CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

07f Bijlage 2 tb 2a Rapport archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Waterstraat(ong.) te

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 15 februari 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Buitengebied Rucphen 2020, Waterstraat ong. tegenover nr. 17 te Sprundel9.197 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Waterstraat (ong.) te Sprundel (gemeente Rucphen)

AM21090

RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Waterstraat (ong.) te Sprundel (gemeente Rucphen) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum

: AM21090 : Concept (versie 3) : 2214-5656 : 24 december 2021

Opdrachtgever

: Dhr. Ossenblok Waterstraat 13 4714 RM Sprundel

Opsteller rapport Paraaf

: F. van den Blink MA. | L. Kruithof MSc. | drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Redactie Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Vrijgave Paraaf

: drs. C. Cohen Stuart :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl 4002 + 4003

Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

Pagina | 2

AM21090

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ..................................................................................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ......................................................................................................................................................................................... 6 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................... 7 2.

3.

2.1 2.2

WERKWIJZE ............................................................................................................................................................................................................ 10 Inleiding ............................................................................................................................................................................................................. 10 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ................................................................................................................... 10

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

BUREAU-ONDERZOEK ....................................................................................................................................................................................... 12 landschappelijke situatie - geomorfologie ........................................................................................................................................... 12 Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 15 Bewoningsgeschiedenis - historisch overzicht.................................................................................................................................... 15 Bewoningsgeschiedenis - archeologische waarden .......................................................................................................................... 16 Bewoningsgeschiedenis - historisch kaartmateriaal ......................................................................................................................... 17

4.

VERWACHTINGSMODEL .................................................................................................................................................................................... 20

5. 5.1 5.2 5.3 5.4

VELDWERKZAAMHEDEN ................................................................................................................................................................................... 22 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 22 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 23 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 24 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 24

6. CONCLUSIE ....................................................................................................................................................................................................................... 25 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 25 6.2 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 25 7.

AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................................................. 27

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8

Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Rucphen Overzicht geomorfologische kaart Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen

Pagina | 3

AM21090

SAMENVATTING Op 21 april 2021 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Waterstraat (ong.) te Sprundel (gemeente Rucphen). Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Het doel van het booronderzoek is de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen. Aan de hand van deze gegevens kan vervolgens een advies over eventueel aanwezige archeologische resten en een mogelijk vervolgtraject worden opgesteld. De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft een Bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwbouwwoning met bijgebouwen en erfinrichting. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend. Er wordt vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering en met een bodemverstoring van tenminste 0,8 - 1,0 meter beneden maaiveld. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Rucphen in een zone met de Waarde 2: historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen van jager-verzamelaars.

Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Op de geomorfologische kaart liggen in het plangebied terrasafzettingswelvingen bedekt met dekzand. Op circa 25 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een dekzandrug. Circa 85 meter ten zuiden van het plangebied ligt een terrafafzettingsvlakte bedekt met dekzand. Op 400 meter zuidoostelijk ligt een dalvormige laagte waar de beek de Blikloop stroomt. Op het AHN is duidelijk de overgang tussen de hooggelegen dekzandrug en terraswelvingen en de terrafafzettingsvlakte te herkennen. Het plangebied ligt relatief hoog. De hooggelegen dekzandruggen en terrasafzettingswelvingen in de nabijheid van waterlopen, zullen ideale bewoningslocaties voor jager-verzamelaars zijn geweest. In de omgeving zijn nog geen vondsten van jagerverzamelaars aangetroffen. Op veel locaties is de bodem tot in de oorspronkelijke ondergrond verstoord als gevolg van diepploegen en veenwinning. Omdat er waarschijnlijk geen veen in het plangebied heeft gelegen, en dit dus ook niet ontgonnen is, geldt er een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum.

De ligging van het plangebied op een hoger gelegen terrasafzettingsvlakte nabij watervoorzieningen zal voor latere landbouwende samenlevingen een aantrekkelijke vestgingslocatie zijn geweest. Vindplaatsen uit het neolithicum, bronstijd, ijzertijd en uit de Romeinse tijd zijn in de omgeving tot op heden nog niet aangetroffen. Toch kan zeker niet uitgesloten worden dat ook het plangebied en directe omgeving als vestigingslocatie is gekozen. Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Resten worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Waterstraat. Deze straat vormde vanaf eind 18e eeuw een secundaire uitvalsweg vanuit de historische kern van Sprundel richting de zuidelijke akkercomplexen. Uit bestudering van historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf tenminste het begin van de 19e eeuw onbebouwd was en in gebruik is als bouwland. De bebouwing concentreerde zich meer aan de noordzijde van de Waterstraat.

Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Pagina | 4

AM21090

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het potentieel archeologisch niveau in het gehele plangebied nog grotendeels intact zal zijn. Er is in het zuidwesten van het plangebied een restant van een B(C)-horizont aangetroffen. In het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied zijn deze bodemhorizonten niet aangetroffen, maar de top van de C-horizont ligt nagenoeg even hoog (ten opzichte van NAP) als in het zuidwesten van het plangebied. In deze laag zullen nog archeologische resten aan te treffen zijn. In het zuidwestelijke gedeelte is nog een potentieel archeologisch niveau aanwezig. Voor dit gedeelte van het plangebied blijft de gestelde archeologische verwachting gehandhaafd. Ondiep gefundeerde resten zullen in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied niet meer in situ worden aangetroffen. Dit geldt voornamelijk voor steentijdvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot mesolithicum, waarvoor de archeologische verwachting wordt bijgesteld naar laag. Voor het gehele plangebied wordt geadviseerd een dubbelbestemming te handhaven. Ter plaatse kunnen resten aanwezig zijn op een diepte vanaf circa 0,45 meter –mv. Indien binnen dit deel graafwerkzaamheden worden gepland die dieper reiken dan 0,25 meter –mv (inclusief een buffer van 20 cm), dan wordt voor dit deel een vervolgonderzoek geadviseerd.

Bouwactiviteiten zullen zich naar verwachting concentreren tot het noordoostelijke deel van het plangebied (Figuur 2). Hier zal een vervolgonderzoek moeten worden uitgevoerd. Een vervolgonderzoek kan plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek op basis van een nog op te stellen en goed te keuren Programma van Eisen (PvE). De resultaten van dit onderzoek dient getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Rucphen), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.

Pagina | 5

AM21090

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer

: AM21090

OM-nummer

: 5006215100

Soort onderzoek

: Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen

Adres onderzoekslocatie

: Waterstraat (ong.) te Sprundel

Toponiem

: Waterstraat (ong.)

Gemeente

: Rucphen

Provincie

: Noord-Brabant

Kadastrale registratie

: Rucphen, sectie T, nr. 969 (ged.)

Coördinaten

: Centraal

100.193; 393.224

NW:

100.157; 393.224

NO:

100.207; 393.259

ZW:

100.175; 393.191

ZO:

100.227; 393.225

Oppervlakte

: circa 2.640 m²

Huidig locatie gebruik

: Akkerland

Aanleiding onderzoek

: Bestemmingsplanwijziging

Opdrachtgever

: Dhr. Ossenblok

Bevoegde overheid

: Gemeente Rucphen

Deskundige van de bevoegde overheid

: Regioarcheologen programmabureau RWB

Opslag documentatie en materiaal

: Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te ’s-Hertogenbosch/E-depot

Datum uitvoering

: 21 april 2021

Pagina | 6

AM21090

1. INLEIDING In opdracht van Dhr. Ossenblok heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Waterstraat (ong.) te Sprundel

Gemeente

: Rucphen

Oppervlakte

: circa 2.640 m²

Huidig gebruik van de locatie

: Akkerland

Toekomstig gebruik

: Woning met tuin

Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.

Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft een Bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwbouwwoning met bijgebouwen en erfinrichting (Figuur 1) De diepte van de toekomstige bodemverstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de voorgenomen nieuwbouw zal de bodem waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Er wordt vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering en met een bodemverstoring van tenminste 0,8 - 1,0 meter beneden maaiveld.

De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Verwachtingskaart van de gemeente Rucphen in een zone met de Waarde 2: historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen van jager-verzamelaars. Voor de Waarde – Archeologie 2 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 centimeter onder maaiveld. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is (Bijlage 4).1

Doel Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel.

1 IDDS 2011, Kaartbijlage 7, Advies archeologische beleidskaart gemeente Rucphen (IDDS rapport V1132, versie 1.5).

Pagina | 7

AM21090

Specifiek voor de onderzoekslocatie Waterstraat (ong.) te Sprundel zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •

Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?

•

In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?

•

Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?

Plangebied Het plangebied ligt ten zuiden van de bebouwde kom van Sprundel en wordt ten noordoosten begrensd door de Waterstraat. Ten zuidoosten wordt het plangebied begrensd door de perceelgrens met kadastraal perceel RPN00, sectie T, nr. 968. De overige zijden grenzen aan het omliggende akkerland. De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 2.

Figuur 1: Toekomstige situatie binnen het plangebied (Bron: aangeleverd door de opdrachtgever).

Pagina | 8

AM21090

Figuur 2: Ligging van het plangebied op de topografische kaart. Het plangebied is rood omlijn (bron: PDOK-viewer).

Pagina | 9

AM21090

2. WERKWIJZE 2.1

Inleiding

Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.

Archeologische bronnen •

Archeologische Monumentenkaart (AMK)

•

Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)

•

Archeologische Beleidskaart van de gemeente Rucphen

•

Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)

Bodem- en geomorfologische kaarten •

Bodemkaart (Alterra)

•

Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)

•

Paleogeografische kaarten (2e generatie, 2013)

•

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)

Historische kaarten •

Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)

•

Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)

•

Moderne topografische kaart (tot 2020)

De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke informatie afkomstig van lokale archeologische verenigingen en werkgroepen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst. De Heemkundekring Sprundel, is 31 maart 2021 per e-mail gecontacteerd met de vraag met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Tot op heden is hierop nog geen reactie ontvangen.

