08.2 Toelichting t NL.IMRO.0840.2585K0013-ON01
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan “Kom Zegge, Lage Zegstraat naast 8 te Zegge” NL.IMRO.0840.2585K0013-ON01
Ontwerpbestemmingsplan
bestemmingsplan ‘Kom Zegge, Lage Zegstraat naast 8 te Zegge’ in opdracht van Bouwbedrijf BOOT de heer R. Passier Grenssteen 27 4815 PP BREDA betreffende de locatie Lage Zegstraat Zegge (Rucphen) documentkenmerk 1602/128/LM versie ontwerp vestiging, datum Nuenen, 12 mei 2020
opgesteld door:
gecontroleerd door:
ing. J.A. Welmers
Drs. R. Schumacher
Projectleider RO
Projectleider RO
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies BV.
Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid TRITIUM NUENEN »
TRITIUM PRINSENBEEK »
TRITIUM NEER »
TRITIUM ARKEL »
Collse Heide 48
Groenstraat 27
Steeg 27
Vlietskade 1509
5674 VN Nuenen
4841 BA Prinsenbeek
6086 EJ Neer
4241 WH Arkel
E. info@tritium.nl
I. www.tritiumadvies.nl
K.v.K nr. 17108024
IBAN NL29INGB0662572645
Ontwerpbestemmingsplan
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .............................................................................................................3 1 Inleiding ....................................................................................................................5 1.1 Aanleiding ................................................................................................................. 5 1.2 Ligging plangebied ...................................................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan........................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................. 7 2 Beschrijving bestaande situatie ..................................................................................9 3 Beleidskader ............................................................................................................ 11 3.1 Rijksbeleid en Europese richtlijnen ............................................................................... 11 3.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................
14 3.3 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 21 4 Randvoorwaarden / onderzoek / verantwoording ..................................................... 25 4.1 Bodem .................................................................................................................... 25 4.2 Waterhuishouding / watertoets ................................................................................... 26 4.3 Geluid..................................................................................................................... 31 4.4 Luchtkwaliteit........................................................................................................... 32 4.5 Flora en fauna .......................................................................................................... 33 4.6 Bedrijven en Milieuzonering ........................................................................................ 34 4.7 Externe veiligheid ..................................................................................................... 36 4.8 Archeologie ............................................................................................................. 40 5 Planbeschrijving.......................................................................................................
42 5.1 Bouwplan ................................................................................................................ 42 5.2 Verkeer en parkeren ................................................................................................. 42 6 Juridische aspecten .................................................................................................. 42 6.1 Inleiding ................................................................................................................. 44 6.2 Toelichting op verbeelding .......................................................................................... 44 6.3 Opzet regels ............................................................................................................ 44 6.4 Nadere toelichting op de regels ................................................................................... 46 7 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................... 47 8 Overleg en inspraak ................................................................................................. 48 8.1 Zienswijzen ............................................................................................................. 48 Voetnoten ................................................................................................................... 49
pagina 3 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
pagina 4 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het voorliggend plangebied is gelegen ten zuidwesten van de kern Zegge in de gemeente Rucphen. Aan deze zijde van de kern heeft een kleinschalige uitbreiding (ruimte voor ruimte) van de kern plaatsgevonden (bekend als Hooghei). Bijna alle woningen binnen deze uitbreiding zijn inmiddels gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling van 10 woningen zal een ruimtelijke eenheid vormen met de aangrenzende (grotendeels gerealiseerde) uitbreiding van de kern waarmee de entree tot de kern alsmede de kernrand in ruimtelijk opzicht wordt afgerond. De realisatie van de voorliggende ontwikkeling past echter niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het plan voldoet wel aan het ruimtelijk beleid van de gemeente Rucphen. De gemeente Rucphen is dan ook voornemens medewerking te verlenen aan het voorliggend bestemmingsplan om zo de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken.
1.2 Ligging plangebied Rucphen is een gemeente tussen Roosendaal en Etten-Leur in het westen van de provincie NoordBrabant. De gemeente Rucphen telt in totaal 22.883 inwoners (1 januari 2020, bron: CBS) en heeft een oppervlakte van circa 64,23 km2 (waarvan 0,70 km2 water). De gemeente bestaat uit de kernen: Rucphen, Schijf, Sprundel, St. Willebrord en Zegge. Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Zegge. Deze kern telde op 1 januari 2020, 2050 inwoners.
Afbeelding 1.1 Ligging kern Zegge
pagina 5 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Afbeelding 1.2 Ligging plangebied Het plangebied wordt aan de noordoostzijde begrensd door de recente uitbreiding aan de Waegemaekersstraat en de Kerstensstraat (Hooghei). Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Lage Zegstraat met het daarachter gelegen buitengebied. het noordwesten grenst het plangebied aan de (geprojecteerde) woningbouw aan de Sier Vroegrijkstraat. Het plangebied grenst in het westen direct aan een bebouwd perceel wat onderdeel uitmaakt van de lintbebouwing aan de Lage Zegstraat.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2012' van toepassing, evenals bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2012, 3 e herziening'. Bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2012' (moederplan) is vastgesteld op 29 maart 2012. Op 21 mei 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan ten aanzien van het moederplan. Als gevolg van deze uitspraak is het moederplan op enkele punten gewijzigd. Hiervoor is ook een 1e en 2e herziening opgesteld. Deze eerdere herzieningen hebben geen invloed op onderliggend plangebied. Het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening' is vastgesteld op 16 december 2015 en dient in samenhang met het moederplan geraadpleegd te worden.
pagina 6 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Het plangebied is op basis van bovengenoemde bestemmingsplannen bestemd als 'Agrarisch' (zonder bouwvlak). Aan de zuidzijde van het perceel is een dubbelbestemming 'Leiding - Riool' aanwezig. Tevens zijn de volgende gebiedsaanduidingen op het gehele perceel van toepassing:
Vrijwaringszone - radar; Overige zone - archeologische verwachtingswaarde - laag; Overige zone - beperkingen veehouderij.
