliteitsverbetering in en van verschillende landschappen en voor verschillende gedachten over kwaliteitsverbetering. In het afsprakenkader is de minimale basisinspanning voor de investering in het landschap opgenomen. Een categorie 1-ontwikkeling behoeft geen extra kwaliteitsverbetering omdat er nauwelijks tot geen landschappelijke invloed is; de ontwikkelingen zijn in een limitatieve lijst benoemd. Een categorie 2-ontwikkeling heeft weinig landschappelijke invloed en behoeft landschappelijke inpassing; de ontwikkelingen zijn in een niet-limitatieve lijst opgesomd. Landschappelijke inpassing houdt in: een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen landschappelijke (ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische) landschapskwaliteiten. Dit kan door middel van architectuur (vormgeving, situering bebouwing materiaalgebruik), aanleg van landschappelijke en/of natuurlijke elementen al dan niet in combinatie met sloop. Een categorie 3-ontwikkeling heeft wel invloed en kent een kwaliteitsverbetering, berekend op basis van de bestemmingswinst.

Uitgangspunt van de investering in het landschap is dat de kwaliteitsverbetering in verhouding moet zijn met de ruimtelijke ontwikkeling. Dat betekent dat ‘rood’ wordt omgerekend naar een tegenprestatie in euro’s, welke wordt omgezet in een fysieke tegenprestatie. Wanneer dat niet mogelijk is, kan worden volstaan met een financiële tegenprestatie, waarbij het investeringsbedrag in het groenfonds van de betreffende gemeente wordt gestort. Een fysieke tegenprestatie op de locatie heeft de voorkeur. De realisatie van een woning in het buitengebied via een bestemmingsplan art. 3.1 Wro betreft eigenlijk een ontwikkeling die in de regel behoort tot categorie 3 volgens de regionale afspraken. Tenzij het echter gaat om een RvR ontwikkeling. Uit art. 3.77 en 3.80 IOV volgt dat het afsprakenkader kwaliteitsverbetering, bedoeld in art. 3.9 IOV nu niet van toepassing is. De kwaliteitsverbetering wordt zeker gesteld door de aankoop van een RvR bouwtitel, uiterlijk ten tijde van de inzageperiode omtrent het ontwerpbestemmingsplan. In bijlage 5 is het leveringsdocument voor deze bouwtitel opgenomen, d.d. 28 juni/12 juli 2021. Niet alleen wordt de kwaliteitsverbetering met de bestemming ‘Groen – Landschapselement’ publiekrechtelijk verankerd, ook zal de aanleg en instandhouding ervan privaatrechtelijk worden geborgd.

18

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskaders

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om die nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. In de structuurvisie van 13 maart 2012, schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De forse bezuinigingsopgave maakt dat er scherp geprioriteerd moet worden. De financiële middelen zijn de komende jaren beperkt en private investeerders zijn terughoudender. Hierdoor vertragen projecten, worden deze heroverwogen of zelfs gestopt. Daarnaast werkt de huidige wijze van financiering van gebiedsontwikkeling niet meer.

Nieuwe verdienmodellen en andere kostendragers zijn nodig om gebiedsontwikkeling weer van de grond te krijgen. Tegelijkertijd vragen grote opgaven op het gebied van concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid om rijksbetrokkenheid. Omtrent het ontwerp van de structuurvisie vond inspraak plaats in 2011. Gelijktijdig is een eerste wijziging ter inzage gelegd van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro bevestigt de beleidsuitspraken uit de structuurvisie. Het gewijzigde Barro trad op 10 oktober 2012 in werking, ook wel genoemd Ontwerp Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt, als opvolger van de SVIR, een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI van 11 september 2020 geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • kenmerken en identiteiten van een gebied staan centraal; • afwentelen wordt voorkomen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uit het gewijzigde Barro blijkt dat art. 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangevuld is. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe ruimtevraag en een zorgvuldige inpassing van de 19

