08.7 bijlage Flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Lage Zegstraat Zegge
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
Quickscan flora en fauna
in opdracht van Bouwbedrijf BOOT De heer R. Passier Grenssteen 27 4815 PP BREDA betreffende de locatie Lage Zegstraat Zegge (gemeente Rucphen) documentkenmerk 1602/128/LM-03 versie 1 vestiging, datum Nuenen, 3 oktober 2016
opgesteld door:
gecontroleerd door:
ir. R.A.C. van de Voort
ing. L. Michielsen
Senior projectleider ecologie
Senior projectleider ecologie
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies BV.
Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid TRITIUM NUENEN »
TRITIUM PRINSENBEEK »
TRITIUM NEER »
TRITIUM ARKEL »
Gulberg 35
Groenstraat 27
Steeg 27
Vlietskade 1509
5674 TE Nuenen
4841 BA Prinsenbeek
6086 EJ Neer
4241 WH Arkel
T. 040.29 51 951
T. 076.54 29 564
T. 0475.49 81 50
T. 0183.71 20 80
E. info@tritium.nl
I. www.tritiumadvies.nl
K.v.K nr. 17108024
IBAN NL29INGB0662572645
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
Inhoudsopgave pagina 1
Inleiding
1
2
Bronnenonderzoek
3
2.1
Gebieden
3
2.2
Soorten
4
3
Veldbezoek
6
4
Resultaten
7
4.1
Flora
7
4.2
Vogels
7
4.3
Zoogdieren
7
4.4
Reptielen en amfibieën
8
4.5
Ongewervelden
8
4.6
Vissen
9
5
Conclusies
10
5.1
Soorten van FFlijst 1
10
5.2
Soorten van FFlijst 2/3
10
5.3
Zorgplicht
11
5.4
Eindconclusie
11
Bijlagen 1.
situatieschets van de omgeving
2.
rapportage uit het Natuurloket
3.
fotobijlage veldbezoek van 13 september 2016
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
1 Inleiding In opdracht van Bouwbedrijf BOOT is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van de beoogde realisatie van een twaalftal woningen aan de Lage Zegstraat te Zegge, gemeente Rucphen. Een situatietekening van het plangebied is opgenomen in bijlage 1. Voor deze ontwikkeling is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. In het kader van deze procedure dient onder andere een verkennend flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Het verkennend flora- en faunaonderzoek dient te worden uitgevoerd zodat kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld. Voor soortenbescherming is hierbij de Flora- en faunawet van belang. Gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische Hoofdstructuur (verder: EHS), tegenwoordig ook al enige tijd Nationaal Natuur Netwerk genoemd. Indien een planlocatie in of nabij een beschermd gebied ligt of een onderdeel van de EHS vormt, dient bepaald te worden of de voorgenomen ontwikkelingen een negatief effect kunnen hebben op het beschermde gebied of afbreuk doen aan de werking van de EHS. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek blijken of er een overtreding te verwachten is van de Flora- en faunawet.
Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3320 m2 en is thans in gebruik als weiland. Het weiland grenst in het zuiden aan een parallel aan de Lage Zegstraat gelegen drooggevallen greppel. In het westen grenst het plangebied aan een slootje met daarachter een boerderij. De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door een hekwerk behorende bij het naastgelegen weiland. Direct ten noorden en oosten van het plangebied begint de bebouwde kom van de kern Zegge. Uit navolgende luchtfoto (figuur 1) kan worden opgemaakt dat het plangebied aan de zuidwestelijke rand van de kern Zegge is gelegen. Op een afstand van circa 130 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Breda-Roosendaal. De Rijksweg A58 is circa 400 meter verder naar het zuiden gelegen.
pagina 1 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
Figuur 1 Luchtfoto van de omgeving van het plangebied (bron: Google maps).
pagina 2 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
2 Bronnenonderzoek In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van het Natuurloket, de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016), enkele digitale verspreidingsatlassen en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”. De aanwezigheid van relevante natuurterreinen en de ligging van Natuurbeschermingswet 1998-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en de EHS in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.
2.1 Gebieden In onderstaande figuur 2 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in een straal van 3 kilometer in highlights weergegeven. De groene highlights betreffen EHS gebieden.
