07g Bijlage 2 tb 2b 21120075 IVO-P Sprundel Waterstraat 13 Rapport DEFINITIEF
Tekst van het document
Transect-rapport 4079 Sprundel, Waterstraat 13 Gemeente Rucphen (NB) Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Sprundel, Waterstraat 13, Gemeente Rucphen Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase Transect-rapport 4079
Auteur
T. Wolff MA
Versie
Definitieve versie
Datum
16-06-2022
Projectnummer Onderzoeksmelding
21120075 5260823100
Opdrachtgever
Urban Jazz B.V. Almystraat 14 5061 PA Oisterwijk
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid Naam archeologisch deskundige namens bevoegde overheid
Gemeente Rucphen
Beheer en plaats documentatie Omslagafbeelding
Transect b.v., Nieuwegein (tijdens uitwerking) Foto van het plangebied
Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven Senior KNA Archeoloog
Mevr. L. Weterings-Korthorst
Datum 16-06-2022
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Urban Jazz B.V. heeft Transect B.V. in mei 2022 een archeologisch inventariserend proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uitgevoerd in een plangebied aan de Waterstraat 13 te Sprundel (gemeente Rucphen). In totaal heeft het plangebied een oppervlakte van circa 2640 m2. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied in gebruik als akkerland. De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een nieuwbouwwoning met bijgebouwen en erfinrichting binnen het plangebied te realiseren. De exacte diepte tot waarop bodemingrepen plaatsvinden is nog niet bekend. Vooralsnog wordt uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering van ten minste 80 tot 100 cm -Mv, waarbij het archeologisch niveau verstoord zal worden. Op basis van een eerder uitgevoerd archeologisch vooronderzoek (Blink et al. 2021) blijkt dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd.
Voor de overige delen van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd, en een lage verwachting voor het Laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Als zodanig dient de vraagstelling te worden beantwoord of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn vijf werkputten aangelegd (circa 264 m2, 10 % van het onderzoeksgebied). Er zijn tijdens het onderzoek geen archeologische grondsporen aangetroffen, en enkel twee vondsten uit een open context verzameld. De hoge tot middelhoge archeologische verwachting voor de betreffende periodes is met dit onderzoek grotendeels uitgebleven. Met het proefsleuvenonderzoek is de archeologische verwachting, zoals gespecificeerd in het vooronderzoek, getoetst en bijgesteld naar laag.
Selectieadvies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven). Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Door het ontbreken van een vindplaats wordt geadviseerd het plangebied archeologisch vrij te geven. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Rucphen een selectiebesluit uit te brengen over de daadwerkelijke omgang met archeologische resten in het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 6
2.
Resultaten vooronderzoek .................................................................................................... 8
3.
Aard, doel en onderzoeksvragen........................................................................................... 9
4.
Onderzoeksmethodiek ........................................................................................................ 10
5.
Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 11
6.
Conclusie en advies ............................................................................................................. 13
7.
Beantwoording van de onderzoeksvragen .......................................................................... 14
8.
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 16
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 17
Bijlage 2.
Luchtfoto ............................................................................................................................. 18
Bijlage 3.
Toekomstige situatie ........................................................................................................... 19
Bijlage 4.
Allesporenkaart ................................................................................................................... 20
Bijlage 5.
Vlaktekeningen .................................................................................................................... 21
Bijlage 6.
Sporen- en lagenlijst ............................................................................................................ 26
Bijlage 7.
Vondstenlijst........................................................................................................................ 27
1. Aanleiding Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Rucphen
Plaats
Sprundel
Toponiem
Waterstraat (ong.)