nieuwe ontwikkeling. De term SER-ladder is verder geïntroduceerd. Drie stappen moeten worden doorlopen met een motivatie in de toelichting bij het betreffende ruimtelijke plan: 1. beoordeling of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijven- en haventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Naast de kwantitatieve beoordeling gaat het ook om kwalitatieve vraag op regionale schaal; 2. beoordeling of de ontwikkeling kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten; 3. beoordeling door betrokken overheden of er sprake is van een passende ontsluiting. Op 1 juli 2017 is de gewijzigde ladder in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen zijn gelegen in het vervallen van de begrippen ‘actuele regionale’ bij de behoeftebepaling. Aangezien de huidige jurisprudentie van toepassing blijft op de nieuwe ladder, leidt dit niet tot een wijziging in de toepassingspraktijk van de ladder. Daarnaast zijn treden 1 en 2 samengevoegd en is trede 3 komen te vervallen. De ladder moet worden doorlopen als het gaat om bouwmogelijkheden van enige omvang (meer dan 11 woningen). In de regio zijn ook afspraken gemaakt over toepassing van de ladder.

Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen die niet voorzien in een toename van het ruimtebeslag worden niet gekwalificeerd als een stedelijke ontwikkeling. In dat geval hoeft de ladder niet te worden toegepast. Jurisprudentie hierover is in beweging. Een bouwplan van dergelijke beperkte schaal wordt niet als een stedelijke ontwikkeling beschouwd, als bedoeld onder art. 1.1.1 lid 1 Bro. Dit is bevestigd in diverse uitspraken van de Raad van State (ABRvS 2013082867/1/R4 en ABRvS 201401129/2/R4). Kortom, de ladder hoeft nu niet te worden doorlopen. De ontwikkeling van een RvR woning hoeft evenmin te passen binnen de regionale of gemeentelijke woningbouwprogrammering. Radarverstoringsgebied vliegbasis Woensdrecht en Herwijnen Het plangebied is gelegen in een radarverstoringsgebied van de vliegbasis Woensdrecht. In art. 2.6.2 van het Barro wordt gesteld dat de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in een radarverstoringsgebied in overeenstemming moet zijn met de regeling als opgenomen in het Rarro. De maximale toegestane hoogte is 113 meter + NAP (voorheen 63 meter). Er is een wijziging van de Rarro in voorbereiding waar de hoogte naar 90 meter + NAP wordt teruggebracht voor windturbines in relatie tot Herwijnen. De locatie ligt op circa 12 meter + NAP.

Onderhavig plan biedt ruimte voor woningbouw met een bouwhoogte tot maximaal 9 meter. Deze hoogte past ruimschoots binnen de gestelde maximale bouwhoogtes uit het Rarro. Ten aanzien van het onderhavige plangebied zijn er verder geen regels uit het Barro van toepassing.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

Met de komst van de Wro in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies geven voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aan en stellen de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig. Ter verwezenlijking daarvan heeft de provincie de beschikking over nieuwe juridisch mogelijkheden, te weten het provinciale bestemmingsplan ofwel inpassingsplan, de verordening en het opleggen van aanwijzingen. Met de inwerkingtreding van de Wro is de goedkeuringstaak van Gedeputeerde Staten ten aanzien van ruimtelijke plannen komen te vervallen. Dit betekent dat de provincie dient te handelen vanuit het provinciaal belang. Enkel op die basis kan de provincie gebruik maken van het instrumentarium dat op grond van de Wro beschikbaar is. Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving 20

De provincie Noord-Brabant loopt vooruit op de komst van de Omgevingswet en heeft op 14 december 2018 de Omgevingsvisie vastgesteld als opvolger van de structuurvisie. Met deze visie grijpt het provinciaal bestuur de Omgevingsvisie aan als kans om privaat, maatschappelijk en publiek handelen en beslissingen over ontwikkelingen met elkaar in samenhang te brengen. In de Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). Deze elementen zijn sterk van elkaar afhankelijk maar ook aan veranderingen onderhevig. De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma’s. Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant. Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? En wat moeten we in 2030 al voor elkaar hebben om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? Over die vragen gaat de Brabantse Omgevingsvisie. De visie benoemt daarbij een aantal hoofdopgaven: • De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

• Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. • Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor hoe we onze leefomgeving vormgeven. • Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en Brabanders stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor hoe het netwerk van steden en dorpen functioneert en verder vorm krijgt. • Concurrerende, duurzame economie: we willen top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij we de omslag naar een verregaande circulaire economie maken en digitalisering steeds belangrijker wordt. Concrete punten voor een kleinschalige ontwikkeling als de realisering van een extra woning zijn in de nieuwe omgevingsvisie niet opgenomen. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met de Brabantse omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe ze hieraan willen werken. Een verordening is een instrument om aan de visie vorm te geven.