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik. Er is geen bouwvlak opgenomen waardoor geen gebouwen gerealiseerd mogen worden. De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn behalve voor agrarisch grondgebruik, mede bestemd voor een ondergrondse rioolpersleiding, inclusief beschermingszone voor beheer en onderhoud. Bebouwing en/of graafwerkzaamheden zijn alleen toegestaan met toestemming van de leidingenbeheerder. Bij navraag bij de gemeente is gebleken dat op deze locatie geen riool aanwezig is. Met goedkeuring van de gemeente wordt deze dubbelbestemming niet mee overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van het radarverstoringsgebied van Vliegbasis Woensdrecht teneinde de verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Er mogen geen bouwwerken worden opgericht met een hoogte van 63 m en meer. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'archeologische verwachtingswaarde - laag' zijn tevens bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische verwachtingswaarden. Hier wordt in paragraaf 4.8 nader op in gegaan.
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' zijn tevens bestemd voor de bescherming van natuur en woonconcentraties door regels te stellen met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden voor de (niet-)intensieve veehouderijen. Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van het bestemmingsplan Buitengebied. Het voorontwerp heeft inmiddels ter inzage gelegen. Toetsing vigerende bestemmingsplannen De beoogde woningbouw is in strijd met de vigerende bestemmingsplannen. De functie 'wonen' is niet toegestaan binnen de bestemming 'agrarisch'. Ook wat betreft de bouwregels zijn de voorgenomen plannen in strijd met het vigerend bestemmingsplan aangezien de geldende regeling geen gebouwen toestaat op deze locatie. Ook in de herziening is de functie wonen niet mogelijk.
1.4 Leeswijzer Het eerste hoofdstuk ‘Inleiding’ geeft kort weer waarop deze toelichting betrekking heeft. Tevens wordt hier de ligging van de beoogde ontwikkeling in de omgeving weergegeven en wordt op het vigerend bestemmingsplan ingegaan. In het tweede hoofdstuk ‘Beschrijving bestaande situatie’ komen de huidige situatie aan bod. In het derde hoofdstuk ‘Beleidskader’ komt achtereenvolgens het Rijksbeleid, het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid aan de orde. Voorts worden de aspecten milieu, water, natuur en ecologie, archeologie en leidingen en andere mogelijke
pagina 7 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
belemmeringen besproken in hoofdstuk 4 (Randvoorwaarden / onderzoek / verantwoording). Hoofdstuk 5 geeft een beschrijving van de nieuwe situatie. Een toelichting van de bestemmingsplanregels wordt gegeven in hoofdstuk 6 'Juridische aspecten'. In hoofdstuk 7 ‘Economische uitvoerbaarheid’ wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De resultaten van het vooroverleg en inspraakmogelijkheden wordt in hoofdstuk 8 'Overleg en inspraak' behandeld.
pagina 8 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
2 Beschrijving bestaande situatie Het dorp Zegge bestond tot in de 19e eeuw uit vier buurtschappen: Zegge, Heesterbosch, Noordhoek en Hooghei. De buurtschappen ontwikkelden zich voornamelijk langs de oost-west gerichte ontsluitingswegen. Door de bebouwing langs de Onze Lieve Vrouwestraat die een noordzuid oriëntatie heeft, groeiden de buurtschappen aan elkaar. Deze straat ligt circa 200 meter ten oosten van de Lage Zegstraat waardoor het plangebied buiten de contouren van de historische dorpskern ligt. Het plangebied ligt ingesloten tussen de Lage Zegstraat in het zuiden en de uitbreiding HoogheiZegge in het noorden. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de diepe achtertuinen van de bebouwing aan de Kerstensstraat. Deze achtertuinen lopen door tot aan de Lage Zegstraat en vormen hier de rand van de bebouwde kom. Aan de westzijde grenst het plangebied aan het agrarisch buitengebied waarbij direct ten westen van het plangebied reeds agrarische bebouwing aanwezig is. Het buitengebied wordt gekenmerkt door een open landschap met verspreid liggende agrarische bebouwing op groene percelen met veel opgaande begroeiing. Het plangebied is in de huidige situatie geheel onbebouwd en in gebruik als grasland.
Afbeelding 2.1 Weergave huidige situatie (bron: Google Streetview) De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bebouwing van de kern Zegge enerzijds en het open agrarisch landschap anderzijds. Direct ten westen van het plangebied ligt een bebouwd perceel dat op de openbare weg georiënteerd is. Deze en andere bebouwde percelen aan de Lage Zegstraat behoren tot de kern Zegge. De Lage Zegstraat sluit aan de op Onze Lieve Vrouwestraat. Deze laatste genoemde straat loopt van zuid naar noord door het hart van de kern en vormt de belangrijkste ontsluitingsroute van de kern. De bebouwing ten noorden van het plangebied kenmerkt zich door een ruime opzet van de kavels, relatief grote woningen van wisselende bouwhoogte, vormgeving in kleur- en materiaalgebruik. De bebouwing bestaat uit hier zowel één en twee bouwlagen met kap in een gelijke architectuur. Mede hierdoor vormt deze bebouwing een ruimtelijke eenheid.
pagina 9 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Groen Het groen in de directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door het open agrarische landschap wat hoofdzakelijk in gebruik is als grasland. Het groen binnen de kern in de directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit de groene invulling van de tuinen rond de hier gelegen (woon-) bebouwing. Binnen de openbare ruimte is weinig tot geen groen aanwezig. Ondanks de afwezigheid van openbaar groen is hier geen sprake van een 'stenig' karakter als gevolg van de grote groene (woon-)percelen. Verkeer De belangrijkste ontsluitingswegen voor de bebouwing zijn de Lage Zegstraat en de Onze Lieve Vrouwestraat. Het parkeren geschiedt in de directe omgeving zowel op en aan de openbare weg als op eigen terrein. Gezien de grootte van de percelen wordt hier de parkeerbehoefte hoofdzakelijk op het eigen terrein afgewikkeld.
pagina 10 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Het Rijksbeleid zal worden besproken aan de hand van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de AMvB Ruimte. Voor het provinciaal beleid van Noord-Brabant wordt gebruik gemaakt van de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening Noord Brabant. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op de gemeentelijke Structuurvisie en de Woonvisie.
