CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

08.9 bijlage Archeologisch onderzoek

gemeenteraad 21 april 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan ‘Kom Zegge, Lage Zegstraat naast 8 te Zegge’7.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase

Lage Zegstraat 2-8, Zegge, Gemeente Rucphen B&G rapport 955

Colofon Projectnummer Auteur Redactie Versie Status

199192 / 40686 drs. J. de Kramer dr. A.W.E. Wilbers 1.3 Definitief

Autorisatie A. Wilbers

Senior Prospector

27-05-2010

H.C. van Hulten

Gemeente Rucphen

23-09-2010

L. Weterings-Korthorst

Regioarcheoloog

23-09-2010

Goedkeuring

Opdrachtgever

Agel Adviseurs Contactpersoon: dhr. M. van Strien Postbus 4156 4900 CD Oosterhout

© Becker & Van de Graaf bv Noordwijk, november 2010 ISSN 1879-3711 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

B&G rapport 955

Versie 1.3 (Definitief)

SAMENVATTING: In opdracht van Agel Adviseurs heeft archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf bv een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) verkennende fase, door middel van boringen uitgevoerd aan de Lage Zegstraat in een grasland tussen de huisnummers 2 en 8. De aanleiding voor dit onderzoek is benodigde bestemmingsplanwijziging voor elf nieuwbouwwoningen. De benodigde graafwerkzaamheden reiken hoogstwaarschijnlijk niet dieper dan 2,0 m –mv. De kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden door de benodigde graafwerkzaamheden verstoord dan wel vernietigd zullen worden. e

Het plangebied ligt in een gebied waar in de 13 eeuw winning van veen plaatsvond dat vanaf het e Vroeg Holoceen was gevormd op pleistoceen dekzand. In de 14 eeuw is het gebied landbouwkundig e in gebruik genomen. Het bovenste pakket is een geroerd humeus pakket dat ontstaan is vanaf de 14 eeuw. De roering is hoogstwaarschijnlijk grotendeels modern. Hierdoor en door de vochtige e bodemcondities is de archeologische verwachting zeer laag voor archeologische resten van na de 13 eeuw (Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd). De top van het pleistocene dekzand, het pakket jonge dekzand, is omgewerkt. Hierdoor moet de op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolithicum worden bijgesteld tot zeer laag. De kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Paleolithicum in de top van het pakket oud dekzand is eveneens zeer laag door de zeldzaamheid van sporen van menselijke aanwezigheid uit die tijd en door de vermoedelijk vochtige condities waaronder de vorming van het oude dekzand tot stand kwam. Door de op het bureau- en veldonderzoek gebaseerde naar verwachting lage kans op het aantreffen van eventuele archeologische waarden wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Geadviseerd wordt verder om over het hierboven geformuleerde advies overleg te voeren met de bevoegde overheid, de gemeente Rucphen.

De contactpersoon bij de gemeente is dhr. H.C. van Hulten (tel.: 0165-349500). De beoordeling van het advies zal worden gedaan door mw. L. Weterings-Korthorst van het Regiobureau Breda, de deskundige namens de bevoegde overheid.

INHOUDSOPGAVE: ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ............................................................... 4 1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 5

1.1. Aanleiding ............................................................................................................................... 5 1.2. Doelstelling en vraagstelling van het onderzoek .................................................................... 6 1.3. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied ........................................................................... 6 2. BUREAUONDERZOEK .................................................................................................................... 8

2.1. Werkwijze ................................................................................................................................ 8 2.2. Landschappelijke context ........................................................................................................ 8 2.3. Archeologie ............................................................................................................................. 9 2.4. Historische ontwikkelingen in bewoning en landgebruik ....................................................... 10 2.5. Huidige landgebruik en mogelijke verstoringen .................................................................... 11 2.6. Gespecificeerd verwachtingsmodel ...................................................................................... 11 3. VELDONDERZOEK ........................................................................................................................ 12

3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet ........................................................................ 12 3.2. Werkwijze .............................................................................................................................. 12 3.3. Resultaten ............................................................................................................................. 12 3.4. Interpretatie ........................................................................................................................... 13 4. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ............................................................................................. 14

4.1. Beantwoording vraagstelling ................................................................................................. 14 4.2. Aanbevelingen ...................................................................................................................... 15 4.3. Betrouwbaarheid ................................................................................................................... 15 GERAADPLEEGDE BRONNEN ........................................................................................................ 16 LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN .................................................................................. 17

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Topografische kaart Archis-informatie Boorlocatiekaart Boorbeschrijvingen Minuutplan 1811-1832 Topografische kaart 1910 Ligging van veenwinningsblokken van de ‘Vlaamse Moer’ Periodentabel Foto van de profielkuil tussen de boringen 2 en 3

3

Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem

Lage Zegstraat, tussen huisnummers 2 en 8

Onderzoeksmeldingsnummer

40686

Plaats

Zegge

Gemeente

Rucphen

Kadastrale aanduiding

sectie N, perceel 368

Provincie

Noord-Brabant

Coördinaten Centrum Hoekpunten

94.315/396.454 94.345/396.421 (ZO) 94.354/396.473 (NO) 94.291/396.483 (NW) 94.282/396.433 (ZW)

Oppervlakte plangebied

circa 3.350 m2

Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Opdrachtgever

Agel Adviseurs Contactpersoon: dhr. M. van Strien Postbus 4156 4900 CD Oosterhout Tel.: 0162-456481

Uitvoerder

Becker & Van de Graaf bv Contactpersoon: drs. J. de Kramer Postbus 126 2200 AC Noordwijk (ZH) Tel.: 071-3326888 jdkramer@bgarcheologie.nl

Bevoegde overheid

Gemeente Rucphen Afdeling Ruimte Contactpersoon: dhr. H.C. van Hulten Postbus 9 4715 ZG Rucphen Tel.: 0165-349500 Archeologische adviseur gemeente Rucphen: Regiobureau Breda mw. drs. L. Weterings-Korthorst Postbus 3400 4800 DK Breda