Op 25 oktober 2019 is de provinciale omgevingsverordening (IOV) vastgesteld, welke 5 november 2019 in werking is getreden (geconsolideerde versie 1 maart 2020). De verordening vervangt de Verordening ruimte 2014. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. Naast een omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van belangrijke waarden als het drinkwater of de natuurgebieden. De Interim omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels uit de verschillende verordeningen zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking 21

treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. De gemeente moet rekening houden met de instructieregels bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De verordening is beleidsneutraal en regelt een en ander over: • omgevingskwaliteit; • stedelijke ontwikkelingen; • duurzame energie; • natuurgebieden en andere gebieden met waarden; • agrarische ontwikkelingen; • overige ontwikkelingen in het buitengebied. De RvR locatie ligt in het gemengd landelijk gebied, tevens verstedelijking afweegbaar, stalderingsgebied, beperkingen veehouderij en een verbod voor uitbreiding van een veehouderij (figuur 15). Voor dit bestemmingsplan is een aantal regels uit de IOV van toepassing. In art. 3.77 IOV is beschreven dat voor RvR woningen geen extra kwaliteitsverbetering nodig is. Zie hiervoor ook paragraaf 2.4. In art. 3.68 lid 1 onder a is IOV is beschreven dat feitelijk alleen bestaande burgerwoningen in het buitengebied toelaatbaar zijn. Vervolgens is in art. 3.80 IOV de RvR regeling beschreven, welke woningbouw in het buitengebied wel toelaatbaar maakt.

22

Figuur 15: Uitsnedes IOV In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de subzones ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over ‘Landelijk gebied’. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzones. De planlocatie is gelegen in het ‘Gemengd landelijk gebied’. In de volgende artikelen zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies benoemd: • art. 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit • art. 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik • art. 3.7 toepassing van de lagenbenadering • art. 3.8 meerwaardecreatie. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde.

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met hetgeen in de daarop volgende art. 3.6, 3.7 en 3.8 wordt beschreven. Zorgvuldig ruimtegebruik art.3.6 IOV houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Bij een stedelijke ontwikkeling moet toepassing zijn gegeven aan art. 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. De RvR woning wordt in een bebouwingsconcentratie tevens kernrandzone gerealiseerd, daarnaast wordt de nieuwe woning landschappelijk ingepast. Doordat de woning in een bebouwingsconcentratie 23

wordt gebouwd, wordt de ruimte zorgvuldig gebruikt. Daarnaast wordt er een RvR titel aangekocht voor het realiseren van de woning. Deze titel draagt bij aan de omgevingskwaliteit. Zoals reeds beschreven sluit de beoogde ontwikkeling aan op de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van bebouwing aan de Sprundelseweg. De bouwregels zijn afgestemd op het bebouwingsbeeld in de directe omgeving. Het betreft een individueel initiatief voor realisatie van een vrijstaande woning op een ruim perceel in de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied dat in deze vorm niet mogelijk is om binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Het perceel wordt direct ontsloten vanaf de Sprundelseweg waarbij gebruik gemaakt wordt van de bestaande infrastructuur. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling zijn geen maatregelen nodig voor de afwikkeling van het verkeer. De toepassing van de lagenbenadering art. 3.7 IOV omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. In hoofdstuk 4 worden effecten op bovenstaande waarden beschreven. Hieruit blijkt dat de relevante waarden op het plangebied en het gebied niet worden aangetast. Vanuit de lagenbenadering is intensivering ter plaatse aan de Sprundelseweg aanvaardbaar. Meerwaardecreatie art. 3.8 IOV omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat én de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in art. 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Voor de realisatie van een RvR woning wordt een RvR titel aangeschaft. Deze titel wordt gevormd door 1.000 m² aan overtollige intensieve stallen te slopen en 3.500 kg fosfaat in te leveren elders in de provincie Noord-Brabant. In ruil hiervoor mag binnen een bebouwingsconcentratie een nieuwe woning opgericht worden. Verder is art. 3.80 IOV van belang.

