08.4. Nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2023
Tekst van het document
Nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2023
2
Nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 1
Inleiding ....................................................................................................................... 3
2
Algemene begrippen en uitgangspunten ........................................................................... 4
3
Activering ..................................................................................................................... 6
4
5
6
3.1.
Algemeen ............................................................................................................. 6
3.2.
Soorten activa ....................................................................................................... 6
3.2.1.
Immateriële vaste activa ..................................................................................... 6
3.2.2.
Materiële vaste activa ......................................................................................... 7
3.2.3
Financiële vaste activa ........................................................................................ 7
3.3.
Criteria voor activeren (wel of niet activeren) ............................................................ 8
3.4.
Bruto en netto activeren ......................................................................................... 9
Waarderen ................................................................................................................... 10 4.1.
Algemeen ............................................................................................................ 10
4.2.
Waardevermindering van vastgoed ......................................................................... 10
4.3.
verkoop of buitengebruikstelling van vast actief........................................................ 11
Afschrijving .................................................................................................................. 12 5.1.
Algemeen ............................................................................................................ 12
5.2.
Afschrijvingsbeleid ................................................................................................ 12
5.3.
Afschrijvingsmethoden .......................................................................................... 12
5.4.
Afschrijvingstermijn per (sub)categorie kapitaalgoed................................................. 13
5.5.
Stelsel- en schattingswijzigingen ............................................................................ 13
5.6.
Afschrijvingen immateriële vaste activa ................................................................... 14
5.7.
Duurzame waardevermindering .............................................................................. 14
5.8.
Moment van starten met afschrijvingen ................................................................... 14
5.9.
Afschrijving tijdens realisatie-periode ...................................................................... 15
5.10.
Systeem bij bekostiging van de investering of de kapitaallasten uit een reserve ........... 15
5.11.
De componentenbenadering ................................................................................... 15
5.12.
Waarderingsgrondslagen en restwaarde .................................................................. 15
Afsluiten kredieten ........................................................................................................ 16
Bijlage 1 ........................................................................................................................... 17
3
1
Inleiding
De Gemeentewet schrijft in artikel 212 voor dat elke gemeente een financiële verordening moet hebben die in ieder geval nadere regels bevat voor waardering en afschrijving van activa. Deze regels nemen wij, conform onze Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Rucphen 2023, op in een afzonderlijke nota en worden ter kennisgeving aangeboden aan uw raad. Door vernieuwingen van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) 2019 alsmede de notitie Materiële Vaste Activa uit 2020 van de commissie BBV wordt de laatste notitie waarderings- en afschrijvingsbeleid uit 2018 herzien. Een groot deel van het gemeentelijk investeringsbeleid is vastgelegd in externe wet- en regelgeving. Op bepaalde punten is sprake van beleidsvrijheid voor een gemeente. Deze nota geeft inzicht in de uitgangspunten om investeringen te activeren (op de balans op te nemen) en inzicht in de termijnen waarop deze investeringen moeten worden afgeschreven. We (her)formuleren richtlijnen en beleid en leggen dit vast in uniforme regels.
4
2
Algemene begrippen en uitgangspunten
Activa Naast de jaarlijks terugkerende exploitatie-uitgaven heeft vrijwel elke organisatie te maken met uitgaven die eenmalig zijn of met grotere intervallen terugkeren. We onderscheiden drie categorieën: • Materiële vaste activa: Dit zijn investeringsuitgaven waar bezittingen tegenover staan van stoffelijke aard, waarvan de gebruiksduur gedurende meer jaren kan worden toegepast. Voorbeelden hiervan zijn grond en gebouwen, machines en installaties, transportmiddelen en computers. • Immateriële vaste activa: Dit zijn investeringsuitgaven waar geen gemeentelijk bezittingen tegenover staan. Dit zijn die activa die niet stoffelijk van aard zijn en die niet onder de financiële vaste activa of materiële vaste activa worden begrepen (bijvoorbeeld lasten sluiten geldleningen of kosten van onderzoeken). • Financieel vaste activa: Is een groep van activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen (bijvoorbeeld deelnemingen en aandelen). Criteria voor activeren Voor de bepaling of een uitgaaf tot activering kan leiden, worden de volgende drie criteria gehanteerd: • Vermogenscriterium: exploitatie-uitgaven beïnvloeden de omvang het gemeentelijk vermogen. De uitgaven die de samenstelling van het gemeentelijk vermogen beïnvloeden, worden beschouwd als investering. Tegenover het nieuwe bezit (activum) staat een hogere schuld of een vermindering van een ander vermogensbestanddeel.