Beheer en plaats van documentatie

Becker & Van de Graaf bv, Noordwijk

Uitvoeringsdatum veldwerk

12 mei 2010

4

1. Inleiding 1.1. Aanleiding In opdracht van Agel Adviseurs uit Oosterhout heeft archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf bv een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) verkennende fase, door middel van boringen uitgevoerd aan de Lage Zegstraat in een grasland tussen de huisnummers 2 en 8. Het onderzoek vond plaats in mei 2010. De aanleiding voor dit onderzoek is benodigde bestemmingsplanwijziging voor elf grondgebonden woningen (figuur 1a en b). Volgens dhr. S. Selders van Selders Vastgoed die de woningen gaat realiseren is nog onbekend of de fundering ‘op staal’ of op palen wordt. Onder de woningen komen geen kelders. Naar verwachting wordt grond opgebracht voorafgaande aan de bouw. Hoeveel is onbekend, maar dat kan zo’n 1 m zijn, net als de nieuwbouw ten zuiden van het plangebied. De ontgravingsdieptes zijn nog niet bekend. Daarom wordt aangenomen dat door graafwerkzaamheden de bodem verstoord worden tot maximaal circa 2,0 m –mv. De kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden door de benodigde graafwerkzaamheden verstoord dan wel vernietigd zullen worden.

Figuur 1: Bouwplannen. a. Schets met op de voorgrond de Lage Zegstraat. b. Kaart (noorden is boven).

a

b

5

1.2. Doelstelling en vraagstelling van het onderzoek De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een antwoord gegeven (De Kramer 2010): •

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?

•

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?

•

Zijn er archeologische waarden aanwezig in het plangebied?

•

Wat is de diepteligging van eventueel aanwezige archeologische waarden?

•

Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?

•

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden?

Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.1 (Centraal College van Deskundigen 2006). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar bijlage 9. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen). 1.3. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied De ligging van het plangebied is weergegeven in bijlage 1. Het plangebied ligt in Zegge ten noorden van de Lage Zegstraat (figuur 1). Het plangebied ligt tussen de bebouwing van de huisnummers 2 en 8 en ten westen van de historische kern van Zegge. Het plangebied is onbebouwd en in gebruik als grasland (figuur 2).

6

Figuur 1: Lage Zegstraat, kijkende in oostelijke richting. Het plangebied ligt links op de foto. Het pakket zand is van de bouwweg die wordt aangelegd..

Figuur 2: Samengestelde overzichtsfoto van het plangebied, kijkende in noordelijke richting vanaf de Lage Zegstraat.

7

2. Bureauonderzoek 2.1. Werkwijze Bij het bureauonderzoek is gekeken naar bekende archeologische waarden, uitgevoerde archeologische onderzoeken, de fysieke kenmerken van het oude en huidige landschap en naar informatie over bodemverstoringen. Er is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de Provincie Noord-Brabant (versie 26 september 2006). Daarnaast is er gekeken naar de landelijke verwachtingskaart (de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; IKAW) en naar het Archeologisch Informatie Systeem (Archis II) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Aanvullende historische informatie is verkregen uit beschikbaar historisch kaartmateriaal, waaronder e e e het minuutplan van begin 19 eeuw en diverse historische topografische kaarten uit de 19 en 20 eeuw (watwaswaar.nl). Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap is onder andere gebruik gemaakt van de bodemkaart van Nederland (Stichting voor Bodemkartering 1982) en de geomorfologische kaart van Nederland (Stichting voor Bodemkartering / Rijks Geologische Dienst 1984). Voor informatie over het reliëf in en rondom het plangebied is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN; www.ahn.nl). Deze gegevens zijn aangevuld met informatie van de opdrachtgever en van de projectontwikkelaar. Daarnaast is contact is opgenomen met dhr. J.

van Uijthoven van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land Breda ‘De Oranjeboom’. 2.2. Landschappelijke context 2.2.1. Geomorfologie en geologie Het reliëf van het plangebied is zwak golvend. De maaiveldhoogte in het plangebied is circa 3,3 tot 3,4 m. In de ondergrond komen vroegpleistocene afzettingen voor van de Formatie van Waalre (Stichting voor Bodemkartering 1982; De Mulder et al. 2003). Het betreffen vooral Rijnafzettingen uit het Tiglien (circa 2,2 tot 1,6 miljoen jaar geleden). De top wordt gevormd door een pakket zware klei van meer dan één meter dik. De diepte waarop deze afzettingen in het plangebied liggen is onduidelijk, maar uit de bodemclassificatie valt op te maken dat de Formatie van Waalre tussen de 0,4 en 1,2 m aanwezig is, de diepte waarop de classificatie van de bodem gebaseerd is (toevoeging ‘t’ aan de bodemclassificatiecode). Op de Formatie van Waalre liggen de laatpleistocene afzettingen van de Formatie van Boxtel (De Mulder et al. 2003). De afzettingen bestaan uit eolische afzettingen (windafzettingen) en fluvioperiglaciale afzettingen (in de ijstijd door sneeuwsmeltwater verspoelde afzettingen (‘oud dekand I’). De afzettingen in het plangebied dateren uit het Weichselien (circa 116.000 tot 11.500 jaar geleden) en meer specifiek uit het Pleniglaciaal (circa 73.000 tot 14.650 jaar geleden).

Naar verwachting bestaan de in het plangebied aanwezige laatpleistocene afzettingen uit afwisselingen van zand- en leemlagen. In de afzettingen komt ook een zware leemlaag voor en mogelijk zijn ook dunne veenlagen aanwezig. De leem- en veenlagen zijn vervormd door vorstwerking (kryoturbatie). Aan de top van de fluvioperiglaciale afzetting is een grindrijk zandlaagje of grindsnoertje te verwachten. Dit is de Laag van Beuningen die gevormd is door uitblazing van (fijn) zand. De laag dateert uit het einde van het Pleniglaciaal. Daarna en eveneens aan het einde van het Pleniglaciaal is op de Laag van Beuningen dekzand afgezet (‘oud dekzand II’). Dit pakket komt in het plangebied aan de oppervlakte voor en bestaat uit gelaagd lemig fijn zand. Omdat het plangebied volgens de geomorfologsiche kaart in een vlakte ligt van ten dele verspoelde dekzanden (kaartcode 2M9; Stichting voor Bodemkartering / Rijks Geologische Dienst 1984), worden vooral fluvioperiglaciale afzettingen verwacht. Ook in het Vroege Dryas (circa 14.000 tot 13.900 jaar gelden) en Late Dryas (circa 12.700 tot 11.500 jaar geleden) is dekzand afgezet (respectievelijk ‘jong dekzand I’ en ‘jong dekzand II’). Deze twee dekzandpakketten ontbreken vermoedelijk in het plangebied (Stichting voor Bodemkartering 1982b).