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere RvR kavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; b. de ruimte voor ruimte kavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. Al eerder is beschreven dat aan alle voorwaarden is voldaan: er wordt een RvR titel gekocht, er is sprake van een bebouwingsconcentratie, er is een inpassingsplan landschap en de realisatie van één woning wordt niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Art. 3.43 en 3.78 IOV wordt ingegaan op verstedelijking afweegbaar. In het verleden werd hierbij onderscheid gemaakt in Zoekgebied verstedelijking en Integratie stad-land gebieden. Onder voorwaarden is een stedelijke ontwikkeling mogelijk als dit onder meer regionaal past en inbreiding niet mogelijk is. Een enkele woning wordt niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Als er sprake is van 24

een enkele woning in een bebouwingsconcentratie, kan dit alleen als de tegenprestatie in verhouding staat tot de RvR inspanning. In dit geval is dit letterlijk het geval; een RvR titel wordt aangeschaft. Voor de planlocatie zijn de overige aanduidingen ‘Beperkingen veehouderij’, ‘Verbod uitbreiden veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’ opgenomen. Voor de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. In dergelijke gebieden gelden (vergaande) beperkingen voor veehouderij. Het initiatief op de planlocatie heeft geen betrekking op een veehouderij. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de betreffende regels uit art. 3.51, 2.72 resp. 2.74 IOV. Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant Vooruitlopend op de Omgevingswet hebben Gedeputeerde Staten op 23 maart 2021 het ontwerp vastgesteld van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Tot en met 9 april 2021 kon een zienswijze worden ingediend. De verordening is nog niet definitief vastgesteld maar zal te zijner tijd de IOV vervangen. Ten opzichte van de IOV wordt opgemerkt dat niet langer met de aanduiding Verstedelijking afweegbaar wordt gewerkt; die aanduiding is niet meer opgenomen om zodoende flexibeler te kunnen zijn én maatwerk te kunnen bieden. Voor het overige zijn er voor deze locatie geen verschillen te duiden.

De regeling over ruimte-voor-ruimte is ongewijzigd in art. 4.15 opgenomen. In de art. 4.7 tot en met 4.10 van de ontwerpverordening staan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, overeenkomstig de IOV.

3.3

Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 1.2. Beleidsnota Ruimte voor Ruimte De beleidsnota ‘Ruimte voor Ruimte, Visie op toepassing regeling’ is vastgesteld door de gemeente Rucphen op 30 juni 2011. Deze visie bevat het ruimtelijk-landschappelijk kader ten behoeve van de afweging van de ruimte die kan worden geboden aan RvR woningen. Een doorvertaling van het RvR beleid heeft plaatsgevonden in het Bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012’ en ‘Buitengebied Rucphen 2020’. De verschillende potentiële locaties voor woningbouwmogelijkheden getoetst aan zowel ruimtelijklandschappelijke randwoorden als technische randvoorwaarden. Op 17 juni 2020 heeft de gemeenteraad het RvR beleid aangepast en is maatwerk mogelijk gemaakt, ook voor percelen die niet in eerste aanleg als potentiële woningbouwlocatie zijn aangewezen. Kenmerkend voor de noordrand van Rucphen zijn de vrij liggende agrarische bedrijvenclusters. Hier tussendoor blijft het open landschap beleefbaar. Dit open landschap tot aan de A 58 heeft bijzondere waarde door de aflopende hoogte van het gebied als gevolg van een oud beekdal (de Zwarte sloot). De Bernhardstraat vormt een duidelijke kernrand waar de agrarische functie overheerst. Een rondweg is inmiddels aangelegd, met uitzondering van een zuidelijke tak van het tracé. Blijft de reservering voor woningbouw tussen kern en Bernhardstraat.