Figuur 2 Plangebied en omgeving met relevante natuurgebieden (bron: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000).
pagina 3 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
Uit de figuur kan worden afgeleid dat het plangebied niet in of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden, Nationaal Landschap (er zijn alleen groene highlights), Wetlands of Beschermde- of Staatsnatuurmonumenten is gelegen. De afstand tot het dichtstbijzijnde EHS-gebied bedraagt circa 400 meter en betreft het ten zuiden gelegen bosgebiedje aan de Onze Lieve Vrouwestraat. De habitatsoorten in dit gebied bestaan onder andere vogels, grondgebonden dieren en planten die niet verstoord zullen worden door de bestemmingsplanwijziging voor de locatie aan de Lage Zegstraat te Zegge. Op circa 13 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied gelegen. Dit gebied draagt de naam “Brabantse Wal”. Het gebied behoort tevens tot de EHS. Ook voor dit gebied geldt dat de habitatsoorten niet verstoord zullen worden door de beoogde realisatie van 12 woningen aan de Lage Zegstraat te Zegge. In de navolgende figuur 3 op pagina 5, overgenomen uit de provinciale beheertypekaart is wederom het aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat de planlocatie niet in een beschermd gebied ligt en geen onderdeel uitmaakt van de EHS. Effecten beschermde gebieden Het plangebied is op relatief grote afstand van zowel Natura 2000-gebieden als de EHS gelegen.
Samen met de aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep (realisatie van 12 woningen aan de rand van de bebouwde kom van Zegge) zorgt dit ervoor dat geen negatief effect te verwachten is op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS en Natura 2000-gebieden. Gezien het vorenstaande is er geen noodzaak voor toetsing aan zowel de Natuurbeschermingswet 1998 als de Ecologische Hoofdstructuur (gebiedsbescherming). Deze wetgeving komt in de onderhavige rapportage derhalve niet meer aan de orde.
2.2 Soorten Via het landsdekkend beeld op Natuurloket.nl is de waarde beschouwd van het betreffende gebied, dat ligt in kilometerhok X:94 / Y:396 en een groot deel van de kern Zegge omvat. Het Natuurloket verstrekt informatie over het voorkomen van soorten per kilometerhok. Binnen het kader van deze quickscan is het niet mogelijk om vast te stellen welke soorten per kilometerhok zijn weergegeven door het Natuurloket. De weergave van het Natuurloket kan dan ook alleen als indicatie voor de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten worden beschouwd. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. In bijlage 2 is de rapportage uit het Natuurloket opgenomen. Uit de rapportage blijkt dat er in de periode tussen 1996 en 2016 in het kilometerhok een relatief beperkt aantal waarnemingen is gedaan van de in de Flora- en faunawet, de Habitat- of Vogelrichtlijn of de Rode lijst voorkomende planten en dieren. Naast bovengenoemde bron zijn onder andere gegevens gebruikt die afkomstig zijn van de “Atlas van de Nederlandse zoogdieren” en de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant”.
pagina 4 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2012 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: eekhoorn, woelrat, rosse woelmuis, aardmuis, veldmuis, muskusrat, bosmuis, bruine rat, haas, konijn, egel, mol, watervleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, vos, hermelijn, wezel, bunzing en ree. Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat de volgende soorten in de periode van 1985 tot en met 2004 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, middelste groene kikker en levendbarende hagedis.
Figuur 3 Plattegrond van omgeving plangebied. Het plangebied en directe omgeving is omcirkeld.
pagina 5 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
3 Veldbezoek Het plangebied is op 13 september 2016 in de ochtend bezocht. Er was sprake van zonnig weer en een temperatuur van circa 25 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zicht- en geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens vastgestelde standaardmethoden dienen te worden uitgevoerd. De quickscan betreft een verkennend onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet. In deze wet worden drie beschermingsregimes onderscheiden.
Voor soorten uit FFlijst 1 geldt vrijstelling van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Er hoeft dan geen ontheffing van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Voor soorten uit FFlijst 2 of 3 geldt geen vrijstelling en kan aanvraag van een ontheffing aan de orde zijn bij overtreding van verbodsbepalingen. In de huidige situatie bestaat het gehele plangebied uit weiland. In zuidelijke richting grenst het plangebied aan een parallel aan de Lage Zegstraat gelegen drooggevallen greppel. In het westen grenst het plangebied aan een slootje. De in bijlage 3 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 6 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten van het uitgevoerde veldbezoek.
4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen binnen zowel het weiland zelf als de oevers van de aangrenzende greppel en slootje. Door het intensieve gebruik (o.a. maaien) kunnen zeldzame soorten zich hier ook niet handhaven. Strikt beschermde (vaat)planten worden dan ook niet verwacht. Conclusie: er komen zeer waarschijnlijk geen beschermde soorten planten voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van beschermde soorten planten vormt bovendien geen directe belemmering voor het planvoornemen.