In het Holoceen (de huidige warme periode vanaf circa 11.500 jaar geleden) werd het klimaat geleidelijk aan vochtiger en steeg de grondwaterspiegel. Op lage plekken met stagnerende afvoer, zoals in het plangebied en omgeving, werd hoogveen gevormd. Dit veen was voornamelijk veenmosveen (Formatie van Nieuwkoop, Laagpakket van Griendtsveen; De Mulder et al. 2003). Het

8

e

ontstane veenpakket was tot circa 3 m dik. Vanaf de 13 eeuw werd het veen voor turfwinning afgegraven, waardoor de oude afzettingen van vóór de veenvorming (dekzandafzettingen) weer aan de oppervlakte kwamen te liggen.

Figuur 3: Reliëf in het plangebied en omgeving volgens de AHN\. Hoe groener en blauwer, hoe lager en hoe geler en roder, hoe hoger het maaiveld ligt (bron: www.ahn.nl).

2.2.2. Bodem In het plangebied komen gooreerdgronden voor die gevormd zijn in lemig fijn zand (bodemkaartcode pZn23t; Stichting voor Bodemkartering 1982). Gooreerdgronden zijn hydrozandeerdgronden met een duidelijk donkere bovengrond (De Bakker / Schelling 1966). Gooreerdgronden zijn ontwikkeld onder voedselarme omstandigheden. De gooreerdgronden in het plangebied zijn sterk tot zeer sterk lemige gronden. Het plangebied ligt in een komvormige laagte en behoort tot de jonge ontginningen. In de gebieden met de jonge ontginningen is het humushoudende dek circa 20 à 25 cm dik (Stichting voor de Bodemkartering 1982b). De top van de bodem in het plangebied wordt gevormd door oud dekzand. Ondiep komen leemlagen of oude kleilagen voor. De grondwatertrap is V en dat betekent dat de grondwaterstanden sterk wisselen. Er is sprake van matig droge gronden. Bij trap V ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen 10 en 40 cm –mv en de gemiddeld laagste grondewaterstand (GLG) tussen 140 en 300 cm –mv. De matig hoge grondwaterstanden en de grote aandeel silt in het bodemmateriaal maken dat de omstandigheden redelijk gunstig zijn voor het aantreffen van eventuele (onverkoolde) organische archeologische vondsten. Eventuele anorganische vondsten zullen in goede staat voorkomen. 2.3. Archeologie Het plangebied heeft op de IKAW een middelhoge trefkans op archeologische waarden.

Deze verwachting is gebaseerd op het voorkomen van eerdgronden (namelijk gooreerdgronden). De CHW van Noord-Brabant gaat uit van een middelhoge of hoge archeologische verwachting. Direct ten noorden van het plangebied is in 2006 een onderzoek uitgevoerd (ARCHISonderzoeksmelding 28384; plangebied Hooghei). De ondergrond bleek diep verstoord te zijn,

9

waarschijnlijk door landbouwactiviteiten (diepploegen). Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische resten aangetroffen. Daarom is geen vervolgonderzoek aanbevolen. Dat advies is door het bevoegd gezag overgenomen. In ARCHIS zijn geen andere onderzoeksmeldingen of waarnemingen uit het plangebied of uit de onmiddellijke omgeving bekend. Op een afstand van circa 1,0 tot 1,5 km ten zuidwesten van het plangebied zijn wel archeologische waarden bekend. Hier ligt een cluster van twee waarnemingen (ARCHIS-waarnemingen 52971 en 53027) en een vondstmelding (ARCHIS-vondstmelding 404888). Van deze locaties zijn fragmenten aardewerk uit de Nieuwe tijd bekend. Daarnaast zijn op de plaats van de twee waarnemingen ook brokjes verbrande leem en twee vuursteenartefacten aangetroffen. De vuursteenartefacten zijn in het Mesolithicum of Neolithicum te dateren. 2.4. Historische ontwikkelingen in bewoning en landgebruik e

Het plangebied ligt in het polderlandschap dat ontstaan is in de 13 eeuw na afgraving van veen (CHW Provincie Noord-Brabant; Heemkundekring De Vrijheit van Rosendale s.a.). Ten oosten van e e Roosendaal had vanaf de 13 eeuw tot en met de 17 eeuw grootschalige commerciële turfwinning plaats om grote Vlaamse steden als Brugge en Gent van brandstof te voorzien. Het turf werd gewonnen uit hoogveen. Het veen werd met kanalen (turfvaarten) ontwatert en het gestoken veen werd via die kanalen per turfschuit afgevoerd naar turfhavens in onder andere Roosendaal, Oudenbosch en Leur. Van daaruit werd het veen verder vervoerd. Naast vaarten werden ook wegen aangelegd. De wegen lopen parallel aan elkaar of staan er haaks op. De Lage Zegstraat is een van de wegen die circa 700 jaar geleden werd aangelegd. Wellicht werd de Lage Zegstraat aanvankelijk (vrijwel) alleen gebruikt voor de afvoer van het gestoken veen. Het latere gebruik van de Zegstraat na het steken van het veen is onduidelijk. Mogelijk had de weg nog steeds een transportfunctie voor goederen naar de vaarten, maar dat is onduidelijk. Het plangebied ligt in het centrum van de vier noordelijke blokken van de zogenoemde ‘Vlaamse Moer’. De Vlaamse Moer heeft de volgende historie.