Het contrast tussen kern en open landschap zal hierdoor toenemen. Alleen het gebied ten zuiden van de Sprundelseweg komt in aanmerking voor enige verdichting van open plekken. In de zuidoosthoek van de kern Rucphen laten de ruimtelijke reserveringen voor de uitbreiding van aangrenzende clusters geen ruimte over voor woningbouwontwikkeling met uitzondering van enige plekken aan de Molenweg en Dennenweg. Daarmee krijgt dit gebied een afgeronde duurzame invulling. Naar het sportcomplex is een bufferruimte wenselijk. De ecologische verbindingszone blijft gewaarborgd. De locatie Sprundelseweg 10 is niet in deze RvR visie 2011 opgenomen (figuur 16). De RvR visie wordt door de gemeente als leidraad gehanteerd, waarbij dus maatwerk bespreekbaar is gelet op het 25

raadsbesluit van juni 2020. Van maatwerk is nu sprake. Het perceel ligt in een provinciaal gebied ‘verstedelijking afweegbaar’, in een gemeentelijke bebouwingsconcentratie en kernrandzone. Met bebouwing ontstaat er een logische afronding. De (gewijzigde) voorwaarden uit de RvR visie worden voor deze locatie overgenomen. Ruimtelijke-landschappelijke randvoorwaarden zijn: • natuurfuncties; • verkeer; • cultuurhistorie; • archeologie; • landschap; • ruimtelijk.

26

Figuur 16: Uitsneden RvR beleid Technische randvoorwaarden zijn: • railverkeerslawaai; • wegverkeerslawaai; • industrielawaai; • externe veiligheid; • agrarische bedrijven; • leidingen; • bodemkwaliteit; • niet-agrarische bedrijven. De bovengenoemde randvoorwaarden worden voor de planlocatie behandeld in hoofdstuk 4. Voor de RvR kavel gelden de onderstaande beeldkwaliteitseisen. Kavel: • circa 30 meter breed; • bij grotere kavelbreedte bebouwing maximaal 20 meter; • maximaal 50% bebouwen; • lengte variabel, afstemming op aangrenzende percelen; • minimaal oppervlak 1000 m²; • meerdere woningen mogelijk; • bij afsplitsing blijft het oorspronkelijke perceel minimaal 30 meter breed. Situering woning: • oriëntatie op de weg; • voorste rooilijn achter die van aangrenzende bebouwing in directe omgeving; • achterste rooilijn niet verder dan die van bebouwing in directe omgeving; 27

•

minimaal 5 meter uit de zijdelingse perceelgrens of erfbeplanting (landschappelijke inpassing).

Beplanting: • opgaande robuuste beplantingsstrook van minimaal 5 meter breedte op beide zijdelings en achterste perceelgrenzen; • streekeigen inheemse beplanting toepassen, STIKA pakket; • groene afscheiding ten opzichte van de openbare ruimte, aan de voorzijde. Parkeren: • volledig op eigen terrein; • voldoen aan parkeernota met minimaal ruimte voor 2 parkeerplaatsen. Bouwvorm: • goothoogte maximaal 5 meter; • kap verplicht; • dakhelling tussen 30° en 65°; • voorkeur langskap; • nokhoogte maximaal 9 meter; • massa maximaal 750 m3 tot 1000 m3. Architectuur: • afstemming op directe omgeving; • voorkeur voor baksteen of hout voor gevels; • dak voorkeur gebakken pannen of riet; • geen lichte kleuren en geglazuurde materialen toepassen; • duurzaam bouwen; • natuurinclusief bouwen; • materiaalkeuze in overleg met gemeente. Procedure: • initiatief melden bij gemeente; • eventueel nadere eisen stellen; • vooroverleg met gemeente over schetsontwerp; • beplantingsplan; • beoordeling plan; • planologische procedure/bouwvergunning. Zoals uit paragraaf 2.3 blijkt, voldoet het initiatief aan de strekking van dit beleidskader. De gemeente heeft het beleid dus gewijzigd, in die zin dat een woning een grote inhoud mag hebben dan 750 m3.

Per 100 m2 dat een RvR kavel groter is dan 1000 m2 mag er 50 m3 worden toegevoegd aan een woning, tot maximaal 1000 m3 mits een ruimere landschappelijke inpassing wordt toegepast. Voor dit perceel van 3500 m2 betekent dit dat er inderdaad een woning van 1000 m3 kan worden gerealiseerd. Structuurvisie Rucphen 2030 Op 11 december 2013 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Rucphen 2030 vastgesteld. Met de nieuwe visie wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De visie betreft een herijking van de StructuurvisiePlus van 2003. Het plangebied is op de visiekaart gelegen in de aanduiding ‘zoekgebied stedelijke ontwikkeling kernen’ (figuur 17). Binnen deze gebieden kan ook aan de woningbouwbehoefte worden voldaan. De voorkeur gaat uit naar inbreiding en nieuwe bouwlocaties aan de randen van de bestaande kernen en niet naar verspreiding over de gehele gemeente. Rond de kernen zijn min of meer natuurlijke grenzen aangewezen voor de uiteindelijke dorpsrand. De woonvisie vormt het afwegingskader voor de woningbouwprogramma’s. Als ruimte voor nieuwe stedelijke functies noodzakelijk is en binnen de bestaande dorpsgebieden geen geschikte 28