3.1 Rijksbeleid en Europese richtlijnen 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Het Rijksbeleid is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is in werking getreden op 13 maart 2012. De SVIR is gericht op het nationaal beleid op het gebied van ruimte en mobiliteit voor de middellange termijn (2028, met doorkijk naar 2040). Om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden, kiest het Rijk voor drie doelen:
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven.
Om de samenhang tussen de verschillende nationale opgaven inzichtelijk te maken, worden de rijksopgaven per MIRT-regio beschreven. De gemeente Rucphen valt binnen de MIRT-regio Brabant en Limburg. De opgaven van nationaal belang voor dit gebied zijn:
Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost-Nederland (waaronder Brainport Avenue rond Eindhoven) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport en uitvoering Programma Hoogfrequent Spoorvervoer);
Versterking van de primaire waterkeringen (hoogwaterbeschermingsprogramma) en het samen met decentrale overheden uitvoeren van de gebiedsgerichte deelprogramma’s Zuidwestelijke Delta, Rijnmond-Drechtsteden en Rivieren van het Deltaprogramma;
Het samenwerken met decentrale overheden in de generieke deelprogramma’s Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma;
Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000gebieden;
Het (internationaal) buisleidingennetwerk vanuit Rotterdam en Antwerpen naar Chemelot en het Ruhrgebied ruimtelijk mogelijk maken;
Onderzoek uitvoeren naar het goederenvervoer op het spoor op de langere termijn inclusief uitvoeren afspraken uit de MIRT-verkenning Antwerpen-Rotterdam hierover;
Uitvoeren onderzoek naar ruimtelijke en infrastructurele opgaven rond de Greenport Venlo; Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV) over de grens; Het aanwijzen van voorkeursgebieden voor grootschalige windenergie in het westelijk deel van Noord-Brabant.
pagina 11 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Op navolgende afbeelding 3.1 is de kaart van de MIRT-regio Brabant-Limburg weergegeven. De nationale opgaven hebben geen invloed op het plangebied.
Afbeelding 3.1 Kaart MIRT-regio Brabant-Limburg (gele stip is plangebied)
pagina 12 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, worden in het Barro geborgd, dat op 30 december 2011 in werking is getreden. In het Barro is een aantal projecten genoemd, die van nationaal belang zijn en zijn met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project zijn vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn: 1. de mainportontwikkeling van Rotterdam; 2. de bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren; 3. de bescherming en behoud van de Waddenzee; 4. de bescherming en behoud van enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam; 5. de uitoefening van defensietaken. 6. veiligheid op Rijk’s vaarwegen; 7. toekomstige uitbreiding van infrastructuur; 8. de elektriciteitsvoorziening; 9. de ecologische hoofdstructuur (EHS); 10. de veiligheid van primaire waterkeringen; 11. reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas; 12. maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer; 13. duurzame verstedelijking. Voor de gemeente Rucphen zijn de defensiegebieden (5) en de ecologische hoofdstructuur (9) van belang. Deze gebieden hebben echter geen betrekking op onderhavige locatie.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het besluit ruimtelijke ordening is een Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) opgenomen die bij elk bestemmingsplan in acht moet worden genomen. Per 1 juli 2017 is een vereenvoudigde Ladder in werking getreden. Gemeenten, provincies en projectontwikkelaars hoeven alleen bij nieuwbouwplannen buiten stedelijke gebieden uitgebreid te motiveren waarom de nieuwbouw daar nodig is. De Laddertoets moet alleen uitgevoerd worden wanneer sprake is van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling. Wanneer de Ladder niet van toepassing blijkt op het plan, is wel een motivering nodig waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uit jurisprudentie blijkt dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden gezien als stedelijke ontwikkeling. Voorliggende ontwikkeling bestaat uit tien woningen en wordt zodoende niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Desondanks wordt ingegaan op de behoefte van het planvoornemen en de locatie. 1. Behoefte De behoefte naar een woningbouwplan wordt bepaald door de lange termijn prognose van de vraag naar woningen in relatie tot het woningaanbod in de bestaande plancapaciteit. De gemeente Rucphen heeft op basis van de meest recente provinciale prognose een behoefte van 515 woningen tot en met 2026.