De heer van Breda, Gasto van Gaveren, bezat e eind 13 eeuw een aaneengesloten moerasgebied (‘moer’) ten oosten van Roosendaal met een oppervlakte van circa 1400 ha. Het veenpakket was plaatselijk tot circa 3 m dik. Vlaamse kooplieden zagen mogelijkheden dit gebied te ontginnen en kochten de moerrechten in de periode 1280-1287, vandaar de naam ‘Vlaamse Moer’. Het ging hen alleen om het veenpakket, niet om de ondergrond die overbleef. De Vlaamse Moer werd in acht gelijke blokvormige kavels verdeeld. Tussen de vier noordelijke blokken en de vier in het zuiden is in 1290 de grens tussen de Baronie van Breda en het Markiezaat Bergen op Zoom vastgesteld. Grote delen van deze oude grens zijn nu nog in de gemeentegrens tussen Roosendaal en Rucphen terug te vinden. Vanaf 1380 vond de ontginning van het verveende land tot bouwgrond plaats. Veel relicten van de oude lijnen van de veenontginning kregen een plaats in de agrarische ontginning en zijn nu nog herkenbaar in het landschap. e

Het dorp Zegge was tot in de 19 eeuw een verzameling van vier buurtschappen: Zegge, Heesterbosch, Noordhoek en Hooghei. De buurschappen ontwikkelden zich voornamelijk langs de oost-west gerichte ontsluitingswegen. Door de bebouwing langs de Onze Lieve Vrouwenstraat die een noord-zuid oriëntatie heeft, groeiden de buurtschappen aan elkaar. Deze straat ligt circa 200 m ten oosten van de Lage Zegstraat. Het plangebied ligt buiten de contouren van de historische e dorpskern. Begin 19 eeuw was volgens de bij het minuutplan behorende kadastrale gegevens (OAT) het plangebied grotendeels in gebruik als hakhout (bijlage 5). Alleen het meest oostelijke deel van het plangebied, dat op een ander perceel lag, was in gebruik als weiland. Het perceel ten westen van het plangebied was ook als hakhout in gebruik. Het gebruik als hakhout en weiland duidt op vochtige e bodemcondities. Begin 20 eeuw was het plangebied nog onbebouwd en in gebruik als bouwland (bijlage 6). Een nu verdwenen noord-zuid georiënteerde haag scheidde de percelen waaruit het plangebied uit bestond.

10

2.5. Huidige landgebruik en mogelijke verstoringen Bij het Bodemloket zijn geen bodemverstorende ingrepen bekend. Door de vervening en de daarop volgende aanpassingen van het gebied om het voor landbouwkundig geschikt te maken zal de top van de natuurlijke zandafzettingen onder het door verdwenen veenpakket naar verwachting geroerd zijn. 2.6. Gespecificeerd verwachtingsmodel Naar verwachting bestaat de ondergrond uit laatpleistoceen dekzand op vroegpleistocene afzettingen. Het plangebied ligt in een gebied waar veenvorming plaatsvond vanaf het begin van het e Holoceen en waar winning van dat veen plaatsvond in de 13 eeuw. Daarnaast ligt het plangebied in een relatief laaggelegen terrein en buiten de zone met historische bebouwing van het dorp Zegge. Eventuele archeologische resten dateren van vóór de vorming van het afgegraven veenpakket uit het e Paleolithicum of Mesolithicum of van ná de turfwinning in de 13 eeuw (vanaf de Late Middeleeuwen B). Menselijke sporen uit het Paleolithicum of Mesolithicum zijn echter zeldzaam. Voor zowel het Paleolithicum als Mesolithicum geldt daardoor een lage archeologische verwachting. Eventuele e resten vanaf de 13 eeuw zullen vooral te maken hebben met het landgebruik. Door de ligging buiten de zone met historische bebouwing van het dorp Zegge en de vochtige ligging is de kans op resten van bewoning klein.

De bodemmatrix en de matig hoge grondwaterstanden maken dat de omstandigheden relatief gunstig zijn voor het aantreffen van (onverkoolde) organische vondsten. Diepgelegen organische resten kunnen ook matig tot goed behouden zijn. Anorganische vondsten zullen in goede staat voorkomen. Eventuele Archeologische resten mogen vooral worden verwacht in de top van de natuurlijke afzettingen, direct onder de bouwvoor.

11

3. Veldonderzoek 3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is om de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen. Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is gebleven en waar niet. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Het veldonderzoek bestond uitsluitend uit een booronderzoek. Een veldkartering was door de aanwezige begroeiing van gras niet mogelijk 3.2. Werkwijze In het plangebied aan de Lage Zegstraat zijn vijf boringen gezet in de gebied waar de toekomstige graafwerkzaamheden gepland zijn. De boringen reiken tot 2,0 m –mv. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 10 cm en voor het zandpakket onder de grondwaterspiegel een zuigerboor met een breedte van 4 cm. Even buiten het plangebied is een boring gezet. Hiermee kon worden gecontroleerd in hoeverre de bodem in het plangebied overeenkomt met het terrein dat bij eerder onderzoek als verstoord is aangemerkt. Tussen de boringen 2 en 3 is een kuil gegraven om de mate van intactheid van het bodemprofiel te controleren.

De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma Boormanager van I.T. Works. De locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn ingemeten vanuit de perceelsgrenzen en de bebouwing. De hoogtes van de boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, www.ahn.nl). De opgeboorde monsters zijn door middel van verbrokkelen in het veld onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot. Archeologisch interessante lagen zijn gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 4 mm. 3.3. Resultaten 3.3.1. Lithologie en geologie De top van de bodem van het plangebied bestaat uit een zwartbruin 40 tot 65 cm dik matig kalkloos humeus zandpakket. Het pakket is in boring 5 tussen 40 en 65 cm zwak humeus. Het zand is matig fijn en matig siltig. Onder het humeuze pakket ligt een scherpe overgang naar een kalkloos zandpakket dat niet-humeus is. De kleur is lichtgrijs(beige). Het zand is matig fijn en matig siltig. Het humeuze pakket is te interpreteren als de door modern diepploegen omgewerkte basis van het veenpakket dat vanaf het Vroeg Holoceen op het dekzand was gevormd.