Kaartblad
50A
Perceelnummer(s)
Rucphen, sectie T, nr. 969 (deels)
Centrumcoördinaat
100.200 / 393.220
Oppervlakte plangebied
Circa 2640 m2
Oppervlakte onderzoeksgebied
Circa 2640 m2
Huidig grondgebruik
Akkerland
In opdracht van Urban Jazz B.V. heeft Transect B.V.1 in mei 2022 een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uitgevoerd in een plangebied aan de Waterstraat 13 te Eindhoven (gemeente Rucphen). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 2. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2640 m2. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied in gebruik als akkerland. De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een nieuwbouwwoning met bijgebouwen en erfinrichting binnen het plangebied te realiseren (bijlage 3). De exacte diepte tot waarop verstoord wordt is nog niet bekend. Vooralsnog wordt uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering van ten minste 80 tot 100 cm -Mv, waarbij het archeologisch niveau verstoord zal worden. Voor de nieuwbouwplannen is een bestemmingsplanwijziging nodig. Op basis van de archeologische waardenkaart van de gemeente Rucphen ligt het plangebied in een zone met “Waarde-Archeologie 2” – historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars. Voor “Waarde-Archeologie 2” geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen die dieper dan 50 cm -Mv reiken en meer dan 100 m2 beslaan.
Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is op het terrein een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Blink et al. 2021). Hieruit bleek dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Voor overige delen van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd, en een lage verwachting het Laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Uit het voorafgaand booronderzoek bleek dat in vier van de zes boringen (in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied) een AC-profiel aanwezig is, waarbij de oorspronkelijke bodem is opgenomen in de opgebrachte grond. In twee boringen (in het zuidwestelijk deel van het plangebied) is een B(C)- horizont gevonden. Geen van de boringen bevatte een Ehorizont. In het plangebied is sprake van laarpodzolgronden met een plaggendek van 30 - 70 cm dik.
1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij de RCE en de SIKB.
6
De natuurlijke bodem loopt op richting het noordoosten van het plangebied. De top van de C-horizont varieert van circa 11,64 tot 11,33 m +NAP. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat een vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de verwachting uit het vooronderzoek door het opsporen en waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Op basis hiervan kan de bevoegde overheid van de gemeente Rucphen een uitspraak doen over de omgang met eventueel aanwezige archeologische resten in het plangebied. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen uit protocol 4003 (‘Inventariserend Veldonderzoek – Proefsleuven’) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1) en het voor het onderzoek opgestelde Programma van Eisen (Pels-Ouweneel, 2021).
Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: pdok.nl.
7
2. Resultaten vooronderzoek Kans op archeologische waarden (zuidwestelijke deel)
Kans op archeologische waarden (noordoostelijke deel)
Laat Paleolithicum t/m Vroege Middeleeuwen
Hoog
Late Middeleeuwen t/m Nieuwe Tijd
Middelhoog
Laat Paleolithicum t/m Mesolithicum
Laag
Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen Hoog Late Middeleeuwen t/m Nieuwe Tijd
Middelhoog
Complextypen
Sporen van bewoning, landgebruik, vondstconcentraties en nederzettingsterreinen
Stratigrafische positie
In de top van het dekzand (C-horizont)
Diepteligging
Vanaf maaiveld
Op basis van het vooronderzoek blijkt dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Voor overige delen van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd, en een lage verwachting het Laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Het plangebied ligt op het Kempisch Hoog, in het Kempisch zandgebied, een tektonisch opheffingsgebied waarop pleistocene afzettingen dicht aan het oppervlak voorkomen. Op de geomorfologische kaart liggen in het plangebied terrasafzettingswelvingen bedekt met dekzand (kaartcode 3L41). Op de Kadastrale Minuut uit 1811-1832 is het plangebied onbebouwd. Volgens de OAT is het perceel waarbinnen het plangebied valt in gebruik als bouwland. Op latere kaarten tot heden is het plangebied eveneens onbebouwd. Tijdens het voorafgaand booronderzoek vertoonden boringen 1-2 en 5-6 een A-C profiel. De overgang van de bouwvoor naar de natuurlijke ondergrond vertoonde ploegsporen. De toplaag bestaat uit een opgebracht esdek.