Er zijn 740 woningen voorzien in plannen (waaronder onderhavig plan) waarvan 519 harde plancapaciteit (plannen die vastgesteld of onherroepelijk zijn). De
pagina 13 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
gemeente zal niet alle voorziene woningen in de plannen tot en met 2026 kunnen realiseren binnen de woningbouwafspraken. Gezien het lage aantal woningen die aanwezig zijn in de harde plancapaciteit, ligt niet in de lijn der verwachting dat alle plannen tot en met het jaar 2026 gerealiseerd gaan worden. Deze aantallen en plannen zijn verdeeld per woonkern binnen de gemeente Rucphen in de gemeentelijke Woonvisie 2020-2024, Woningbouwprogramma Rucphen 2020-2024 en de woningbouwbehoefteraming Rucphen 2013-2030. Op basis hiervan kan gesteld worden dat in de kern Zegge behoefte is aan ongeveer 50 woningen in de periode 2020-224. Kortom, op basis van behoefteramingen kan gesteld worden dat in de kern Zegge behoefte is aan uitbreiding van de woningbouwvoorraad. In de samenstelling van gemeentelijke woningbouwprogramma’s blijft variatie gewenst. In onderhavig plan worden in totaal 10 nieuwe koopwoningen mogelijk gemaakt in het midden en hogere segment. De beoogde doelgroepen zijn starters en doorstromers en sluit derhalve aan bij de woningbehoefte van de gemeente Rucphen zoals verwoord in de Woonvisie 2020-2024. 2. Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied Zoals uit de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening blijkt valt de planlocatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De locatie is wel gelegen binnen de aanduiding ‘Verstedelijking afweegbaar'.
Binnen de woonkernen, waaronder de woonkern Zegge, en het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Rucphen ontbreekt het aan fysieke ruimte om in de woningbouwopgave te kunnen voorzien. Daarnaast ontbreekt het de gemeente aan middelen en mogelijkheden om gronden binnen bestaand stedelijk gebied te verwerven en bestaande opstallen te amoveren om tot ontwikkeling over te gaan. Omdat deze mogelijkheden niet aanwezig zijn binnen het bestaand stedelijk gebied, is gezocht naar een locatie binnen het gebied aangeduid als verstedelijking afweegbaar waar onderhavig planvoornemen mogelijk is. Het plangebied komt tot ontwikkeling doordat de locatie logischerwijs aansluit bij het bestaand stedelijk gebied ter afronding van de kern Zegge.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De Omgevingsvisie Noord-Brabant is op 14 december 2018 vastgesteld en is tot stand gekomen met inbreng van professionals, inwoners, overheden en marktpartijen. De omgevingsvisie bevat de agenda richting 2030 en 2050. Deze visie beschrijft Brabant in 2050: welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend. In de Omgevingswet ziet de provincie de gemeente als eerstverantwoordelijke betreffende het ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. De provincie ziet vanuit een toegevoegde waarde in hoofdzaak drie rollen voor zichzelf: richting geven met betrekking tot visievorming, het benoemen van doelen en randvoorwaarden benoemen, het stimuleren van kennisontwikkeling en –onderzoek en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Hierbij zijn de hoofdopgaven van de Omgevingsvisie belangrijk: energietransitie, klimaatproof worden, een slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Hiernaast benoemt de Omgevingsvisie hoe de provincie wil denken en handelen onder de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, bijvoorbeeld voor natuur, water, veiligheid, ruimtelijke ordening en dergelijke, staan momenteel in bestaande
pagina 14 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
plannen van de provincie. Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet thuis in een programma. Beleid en maatregelen worden uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de op te stellen omgevingsverordening. De uitwerking van beleid, de vertaling naar concrete acties en de inzet van instrumenten vormen samen een programma. De programma’s vormen de kern voor de uitvoering. De keuze welke programma’s worden uitgewerkt staat momenteel niet vast. 3.2.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De belangrijkste beleidswijzigingen hebben betrekking op de realisatie van natuur en transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. Uit de structuurvisie blijkt dat de provincie het wonen zoveel mogelijk in kernen wil concentreren om op deze manier ook het voorzieningenniveau in de kleinere kernen op peil te houden. Leefbaarheid is dan ook een belangrijk aandachtspunt. Samen met de bewoners wordt in de dorpen in het landelijke gebied gezocht naar mogelijkheden om gemeenschappelijke voorzieningen voor de kernen te behouden. De provinciale ruimtelijke belangen zijn in vier structuren onderverdeeld: 1.
De groenblauwe structuur: hier wordt gekozen voor functieontwikkeling in combinatie met de ontwikkeling van een robuust raamwerk met landschappelijke kwaliteit. Deze structuur bestaat uit de bestaande natuur, watersystemen en gebieden die geschikt zijn voor de ontwikkeling van nieuwe natuur. 2. Het landelijk gebied: dit is een multifunctioneel gebied waarbij de agrarische productieruimte wordt behouden in delen van het gebied waar de landbouw bepalend is voor nieuwe ontwikkelingen. 3. De stedelijke structuur: er is sprake van twee perspectieven binnen deze structuur. De eerste zijn de stedelijke concentratiegebieden waar de stedelijke groei wordt opgevangen. Op deze manier blijven de groene gebieden tussen de steden open. De tweede zijn de kernen in het landelijk gebied die zoveel mogelijk worden ontzien van verdere verstedelijking. Hier zijn ontwikkelingen voor wonen, werken en voorzieningen mogelijk wanneer deze voorzien in de eigen verstedelijkingsbehoefte. 4. De infrastructuur: gekozen wordt voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische kennisclusters in de provincie Noord-Brabant.
pagina 15 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Afbeelding 3.2 Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening In voorgaande afbeelding 3.2 is een uitsnede van de structurenkaart te zien. Het plangebied ligt op grond van de structurenkaart binnen het gemengd landelijk gebied. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik het uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Het plangebied ligt tegen de kern Zegge aan. Direct ten noorden van het plangebied is reeds een woningbouwlocatie in ontwikkeling (Hooghei I). Deze locatie is ook gelegen is in 'gemengd landelijk gebied'. Door de realisatie van onderhavige ontwikkeling wordt, met de reeds in ontwikkeling zijnde Hooghei I (en Hooghei II), de afronding van kern Zegge één geheel.