Uit de aanwezigheid van brokjes niet-humeus zand uit het onderliggende zandpakket blijkt dat bij de omwerking het veen met de top van het eronder gelegen zandpakket is vermengd. De brokjes niet-humeus zand waren goed zichtbaar in de gegraven profielkuil (bijlage 9) en zijn ook waargenomen in de boringen 1, 3, 4 en 5. De aftopping van het niet-humeuze zandpakket blijkt ook uit de scherpe overgang naar het humeuze pakket. Eerder zal al vermenging tussen het restant van het veenpakket en het zandpakket hebben plaatsgevonden in de eeuwen na de ontginning. Het niet-humeuze zandpakket is te interpreteren als jong dekzand uit het Vroege of Late Dryas (Formatie van Boxtel). Het pakket jong dekzand gaat op een sterk wisselende diepte over in het pakket oud dekzand uit het Pleniglaciaal (Formatie van Boxtel). De top van dit pakket ligt op 70 tot 150 cm –mv, op +1,9 tot +2,6 m NAP. De kleuren van de lagen zijn beigegrijs, bruingrijs, groengrijs, donkergrijs en zwartbruin. De zandlagen in het pakket bestaan uit zeer fijn tot matig fijn zand dat sterk of uiterst siltig is en waarin in boring 4 en 5 sporen fijn grind zijn aangetroffen. Naast zandlagen komen kleilagen voor die sterk of uiterst siltig zijn of sterk zandig. Een deel van de kleilagen is zwak tot sterk humeus. In de boringen 2,

12

5 en 6 komen in de humeuze kleilaag dunne veenlagen voor. De plantenresten die herkend zijn in de humeuze kleien zijn van grassen. 3.3.2. Bodem De bodem bestaat uit een dik humeus antropogeen pakket op niet- of weinig veranderde natuurlijke afzettingen. De bodem is te classificeren als een gooreerdgrond, overeenkomstig met de bodemkaart (paragraaf 2.2.2). 3.3.3. Archeologische indicatoren In de ongeroerde afzettingen zijn in boringen geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel is in het bovenste, geroerde humeuze pakket in boring 2 tussen 0 en 25 cm –mv een fragment van een kleipijp aangetroffen. Het betreft een verweerd fragment van de steel van een kleipijp. De diameter is e circa 8 mm. De vondst is te dateren in de 17 eeuw, in de Nieuwe tijd A of B. 3.4. Interpretatie e

Het bovenste, humeuze, pakket is gevormd is vanaf de 14 eeuw. Roering had plaats na de veenwinning bij de geschikt maken van het gebied voor landbouwkundig gebruik. De sterkste roering, die nu zichtbaar is aan de aanwezigheid van brokjes niet-humeus zand uit het daaronder gelegen zandpakket, is hoogstwaarschijnlijk modern en hangt samen met sporadische ingrepen voor landbouwkundig gebruik als een egalisatie of met meer frequente ingrepen als (diep)ploegen. Door een vermoedelijk voor een groot deel moderne omwerking van de top van de bodem en door het vroegere gebruik als hakhout of weiland, dat wijst op vochtige bodemcondities, is de e archeologische verwachting voor archeologische resten die dateren van na de veenwinning in de 13 eeuw klein. Wel kunnen losse vondsten aanwezig zijn zoals de in boring 2 aangetroffen kleipijpensteel. Deze vondsten duiden niet op archeologische sporen in de ondergrond, maar op bemesting van de akkers met huisvuil. De op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd moet worden bijgesteld tot zeer laag. De top van het pleistocene dekzand, het pakket jonge dekzand, is omgewerkt. Hierdoor moet de op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolithicum worden bijgesteld tot een zeer lage verwachting.

De kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Paleolithicum in de top van het pakket oud dekzand is eveneens zeer laag door de zeldzaamheid van sporen van menselijke aanwezigheid uit die tijd en door de vermoedelijk vochtige condities waaronder de vorming van het oude dekzand tot stand kwam.

13

4. Conclusie en aanbevelingen In opdracht van Agel Adviseurs uit Oosterhout is in mei 2010 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) verkennende fase / door middel van boringen uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan Lage Zegstraat tussen de huisnummers 2 en 8 in Zegge, gemeente Rucphen. e

Het bovenste pakket is een geroerd pakket, ontstaan in de 14 eeuw of later. De op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd moet na het veldonderzoek worden bijgesteld tot zeer laag. Dit geldt ook voor het daaronder gelegen pakket pleistocene afzettingen van jong en oud dekzand. De top van het pleistocene dekzand, het pakket jonge dekzand, is omgewerkt. Hierdoor moet de op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische waarden uit het Paleolithicum en Mesolithicum worden bijgesteld tot een zeer lage verwachting. De kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Paleolithicum in de top van het pakket oud dekzand is eveneens zeer laag door de zeldzaamheid van sporen van menselijke aanwezigheid uit die tijd en door de vermoedelijk vochtige condities waaronder de vorming van het oude dekzand tot stand kwam. 4.1. Beantwoording vraagstelling •

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?

Het plangebied ligt op een vroegpleistoceen rivierterras waarop in het Weichselien oud en jong e dekzand is afgezet. Vanaf het Vroeg Holoceen is op het dekzand veen gevormd dat in de 13 eeuw is afgegraven. •

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? e

De ondergrond van het plangebied bestaat uit een vanaf de 14 eeuw geroerd pakket, vanaf de omzetting van het verveende gebied in landbouwgrond. Het geroerde pakket is humeus en is 40 en 65 cm dik. Het pakket bestaat uit een mengsel van de top van het pakket jong dekzand en de basis van het veenpakket dat afgegraven is. Onder het geroerde pakket ligt het pakket jong dekzand en vanaf een diepte van 70 tot 150 cm –mv het pakket oud dekzand. •

Zijn er archeologische waarden aanwezig in het plangebied?