2.2

Verkennend veldonderzoek door middel van boringen

Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek 2 wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 6 boringen per hectare uitgevoerd. Het onderzoek is hiermee verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.640 m². Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van 6 boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2.

2 SKIB, 2012

Pagina | 10

AM21090

De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten en bebouwing. De hoogte zal worden bepaald met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). De boringen worden gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 7 centimeter. De boorkernen worden conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. Gelet zal worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren als fragmenten keramiek, fosfaatvlekken en brokjes houtskool en verbrande leem. Daartoe worden de opgeboorde monsters verbrokkeld waar nodig.

Pagina | 11

AM21090

3. BUREAUONDERZOEK 3.1

Landschappelijke situatie - geomorfologie

Het plangebied is gelegen op de Kempische Hoog3 in het Kempisch zandgebied,4 een tektonisch opheffingsgebied waarop oude afzettingen dicht aan het oppervlak voorkomen. Ten oosten van de Kempische Hoog ligt de Centrale Slenk, een dalingsgebied waar de oude afzettingen diep zijn weggezakt en in de loop van de tijd zijn afgedekt met dikke pakketten jongere afzettingen. De grens tussen de horst en de slenk wordt gevormd door de tektonische Feldbissbreuk/breuk van Vessem die grofweg loopt op de lijn Breda, Goirle, Tilburg-west.5 In het Vroeg-Pleistoceen tot aan het begin van het Midden-Pleistoceen vond op de horst slechts een beperkte depositie plaats van voornamelijk afzettingen van lokale oorsprong, onder andere als gevolg van verplaatsing door de wind en sneeuwsmeltwater, maar ook door rivieren en beken uit midden-België. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Stramproy. In de omgeving van het plangebied zijn afzettingen uit de Formatie van Stramproy aangetroffen op circa 8,75- 9,10 meter +NAP (circa 3,0 meter beneden maaiveld).6 De Formatie van Stramproy bestaat in deze regio voornamelijk uit klei, leem met soms humeuze lagen. Deze afzettingen hebben vervolgens relatief langdurig aan het oppervlak gelegen, want er kunnen oude bodems in voorkomen. De afzettingen van Stramproy zijn later bedekt met een laag dekzand (Formatie van Boxtel).

Die bodemvorming vond vooral plaats tijdens de warmere tussenijstijden, volgend op de ijstijden die zo kenmerkend waren voor het Pleistoceen. Het dekzand is gevormd tijdens de laatste ijstijd (Weichselien; Circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) aan het eind van het Pleistoceen. Het huidige landschap is in die periode voor een groot deel gevormd. Er ontstond een steeds kouder en droger klimaat.7 In deze periode (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) breidde het landijs zich sterk uit in Europa. Gedurende het grootste deel van het Weichselien was de bodem bevroren. Tijdens perioden dat er sprake was van dooi, werd door sneeuwsmelten regenwater veel sediment verspoeld, waarbij fluvioperiglaciale afzettingen zijn gevormd en dalen ontstonden. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn zeer divers in textuur. Ze bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. 8 Deze afzettingen zijn in het plangebied in de diepere ondergrond aanwezig (circa 9,85 – meter +NAP/ 1,15 meter beneden maaiveld9). Vanwege de heterogene samenstelling van de Formatie van Stramproy is de overgang naar de Formatie van Boxtel vaak slecht te identificeren. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn later bedekt geraakt met dekzand.

In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 – 14.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 14.700 – 11.700 jaar geleden), is de vegetatie grotendeels verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving optrad. Hierbij werd dekzand afgezet. 10 Dit dekzand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm) en arm aan grind. Het dekzand wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het reliëf dat tijdens de dekzandafzetting is ontstaan, wordt gekenmerkt door vlaktes met depressies en dekzandruggen of dekzandkoppen.

3 NAR 51 westelijk Noord-Brabant geologische zones. 4 Rensink et al., 2016. 5 Tebbens 2016, 41. 6 www.dinoloket.nl (B50A0183; B49F0971) 7 Berendsen 2011, 183. 8 Berendsen 2011, 189. 9 www.dinoloket.nl (B50A0183) 10 Berendsen 2011, 190.