4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. De in de direct omgeving van het plangebied aanwezige bomen en struiken kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gehele gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het “stedelijk” gebied voorkomen zijn gunstige biotopen aanwezig. Voor bos- en struweelvogels, weide- en watervogels is het plangebied ongeschikt. Tijdens het veldbezoek zijn enkel individuen waargenomen van de kauw. Er zijn voorts geen vogelnesten waargenomen en een sporenonderzoek heeft eveneens niets opgeleverd. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten zoals de huismus, gierzwaluw, uilen en roofvogels kan worden uitgesloten door de afwezigheid van zowel oude bomen met holtes als bebouwing. Conclusie: een aantal vogelsoorten benut het plangebied mogelijk als foerageergebied. Dit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied kan bovendien als foerageergebied (woningen met tuin) in gebruik blijven. Wel wordt bij de voorgenomen bouwwerkzaamheden verwezen naar het in hoofdstuk 5 omschreven protocol.
4.3 Zoogdieren Uit het veldbezoek blijkt dat het plangebied voor een aantal grondgebonden zoogdieren geschikt is. Tijdens het veldbezoek is echter geen enkel grondgebonden zoogdier waargenomen. Behalve voor diverse soorten muizen, konijnen en mollen is het plangebied geschikt als onderdeel van het leefgebied voor de egel. Een sporenonderzoek naar grondgebonden zoogdieren heeft echter niet meer opgeleverd dan de waarneming van enkele oude molshopen aan de rand van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn er eveneens geen sporen (o.a. ontlasting) van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied is voor vleermuizen geschikt als onderdeel van het foerageergebied.
pagina 7 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen komen voor in bomen met een diameter op borsthoogte (dbh) van globaal groter dan 30 cm. In het plangebied zelf zijn geen bomen aanwezig. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen grote bomen aanwezig met voor vleermuizen geschikte gaten, holen of scheuren. Bovendien zullen deze bomen gehandhaafd blijven. Een nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen is derhalve niet aan de orde. Aangezien er tevens geen gebouwen worden gesloopt is een nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuizen eveneens niet aan de orde. Conclusie: er komen zeer waarschijnlijk geen beschermde soorten grondgebonden zoogdieren voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Vleermuizen benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied. Ook dit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Negatieve effecten op de foerageerfunctie, vaste vliegroutes en verblijfplaatsen zijn niet te verwachten. Een nader vleermuizenonderzoek of het aanvragen van een ontheffing is derhalve niet aan de orde.
4.4 Reptielen en amfibieën Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied voor amfibieën geschikt is als land- en waterbiotoop. Voor een aantal soorten reptielen is het plangebied geschikt als biotoop. Tijdens het veldbezoek zijn er geen reptielen en amfibieën waargenomen. Een sporenonderzoek heeft eveneens niets opgeleverd. Conclusie: er komen zeer waarschijnlijk geen beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van niet beschermde soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden. Wel wordt bij eventuele werkzaamheden aan een waterlichaam (zoals bijvoorbeeld het doorbreken van de aanwezige greppel) verwezen naar het in hoofdstuk 5 omschreven protocol.
4.5 Ongewervelden Een aantal algemeen voorkomende, niet beschermde soorten ongewervelden (slakken, vlinders, libellen, mieren en kevers) maken gebruik van het plangebied en de directe omgeving. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde soorten aangetroffen. In de droog gevallen greppel zijn exemplaren van de grote poelslak en posthoorn waargenomen. Nabij het slootje is voorts nog een bont zandoogje en een vuurjuffer gezien. Voor het voorkomen van beschermde soorten mieren is de aanwezigheid van open naaldbossen een voorwaarde. Conclusie: er komen zeer waarschijnlijk geen beschermde soorten ongewervelden voor in het plangebied. De aanwezigheid van niet beschermde soorten vormt geen directe belemmering voor het beoogde planvoornemen.