De top van de C-horizont bestaat uit geelbeige, matig fijne en zwak siltige zandafzettingen uit het Laagpakket van Wierden, en ligt op een diepte van circa 30-70 cm -Mv. Verder zijn tijdens het onderzoek alleen in boring 6 archeologische indicatoren aangetroffen, in de vorm van baksteen- en houtskoolspikkels tussen de 20-60 cm -Mv. Het betreft een antropogeen aangebrachte laag. Hierdoor liggen de indicatoren in een secundaire context, en hoeven dus geen relatie te hebben met de archeologische verwachting voor wat betreft het onderliggend archeologisch niveau. Vaak komen in esdekken mestvondsten voor die met de (plaggen-)bemesting zijn meegekomen. Verder heeft het verkennend booronderzoek vastgesteld dat in de top van de afzettingen die horen tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) een potentieel archeologisch niveau aanwezig is.
8
3. Aard, doel en onderzoeksvragen Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Op basis van de onderzoekresultaten kan de bevoegde overheid van de gemeente Rucphen een uitspraak doen over de omgang met eventueel aanwezige archeologische resten in het plangebied (behoud in situ, opgraven, vrijgave). In het Programma van Eisen (PvE, Pels-Ouweneel, 2021) is hiertoe een hoofdvraagstelling opgenomen met enkele onderzoekvragen. De hoofdvraagstelling uit het Programma van Eisen luidt: Is er in het plangebied sprake van (een) archeologische vindplaats(en), zijn deze behoudenswaardig, en onder welke voorwaarden is behoud mogelijk? Deze vraag wordt aan de hand van de volgende onderzoekvragen beantwoord in hoofdstuk 7 van het huidig rapport: 1.
Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten?
2.
Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact?
3.
Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)?
4.
Wat is de datering van de archeologische resten? En in hoeverre is er sprake van (dis-) continuïteit in gebruik/bewoning?
5.
Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden?
6.
Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten?
7.
Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek?
8.
Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten?
9.
Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNAwaarderingssystematiek).
10. Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? 11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)?
9
4. Onderzoeksmethodiek Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd door André Kerkhoven (Senior KNA archeoloog) en Thalea Wolff (archeoloog MA). In totaal zijn vijf werkputten aangelegd met een totale oppervlakte van circa 264 m2, ongeveer 10% van het plangebied. Er is bij het veldonderzoek niet afgeweken van de vastgestelde methodiek uit het PvE. De werkputten zijn gegraven met een graafmachine voorzien van een ‘gladde’ en gesloten bak. Er is met de meest noordelijke werkput (werkput 1) begonnen. Vlakken en de stort zijn afgezocht met een metaaldetector op metaalvondsten. Er zijn foto’s en (digitale) tekeningen gemaakt van vlakken, profielen en sporen. Met de dGPS zijn de putomtrekken, één natuurlijk spoor, maaiveldhoogtes, vlakhoogtes en profielpinnen ingemeten. Per werkput zijn conform PvE twee profielkolommen van 1 meter gedocumenteerd om inzicht te krijgen in de bodemopbouw van het plangebied. De bodemopbouw is gedetailleerd gedocumenteerd op het tekenvel, in de database en door middelen van foto’s, en in de dagrapport beschreven. Bij het veldonderzoek zijn geen grondmonsters genomen. Er is één archeologisch vlak aangelegd in de top van het dekzand (C-horizont), dat op circa 30-70 cm Mv (11,64 tot 11,33 m +NAP) lag. Er zijn geen archeologische grondsporen of structuren aangetroffen, en twee vondsten uit een open context verzameld.
Het enkele spoor dat in werkput 4 werd aangetroffen bleek natuurlijk te zijn.
Figuur 2. Overzichtsfoto van werkput 1, vlak 1.