Pagina | 12

AM21090

Het klimaat werd tijdens het Holoceen warmer en vochtiger. Door het warmere klimaat smolten de in het Weichselien gevormde ijskappen en steeg de relatieve zeespiegel snel. Als gevolg van de snelle relatieve zeespiegelstijging in het Atlanticum (8.000 – 5.000 jaar geleden), vond er veenvorming plaats op het dekzand. Aanvankelijk vond veenvorming met name plaats in de lagere delen, zoals beekdalen. Omstreeks 600 voor Chr. raakten grote delen van West-Brabant bedekt met veen.11 Volgens de Turfdatabank van de provincie Antwerpen heeft circa 145 meter ten zuiden van het plangebied ook veenvorming plaatsgevonden.12 Vanaf de late middeleeuwen (tussen 1250 – 1750 na Chr.) is het veen in de omgeving van het plangebied afgegraven ten behoeve van turfwinning. Hierdoor zijn de oudere dekzanden en terrasafzettingen weer aan het maaiveld komen te liggen. Volgens de Geomorfologische kaart (Bijlage 5) liggen in het plangebied terrasafzettingswelvingen bedekt met dekzand (code 3L41). Op circa 25 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een dekzandrug (10B53). Circa 85 meter ten zuiden van het plangebied ligt een terrafafzettingsvlakte bedekt met dekzand (code 2M41) en op circa 400 meter ten zuidoosten ligt een dalvormige laagte (code 22R23).

Hier stroomt de (gekanaliseerde) Blikloop, een zijbeek van de Aa of Weerijs Op de Paleogeografische kaart (Figuur 3) valt af te lezen dat ten zuiden van het plangebied een beekdal ligt. Deze lagere delen van het landschap zijn vanaf 1500 voor Chr. bedekt geraakt met veen. Het plangebied blijft buiten het gebied waarin veenvorming plaatsvond.13 Op het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, Bijlage 7) is duidelijk de overgang tussen de hooggelegen dekzandrug en terraswelvingen en de terrafafzettingsvlakte te herkennen. Het plangebied ligt relatief hoog. Dit is goed te zien op het ingezoomde kaartbeeld. Ten zuiden van het plangebied ligt een lager gelegen zone. De maaiveldhoogte varieert binnen het plangebied tussen de 11,82 en 12,04 meter +NAP. Het plangebied loopt globaal gezien in westelijke richting op.

11 Leenders 2013, 14 . 12 www.provincieantwerpen.be. 13 Vos et al., 2018.

Pagina | 13

AM21090

Figuur 3. Paleogeografische ontwikkeling van het plangebied (Bron: Deltares). A) voor 2750 v. Chr.; B) vanaf 1500 v. Chr.; C) vanaf 500 v. Chr.; D) vanaf 1500 n. Chr.

Pagina | 14

AM21090

3.2

Landschappelijke situatie - bodem

Op de bodemkaart (Bijlage 6) ligt het plangebied in een gebied waar laarpodzolgronden van lemig fijn zand worden verwacht (code cHn23). Laarpodzolgronden hebben een matig dik (20 – 50 cm) plaggendek dat is ontstaan door het opbrengen van grond op een intacte podzol ten behoeve van de landbouw. Plaggen werden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop der tijd is hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. 14 De bouwvoor (Aap-horizont) is grijsbruin tot zwart van kleur. Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aahorizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Onder het plaggendek ligt de oorspronkelijke bodem, mogelijk een podzolgrond. De podzolgrond bestaat uit een A-horizont, waaronder vaak een E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is. Hieronder ligt de B-horizont (inspoelingshorizont), die geleidelijk overgaat in de C-horizont. 15 Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of Bhorizont al dan niet intact. Vaak zijn deze door verploeging met de onderste helft van het plaggendek vermengd geraakt. Laarpodzolgronden zijn een subgroep van de humuspodzolgronden. Humuspodzolgronden zijn gevormd in arm moedermateriaal onder periodiek sterke invloed van water. Hierdoor is de C-horizont ontijzerd en heeft daardoor een grauwe kleur.

Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap VII. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 80 en 140 cm beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 160 cm beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.

3.3

Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht

De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Sprundel. Sprundel is het oudste dorp van de gemeente Rucphen. De naam Sprundel heeft mogelijk te maken sprindil ‘lijn om vogels te vangen, val’. De naam zou ook verband kunnen houden met de hoge ligging van de plaats op een opduiking (dekzandrug) tussen lagere veengronden. 16 Het plangebied ligt circa 1,5 km ten zuidoosten van de dorpskern Sprundel. In een schenkingsakte van de abdij van Thorn in 992 wordt Sprundel het eerst vernoemd. Het werd toen Castellum Sprundelheim genoemd, dit wijst op bewoning uit de vroege middeleeuwen. Het woord ‘castellum’ betekent kasteel en is een verkleinwoord van ‘castra’ en dit betekent ‘kleine legerplaats’. Het woord ‘heim’ betekent woonplaats of huis.