• Periodiciteitscriterium: Periodieke uitgaven (voornamelijk jaarlijks terugkerende lasten) zijn exploitatie-uitgaven; eenmalige of met grotere intervallen terugkerende uitgaven zijn investeringen. • Nuttigheidscriterium: Exploitatie-uitgaven leveren een eenmalig nut op; investeringen leveren een meerjarig nut op. Investeringen Onder investeringen wordt verstaan het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Investeringen worden op de balans verantwoord. Doorgaans leidt een investering tot een nieuw actief. Bij een bestaand actief is sprake van een investering indien de uitgaven: • Leiden tot een significante kwaliteitsverbetering; en/of • Leiden tot een levensduurverlenging; en/of • Aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- en regelgeving (bijv. investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften). Wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief is sprake van onderhoud. Investeringen op de balans Investeringen komen op de balans bij het onderdeel “materiële vaste activa”. Art. 35 van het BBV schrijft voor dat deze als volgt worden gerubriceerd: a. Investeringen met een economisch nut; b. Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; c.
Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Waardering De waarde die toegekend wordt aan het geactiveerde kapitaalgoed c.q. de investering op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
5
Afschrijving Omdat het vervaardigde of aangeschafte gedurende meerdere jaren gebruikt kan worden ligt het voor de hand de lasten van de investering te verdelen over de verwachte levensduur/nuttigheidsduur. Deze verdeling van lasten wordt gerealiseerd door middel van afschrijving. Hierdoor wordt tevens bereikt dat de boekwaarde van de investering (verkrijgings- of vervaardigingsprijs minus afschrijving) in de pas loopt met de waardevermindering van de investering. Afschrijving is dus het jaarlijks tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van de investering. Deze waardedaling/afschrijving wordt ten laste van het exploitatieresultaat gebracht. Kapitaallasten Kapitaallasten zijn de jaarlijkse kosten van een investering (afschrijving en rente), welke ten laste van de taakvelden worden gebracht. De rentelasten worden toegerekend, op basis van de boekwaarde van de activa volgens de rente-omslagmethode. In de gemeente Rucphen wordt het systeem gehanteerd waarbij pas in het jaar ná de investering voor de eerste maal wordt afgeschreven. Door deze werkwijze consequent en meerjarig toe te passen in de Kadernota en meerjarenbegroting worden ook de lasten van toekomstige investeringen structureel geraamd.
6
3
Activering
3.1.
Algemeen
Activeren is het op de balans opnemen van de waarde van investeringen die de gemeente doet. Als gevolg van het doen van investeringen ontstaan bezittingen ofwel vaste activa. Alle investeringen worden geactiveerd (artikel 59 BBV). Uit oogpunt van het in de hand houden van de administratieve lasten is het van belang dat wordt bepaald welke ondergrens wordt gehanteerd voor het activeren van investeringen (het omvangscriterium). Daarnaast zijn er specifieke aandachtgebieden die van belang zijn bij het activeren van investeringen. Artikel 59 BBV bepaalt het volgende: 1. Alle investeringen worden geactiveerd. 2. In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd. 3.2.
Soorten activa
Op de balans worden de activa onderscheiden in vaste en vlottende activa. Investeringen worden verantwoord onder de vaste activa. Het BBV hanteert de volgende soorten vaste activa: • Immateriële vaste activa; • Materiële vaste activa; • Financiële vaste activa. De basisregel is dat activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de aankoopkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kan ook een redelijk deel van de indirecte kosten worden opgenomen. 3.2.1. Immateriële vaste activa Immateriële vaste activa bestaan uit: a. Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis) agio; b. Kosten van onderzoek en ontwikkeling; c. Bijdragen aan activa in eigendom van derden. Deze kosten mogen worden geactiveerd. a. Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis) agio Voor kosten van het afsluiten van geldleningen geldt een maximale afschrijvingsduur van de looptijd van de lening. De reguliere kosten van het sluiten van geldleningen worden niet geactiveerd, maar direct ten laste van het resultaat gebracht. b.