3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van belangrijke waarden als het drinkwater of de natuurgebieden. Dit zijn onderwerpen die de provincie moet regelen in een omgevingsverordening. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid,
pagina 16 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen. Doordat de Omgevingswet volgens huidige planning pas in 2021 in werking treedt, kan er nog geen invulling worden gegeven aan deze wet. De Interim Omgevingsverordening is vastgesteld op 25 oktober 2019. Daarmee zijn de 6 provinciale vorderingen (waaronder de Verordening Ruimte) vervallen. Kaart 1 rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen Voor het plangebied geldt geen attentiezone waterhuishouding of andere relevante aanduidingen. Het aspect ‘milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen’ vormt vanuit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 2 rechtstreeks werkende regels: landbouw Het plangebied is binnen het thema ‘landbouw’ gelegen binnen de aanduidingen 'landelijk gebied', 'beperkingen veehouderij' en ‘stalderingsgebied’. Het plan voorziet in een woningbouwontwikkeling, er worden geen veehouderijen binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Derhalve vormt het aspect ‘landbouw’ vanuit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 3 instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Buiten bestaand stedelijk gebied is nieuwvestiging van wonen in principe niet toegestaan. Het plangebied is gelegen binnen het gebied 'verstedelijking afweegbaar'.
Binnen deze gebieden is een stedelijke ontwikkeling wel toegestaan mits een goede landschappelijke inpassing van de woningen verzekerd wordt. Bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting dient dan ook rekening gehouden te worden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen.
Afbeelding 3.3 Uitsnede Interim omgevingsverordening
pagina 17 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
De nieuwe ontwikkeling sluit aan bij het bestaande stedelijke gebied door onder andere de ontsluiting van de recente uitbreiding (Hooghei I) ten noorden op elkaar aan te laten sluiten. Zo vormen deze uitbreidingen samen één geheel als afronding van de kern Zegge. Tevens is de 'bevordering ruimtelijke kwaliteit' noodzakelijk toepassing te geven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik als ook een verantwoording van de landschappelijke inpasbaarheid. Kaart 4 instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een aanduiding met betrekking tot natuur en stiltegebieden. Derhalve vormt het aspect ‘natuur en stiltegebieden’ geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 5 instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Het plangebied is niet gelegen binnen een aanduiding met betrekking tot grondwaterbeschermingsgebieden. Derhalve vormt het aspect ‘grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging’ geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 6 instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied Het plangebied is weliswaar gelegen binnen een aanduiding met betrekking tot de basiskaart ‘Landelijk gebied’. Echter voorziet het plan niet in een agrarische ontwikkeling en vormt het aspect ‘Landelijk gebied geen belemmering voor het planvoornemen.
Kaart 7 instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘stalderingsgebied’. Daarnaast ligt het plangebied binnen de aanduiding 'beperkingen veehouderij'. Er worden binnen het plangebied geen (vergroting van) hokdierhouderijen voorzien, noch van een andere agrarisch georiënteerde ontwikkeling. Derhalve wordt voldaan aan de voorwaarden voor specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Kaart 8 instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Er dient rekening gehouden te worden met de norm voor wateroverlast. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt, met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als norm een overstromingskans van: 1.
ééns per 100 jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;
2.
ééns per 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;
3.
ééns per 25 jaar voor akkerbouw;
4.
ééns per 10 jaar voor grasland.
3.2.4 Brabantse agenda Wonen De Brabantse Agenda Wonen (september 2017) maant gemeenten tot spoed bij de ontwikkeling van woningen, gezien de flinke woningbouwopgave die de provincie ziet - vooral tot 2030. Hierbij is kwaliteit belangrijker dan de aantallen. Verder ligt de prioriteit bij inbreidingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied. De opgave is onder meer het wonen zo goed mogelijk te laten bijdragen aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit van dorpen. Het richtinggevend principe is het ruim baan geven aan ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen: woningbouw op geschikte inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en in leegstaand vastgoed, die aansluit op een actuele vraag en snel in aanbouw kan worden genomen.
pagina 18 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Door demografische ontwikkelingen (veroudering, huishoudensverdunning) wordt de woonopgave gedifferentieerder. Deze vraag richt zich meer op de stadscentra en dorpskernen. De komende jaren is het zaak dit ‘demografisch momentum’ te verbinden met binnenstedelijke transformatieopgaven en de aanpak van leegstandsvraagstukken in stad en dorp. Het plan betreft 10 woningen. Aangezien er onvoldoende ruimte is binnen het bestaand stedelijk gebied vindt de ontwikkeling plaats in het gebeid waar verstedelijking afweegbaar is. De beoogde ontwikkeling sluit in aantal woningen en doelgroep aan bij de actuele vraag en de gestelde woningbouwopgave van het Hart van Brabant. De voorgestane ontwikkeling is zodoende in overeenstemming met het beleid uit de Brabantse Agenda Wonen. Conclusie Het planvoornemen betreft de realisatie van 10 koopwoningen in het midden en hogere woonsegment. Het planvoornemen past binnen de regionaal gemaakte afspraken en betreft een duurzame stedelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat voldaan wordt aan de voorwaarden en het planvoornemen niet in strijd is met het provinciaal beleid en de provinciale belangen. 3.2.5 Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap De Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap biedt informatie aan gemeenten om invulling te geven aan de rood-met-groen koppeling.