14 Hiddink, H., H. Renes 2007. 15 De Bakker en Schelling 1989, 127 16 van Berkel en Samplonius 2006, p. 423.

Pagina | 15

AM21090

Tot 1287 stond het gebied Sprundel onder toezicht van de heren van Breda. In 1287 overleed de heer van Breda Arnoud van Leuven zonder kinderen en werd het grondbied Sprundel verdeeld onder zijn nakomelingen de Heren van Bergen op Zoom en de Heren van Breda. De hertog van Brabant bleef naast de heren van Breda en Bergen op Zoom heersen over de Sprundel.17 Rond 1300 werd er begonnen met de grootschalige turfwinning in het middengebied in het West-Brabant ten behoeve van de Vlaamse steden. Deze ontginning ging door tot 1700. Vanwege de vraag naar veengebieden werd het land door de heren van het gebied verkocht aan verschillende personen en instanties. Sprundel was tot 1810 opgedeeld in drie delen Baarle, SprundelNassau en Sprundel-Hertog. Het heerlijkheid Sprundel-Nassau was in de middeleeuwen in handen van de heren van Breda en de graven van Nassau. Tot 1795 bleef het gebied waartoe ook een deel van Etten behoord in handen van de Nassau’s. 18 De Waterstraat is in circa 1783 aangelegd als ‘Hopmeerstrate’. Vanaf 1838 heeft het de straatnaam ‘Waterstraat’. 19

3.4

Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden

Op de leidende Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Rucphen geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting: Beleidscategorie 2 (Bijlage 4).20 In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 km) zijn volgens de gegevens uit Archis3 geen archeologisch monumenten bekend (Bijlage 3 en Tabel 1). Wel zijn er meerdere onderzoeksmeldingen rond het plangebied: Zaakidentificatie 2053993100

Afstand Circa 880 meter ten NO

Soort onderzoek BO en IVO-O door Bilan

Omschrijving In het noordelijk deel van het plangebied was het bodemprofiel

van het plangebied

(2004)

nog gedeeltelijk intact. In het zuidelijke deel was grotendeels alleen nog een A-C profiel aanwezig. Het vondstmateriaal komt vooral uit het recente ophoogdek. De verstoringen lijkten te zijn veroorzaakt door ontvening.21

2195208100

2200731100

Circa 660 m ten oosten

IVO-O door Synthegra

Archeologische boring door Synthegra in 2008. Er zijn geen

van het plangebied

(2008)

verdere gegevens bekend in Archis of DansEasy.

Circa 85 m ten westen

BO door Arcadis (2014)

Door winning van het veen is de bodem verstoord geraakt. Voor

van het plangebied

de gebieden met een middelhoge en hoge archeologische verwachting is een vervolgonderzoek geadviseerd. Voor de gebieden met een lage archeologische verwachting is geen vervolgonderzoek geadviseerd.22

2404471100

Circa 810 m ten W van

BO en IVO-O door

De bodemopbouw bestaat uit de bouwvoor (sterk humeus) die

het plangebied

ArGeoBoor (2014)

scherp overgaat naar de onderliggende grijze gele C-horizont. Er worden geen archeologische resten meer verwacht en op basis hiervan is er geen vervolg onderzoek geadviseerd..23

3983932100

Circa 940 meter ten NO

IVO-P door BAAC

Ondanks een intact bodemprofiel zijn er maar drie sporen

van het plangebied

(2016)

aangetroffen: een greppel in het uiterste westen van het plangebied en een greppel en waterkuil in het uiterste

17 Leenders 2013 18 Sanders et al., 1996 19 Leenders 2013 20 IDDS 2011, Kaartbijlage 7, Advies archeologische beleidskaart gemeente Rucphen (IDDS rapport V1132, versie 1.5). 21 De Boer, 2004 22 Brokke, 2014 23 Nijdam, 2014

Pagina | 16

AM21090

Zaakidentificatie

Afstand

Soort onderzoek

Omschrijving zuidoosten. De sporen zijn gedateerd tot de nieuwe tijd. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.24

4005022100

Circa 735 m ten ZW van

BO en IVO-O door

IVO-o door ArcheoPro in 2016. De bodemopbouw bestaat uit

het plangebied

ArcheoPro

humusrijk zand met daaronder een podzol gevolgd door gele zand (C-horizont). Op basis van de verstoorde bodem en het ontbreken van archeologische indicatoren is er geen vervolg onderzoek geadviseerd.25

4565317100

Circa 610 m ten N van

BO en IVO-O door

De bodem is ter plaatse van het gehele plangebied verstoord.

het plangebied

BAAC (2017)

In alle boringen komen brokken C-materiaal en humeus materiaal door elkaar heen voor. De vlekkerige aard van de profielen duidt op graafwerkzaamheden in het (recente) verleden. Ook de scherpe overgang van de A-, naar de Chorizont duidt op een (recente) verstoring. Op basis hiervan geldt een lage archeologische verwachting voor het plangebied en wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.26

4714332100

Circa 245 meter ten ZW

BO en IVO-O door

Het archeologisch niveau is afwezig als gevolg van verstoring

van het plangebied

Aeres Milieu (2019)

door veenwinning. De C-horizont is op een variabele diepte aangetroffen (40-45 cm -Mv).27

Tabel 1: Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 1 km rond het plangebied.