Kosten van onderzoek en ontwikkeling Het activeren van kosten van onderzoek en ontwikkeling als immaterieel actief is alleen toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden (artikel 60 BBV): • • • •
de gemeente heeft de intentie het actief te gebruiken of te verkopen; de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast; het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren; de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen kunnen betrouwbaar worden vastgesteld.
Kosten voor onderzoek en ontwikkeling moeten in maximaal 5 jaar worden afgeschreven. De voorwaarden zijn cumulatief en kosten voor onderzoek en ontwikkeling mogen dus alleen geactiveerd worden voor zover het onderzoek of de ontwikkeling bijdraagt aan de totstandkoming van een vast actief. Het opstellen van bijvoorbeeld een nieuw Gemeentelijk Rioleringsplan leidt niet tot de totstandkoming van een vast actief. Het is 'slechts' een document waarin o.a.
7
de noodzakelijke vervangingsinvesteringen worden gepland en doorgerekend. De hiermee gemoeide kosten mogen daarom niet worden geactiveerd. c. Bijdragen aan activa in eigendom van derden De bijdragen aan activa in eigendom van derden (bijvoorbeeld subsidiëring van een clubgebouw van een vereniging) mogen alleen geactiveerd worden als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: • • • •
er is sprake van een investering door een derden; deze investering draagt bij aan de publieke taak van de gemeente; de derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals overeengekomen; de bijdrage kan worden teruggevorderd indien de derde in gebreken blijft.
De bijdragen in activa in eigendom van derden worden gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdrage verminderd met de afschrijvingen. 3.2.2. Materiële vaste activa De materiële activa kunnen onderverdeeld te worden in: a. investeringen met een economisch nut; b. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. a. Investeringen met een economisch nut Investeringen met een economisch nut zijn alle investeringen die verhandelbaar zijn en/of bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven (bijvoorbeeld door de kosten ervan in tarieven te verwerken). Het gaat hierbij nadrukkelijk om de mogelijkheid middelen te verwerven. Dat een gemeente ervoor kan kiezen ergens geen tarief of geen kostendekkend tarief voor te heffen is niet relevant voor de vraag of een actief een economisch nut heeft. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in gebouwen, vervoermiddelen, installaties, automatisering en ook investeringen in afvalstoffeninzameling en riolering. Voor vastgoed moet onderscheid gemaakt worden in vastgoed met: • een maatschappelijke functie: gebouwen of terreinen met een maatschappelijk functie op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang en/of zorg. Zolang de intentie er is om dit vastgoed hiervoor te blijven gebruiken, kan er nooit sprake zijn van een duurzame waardevermindering.
Als er een bestuurlijke intentie is om dit vastgoed te verkopen of als de bestemming wijzigt dan bestaat de mogelijkheid dat de waarde van het vastgoed verminderd moet worden (en dus afgeboekt moet worden). • een bedrijfseconomische functie: bij vastgoed met een bedrijfseconomische functie gaat het om vastgoed dat door de gemeente wordt aangehouden om bewust winst te realiseren en/of waardestijgingen te realiseren. Bij vastgoed met een bedrijfseconomische functie is het verwerken van een duurzame waardevermindering verplicht in het geval de directe opbrengstwaarde lager is dan de boekwaarde b. Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut Alle investeringen die niet aangemerkt worden als investeringen met economisch nut zijn investeringen met maatschappelijk nut (genereren geen middelen, maar vervullen wel duidelijk een publieke taak). Voorbeelden hiervan zijn investeringen in wegen, bruggen en openbaar groen. 3.2.3
Financiële vaste activa
De financiële vaste activa bestaan uit: a. kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen; b. leningen aan woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen; c. overige langlopende leningen; d. overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
8
Kapitaalverstrekkingen en leningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde onder aftrek van eventuele aflossingen. Deelnemingen worden in afwijking hiervan gewaardeerd tegen marktwaarde indien deze lager is dan de verkrijgingsprijs. 3.3.