Deze handreiking is een hulpmiddel en geen verplichte regel of beleidskader: gemeenten kiezen hun eigen methode om uitvoering te geven aan de Interim omgevingsverordening. Belangrijke voorwaarde om de rood-met-groen koppeling toe te passen is dat gemeenten over een kwalitatief kader beschikken waarin is aangegeven welke landschapsambities er voor een gebied zijn. Hiervoor is al veel materiaal bij gemeenten beschikbaar. Bijvoorbeeld in de vorm van landschaps-ontwikkelingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en visies in het kader van het stimuleringskader groenblauwe diensten. Maar ook de gebiedspaspoorten die door de provincie als uitwerking van de Structuurvisie ruimtelijke ordening zijn opgesteld bieden hiervoor informatie. De rood-met-groen regeling is een instrument om (een deel van) de ambities ook daadwerkelijk te realiseren. In de handreiking zijn verschillende methodieken met elkaar vergeleken en is de methodiek die het meest praktisch toepasbaar lijkt –het vaststellen van forfaitaire bedragenverder uitgewerkt. De provincie wil de handreiking graag gebruiken om in de regionaal ruimtelijke overleggen afspraken te maken over hoe gemeenten toepassing geven aan de rood-met-groen verplichting zoals in de Interim omgevingsverordening beschreven. Dit heeft als voordeel dat bij individuele ruimtelijke besluitvorming naar deze afspraken kan worden verwezen.
Toepassing Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant Over de uitvoering van kwaliteitsverbetering verdient het aanbeveling dat regionaal eenduidige afspraken worden gemaakt. Deze notitie bevat een voorstel over hoe in de regio West-Brabant om te gaan met deze kwaliteitsverbetering. De regio West-Brabant is landschappelijk gezien een regio met grote verschillen. Waar het zuidelijk gedeelte overwegend bestaat uit een meer kleinschalig landschap op zandgronden, wordt het landschap naar het noorden toe grootschaliger met open polders op zee- en rivierklei. In het
pagina 19 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
landschap komen ook relicten uit het verleden voor, zoals linies, vestingen en turfvaarten. Ook de infrastructuur en de verstedelijking bepalen voor een groot deel het beeld van het landschap. Vanwege deze diversiteit zal de ene gemeente andere gedachten hebben bij kwaliteitsverbetering van het landschap dan de andere. De notitie biedt dan ook ruimte voor al deze verschillende landschappen en al deze verschillende gedachten over kwaliteitsverbetering. Wel is er een eenduidige regeling opgenomen voor de regio West-Brabant. In de notitie is beschreven hoe de rood-met-groen koppeling op uniforme en eenduidige wijze wordt toegepast, inclusief minimale basisinspanning (een gemeente kan er voor kiezen een grotere inspanning te vragen) en mogelijkheid van fondsvorming, de periodieke verantwoording over uitvoering en het voeren van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In de notitie wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën ruimtelijke ontwikkelingen:
Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist.
Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met relatief weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien inenkel een goede landschappelijke inpassing.
Categorie 3: Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie.
De onderhavige ontwikkeling valt onder categorie 3. Dit betreft veelal ontwikkelingen die een beduidende invloed hebben op de omgeving en waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Voorgesteld wordt om de omvang van de bijdrage te relateren aan de omvang en invloed van de ontwikkeling. Grootschalige ontwikkelingen, dan wel niet aan het buitengebied gerelateerde ontwikkelingen, zouden moeten voldoen aan een kwaliteitsverbetering van het landschap of een compensatie die dezelfde waarde vertegenwoordigt. In de handreiking is aangegeven dat bij stedelijke ontwikkelingen 1% van de gronduitgifteprijs gecompenseerd moet worden. In de meeste gevallen dient deze verplichte kwaliteitsverbetering op eigen terrein te worden uitgevoerd. Dit kan onder andere door middel van landschappelijke inpassing van de bebouwing of door aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen. Wanneer de kwaliteitsverbetering niet binnen het plangebied of directe omgeving uitgevoerd kan worden is een fonds ingesteld. Door de inleg in dit fonds kunnen gemeentelijke projecten gerealiseerd worden. In onderhavige situatie dient € 19.344,00 geïnvesteerd te worden ten behoeve van kwaliteitsverbetering.
Dit bedrag zal worden gestort in het fonds voor gemeentelijke projecten aangezien op de locatie zelf geen ruimte is voor aanleg van natuur- of landschapselementen.
pagina 20 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Rucphen 2030 Op 11 december 2013 is de 'Structuurvisie Rucphen 2030' vastgesteld. De structuurvisie gaat over de leefruimte van het gehele grondgebied van Rucphen. De structuurvisie is het richtinggevende ruimtelijk relevante afwegingskader voor het bestuurlijk handelen van de gemeente Rucphen en heeft meerdere doelen:
Uitnodigen: De visie laat zien welke ontwikkelingen mogelijk zijn, zonder de precieze invulling vast te leggen;
Toetsen: Met de structuurvisie is aan de voorkant duidelijk hoe men omgaat met initiatieven. Nieuwe initiatieven worden getoetst aan de visie en de te behouden kernkwaliteiten;
Borgen: De visie legt de koppeling tussen economische initiatieven en initiatieven die bijdragen aan versterking van de kernen en het landschap. Bij projectontwikkelingen kan hierdoor een fysieke of financiële bijdrage voor ruimtelijke kwaliteit gevraagd worden.
Uit onderstaande afbeelding 3.4 is af te lezen dat het plangebied is gelegen binnen het 'zoekgebied stedelijke ontwikkeling kernen'. Binnen de gemeente is behoefte aan woningbouwlocaties om aan de woningbehoefte te kunnen voldoen. De voorkeur gaat uit naar inbreiding en nieuwe bouwlocaties aan de randen van bestaande kernen. Rond de kernen zijn min of meer natuurlijke grenzen aangewezen voor de uiteindelijke dorpsrand. De realisatie van 10 woningen aan de rand van de kern Zegge is op basis van de Structuurvisie Rucphen 2030 dan ook mogelijk. Randvoorwaarde daarbij is een kwalitatieve afronding.