3.5

Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal

In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 4)28 is de situatie op kadastraal niveau te zien. Het plangebied is onbebouwd. De bebouwing concentreert zich in deze periode voornamelijk aan de oostzijde van de Waterstraat. De huidige perceelindeling komt deels nog overeen. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)29 behorende bij het minuutplan, is het perceel waar het plangebied binnen valt in gebruik als bouwland. Het perceel is onderdeel van het akkercomplex ‘Voorens Einde’. Afgaande op de turfdatabank is voor dit gebied voor 1349 een agrarische uitgifte voor 235 hectare gegeven door Johanna van Voorne, vrouwe van Bergen op Zoom.30 Op de kaarten uit 1880, 1925, 1980 en 2010 (Figuur 5) is eveneens geen bebouwing aanwezig. Wel is meerdere bebouwing aanwezig aan de oostzijde van de Waterstraat en direct ten noordoosten van het plangebied. Ten zuiden van het perceel ligt tegenwoordig een kassencomplex, bouwjaar onbekend.31

24 Kimenai, 2016 25 Exaltus, 2016 26 Van Putten, 2018 27 Kruithof/ Van der Feest, 2020 28 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Rucphen, sectie E, blad 01. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 29 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. 30 www.provincieantwerpen.be 31 www.bagviewer.kadaster.nl; afgaande op topografische kaarten bouwjaar na 2011. Pagina | 17

AM21090

Figuur 4: Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832. Het plangebied is rood omlijnd (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Pagina | 18

AM21090

Figuur 5: Uitsneden van historische kaarten uit de perioden 1880, 1925, 1980 en 2010. Het plangebied is rood omlijnd (Bron: www.topotijdreis.nl).

Pagina | 19

AM21090

4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabij gelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Op de geomorfologische kaart liggen in het plangebied terrasafzettingswelvingen bedekt met dekzand. Op circa 25 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een dekzandrug. Circa 85 meter ten zuiden van het plangebied ligt een terrafafzettingsvlakte bedekt met dekzand. Op 400 meter zuidoostelijk ligt een dalvormige laagte waar de beek de Blikloop stroomt. Op het AHN is duidelijk de overgang tussen de hooggelegen dekzandrug en terraswelvingen en de terrafafzettingsvlakte te herkennen. Het plangebied ligt relatief hoog. De hooggelegen dekzandruggen en terrasafzettingswelvingen in de nabijheid van waterlopen, zullen ideale bewoningslocaties voor jager-verzamelaars zijn geweest. In de omgeving zijn nog geen vondsten van jagerverzamelaars aangetroffen. Op veel locaties is de bodem tot in de oorspronkelijke ondergrond verstoord als gevolg van diepploegen en veenwinning.

Omdat er waarschijnlijk geen veen in het plangebied heeft gelegen, en dit dus ook niet ontgonnen is, geldt er een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. Binnen het plangebied liggen naar verwachting laarpodzolgronden. Deze gronden bevatten een matig dik (20-50 cm) plaggendek. Deze eerdlaag kan een conserverende werking hebben op eventueel aanwezige archeologische resten. Eventueel aanwezige resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, vuursteenstrooiingen. Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Vanaf deze perioden heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. De ligging van het plangebied op een hoger gelegen terrasafzettingsvlakte nabij watervoorzieningen zal voor latere landbouwende samenlevingen een aantrekkelijke vestgingslocatie zijn geweest. Vindplaatsen uit het neolithicum, bronstijd, ijzertijd en uit de Romeinse tijd zijn in de omgeving tot op heden nog niet aangetroffen.

Toch kan zeker niet uitgesloten worden dat ook het plangebied en directe omgeving als vestigingslocatie is gekozen. Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Resten worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Waterstraat. Deze straat vormde vanaf eind 18e eeuw een secundaire uitvalsweg vanuit de historische kern van Sprundel richting de zuidelijke akkercomplexen. Uit bestudering van historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf tenminste het begin van de 19e eeuw onbebouwd was en in gebruik is als bouwland. De bebouwing concentreerde zich meer aan de noordzijde van de Waterstraat. Na 2011 is ten zuiden van het plangebied een tuinbouwkas gebouwd. Het is niet uit te sluiten dat binnen het plangebied historische bebouwing aanwezig was, al dan niet bestaande uit bijgebouwen (schuur, stal) van de omringende bebouwing. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd.

Pagina | 20

AM21090

Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van een matig dik plaggendek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Over het algemeen kunnen (anorganische) vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen. Mogelijke vuursteenvindplaatsen kunnen echter verstoord zijn geraakt bij de aanleg van het plaggendek en de eerste bewerking ervan. Hierdoor is vaak de top van de natuurlijk bodem opgenomen in het bovenliggende opgebrachte dek. Wat betreft eventueel aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij laarpodzolgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Periode Laat-paleolithicum -

Verwachting Hoog

mesolithicum

(laat)-neolithicum –

Hoog

vroege

Verwachte kenmerken vindplaats Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,

Diepteligging sporen Top van de terrasafzettingen, onder het

natuursteen, gebruiksvoorwerpen

eventuele dekzand en de eerdlaag

Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,

Top van de terrasafzettingen of in de top van

natuursteen, gebruiksvoorwerpen

het eventuele dekzand, onder de eerdlaag

Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,

Top van de terrasafzettingen of in de top van

fragmenten aardewerk,

het eventuele dekzand, onder en in de eerdlaag

middeleeuwen Late middeleeuwen – nieuwe tijd

Middelhoog

gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden Tabel 2: Archeologische verwachting per periode

Bodemverstoring Er zijn geen gegevens van bodemverstoringen binnen het plangebied bekend. Mogelijk is verstoring opgetreden als gevolg van het gebruik als akkerland (diepploegen). Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 22 februari 2021) zijn binnen het plangebied geen kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.