Criteria voor activeren (wel of niet activeren)
3.3.1. Bepalingen Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Rucphen 2023 In artikel 14 van de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Rucphen 2023 zijn in de leden 2, 3 en 4 voor de activering nadere bepalingen opgenomen: 2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 3. Activa met een verkrijgingprijs van minder dan € 5.000,00 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. 4. Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig maatschappelijk of economisch nut worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd en afgeschreven volgens de lineaire methode en conform de termijnen zoals vermeld in bijlage 1 (afschrijvingstermijnenbeleid) bij deze verordening. 3.3.2. Kosten van onderhoud Onder onderhoud kennen we: • Klein onderhoud: niet activeren; • Groot onderhoud: niet activeren; • Renovaties: wel activeren. De kosten van klein onderhoud mogen niet worden geactiveerd, maar dienen in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie te worden gebracht. Het gaat hierbij om periodieke kosten die noodzakelijk zijn om het object in goede staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau. Voorbeelden van regelmatig voorkomende onderhoudskosten betreffen onder meer het reinigen van rioolstelsels of het plegen van periodiek onderhoud aan elektrische installaties.
Kosten van groot onderhoud (indien niet levensduurverlengend of niet waardeverhogend) mogen niet worden geactiveerd en kunnen op twee wijzen worden verwerkt in de begroting/jaarrekening: • kosten in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen; • kosten in het jaar van uitvoering ten laste van een vooraf gevormde voorziening brengen. • Voorzieningen die vooraf worden gevormd om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen over meerdere begrotingsjaren, kunnen alleen met instemming van de raad ingesteld en gevoed worden op basis van een recent beheerplan. • Onder recent beheerplan wordt een beheerplan verstaan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagleggingsjaar. Deze vijf jaar dient te worden gehanteerd als richttermijn waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een gemotiveerde afwijking houdt in dat deze motivatie is geautoriseerd door de raad en verantwoord is in de paragraaf ‘Onderhoud kapitaalgoederen’ van de begroting en de jaarstukken. Kosten van groot onderhoud ontstaan na een langere gebruiksperiode van een object en zijn vaak ingrijpend van aard en betreffen een groot of belangrijk deel van het object. Voor onderhoud aan gebouwen werken we bijvoorbeeld vaak met een onderhoudsvoorziening. Renovaties aan een bestaand actief, die leiden tot een levensduurverlenging of waarde verhoging van een actief worden wel geactiveerd.
Voorbeeld hierbij is het renoveren van een gebouw en de reconstructie van een weg.
9
3.4.
Bruto en netto activeren
Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd (artikel 62, lid 1 BBV). Dit betekent de bruto-methode. Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief moeten op de investering in mindering worden gebracht. Hier is sprake van de netto-methode. Indien de raad heeft besloten tot een bestemmingsreserve dan mag deze reserve niet in mindering worden gebracht op de investering, maar wordt deze gebruikt als dekking van de jaarlijkse uit de investering voortvloeiende kapitaallasten. Indien in de riool- of afvalstoffenheffing bedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen zijn of worden opgenomen, dan moeten deze verkregen middelen in een vervangingsvoorziening worden verantwoord. Op deze bedragen rust een verplichting en zij staan niet ter vrije beschikking van de raad. Op het moment dat de daadwerkelijke vervangingsinvestering plaatsvindt, wordt de investering geactiveerd en moet de vervangingsbijdrage uit de voorziening direct in mindering worden gebracht op de vervangingsinvestering. Investeringen in de riolering in grondexploitatieplannen kunnen ten laste van de grondexploitatie worden gebracht en via de grondprijs bij verkoop worden vergoed.
10
4
Waarderen
4.1.
Algemeen
Bij de waardering van de activa zijn met name het inzicht in het vermogen en de afschrijvingsbasis van belang. Om die reden is het slechts toegestaan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs te verlagen met bijdragen van derden (en niet meer met bestemmingsreserves) waardoor een lagere afschrijvingsbasis wordt verkregen (de zgn. netto-verkrijgings- of vervaardigingsprijs). Belangrijke motieven voor de verplichte bruto-waarderingsmethode zijn: • Beter inzicht in de samenstelling van het vermogen op langere termijn (financiële positie); • Beter onderscheid in samenstelling en aard van baten en lasten; • Afdekking van het continuïteitsrisico bij vervangingsinvesteringen; • Bruto-methode kan noodzakelijk zijn ter berekening van en inzicht in de samenstelling van de tarieven; Ten aanzien van de waardering is in artikel 63 van het BBV het volgende bepaald: 1. Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. 2. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. 3. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd. 4. Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde. 5. Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen. 6. In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele waarde toegestaan voor de activa van de Nazorgfondsen bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer. 7. Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd. 8. Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend. 4.2.