Afbeelding 3.4 Uitsnede kaart Structuurvisie Rucphen 2030 3.3.2 Woonvisie 2020-2024 In de Woonvisie 2020 - 2024 van de gemeente Rucphen wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder
pagina 21 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid / doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Het aantal inwoners van de gemeente Rucphen stijgt nog steeds en groeit in de gemeente Rucphen nog beperkt verder, met een ontgroening aan de onderkant en een sterke vergrijzing aan de bovenzijde. Met name door de afname van de gemiddelde woningbezetting, is er dus een behoefte om het aantal woningen uit te breiden. Door de sterke vergrijzing zal een groot deel van de toe te voegen woningen wel levensloopbestendig moeten worden gerealiseerd. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor met name starterswoningen, om starters/jongeren kansen te bieden in de dorpen binnen de gemeente Rucphen. In de woonvisie wordt er van uitgegaan dat voor de komende 5 jaar een behoefte bestaat aan 500 nieuwe woningen. Achterblijvende nieuwbouw in de afgelopen jaren door de economische crisis en momenteel juist een verhitte koopmarkt leiden tot een behoefte aan 50-100 nieuwbouwwoningen per jaar. Benadrukt wordt een behoefte aan goedkope en middeldure koopwoningen tot € 300.000,-.
Beoordeling Specifiek voor de kern Zegge bedraagt de behoefte aan nieuwe woning in de periode 2020-2024 50 woningen. In de woonvisie wordt ingegaan op een aanpassing van de woningvoorraad aan een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Benadrukt wordt dat er een behoefte aan goedkope en middeldure koopwoningen is. Specifiek voor de kern Zegge bestaat de behoefte uit middeldure koop en dure koop (het segment dat onderhavig initiatief beoogt) uit 20 woningen. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 10 grondgebonden koopwoningen aan de rand van het dorp. Dit aantal is passend binnen de opgave. Onderhavig initiatief is daarmee passend binnen de woonvisie van de gemeente Rucphen.
3.3.3 Groenbeleid Het landschapsbeleid voor de gemeente Rucphen is vastgelegd in 3 documenten:
Landschapsontwikkelingsplan waarin de visie voor het buitengebied is vastgelegd; Groenstructuurplan, welke zich richt op de kernen; Visiedocument groenbeleid dat is gericht op beheer en onderhoud.
Op de Groene Kaart staan de beschermde houtopstanden aangegeven. Het centrale doel van het landschapsbeleid is herstel en versterking van het landelijk karakter van de kernen en kansen aan te grijpen om het landschap en de dorpen met elkaar te verbinden, zodat er meerwaarde wordt gecreëerd voor de woon-, werk-, verblijfs- en recreatiekwaliteiten in de dorpen. Bij het landschapsontwikkelingsplan staat behoud en ontwikkeling van het landschap voorop. Voor nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toetst naar de waarden (natuur, landschap en cultuurhistorie) moet worden gedaan. Negatieve waarden
pagina 22 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
moeten worden gecompenseerd. Het landschapsontwikkelingsplan gaat uit van de stelling dat mensen landschap maken en dat hun handelingen het uiteindelijke beeld bepalen. Het landschapsontwikkelingsplan kiest voor het behoud en het versterken van de karakteristieke verschijningvorm van de verschillende bestaande landschapstypen en voor cultuurhistorie en voor het verder ontwikkelen van een goede omgevingskwaliteit. In het groenstructuurplan wordt gezocht naar de eigen kracht van het groen, niet als tegenhanger maar juist in samenhang en synergie met niet groene beleidsdoelen. De uitvoering van het groenstructuurplan is gericht op:
het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een hoogwaardige groenstructuur met duidelijke en passende functies;
het bevorderen van een aantrekkelijke groene woon- en werkomgeving die karakteristiek is voor de gemeente Rucphen;
meer dorpsnatuur; een hogere groenwaardering en een groter natuurbesef en betrokkenheid bij de natuur van de inwoners.
Het groenstructuurplan richt zich primair op de kernen, de hoofdwegen in het buitengebied en de bossen. In het Visiedocument groenbeleid (2008) geeft de gemeente aan hoe ze met beheer en onderhoud van groen omgaan en hoe deze ambities concreet kunnen worden gemaakt. In het visiedocument wordt aangegeven dat groen van grote waarde is voor aantrekkelijk wonen en leven. De kwaliteit, beleving en waardering van groen is sterk afhankelijk van ontwerpkeuzes in planvormingsprocessen. De vormgeving van het groen en hoeveelheid groen liggen hieraan te grondslag. De ‘Groene kaart’ geeft richting aan de uitvoering van het beleid. Het is de ambitie van de gemeente om bij alle ruimtelijke ontwikkelingen over het groen te adviseren. De Groene Kaart is een kaart waarop de beschermde houtopstanden zijn aangegeven getekend als vlakvormige-, lijnvormige- en puntvormige elementen, met een bijbehorend register in de vorm van inventarisatiebladen.
pagina 23 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Afbeelding 3.5 Uitsnede Groene Kaart kern Zegge (ster is perceel plangebied) Zoals in afbeelding 3.5 is te zien is er geen sprake van beschermde houtopstanden waar bij de ontwikkeling van de woningen rekening mee dient te worden gehouden.
pagina 24 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
4 Randvoorwaarden / onderzoek / verantwoording In dit hoofdstuk wordt het onderhavige plan getoetst of voldaan kan worden aan milieuwetgeving en een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
4.1 Bodem Moerdijk Bodemsanering B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek [1] uitgevoerd ter plaatse van de Lage Zegstraat te Zegge. Hieronder worden de conclusies weergegeven. Het volledige rapport is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. Conclusie De onderzoekslocatie betreft een stuk grasland en heeft een oppervlakte van circa 3280 m 2. De locatie is beschouwd als onverdacht. Op grond van de beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuigelijke waarnemingen tijdens veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd:
tijdens de locatie-inspectie zijn geen bijzonderheden aangetroffen; tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuigelijk geen afwijkingen waargenomen. Er is visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbest waargenomen;
in de bovengrond ter plaatse van mengmonster 1 is een licht verhoogd gehalte aan lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet benaderd;
in de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen; in het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentratie aan barium een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde betreft.