Pagina | 21

AM21090

5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1

Algemeen

Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4) (Figuur 6). Hiertoe zijn op 21 april 2021 in totaal 6 boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieerde van 80 tot 140 centimeter beneden maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN3 (www.ahn.nl). De maaiveldhoogte varieert binnen het plangebied tussen de 11,82 en 12,04 meter +NAP.

Figuur 6: Foto plangebied (voorbereidend veldbezoek, datum 6 april 2021)

Pagina | 22

AM21090

5.2

Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw

De boringen in het plangebied tonen een vrij gelijke bodemopbouw. De bovenste 30 tot 70 centimeter bestaat uit matig fijn, matig siltig en zwak tot matig humeus zand. Het pakket is donker grijsbruin tot bruingrijs van kleur en heeft een rommelig karakter. In boring 6 zijn tussen 20 en 60 centimeter beneden maaiveld (circa 11,82-11,22 meter +NAP) spikkels baksteen, houtskool en lichter zand aangetroffen (Figuur 8). In boring 3 en 4 is onder het toppakket een bruingeel tot bruinrood pakket van matig fijn en zwak siltig zand aanwezig (Figuur 7). Dit pakket ligt op circa 45-50 centimeter beneden maaiveld (circa 11,42-11,37 meter +NAP) in boring 3, en op circa 60 tot 70 centimeter beneden maaiveld (circa 11,44-11,34 meter +NAP) in boring 4. In alle boringen volgt onder het toppakket een geelbeige laag van matig fijn, zwak siltig zand. De top van de natuurlijke ondergrond ligt op een hoogte van circa 30 centimeter (boring 2) tot 70 centimeter (boring 4) beneden maaiveld (circa 11,6411,44 meter +NAP). De overgang met bovenliggende lagen is diffuus. Dit pakket gaat geleidelijk over in een gelijkaardig pakket van witgeel tot grijsbeige zand tot einde boringen (80 tot 140 centimeter beneden maaiveld). In boring 3 zijn tussen 95 en 115 centimeter beneden maaiveld (circa 10,92 – 10,72 meter +NAP) leemlaagjes aangetroffen.

Figuur 7: Boorprofiel boring 3. Leesrichting van linksboven naar rechtsonder (0 – 140 centimeter beneden maaiveld)

Pagina | 23

AM21090

Figuur 8: Boorprofiel boring 6. Leesrichting van links naar rechts (0 – 110 centimeter beneden maaiveld)

5.3

Interpretatie

Boringen 1-2 en 5-6 vertonen een A-C profiel. De overgang van de toplaag (A(h)-horizont) naar de natuurlijke ondergrond (Chorizont) vertoond ploegsporen. In boring 5 zijn brokken van de natuurlijke ondergrond aangetroffen in de A-horizont. De top van de C-horizont ligt in deze boringen tussen de 11,33 en 11,64 meter +NAP en bestaat uit zandafzettingen uit het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). De natuurlijke ondergrond lijkt op te lopen richting het noordoosten. In boring 2 is de Chorizont het hoogstgelegen (11,64 meter +NAP), in boring 5 het laagst (11,33 meter +NAP). De verommelde overgang tussen de A(h)- en C-horizont in boringen 1-2 en 5-6 geeft aan dat de verwachte uitspoelingshorizont (E-horizont) en inspoelingshorizont (B-horizont) zijn verstoord en/of geheel in de toplaag zijn opgenomen. De toplaag bestaat uit een opgebracht esdek, getuige de baksteenspikkels en houtskool aangetroffen in boring 6. Er wordt geen historische bebouwing binnen het plangebied verwacht, dus deze grond moet ergens anders vandaan zijn aangeleverd. In boring 3 en 4 is een inspoelingshorizont B(C)-horizont aangetroffen. De top hiervan ligt op circa 11,42 – 11,44 meter +NAP. De top vertoond ploegsporen, en lijkt daarom niet meer intact te zijn. De top van de C-horizont ligt in boring 3 en 4 tussen circa 11,37 en 11,34 meter +NAP.

Vanwege het geringe verschil in NAP-hoogte van de C-horizont in boringen 1,2, 5 en 6 tegenover die in boringen 3 en 4 lijkt het archeologisch niveau in de C-horizont in het gehele plangebied nog grotendeels intact te zijn.