10
5. Resultaten veldonderzoek 5.1 Bodemopbouw De bodemopbouw van het plangebied bestaat uit een donker grijsbruin, humeus pakket van ongeveer 38-50 cm dik. Hierbij wordt de top gevormd van een bouwvoor (S.1000) van ongeveer 20 cm dikte, waaronder zich een esdek (S.1100) bevindt. Op basis van de vondsten die uit deze laag zijn verzameld gaat het hierbij om een jong opgebracht esdek. Het esdek ligt op een restant van een donker geelbruine B(C)-horizont (S.2000). Deze laag heeft een dikte van ongeveer 10-24 cm dik, en het betreft dekzand die door het inspoelen van roest verkleurd is geraakt. In het zuidwesten van werkput 2 was S.2000 niet aanwezig. De B(C)-horizont ligt op de top van het dekzand (C-horizont; S.3000). Het dekzand is licht geelbruin en bestaat uit zeer fijn zand. Zie figuur 5 voor de uitgebreide beschrijving van de lagen.
Figuur 3. Het zuidprofiel van werkput 1 (profielkolom 1.01).
Figuur 4. Gedigitaliseerd profielkolom (profiel 1.01).
11
5.2 Sporen en structuren Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn verder geen sporen of structuren aangetroffen. Het enige spoor dat is ingemeten bleek natuurlijk te zijn. Het onderzoek beperkt zich op de aangetroffen lagen die opgenomen zijn in de sporen- en lagenlijst in bijlage 6. 5.3 Vondstmateriaal Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn maar vier vondsten in een open context aangetroffen. De vondsten bestaan uit twee kleine fragmenten porselein met een blauw-rood-gouden versiering, een fragment geglazuurd roodbakkend gebruiksaardewerk, en een natuursteen. De fragmenten keramiek zijn verzameld uit het opgebracht esdek (S.1100), en dateren uit de 19e/20e eeuw. De natuursteen is aangetroffen in de overgang tussen S.2000 en S.3000, en leek op eerste instantie bewerkt te zijn. Dit kon na de vondstverwerking niet bevestigd worden. De vondsten zijn opgenomen in de vondstenlijst in bijlage 7. S.3000
12
6. Conclusie en advies Conclusie Op basis van het veldonderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen vindplaats binnen het plangebied aanwezig is. Er zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek geen sporen en structuren aangetroffen. Met het proefsleuvenonderzoek is de archeologische verwachting, zoals gespecificeerd in het vooronderzoek, getoetst en bijgesteld naar laag. Uit het voorafgaand archeologisch vooronderzoek bleek dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Voor overige delen van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd, en een lage verwachting het Laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is vastgesteld dat er geen archeologische resten uit deze periodes binnen het plangebied aanwezig zijn. Selectieadvies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven).
Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. Door het ontbreken van een vindplaats wordt geadviseerd het plangebied archeologisch vrij te geven. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Rucphen een besluit uit te brengen.
13
7. Beantwoording van de onderzoeksvragen 1. Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? Tijdens het onderzoek zijn geen sporen of structuren aangetroffen. Er is zijn vier vondsten uit een open context verzameld.
2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? De bodemopbouw van het plangebied bestaat uit een donker grijsbruin, humeus pakket van ongeveer 38-50 cm dik. Hierbij wordt de top gevormd van een bouwvoor (S.1000) van ongeveer 20 cm dikte, waaronder zich een esdek (S.1100) bevindt. Op basis van de vondsten die uit deze laag zijn verzameld gaat het hierbij om een jong opgebracht esdek. Het esdek ligt op een restant van een donker geelbruine B(C)-horizont (S.2000). Deze laag heeft een dikte van ongeveer 10-24 cm dik, en het betreft dekzand die door het inspoelen van roest verkleurd is geraakt. In het zuidwesten van werkput 2 was S.2000 niet aanwezig. De B(C)-horizont ligt op de top van het dekzand (C-horizont; S.3000). Het dekzand is licht geelbruin en bestaat uit zeer fijn zand. 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? N.v.t.