Waardevermindering van vastgoed
Ingeval van gewijzigde omstandigheden, komt het voor dat vastgoed in waarde afneemt. Vastgoed wordt onderscheiden in vastgoed met een maatschappelijke functie en met een bedrijfseconomische functie. Het overgrote deel van het vastgoed bij gemeenten is maatschappelijk. In artikel 65 van het BBV is over waardevermindering het volgende geschreven: 1. Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen. 2. Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. 3. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. In de Notitie Materiële vaste activa van de commissie BBV staat: Om vast te stellen of een duurzame waardevermindering moet worden toegepast, moet de directe opbrengstwaarde van het vastgoed worden bepaald, door middel van een onafhankelijke taxatie. In geval van een duurzame waardevermindering wordt deze waardevermindering direct verwerkt. Dit kan bijvoorbeeld via een tijdelijke voorziening waardevermindering, zodat waardeherstel mogelijk blijft.
Wanneer de duurzame waardevermindering definitief genomen is, dan is er bij een eventueel later waardeherstel geen mogelijkheid meer om de boekwaarde te vermeerderen. Op de nieuwe boekwaarde wordt gedurende de resterende gebruiksduur afgeschreven.
11
4.3.
verkoop of buitengebruikstelling van vast actief
Een verkregen opbrengst bij daadwerkelijk afstoten wordt als incidentele bate verantwoord in de jaarrekening. Indien het object nog een boekwaarde heeft, dan dient deze boekwaarde geheel afgeboekt te worden. Dit is een incidentele last in de jaarrekening. De verkoopopbrengst en het afboeken van de boekwaarde worden afzonderlijk verantwoord en mogen niet met elkaar worden verrekend. De verkoopopbrengst mag ook niet worden verrekend met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject.
12
5
Afschrijving
5.1.
Algemeen
De meeste investeringen verliezen naar mate de tijd verstrijkt hun waarde. Deze waardevermindering wordt door middel van afschrijven boekhoudkundig verwerkt. Afschrijvingen moeten onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar plaatsvinden. Extra afschrijven, bijvoorbeeld bij een verwacht positief jaarrekeningresultaat, is niet toegestaan. 5.2.
Afschrijvingsbeleid
Gemeenten hebben keuzevrijheid in het vaststellen van het afschrijvingsbeleid, binnen de volgende kaders die daarvoor in art. 64 van het BBV zijn gesteld: 1. De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. 2. Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar. 3. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. 4. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. 5. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar. 6. Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.
Door vaststelling van de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Rucphen 2023 op grond van artikel 212 Gemeentewet heeft de raad ten aanzien van afschrijving in artikel 14 (leden 1, 4, 5 en 6) het volgende bepaald: 1. Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief en het saldo van koersverschillen bij het aangaan van geldleningen, worden lineair in 5 jaar afgeschreven. 4. Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig maatschappelijk of economisch nut worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd en afgeschreven volgens de lineaire methode en conform de termijnen zoals vermeld in bijlage 1 afschrijvings-termijnenbeleid) bij deze verordening. 5. De raad kan bij afzonderlijk raadsbesluit afwijken van de methode, alsmede van de termijnen zoals vermeld in bijlage 1 bij deze verordening. 6. Voor investeringen uit het verleden blijven de afschrijvingstermijnen gelden zoals die golden op het moment van de investering, tenzij de raad anders besluit. 5.3.
Afschrijvingsmethoden
Het BBV schrijft geen afschrijvingsmethode voor. Bij gemeenten wordt lineaire afschrijving verreweg het meest toegepast. Het is toegestaan om voor een of meer categorieën investeringen andere methoden te hanteren. In de financiële verordening van de gemeente Rucphen is enkel de lineaire afschrijvingsmethode genoemd.
13
5.4.