Naar verwachting zijn er in het plangebied geen archeologische waarden aanwezig anders dan losse vondsten die te maken hebben met bemesting met huisvuil. •

Wat is de diepteligging van eventueel aanwezige archeologische waarden?

Niet van toepassing. •

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? e

Het bovenste pakket is een geroerd pakket dat ontstaan is vanaf de 14 eeuw. De roering is hoogstwaarschijnlijk grotendeels modern. Door vermoedelijk voor een groot deel moderne omwerking en door het vroegere gebruik als hakhout of weiland, dat wijst op vochtige bodemcondities, is de e archeologische verwachting voor archeologische resten die dateren van na de veenwinning in de 13 eeuw klein. Wel kunnen losse vondsten aanwezig zijn zoals de in boring 2 aangetroffen kleipijpensteel. Deze vondsten duiden niet op archeologische sporen in de ondergrond, maar op bemesting van de akkers met huisvuil. De op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd moet worden bijgesteld tot zeer laag. De top van het pleistocene dekzand, het pakket jonge dekzand, is omgewerkt. Hierdoor moet de op het bureauonderzoek gebaseerde lage verwachting voor archeologische waarden uit het

14

Paleolithicum en Mesolithicum worden bijgesteld tot een zeer lage verwachting. De kans op het aantreffen van archeologische waarden uit het Paleolithicum in de top van het pakket oud dekzand is eveneens zeer laag door de zeldzaamheid van sporen van menselijke aanwezigheid uit die tijd en door de vermoedelijk vochtige condities waaronder de vorming van het oude dekzand tot stand kwam. •

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden?

Naar verwachting zijn er in het plangebied geen archeologische waarden aanwezig die bedreigd kunnen worden door de voorgenomen graafwerkzaamheden. 4.2. Aanbevelingen Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied zeer klein is en daarmee de kans op verstoring van archeologische waarden in het kader van het bouwplan minimaal is. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied op archeologische gronden vrij te geven. NB. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Rucphen. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. Becker & Van de Graaf bv wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. 4.3. Betrouwbaarheid Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.

Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden. Wij wijzen u er graag op dat indien archeologische waarden worden aangetroffen deze conform de Monumentenwet 1988, artikel 53, bij het Rijk gemeld dienen te worden.

15

Geraadpleegde bronnen ANWB, 2005: ANWB Topografische Atlas Zuid-Holland, 1:25.000, Den Haag. Bakker, H. de/ J. Schelling, 1966: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, Wageningen. Centraal College van Deskundigen, 2006: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.1, Gouda. Heemkundekring De Vrijheit van Rosendale, s.a.: Ontdekkingstocht vanuit Roosendaal naar de e turfwinning in de 14 eeuw. Routeplanner Van Lage Zeg via Gastels Laag naar het Laagveld. Kramer, J. de, 2010: Plan van aanpak Lage Zegstraat in Zegge, gemeente Rucphen, Noordwijk (intern rapport, Becker & Van de Graaf). SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda. Stichting voor Bodemkartering, 1982: Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, blad 49 Oost Bergen op Zoom, Wageningen. Stichting voor Bodemkartering / Rijks Geologische Dienst, 1984: Geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000, 49 Bergen op Zoom, Wageningen / Haarlem.

Websites http://www.ahn.nl - Actueel Hoogtebestand van Nederland http://watwaswaar.nl - historische plaatsgebonden informatie van een groot aantal collecties van Nederlandse erfgoedinstellingen

16

Lijst van afkortingen en begrippen Afkortingen AHN AMK ARCHIS CHW CMA CvAK GHG GLG IVO IKAW KNA -mv NAP NEN OAT RACM RCE

Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumenten Kaart Archeologisch Informatie Systeem Cultuur-Historische Waardenkaart Centraal Monumenten Archief College van de Archeologische Kwaliteit (nu onderdeel van het SIKB) Gemiddeld hoogste grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand Inventariserend Archeologisch Onderzoek Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie beneden maaiveld (het landoppervlak) Normaal Amsterdams Peil Nederlandse Norm Oorspronkelijk Aanwijzende Tabel (kadaster) Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (voormalig RACM)

Verklarende woordenlijst antropogeen

Ten gevolge van menselijk handelen (door mensen veroorzaakt/gemaakt).

ARCHIS-melding

Elke melding bij het centraal informatiesysteem (ARCHIS).

artefact

Alle door de mens vervaardigde of gebruikte voorwerpen.

bioturbatie

Verstoring van de oorspronkelijke bodemstructuur en/of transport van materiaal door plantengroei en dierenactiviteiten.

Boreaal

Tijdvak, onderafdeling van het Holoceen, gekarakteriseerd door een gematigd en continentaal klimaat en een bebost landschap gedomineerd door loofbomen (datering ca. 6800-5500 voor Chr.).

conservering

Mate waarin grondsporen, anorganische en organische archeologische resten bewaard zijn.

cultuurdek

30 tot 50 cm dikke cultuurlaag, soms opgebracht (vergelijkbaar met een es, maar minder dik), soms ontstaan door diepploegen.

dekzand

Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een ‘dek’ (Formatie van Boxtel).

Dryas

Laatste gedeelte van het Laat-Weichselien, ca. 20.000-10.000 jaar geleden.

enkeerdgronden

Dikke laag met donkere, min of meer rulle grond, met organische en anorganische bestanddelen die ontwikkeld is op zandgrond onder invloed van de mens; worden veelal aangetroffen op grote akkergronden.

eolisch

Door de wind gevormd, afgezet.

fluviatiel

Door rivieren gevormd, afgezet.

gaafheid

Mate van (fysieke) verstoring van de bodem, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang).

Holoceen

Jongste geologisch tijdvak dat nog steeds voortduurt (vanaf de laatste IJstijd: ca. 8800 jaar voor Chr.).

horizont

Kenmerkende laag binnen de bodemvorming.