4. Wat is de datering van de archeologische resten? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? N.v.t.
5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn maar vier vondsten verdeeld op twee vondstnummers in een open context aangetroffen. De vondsten bestaan uit twee kleine fragmenten porselein met een blauw-rood-gouden versiering, een fragment geglazuurd roodbakkend gebruiksaardewerk, en een natuursteen. De fragmenten keramiek zijn verzameld uit het esdek (S.1100), en dateren uit de 19e/20e eeuw. De natuursteen is aangetroffen in de overgang tussen S.2000 en S.3000, en leek op eerste instantie bewerkt te zijn. Dit kon na de vondstverwerking niet bevestigt worden.
6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? In het plangebied zijn geen recente verstoringen aangetroffen, enkel een natuurlijk spoor. Het gebied ligt in het dekzandlandschap dat vanaf het Laat-Paleolithicum bewoonbar was. Op basis van het onderzoek zijn geen archeologische sporen of structuren aangetroffen en geen bewijzen van bewoning of grote vondstcontexten. Er kan daarom gesteld worden dat het plangebied tot op heden nooit bewoond was, de exacte reden hiervoor is onbekend.
14
7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Uit het voorafgaand archeologisch vooronderzoek bleek dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting voor de periodes Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Voor overige delen van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd, en een lage verwachting het Laat Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. Op basis van het onderzoek is de verwachting van het vooronderzoek getoetst en bij te stellen naar laag.
8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? N.v.t.
9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). N.v.t.
10. Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? Er wordt geadviseerd het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere ontwikkelingen.
11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? N.v.t.
12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)? Het plangebied kent geen recente verstoringen en heeft een intacte bodemopbouw. Er is geen duidelijke reden voor het ontbreken van een vindplaats, het onderzoeksgebied is waarschijnlijk nooit bewoond geweest.
15
8. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. www.pdok.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.topotijdreis.nl www.hervormdaarlanderveen.nl Literatuur SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Blink, F. van den, L. Kruithof, N.J.W. van der Feest, 2021. Archeologisch bureau-en verkennend veldonderzoek door middel van boringen. Waterstraat (ong.) te Sprundel (gemeente Rucphen), Aeres Milieu B.V., Roermond. Kooistra, L.I./O., Brinkkemper, 2016: KNA Leidraad Archeobotanie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Lauwerier, R.C.G.M., 2011: KNA Leidraad Archeozoölogie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Pels-Ouweneel, P. 2022. Programma van Eisen Waterstraat (ong.), Sprundel, Gemeente Rucphen (Noord-Brabant). Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven, Transect, Nieuwegein
16
Bijlage 1. Periode
Archeologische periode-indeling voor Nederland Deel-/subperiode
Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe Tijd
Late-Nieuwe Tijd Midden-Nieuwe Tijd Vroege-Nieuwe Tijd
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A
1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
17
Bijlage 2.
18
Luchtfoto
Bijlage 3.
19
Toekomstige situatie
Bijlage 4.
20
Allesporenkaart
Bijlage 5.
21
Vlaktekeningen
22
23
24
25
Bijlage 6.
Put
Sporen- en lagenlijst
Vlak
Spoor
01
001
1000
Bouwvoor
1
dgrbr
zs1
H2
pr1, zf, ggs
01
001
1100
Esdek
1
dgrbr
zs1
H1
zf, ggs, KER
01
001
2000
B-horizont
1
dgebr
zs1
-
gevlekt, zf, ggs
01
001
3000
Dekzand; C-horizont
1
lgebr
zs1
-
zf, ggs
26
Spooraard
Vulling
Kleur
Textuur
Org_stof
Opmerking
Bijlage 7.
Vondstenlijst
Vondstnummer
Veldvondst Put Vlak
Spoor
Spooraard
Vulling
Vak Categorie
Aantal
Gewicht
Subcat.
Opmerking
porselein; roodbakkend geglazuurd natuursteen
-
0001KER
0001
01
001
1100
LG
1
1
KER
3
49.50
0002SXX
0002
04
001
3000
LG
1
2
SXX
1
106.00
27
-