pagina 8 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
4.6 Vissen Tijdens het veldbezoek zijn er geen vissen waargenomen. Voor de greppel parallel aan de Lage Zegstraat geldt dat deze was drooggevallen. De beoogde werkzaamheden vormen bovendien geen directe bedreiging voor eventueel voorkomende (beschermde) vissen. Voor bijvoorbeeld de kleine en grote modderkruiper geldt dat de aanwezigheid op basis van verspreidingsgegevens niet wordt verwacht. Vanwege sterke eutrofiëring is de sloot en de greppel (als deze niet droog is gevallen) ook ongeschikt voor deze soorten. De grote hoeveelheid meststoffen in het water zorgen voor veel algengroei in de zomermaanden waardoor het water zuurstofarm wordt. Hierdoor wordt het leefmilieu voor veel soorten ongeschikt. Conclusie: eventueel voorkomende vissen vormen geen directe belemmering voor het planvoornemen. Wel wordt bij eventuele werkzaamheden aan een waterlichaam (zoals bijvoorbeeld het doorbreken van de aanwezige greppel) verwezen naar het in hoofdstuk 5 omschreven protocol.
pagina 9 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
5 Conclusies Doel van het onderhavig onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortenbescherming is hierbij de Flora- en faunawet van belang. Gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), tegenwoordig al enige tijd ook Nationaal Natuur Netwerk genoemd. Indien een planlocatie in of nabij een beschermd gebied ligt of een onderdeel van de EHS vormt, dient te worden bepaald of de voorgenomen ontwikkelingen een negatief effect kunnen hebben op het beschermde gebied of afbreuk doen aan de werking van de EHS. Het plangebied is op relatief grote afstand van zowel Natura 2000-gebieden als de EHS gelegen. Samen met de aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep (realisatie van 12 woningen aan de rand van de bebouwde kom van Zegge) zorgt dit ervoor dat geen negatief effect te verwachten is op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS en Natura 2000-gebieden. Gezien het vorenstaande is er geen noodzaak voor toetsing aan zowel de Natuurbeschermingswet 1998 als de Ecologische Hoofdstructuur (gebiedsbescherming). In het plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten dieren voor die vermeld staan op de lijsten van de Flora- en faunawet. Deze soorten zijn echter niet waargenomen tijdens het veldbezoek.
Een sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren heeft eveneens weinig opgeleverd.
5.1 Soorten van FFlijst 1 In het plangebied komen mogelijk enkele planten, grondgebonden zoogdieren en een aantal soorten amfibieën voor die staan vermeld op FFlijst 1. Voor soorten van FFlijst 1 geldt een vrijstelling: bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.
5.2 Soorten van FFlijst 2/3 Mogelijk in het plangebied voorkomende vogelsoorten staan vermeld op FFlijst 3 en zijn feitelijk ontheffingsplichtig. Indien broedende vogels in of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn kunnen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht op vogels. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels en is het niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen. Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende vleermuizen staan eveneens vermeld op FFlijst 3 en zijn ontheffingsplichtig. Voor vleermuizen geldt echter dat er geen nadelige effecten ten aanzien van foerageergebieden, vaste vliegroutes en verblijfplaatsen zijn te verwachten. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar vleermuizen of het aanvragen van een ontheffing is derhalve niet aan de orde.
pagina 10 van 11
documentkenmerk: 1602/128/LM-03, versie 1
Werkzaamheden aan een waterlichaam dienen in beginsel te worden uitgevoerd in de periode van eind augustus tot 1 november, met een voorkeur voor de maand oktober. Dit is namelijk de periode tussen de voortplanting en de winterrust van vissen en amfibieën. Bovendien hebben water- en oeverplanten in deze periode zaad gezet. In de maanden november en december kunnen deze werkzaamheden eveneens plaatsvinden mits de winterrust van vissen en amfibieën nog niet is ingetreden (afhankelijk van weersomstandigheden), een en ander ter nadere beoordeling. Werkzaamheden zoals het gedeeltelijk dempen van een waterlichaam moeten op zo’n manier worden uitgevoerd dat water en de daarin voorkomende zaden en dieren kunnen terugstromen naar het waterlichaam. Op plaatsen waar bijvoorbeeld de voortplanting van de meerkikker of middelste groene kikker wordt vermoed, dienen werkzaamheden pas na 1 oktober te worden uitgevoerd. De maand oktober is tevens de minst kwetsbare periode voor vissen zoals bijvoorbeeld de kleine modderkruiper. Er zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen.
5.3 Zorgplicht Voor alle soorten (met uitzondering van de huismuis, zwarte rat en bruine rat), dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die in winterslaap gaan.
Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
5.4 Eindconclusie In onderstaande twee punten wordt de eindconclusie weergegeven: •
de omschreven werkwijzen (protocollen) met betrekking tot de algemene zorgplicht evenals ten aanzien van vogels, vissen en amfibieën dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;
•
de werkzaamheden in relatie tot het planvoornemen zullen voor de overige soortgroepen geen overtreding van de natuurwetgeving tot gevolg hebben.
pagina 11 van 11
BIJLAGE 1:
BIJLAGE 2:
Beknopte levering uit de NDFF Disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren. Nieuwe gegevens worden dagelijks toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
Projectnaam Lage Zegstraat te Zegge Doel Quickscan flora en fauna Datum 28-09-2016 13:31 Ordernummer HNL-2016-286 Geselecteerde kilometerhokken 94-396
Vragen? Neem contact op met het Serviceteam van de NDFF: Telefoon: 0800 2356333 E-mail: serviceteamNDFF@natuurloket.nl
94 - 396
vaatplanten
Rode-Lijstsoorten
4
Ffwet soorten tabel 1 Ffwet soorten tabel 2+3
mossen
korstmossen
paddenstoelen
vleermuizen
landzoogdieren
1
broedvogels
wintervogels
amfibieen
reptielen
vissen
3
1 2
macronachtvlinders micronachtvlinders
libellen
sprinkhanen en krekels
overige soortgroepen
1
9
1
dagvlinders
4
1 26
Ffwet vogels
133
Hrl soorten bijlage II Hrl soorten bijlage
2
IV Aantal soorten Detaillering 0-0.25/0.251-1 Volledigheid onderzoek Onderzoeksperiode
205
13
42
2
14
26
155
5
20
2
1
3
24%/74%
100%/0%
100%/0%
100%/0%
81%/1%
100%/0%
0%/0%
100%/0%
92%/5%
100%/0%
100%/0%
66%/33%
goed
redelijk
goed
niet
redelijk
redelijk
goed
redelijk*
goed
niet
niet
goed
slecht
slecht
redelijk
niet
niet
1996-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
2006-2016
Beknopte levering HNL-2016-286 Pagina : 2 / 4
Toelichting op de tabel Soortgroepen In de gehanteerde indeling is Overige soortgroepen een diverse groep met daarin alle wespen, bijen, mieren, netvleugelige, steenvliegen, kevers, vliegen, muggen, haften, wantsen, cicaden, luizen, schorpioenvliegen en overige insecten, spinnen, mijten, hooiwagens, duizendpoten, miljoenpoten, pissebedden, kakkerlakken, oorwormen, weinigpotigen, vlokreeften, lagere kreeftachtigen, weekdieren, slakken, ringwormen, snoerwormen en wormachtigen zoals bloedzuigers. Ook zeeorganismen als hydroidpoliepen, mosdiertjes, mysisgarnalen, ribkwallen, stekelhuidigen, zakpijpen, zeepissebedden, zeepokken, eendenmossels, krabbezakjes, zeespinnen en grote kreeftachtigen (kreeften, krabben en garnalen) en zeezoogdieren vallen in deze verzamelgroep. Rode-Lijstsoorten In de tabel staat voor elk kilometerhok per soortgroep vermeld hoeveel soorten op de Rode Lijst staan. Rode Lijsten worden formeel vastgesteld door de Rijksoverheid. De gehanteerde Rode Lijsten zijn (inclusief link naar website van ministerie van de Rijksoverheid met verwijzing naar pdf van het besluit): vaatplanten
Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015
mossen
Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015
korstmossen
Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015
paddenstoelen
Besluit Rode Lijsten 4 september 2009
zoogdieren
Besluit Rode Lijsten 4 september 2009
broedvogels
Besluit Rode Lijsten 5 november 2004
amfibieën
Besluit Rode Lijsten 4 september 2009
reptielen
Besluit Rode Lijsten 4 september 2009
vissen
Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015
dagvlinders
Besluit Rode Lijsten 4 september 2009
macronachtvlinders
geen Rode Lijst
micronachtvlinders
geen Rode Lijst
libellen
Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015
sprinkhanen en krekels
Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015
overige soortgroepen
Besluit Rode Lijsten 5 november 2004(1)
Flora- en faunawetsoorten tabel 1 Alle soorten van tabel 1 van de Flora- en faunawet, te vinden in de pdf op de website van De Rijksoverheid (beschermde soorten van de Flora- en faunawet).
Flora- en faunawetsoorten tabel 2 en 3 Soorten van tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet, te vinden in de pdf op de website van het ministerie van de Rijksoverheid (beschermde soorten van de Flora- en faunawet).