17

humeus

Organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in de bodem.

in situ

Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren.

interstadiaal

Een warmere periode tijdens een glaciaal.

laag

Een vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden.

leem

Grondsoort die wordt gekenmerkt door een samenstelling van meer dan 50% silt, minder dan 50% zand en minder dan 25% klei

lithologie

Wetenschap die zich bezighoudt met de beschrijving en het ontstaan van de sedimentaire gesteenten.

löss

Eolisch (=wind-)a afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60-85%) kleiner is dan 63 Fm.

lutum

Kleideeltjes kleiner dan 0,002 mm

meanderen

(van rivieren of beken) Zich bochtig door het landschap slingeren.

oxidatie

Reactie met zuurstof (roesten/corrosie bij metalen; ‘verbranding’ bij veen).

plaggendek

Oud verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht.

plangebied

gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen

Pleistoceen

Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende IJstijden). Na de laatste IJstijd begint het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.).

Pleniglaciaal

Koudste periode van de laatste IJstijd, het Weichselien, ca. 20.000-13.000 jaar geleden.

podzol

Bodem met een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (Bhorizont). Het proces van het uitlogen van de E-horizont en de vorming van een B-horizont door inspoeling van amorfe humus en ijzer wordt podzolering genoemd.

potstal

Uitgediepte veestal.

Prehistorie

Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven.

Saalien

Voorlaatste glaciaal, waarin het landijs tot in Nederland doordrong (vorming stuwwallen), ca. 200.00-130.000 jaar geleden.

silt

Zeer fijn sediment met grootte 0,002-0,063 mm

site

plaats waar in het verleden menselijke activiteit heeft plaatsgevonden.

terras (rivier-)

Door een rivier verlaten en daarna versneden dalbodem.

vaaggronden

Minerale gronden zonder duidelijke podzol-B-horizont, zonder briklaag en zonder minerale eerdlaag.

vindplaats

Ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt.

Weichselien

Geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca. 120.000-10.000 jaar geleden.

18

Bijlage 1: Topografische kaart

395000

397000

º

0 93000

95000

Projectnummer: 19910210/40686 Projectnaam: Rucphen, Lage Zegstraat Legenda Plangebied

1,000 m

Bijlage 2: Archis-informatie

397000

º

35550 36755

396000

17033

53027

! 404888

(

20540

!

52971

0 93000

!

94000

500 m

95000

Projectnummer: 19910210/40686 Projectnaam: Rucphen, Lage Zegstraat Legenda Plangebied

( !

IKAW

vondstmeldingen

lage trefkans (water)

waarnemingen

middelhoge trefkans (water)

onderzoeksmeldingen

hoge trefkans (water)

monumenten

Archeologische waarde Terrein van archeologische betekenis Terrein van archeologische waarde Terrein van hoge archeologische waarde Terrein van zeer hoge archeologische waarde Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

lage trefkans water middelhoge trefkans ongekarteerd hoge trefkans zeer lage trefkans

Bijlage 4: Boorbeschrijvingen

24

Boring:

1

Boring:

2

Boring:

3

Datum:

12-05-2010

Datum:

12-05-2010

Datum:

12-05-2010

X:

94295

X:

94345

X:

94318

Y:

396473

Y:

396462

Y:

396454

Maaiveld [m NAP]:

3,3

Maaiveld [m NAP]:

3,4

Maaiveld [m NAP]:

3,3

GWS:

GWS:

GWS:

Opmerking:

Opmerking:

Opmerking:

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, sporen baksteen, bruinzwart, ca1

0

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, sporen baksteen, donker bruingrijs, ca1 enkele brokjes niet hum

50

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, bruinzwart, ca1 m2 1

0

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, sporen baksteen, bruinzwart, ca1 Zand, matig fijn, matig siltig, sporen roest, lichtgrijs, ca1

50

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak roesthoudend, licht grijsbeige, ca1 scherpe overgang

Leem, sterk zandig, matig humeus, sporen roest, donker grijsbeige, ca1 100

0

150

Klei, sterk zandig, zwak humeus, beigegrijs, ca1

Klei, sterk zandig, sterk humeus, matig plantenhoudend, bruinzwart, ca1

Zand, matig fijn, uiterst siltig, sporen planten, sporen wortels, grijsgroen, 200 ca1

150

Zand, zeer fijn, sterk siltig, sporen planten, licht grijsgroen, ca1 Klei, sterk zandig, sporen planten, grijsgroen, ca1 200

Klei, matig zandig, zwak humeus, zwak plantenhoudend, donker bruingrijs, ca1

4

Boring:

5

Boring:

6

Datum: X:

12-05-2010 94296

Datum: X:

12-05-2010 94337

Datum: X:

12-05-2010 94360

Y:

396441

Y:

396433

Y:

296503

Maaiveld [m NAP]:

3,3

Maaiveld [m NAP]:

3,3

Maaiveld [m NAP]:

3,4

GWS:

GWS:

GWS:

Opmerking:

Opmerking:

Opmerking:

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, bruinzwart, ca1

0

Zand, matig fijn, matig siltig, lichtgrijs, 50 ca1 top gevlekt met hum

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, brokken leem, sporen baksteen, grijszwart, ca1

0

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, sporen wortels, sporen baksteen, grijszwart, ca1 enkele vlekken niet humeus Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, brokken leem, sporen wortels, donkergrijs, ca1 enkele vlekken niet humeus

50

Zand, matig grof, matig siltig, sporen 150 grind, grijsbeige, ca1 deels z3

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, zwartgrijs, ca1

Zand, matig fijn, matig siltig, matig roesthoudend, licht grijsoranje, ca1 afgetopt scherpe overgang Zand, matig grof, matig siltig, lichtgrijs, ca1 gr6 gr tot 4 mm

Zand, matig fijn, matig siltig, grijs, ca1 gereduceerd deels z4

Zand, matig fijn, matig siltig, grijs, ca1

Klei, sterk zandig, zwak humeus, 100 zwak plantenhoudend, sporen roest, grijsbruin, ca1