locaties voorhanden zijn, is ontwikkeling in deze gebieden aan de randen van de kernen mogelijk. Randvoorwaarde is een kwalitatieve afronding.

Figuur 17: Uitsnede Structuurvisie De RvR woning is een (individuele) nieuwe ontwikkeling in het buitengebied van Rucphen. Individuele ontwikkelingen zijn niet opgenomen in de structuurvisie. De RvR woning belemmert de ontwikkelingen die zijn opgenomen in de structuurvisie 2030 niet. Daarnaast vindt er op de kavel landschappelijk inpassing plaats, wat bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Woonvisie gemeente Rucphen 2013-2018 De Woonvisie gemeente Rucphen 2013 – 2018 is door de gemeenteraad vastgesteld op 11 december 2013. Hierin zijn de woningbouwopgaven samengebracht. Verder is beschreven welke aanpassingen van de bestaande voorraad en van het nieuwbouwprogramma nodig zijn in de periode 2013 - 2023 om in de woonbehoefte van inwoners van Rucphen te voorzien. Vergelijking van de behoefte op basis van de opgaven met het woningbouwprogramma laat zien dat de geplande productie voor de hele gemeente in de periode 2013 – 2018 (485 woningen) redelijk goed overeenkomt met de door de provincie geraamde behoefte voor deze periode (419 woningen). In de periode 2018 – 2023 is dit minder het geval: de geplande productie is met 267 woningen aanzienlijk hoger dan de geraamde behoefte (130 woningen). Met name in Rucphen en Zegge is sprake van ruime planologische mogelijkheden ten opzichte van de geprognosticeerde behoefte.

Fricties tussen vraag en aanbod in de bestaande woningvoorraad kunnen worden ondervangen door selectieve nieuwbouw van woningen die minder goed zijn vertegenwoordigd in de bestaande voorraad. In het nieuwbouwprogramma moeten accenten liggen bij: • sociale huurwoningen voor de primaire doelgroep en dure huurwoningen en goedkope koopwoningen voor de groep middeninkomens; • differentiatie van het aanbod voor senioren geschikte woningen. De gemeente blijft met de woonvisie particuliere initiatieven steunen die op eigen grond één woning wensen te bouwen. De gronden dienen in het kader van de planologie en vanuit volkshuisvestelijke aard geschikt te zijn. De realisatie van de grondgebonden woning aan de Sprundelseweg, als zijnde particulier initiatief, past in principe binnen de geprognosticeerde behoefte. Echter de realisatie van RvR woningen behoeft geen deel uit te maken van het woningbouwprogramma. Dergelijke woningen kunnen extra worden gerealiseerd. Een woonvisie voor de periode tot 2030 wordt momenteel voorbereid.

29

Visiedocument Groenbeleid Rucphen Het Visiedocument Groenbeleid Rucphen van oktober 2008 (een evaluatie van het Groenbeheersplan 2000) beschrijft de waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. De planlocatie is niet specifiek benoemd in het stuk; het is een bestaande kern (figuur 18).

Figuur 18: Uitsnede Groenbeleid Groene kaart Als extra toetsingskader bij eerder genoemd Visiedocument is een Groene Kaart (november 2010, figuur 19) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen. De planlocatie is niet met een specifieke aanduiding opgenomen,