Afschrijvingstermijn per (sub)categorie kapitaalgoed
Op grond van artikel 64, lid 3 BBV dient op vaste activa met een beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven te worden volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De gebruiksduur is gelijk aan de verwachte economische of technische levensduur. Het bovenstaande is niet alleen van toepassing op bijvoorbeeld gebouwen die door de gemeente zelf worden gebruikt of geëxploiteerd, maar ook op gebouwen die door middel van een zakelijk recht ter beschikking worden gesteld (worden vervreemd) aan derden. Ook hierbij is sprake van slijtage en een beperkt verwachte gebruiksduur, waarop de afschrijving moet worden afgestemd. Het BBV schrijft geen afschrijvingstermijnen voor, omdat de gebruiksduur afhankelijk kan zijn van de lokale omstandigheden. De gemeente dient daarom zelf de gebruiksduur per categorie van de kapitaalgoederen vast te stellen. Daartoe is in deze nota een tabel met afschrijvingstermijnen opgenomen. Deze tabel is tevens als bijlage 1 bij de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Rucphen 2023 gevoegd. Het is toegestaan om rekening te houden met een restwaarde na afschrijving, in de gemeente Rucphen wordt de waarde tot € 0,00 afgeschreven. Op gronden wordt in de meeste gevallen niet afgeschreven, omdat grond geen slijtend actief is en daarom een eeuwigdurende gebruiksduur heeft.
Dit geldt ook voor grond die in gebruik wordt genomen als begraafplaats. Grond die in erfpacht is uitgegeven wordt in dit kader niet anders behandeld. Er is namelijk geen sprake van een slijtend actief en/of een beperkte gebruiksduur. Een uitzondering daarop is de ondergrond van wegen en bijbehorende bermen. Deze grond hoort bij de wegaanleg. Deze grond wordt onlosmakelijk van de weg gezien en wordt als één geheel geactiveerd met de weg en ook afgeschreven. 5.5.
Stelsel- en schattingswijzigingen
De in artikel 64 lid 2 BBV genoemde wijzigingen in de afschrijving zijn onder te verdelen in stelselen schattingswijzigingen. Ze mogen niet met terugwerkende kracht worden ingevoerd, er mag dus herrekend worden over de eerdere jaren waarover afschrijving heeft plaatsgevonden. a. een stelselwijziging: dit betreft een wijziging van bijvoorbeeld het aanvangsmoment voor het starten met afschrijven. b. een schattingswijziging: dit betreft een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur, bijvoorbeeld indien de feitelijke gebruiksduur bij nader inzicht afwijkt van de vooraf bepaalde gebruiksduur. Er is ook sprake van een schattingswijziging bij een wijziging van de afschrijvingsmethode (bijvoorbeeld van annuïtair naar lineair). Toelichting: Zowel stelselwijzigingen in zijn algemeenheid als schattingswijzigingen met betrekking tot materiele vaste activa moeten door de raad worden vastgesteld. De financiële gevolgen van een stelsel- of schattingswijziging dienen, tezamen met de vaststelling van de gewijzigde financiële verordening, in de begroting verwerkt te worden. Besluiten tot een stelsel- of schattingswijziging kunnen daarom tot uiterlijk 31 december van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen door de raad. Stellige uitspraken van de commissie BBV: • Een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur c.q. gebruiksintensiteit is een schattingswijziging.
De bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven; • Een wijziging van de 'vrij te kiezen' waarderingsgrondslagen is een stelselwijziging. Bij een stelselwijziging worden bestaande (rest)boekwaarden niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte gebruiksduur afgeschreven. • Uit hoofde van rechtmatigheid kunnen besluiten tot een stelsel- of schattingswijziging met betrekking tot materiële vaste activa uiterlijk tot het eind (31 december) van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen door de raad.
14
5.6.
Afschrijvingen immateriële vaste activa
Artikel 64 lid 4 t/m 6 BBV bevat bepalingen over de afschrijving van immateriële vaste activa. Voor de duidelijkheid worden de betreffende leden hieronder nogmaals vermeld, met daarbij de tekst van het BBV waar naar verwezen wordt: Artikel 64: • In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. • In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar. • Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. Artikel 34 luidt als volgt: In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio; b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; c. bijdragen aan activa in eigendom van derden. Ten aanzien van de kosten van het sluiten van geldleningen en agio-disagio is door de raad bepaald dat deze rechtstreeks ten laste van de exploitatie worden gebracht, zie hiervoor hoofdstuk 3 Activering. Er vindt dus geen afschrijving plaats.