Zand, zeer grof, matig siltig, sporen grind, grijsbeige, ca1 gr tot 4 mm

buiten het plangebied

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, donkergrijs, ca1

100

Leem, sterk zandig, zwak roesthoudend, beigegrijs, ca1 basis ks3h1 Klei, matig siltig, sterk humeus, matig plantenhoudend, bruinzwart, deels veen zeg1

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak plantenhoudend, sporen roest, licht grijsbruin, ca1

150

Klei, zwak zandig, zwak humeus, matig plantenhoudend, sporen wortels, grijsgroen, ca1

Boring:

Klei, zwak zandig, matig humeus, zwak plantenhoudend, donker grijsbruin, ca1 100

Zand, matig fijn, uiterst siltig, matig plantenhoudend, sporen wortels, zwartbruin, ca1 venig

Klei, sterk siltig, sterk humeus, sterk plantenhoudend, bruinzwart, ca1 venig

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, bruinzwart, ca1 gevlekt met niet hum 50

Zand, matig fijn, uiterst siltig, matig roesthoudend, laagjes leem, grijsoranje, ca1

Klei, sterk zandig, zwak humeus, zwak plantenhoudend, sporen wortels, grijsbruin, ca1

Klei, uiterst siltig, zwak roesthoudend, sporen planten, sporen wortels, grijsgroen, ca1 roest om wortelresten 200

Zand, matig fijn, matig siltig, sporen wortels, sporen roest, licht grijsbeige, ca1 top gevl

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, beigegrijs, ca1

Zand, matig fijn, sterk siltig, licht grijsbruin, ca1 deels s4

Zand, matig fijn, uiterst siltig, zwak roesthoudend, licht grijsbruin, ca1 deels s4

50

100

Zand, matig fijn, sterk siltig, grijsbeige, ca1 deels s4

150

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, sporen wortels, sporen roest, bruinzwart, ca1 brokje sintel enkele vlekken niet hu

Zand, matig fijn, matig siltig, sporen roest, licht beigegrijs, ca1

Leem, sterk zandig, sporen roest, licht grijsbeige, ca1 100

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, matig wortelhoudend, sporen baksteen, zwartbruin, ca1

0

Zand, matig fijn, uiterst siltig, zwak humeus, laagjes leem, sporen grind, donkergrijs, ca1 gr tot 4 mm Klei, matig zandig, sterk humeus, laagjes zand, sterk plantenhoudend, zwartbruin, ca1 allerrod bodem zegge2 venig za in to

Klei, sterk zandig, sterk humeus, grijszwart, ca1 150

Zand, zeer fijn, sterk siltig, sporen planten, licht grijsbeige, ca1 Klei, sterk zandig, sporen planten, licht grijsgroen, ca1

Zand, matig fijn, matig siltig, grijs, ca1

Zand, matig fijn, uiterst siltig, sporen planten, grijsgroen, ca1 200

Projectcode: 19910210/40686

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen

ongeroerd monster

zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

overig bijzonder bestanddeel

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Legenda afkortingen Archeologische Boorbeschrijving (conform ASB 2008) Percentages en Mediaan Klasse Zandmediaan Uiterst fijn 63-105 µm Zeer fijn 105-150 µm Matig fijn 150-210 µm Matig grof 210-300 µm Zeer grof 300-420 µm Uiterst grof 420-2000 µm Nieuwvormingen (1=spoor, 2=weinig, 3=veel) Afkorting Nieuwvormingen FEC IJzerconcreties FFC Fosfaatconcreties FOV Fosfaatvlekken MNC Mangaanconcreties ROV Roestvlekken VIV Vivianiet VKZ Verkiezeling ZAV Zandverkittingen Bodemkundige interpretaties Code Bodemkundige interpretaties BOD Bodem BOV Bouwvoor ESG Esgrond GLE Gleyhorizont HIN Humusinspoeling INH Inspoelingshorizont KAT Katteklei KBR Klei, brokkelig LOO Loodzand MOE Moedermateriaal OMG Omgewerkte grond OPG Opgebrachte grond OXR Oxidatie-reductiegrens POD Podzol RYP Gerijpt TKL Top kalkloos TRP Terpaarde UIT Uitspoelingshorizont VEN Vegetatieniveau VNG Gelaagd vegetatieniveau VRG Vergraven

Bodemhorizont Code Bodemhorizont BHA A-horizont BHAB BHAC BHAE BHB BHBC BHC BHE BHEB BHO BHR

AB-horizont AC-horizont AE-horizont B-horizont BH-horizont C-horizont E-horizont EB-horizont O-horizont R-horizont

Omschrijving Minerale bovengrond Overgangshorizont Overgangshorizont Overgangshorizont Inspoelingshorizont Overgangshorizont Uitgangsmateriaal Uitspoelingshorizont Overgangshorizont Strooisellaag Vast gesteente

Sedimentaire karakteristiek, laaggrens Afkorting Afmeting Klasse overgangszone BDI ≥ 3,0 - < 10,0 cm Basis diffuus BGE ≥ 0,3 - < 3,0 cm Basis geleidelijk BSE < 0,3 cm Basis scherp Kalkgehalte Code Kalkgehalte CA1 Kalkloos CA2 Kalkarm CA3 kalkrijk Archeologische indicatoren (1=spoor, 2=weinig, 3=veel) Code Omschrijving AWF Aardewerkfragmenten BST Baksteen GLS Glas HKB Houtskoolbrokken HKS Houtskoolspikkels MXX Metaal OXBO Onverbrand bot OXBV Verbrand bot SGK Gebroken kwarts SLA Slakken/sintels SVU Vuursteen SXX Natuursteen VKL Verbrande klei VSR Visresten

Bijlage 5: Kadasterkaart Minuutplan 1811-1832

396000

396250

396500

396750

º

0 94000

250 m 94500

Projectnummer: 19910210/40686 Projectnaam: Rucphen, Lage Zegstraat Legenda Plangebied

Bijlage 6: Topografische kaart 1910

395750

396000

396250

396500

º

0 94000

250 m 94500

Projectnummer: 19910210/40686 Projectnaam: Rucphen, Lage Zegstraat Legenda Plangebied

Bijlage 7: Periodentabel

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10016060/1