30

Figuur 19: Groene kaart Groenstructuurplan Rucphen, 2010, Met het Groenstructuurplan Gemeente Rucphen ‘Rucphen, Landschap onthuld’ (figuur 20) zet de gemeente een beleidslijn uit voor de toekomst van het groen in de vijf kernen. Door de relatie met het landschap buiten de bebouwde kom te herstellen en meer variatie te bieden op wijkniveau wordt een duurzaam ‘frame’ aangelegd met een lange levensduur. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat er niet onbekommerd aan de groene ruimte kan worden getornd. Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Door de relatie met het landschap buiten de bebouwde kom te herstellen en meer variatie te bieden op wijkniveau wordt een duurzaam ‘frame’ aangelegd met een lange levensduur. Door groenstructuren te ontwikkelen die gerelateerd en ontleend zijn aan en geïnspireerd zijn op de ontstaansgeschiedenis, het omliggende landschap, de stedenbouwkundige opbouw en de verkeer- en ontsluitingsstructuur houden de dorpskernen hun ‘eigen’ verhaal overeind. De dorpen worden daarmee authentiek, herkenbaar en vertrouwd en antwoorden op de vraag naar een aantrekkelijke en recreatieve woon- en werkgemeente.

31

Figuur 20: Waardevolle natuur en landschap binnen bereik In dit plan is verwoord dat het nabijgelegen terrein De Nijverhei als werklandschap diverse kenmerken en aandachtspunten heeft.

Figuur 21: Groenstructuurkaart Op de Groenstructuurkaart met uitvoeringskaart (figuur 21 en 22) is het plangebied aangegeven als onderdeel van de dorpsranden. In het Groenstructuurplan is de visie op de dorpsranden als volgt gedefinieerd: ‘Contact tussen dorpskern en omliggend landschap, kern en landschappelijk verweven. Vanuit de kernen bewust worden van de aanwezigheid van het omliggende landschap door daar glimpen van op te vangen. Wandelend door het buitengebied ‘weg’ zijn en het landschap in alle rust kunnen beleven.’ De randen aan de achterzijde van een woning wordt aangeplant met houtwallen, struweel of bosplantsoen of kunnen natte, ecologische zones worden aangelegd als buffer. Aan de voorzijde wordt openheid en contact met het landschap nagestreefd.

32

Figuur 22: Uitvoeringskaart Structuurvisie Landschap, 2012 en Landschapsontwikkelingsplan, 2009 De gemeente Rucphen heeft een zeer aantrekkelijk buitengebied. Dit aantrekkelijke buitengebied met de authentieke schoonheid van het landschap en natuurgebieden wedijvert echter met economische belangen om de schaarse, kwalitatief hoogwaardige ruimte in Rucphen. De gemeente wil economische initiatieven stimuleren, maar in combinatie met een goede zorg voor kwaliteit van het landschap zodat Rucphen aantrekkelijk blijft voor de huidige en toekomstige inwoners, maar ook voor de bezoekers: de toeristen en recreanten. Het Landschapsontwikkelingsplan vormt de basis voor de Structuurvisie landschap van 26 juni 2012 (figuur 23). Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) heeft betrekking op het buitengebied van de gemeente. Het LOP is opgesteld om sturing te kunnen geven aan komende (voorzienbare) ontwikkelingen in het buitengebied. Het plan heeft een bottom-up principe, wat betekent dat het in samenspraak met direct belanghebbenden tot stand komt en van onderaf ‘bouwt’ aan het gewenste landschapsbeeld. Het bundelt handelingen en processen die een ruimtelijke weerslag hebben op het buitengebied.

33

Visie op hoofdlijnen

Verdeling van gebieden

Figuur 23: Deelgebiedvisie Structuurvisie Landschap De locatie, een oude zandontginning, ligt in het deelgebied MMC. Het MMC is een beschermd gebied in het kader van de Verordening Waterhuishouding, in verband met de infiltratiewerking van de ondergrond. De natuurwaarde van het MMC en de bossen eromheen worden vergroot door het aanleggen van ecologische verbindingszones aan de zuidzijde, en aan de westzijde richting Schijfse Vaart. In de reconstructieatlas staat ook een ontsnipperingspunt aangegeven. Ontsnipperingspunten liggen op plaatsen waar infrastructuur ecologische verbindingszones doorkruist. Om de barrièrewerking van de infrastructuur te verminderen worden mitigerende maatregelen genomen, zoals de aanleg van faunatunnels, loopplanken of zelfs ecoducten. De militaire functie blijft dominant in dit deelgebied, daarmee zijn ontwikkelingen in de landbouw, woningbouw en intensieve recreatie 34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11107084/1