Flora- en faunawet vogels Alle vogelsoorten, behalve exoten, zijn beschermd krachtens de Flora- en faunawet.
(1) Het gaat hier om de soortgroepen: bijen, kokerjuffers, steenvliegen, haften, platwormen en land- en zoetwaterweekdieren.
Beknopte levering HNL-2016-286 Pagina : 3 / 4
Habitatrichtlijnsoorten bijlage II In de Europese Habitatrichtlijn staan in Bijlage II de soorten waarvoor beschermde gebieden moeten worden aangewezen. Op de site van de Rijksoverheid kunt u een overzicht vinden van de soorten (beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage II). Welke gebieden dit zijn is per soort op te zoeken via Natura 2000 -gebieden. Habitatrichtlijnsoorten bijlage IV In de Europese Habitatrichtlijn staan op Bijlage IV de soorten aangewezen die strikt beschermd zijn; de meeste soorten staan in tabel 3 van de Flora- en faunawet. Op de website van de Rijksoverheid kunt u een overzicht vinden (beschermde soorten Habitatrichtlijn Bijlage IV). Aantal soorten Het totaal aantal soorten per soortgroep per kilometerhok in de periode zoals aangegeven. Meegenomen zijn alle waarnemingen:
die geheel of gedeeltelijk binnen de selectie liggen; die zijn gevalideerd en daarbij de classificatie ‘betrouwbaar’ hebben meegekregen; waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden. Indien er een asterisk (*) in het veld staat betekent dit dat een deel van de waarnemingen pas na expliciete toestemming van de bronhouder mag worden uitgeleverd. Het kan dus zijn dat in de standaardlevering niet alle waarnemingen worden geleverd die optellen tot de beknopte levering. Ook kan het zijn dat deze gegevens later worden geleverd. Volledigheid onderzoek Voor elke soortgroep is een indicatie gegeven hoe volledig een specifiek kilometerhok is onderzocht. Er wordt hierbij gewerkt met een normering in 5 klassen: (1) niet, (2) slecht, (3) redelijk onderzocht, (4) goed onderzocht en (5) onbepaald. De volledigheid van onderzoek wordt geautomatiseerd berekend voor alle soortgroepen, waarbij elk kilometerhok meedraait in een cyclus van berekeningen over geheel Nederland. De doorlooptijd van deze rekencyclus is in de praktijk 2 tot 3 weken voor alle kilometerhokken in Nederland. In de toelichting is per soortgroep aangegeven welke regels hierbij gehanteerd zijn en over welke periode. Download de toelichting Detaillering Voor elke soortgroep is in de oppervlakteklassen 0-0.25 km2 en groter dan 1 km2 bepaald welk aandeel de waarnemingen bezetten.
De basis voor deze berekening is het aantal waarnemingen: in de beschouwde periode; dat geheel of gedeeltelijk in het kilometerhok valt; waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden. De resultaten zijn in de drie genoemde klassen achter elkaar geplaatst en gescheiden door een slash- teken (/). Onderzoeksperiode De onderzoeksperiode betreft voor vrijwel alle beschreven soortgroepen de recente 10 afgeronde veldseizoenen. Alleen voor vaatplanten wordt een langere periode gehanteerd. In de loop van het kalenderjaar wordt de beschouwde periode dus steeds iets langer.
Beknopte levering HNL-2016-286 Pagina : 4 / 4 Powered by TCPDF (www.tcpdf.org)
BIJLAGE 3:
Fotobijlage: 1602/128/LM-03, Lage Zegstraat te Zegge
Foto 1
Foto 2
Foto 3
pagina 1
Fotobijlage: 1602/128/LM-03, Lage Zegstraat te Zegge
Foto 4
Foto 5
Foto 6
pagina 2
Fotobijlage: 1602/128/LM-03, Lage Zegstraat te Zegge
Foto 7
Foto 8
Foto 9
pagina 3
Fotobijlage: 1602/128/LM-03, Lage Zegstraat te Zegge
Foto 10
Foto 11
Foto 12
pagina 4
Fotobijlage: 1602/128/LM-03, Lage Zegstraat te Zegge
Foto 13
Foto 14
Foto 15
pagina 5
Fotobijlage: 1602/128/LM-03, Lage Zegstraat te Zegge
Foto 16
Foto 17
Foto 18
pagina 6
Fotobijlage: 1602/128/LM-03, Lage Zegstraat te Zegge
Foto 19
Foto 20
Foto 21
pagina 7