De onder lid 5 genoemde afschrijvingsduur heeft betrekking op de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief. De voorwaarden om deze kosten te mogen activeren zijn vermeld in hoofdstuk 3 Activering. Afschrijving vindt plaats over een periode van 5 jaar. Als de voorbereidingen en onderzoeken uiteindelijk niet leiden tot de realisatie van een actief, dan dienen ze in één keer ten laste van de exploitatie te worden gebracht. Zolang de bedoelde realisatie ongewis is, vindt geen afschrijving plaats. Met de bepaling in lid 6 is geregeld dat een bijdrage aan derden voor de aanschaf van een bepaald actief mag worden afgeschreven in een periode die maximaal gelijk is aan de afschrijvingsduur die zou worden gehanteerd als het actief in eigendom van de gemeente zou zijn. Er mag dus wel een kortere afschrijvingsduur, maar geen langere afschrijvingsduur worden gehanteerd. Gebruikelijke werkwijze in de gemeente Rucphen is dat de afschrijvingsduur van activa in eigendom bij derden gelijk is aan de activa in eigendom bij de gemeente. 5.7.
Duurzame waardevermindering
Behalve door jaarlijkse afschrijving kan verlaging van de boekwaarde plaatsvinden in het geval van duurzame waardevermindering door bijvoorbeeld marktontwikkelingen of buitengebruikstelling. Dit is behandeld in hoofdstuk 4 Waardering. 5.8.
Moment van starten met afschrijvingen
Ook in de keuze van het moment van beginnen met afschrijven is de gemeente, binnen de regels van het BBV, vrij. Echter, in tegenstelling tot de afschrijvingsmethode, die per (sub)categorie kan worden bepaald, kan voor het moment van beginnen met afschrijven slechts voor één mogelijkheid worden gekozen. De gekozen mogelijkheid wordt toegepast op alle kapitaalgoederen die gereed komen/verworven worden. In de gemeente Rucphen vindt afschrijving plaats vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/ verworven wordt.
15
5.9.
Afschrijving tijdens realisatie-periode
Hierboven is aangegeven dat afschrijving plaatsvindt vanaf het jaar na de investering. Indien met de realisatie een langere periode is gemoeid, kan het voorkomen dat reeds wordt afgeschreven terwijl het activum nog niet gereed is. De doorbelasting dient plaats te vinden gedurende de periode waarover het nut van de investering zich uitstrekt, maar er moet voor gewaakt worden dat de afschrijvingsperiode de economische/technische levensduur niet gaat overschrijden door een gefaseerde uitvoering. Dit wordt ondervangen door in de gevallen waarin het werk nog niet geheel gereed is, in het jaar na de uitgaaf de volledige geraamde afschrijving te berekenen indien tenminste 50% van de verwachte kosten (meestal het beschikbaar gestelde krediet) is uitgegeven. Is minder dan 50% uitgegeven, dan vindt de afschrijving naar rato van het uitgegeven bedrag plaats. 5.10.
Systeem bij bekostiging van de investering of de kapitaallasten uit een reserve
Indien voor (een gedeelte van) de afschrijvingslasten van een investering een reserve wordt aangewend, vindt afschrijving plaats conform het gesteld in hoofdstuk 2 (vanaf het 1e jaar na de uitgaaf) en met inachtneming van hetgeen hierboven is vermeld bij "afschrijving tijdens realisatieperiode". Indien de reserve niet de volledige investering dekt, vindt aanwending van de reserve plaats naar rato van de afschrijving. Voor dit doel is de "reserve dekking kapitaallasten" gevormd, welke in voorkomende gevallen kan worden gevoed uit de specifieke bestemmingsreserves. 5.11.
De componentenbenadering
De componentenbenadering houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief, die afzonderlijk vervangen kunnen worden, afzonderlijk worden afgeschreven op basis van de individuele waardevermindering van die delen. Per deel kan de technische of economische levensduur namelijk verschillen. De opsplitsing in componenten wordt bepaald aan de hand van de economische of technische levensduur. De componentenbenadering resulteert in verschillende afschrijvingstermijnen voor ieder onderdeel. 5.12.