De van te voren gestelde hypothese 'onverdachte locatie' dient formeel te worden verworpen. De verhogingen in de grond en het grondwater betreffen echter geen significante verontreiniging. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Er kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen woningbouwontwikkeling. De eventueel vrijkomende grond ter plaatse is geschikt voor hergebruik ter plaatse. De kwaliteit van de (boven)grond is indicatief getoetst aan de kwaliteitsnormen van de Regeling Bodemkwaliteit, dit voor de eventuele afvoer van overtollige grond. Het indicatie eindoordeel is kwaliteitsklasse 'wonen'. Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van de gemeente in acht genomen te worden.
pagina 25 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
4.2 Waterhuishouding / watertoets 4.2.1 Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.
4.2.2 Beleid Rijksbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich derhalve primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.
De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet
pagina 26 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
(Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP), waarvan de regels thans zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Uitgangspunten hierbij zijn:
balans tussen efficiënt beschermen en duurzaam benutten van de fysieke leefomgeving; uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen; streng voor achterblijvers; opgaven integraal en gebiedsgericht oplossen; een dynamische en uitnodigende uitvoeringsagenda en samen met de partners uitvoeren.
Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.
de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben besloten de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:
het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 2000 m2, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak;
pagina 27 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
de toename van verhard oppervlak tussen de 2000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Gemeentelijk Rioleringsplan 2018 - 2022 Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. Het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2018-2022 en het gemeentelijk waterplan (2008) verantwoorden aan de inwoners van de gemeente Rucphen de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht. Bij de realisatie van (nieuwe) bebouwing wordt het scheiden van waterstromen nagestreefd. Bij rioolvervanging wordt, mits kosteneffectief, actief beleid gevoerd op het afkoppelen van hemelwater en scheiden van waterstromen. Voor het afkoppelen van dakvlakken op particulier terrein wordt bij bestaande bouw een doelmatigheidstoets uitgevoerd. Bij het infiltreren van het regenwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, afvoeren. Zorgplicht hemelwater De zorgplicht hemelwater valt onder de Waterwet (in de toekomst Omgevingswet). In artikel 3.5 is de wettelijke verplichting vastgelegd: 1.
De gemeente draagt zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. 2. De gemeente draagt eveneens zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk. De gemeente Rucphen heeft belang bij een robuust watersysteem, wat bij hevige regenval het water uit de rioolwateroverstorten kan verwerken. Dit is immers een randvoorwaarde voor het beperken van wateroverlast in bebouwd gebied tot een aanvaardbaar niveau. Retenties worden daarom gedimensioneerd met een ‘regenreeks’ die gemiddeld 1 keer per 100 jaar voorkomt in Nederland. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering, zodat het watersysteem zodanig wordt gedimensioneerd dat het toekomstbestendig is. Voor 'Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen' wordt het beleid van het waterschap Brabantse Delta gevolgd.
4.2.3 Watersysteem De watersystemen die op de locatie en in de omgeving voorkomen worden onderverdeeld in grondwater, oppervlaktewater, ecosystemen en bodem.
pagina 28 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
Afbeelding 4.1 Uitsnede Watertoets Viewer Waterschap Brabantse Delta Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde beschermde gebied bedraagt circa 250 meter. Oppervlaktewateren In de nabijheid van het plangebied is open water aanwezig in de vorm enkele kavelsloten, waterlopen categorie B. De dichtstbijzijnde hoofdwaterloop (Rucphense Vaart Noord) bevindt zich op circa 900 meter ten westen van het plangebied. Grondwater Middels de wateratlas provincie Noord-Brabant is achterhaald dat binnen het plangebied grondwatertrap Vb voorkomt (GHG: 25-40 cm GLG: >200 cm). Tijdens het verkennend bodemonderzoek is een grondwaterstand gemeten van 1,14 m-mv. De stromingsrichting van het ondiepe freatische grondwater is niet eenduidig en zal afhankelijk zijn van lokale ontwateringsmiddelen. De grondwaterstroming in het 'onderste grof' is globaal noordelijk gericht. Er is sprake van een inzijgingssituatie. Afvalwater Parallel aan de Lage Zegstraat bevindt zich een afvalwatertransportleiding. Deze leiding is tevens vastgelegd in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009'. Bij navraag bij de gemeente is gebleken
pagina 29 van 49
Ontwerpbestemmingsplan
dat het riool niet aanwezig is ter plaatse. In overeenstemming met de gemeente wordt de dubbelbestemming niet mee overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een natuurgebied. Bodemopbouw Op basis van het verkennend bodemonderzoek (paragraaf 4.1) kan worden geconcludeerd dat de bodem ter plaatse als volgt opgebouwd is: Vanaf maaiveld is tot circa 1,0 m-mv een zandpakket aangetroffen, hieronder is tot 2,8 m-mv (einde boordiepte) klei aangetroffen. 4.2.4 Beïnvloeding waterhuishoudkundig systeem In het plangebied worden 10 nieuwe woningen gerealiseerd. Omdat het een beperkt aantal woningen betreft wordt gebruik gemaakt van een eenvoudige verkeersstructuur. De verdeling van de oppervlaktes in vergelijking met de huidige situatie wordt in onderstaande tabel weergegeven. Oppervlakten