Waarderingsgrondslagen en restwaarde
De restwaarde is de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijke waardeveranderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke. De restwaarde dient reëel en per actief te worden geschat. De restwaarde mag niet zodanig hoog worden geschat, dat feitelijk geen of te weinig afschrijving plaatsvindt. Wanneer de verwachte gebruiksduur korter is dan de verwachte economische levensduur van het actief, is er altijd sprake van een restwaarde. Aan het einde van de economische levensduur zal er slechts sprake zijn van sloopwaarde. Uitgangspunt in de gemeente Rucphen is dat activa tot het einde van de mogelijke gebruiksduur worden benut en daardoor worden afgeschreven naar een boekwaarde van € 0,00.
16
6
Afsluiten kredieten
Wanneer de raad kredieten beschikbaar heeft gesteld, is het van belang dat de uitvoering van de werkzaamheden niet te lang op zich laat wachten. Naast de administratieve last die vertraagde uitvoering van investeringen met zich meebrengt, zijn ook de budgettaire consequenties niet te verwaarlozen. Op het moment dat kredieten beschikbaar worden gesteld, is de bekostiging (dekking van de kapitaallasten) geregeld. Als dan de uitvoering pas enkele jaren later plaatsvindt, heeft dat tot gevolg dat er gedurende de tijd dat het werk niet is uitgevoerd, eenmalige rekeningresultaten ontstaan. In de nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2018 zijn de volgende afspraken vastgelegd: • Routine-/vervangingsinvesteringen: afwikkelen bij de 1e bestuursrapportage van het jaar, volgend op het jaar waarop het investeringsprogramma betrekking heeft; • Kredieten die wel op het investeringsprogramma stonden maar nog niet gevoteerd zijn: afvoeren bij de 1e bestuursrapportage van het jaar, volgend op het jaar waarop het investeringsprogramma betrekking heeft; • Tussentijds gevoteerde kredieten: afwikkelen bij de 1e bestuursrapportage, nadat het krediet tenminste achttien maanden oud is. Deze afspraken blijven van toepassing en slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan hiervan, gemotiveerd, worden afgeweken.
17
Bijlage 1 Tabel afschrijvingstermijnen volgens de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Rucphen 2023, vastgesteld op 27 september 2023. De afschrijvingstermijnen gelden vanaf de datum van vaststelling van de verordening, tenzij de raad anders besluit. Indien een activum bestaat uit onderdelen uit deze tabel met verschillende afschrijvingstermijnen, dan wordt de afschrijving over de verschillende componenten berekend. Immateriële vaste activa • Kosten van onderzoek en ontwikkeling • Overige immateriële vaste activa
5 jaar 5 jaar
Materiële vaste activa • Gronden en terreinen geen afschrijving Indien gronden dienen tot ondergrond van wegen wordt de waarde van die grond afgeschreven conform de periode van afschrijving van de weg. •
Weg- en waterbouwkundige werken o Reconstructie/aanleg o Openbare verlichting: armaturen o Openbare verlichting: lichtmasten o Straatmeubilair
30 jaar 25 jaar 50 jaar 10 jaar
Riolering: o Vrijvervalriolen: ▪ Betonriolen/putten ▪ PVC -riolen ▪ Reparaties ▪ Afkoppelen en klimaatadaptatie ▪ Gemalen BBV’s en IBA’s mechanisch en elektrisch
80 jaar 80 jaar 10 jaar 80 jaar 20 jaar
o Persleidingen
80 jaar
Gebouwen o Onderhoud/verbouw o Nieuwbouw
20 jaar 40 jaar
•
Inventaris en meubelen
10 jaar
•
Automatisering
5 jaar
•
Vervoermiddelen
10 jaar
•
Overige machines
10 jaar
•
Vaste installaties o Zonnepanelen
15 jaar 20 jaar
•
Sportvoorzieningen o Onderhoud o Vernieuwen/vervangen o Overig o Toplaagrenovatie
•
•
•
•
20 jaar max. 25 jaar 5 jaar 15 jaar
Groen o Renovatie
15 jaar
Archief
10 jaar