5.4

Archeologische indicatoren

Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek met boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek zijn alleen in boring 6 dergelijke indicatoren aangetroffen. Zoals hierboven vermeld zijn tussen de 20 en 60 centimeter beneden maaiveld (11,82-11,22 meter +NAP) baksteen- en houtskoolspikkels aangetroffen. De laag betreft hier een Aa-horizont. Deze laag is een antropogeen aangebrachte laag. De indicatoren liggen daarmee in een secundaire context en zeggen niks over de archeologische verwachting van het plangebied.

Pagina | 24

AM21090

6. CONCLUSIE 6.1

Algemeen

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in vier van de zes boringen een A-C profiel vertonen. De oorspronkelijke bodem is hier opgenomen in de opgebrachte grond. In twee boringen is een B(C)horizont aangetroffen. In geen enkele boring zijn resten van een uitspoelingshorizont (E-horizont) aangetroffen. In het plangebied zijn de verwachtte laarpodzolgronden aangetroffen. Er ligt een plaggendek van 30 tot 70 centimeter dik. In drie boringen is er mogelijk sprake van een enkeerdgrond. Het plaggendek is hier 60 tot 70 centimeter dik. De natuurlijke bodem loopt op richting het noordoosten van het plangebied. De top van de C-horizont varieert van circa 11,64 tot 11,33 meter +NAP. Bij vier boringen (boring 1-2 en 5-6) is onduidelijk of de top van de C-horizont nog intact is. De NAP-hoogte van de top van de C-horizont is in het plangebied nagenoeg gelijk. De top van de natuurlijke ondergrond (C-horizont) is bij vier van de zes boringen maar gedeeltelijk opgenomen in het plaggendek. In het zuidwesten van het plangebied is de restant van een B(C)-horizont aangetroffen. Het potentieel archeologisch niveau is hier zeer waarschijnlijk nog intact.

Het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel blijft voor het zuidwesten van het plangebied gehandhaafd (laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen: hoog; late middeleeuwen – nieuwe tijd: middelhoog). In het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied zijn geen E- en B(C)-horizont aangetroffen. De C-horizont ligt in dit deel van het plangebied ten opzichte van NAP op gelijkwaardige hoogte als in het zuidwesten. De top van de C-horizont is waarschijnlijk maar minimaal verstoord wat betekend dat de meeste archeologische sporen nog aan zijn te treffen. Kwetsbare, minder diep gefundeerde, resten uit het laat-paleolithicum en mesolithicum zijn waarschijnlijk niet meer in-situ kunnen worden aangetroffen binnen het plangebied. De gestelde hoge archeologische verwachting voor het laat-paleolithicum tot mesolithicum kan voor het centrale en noordoostelijke deel worden bijgesteld naar laag. De middelhoge tot hoge verwachting voor de overige perioden blijft gehandhaafd.

6.2 Beantwoording onderzoeksvragen •

Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Boring 3 en 4 bevatten nog een B(C)-horizont. Dit kan wijzen op de aanwezigheid van een potentieel archeologisch niveau.

•

In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? De top van deze B(C)-horizont is niet meer intact omdat deze ploegsporen vertoond. In het zuidwesten kunnen nog vindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum worden aangetroffen. In het overige deel van het plangebied zullen dergelijke resten niet meer in situ worden aangetroffen. In het gehele plangebied lijkt de C-horizont maar minimaal te zijn verstoord en kunnen zeker nog sporen uit het neolithicum tot de late middeleeuwen intact aanwezig zijn.

Pagina | 25

AM21090

•

Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Eventueel aanwezige archeologische resten liggen op een diepte van circa 11,42 tot 11,44 meter +NAP (circa 0,45 tot 0,62 meter beneden maaiveld). Dit is gelijk aan de top van de B(C)-horizont, aangetroffen in boring 3-4. Hier kunnen vindplaatsen uit alle perioden worden aangetroffen. De top van de C-horizont ligt tussen 11,33 en 11,64 meter +NAP en kan vindplaatsen vanaf het neolithicum tot de nieuwe tijd bevatten.

Pagina | 26

AM21090

7. AANBEVELINGEN Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het potentieel archeologisch niveau in het gehele plangebied nog grotendeels intact zal zijn. Er is in het zuidwesten van het plangebied een restant van een B(C)-horizont aangetroffen. In het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied zijn deze bodemhorizonten niet aangetroffen, maar de top van de C-horizont ligt nagenoeg even hoog (ten opzichte van NAP) als in het zuidwesten van het plangebied. In deze laag zullen nog archeologische resten aan te treffen zijn. In het zuidwestelijke gedeelte is nog een potentieel archeologisch niveau aanwezig. Voor dit gedeelte van het plangebied blijft de gestelde archeologische verwachting gehandhaafd. Ondiep gefundeerde resten zullen in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied niet meer in situ worden aangetroffen. Dit geldt voornamelijk voor steentijdvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot mesolithicum, waarvoor de archeologische verwachting wordt bijgesteld naar laag. Voor het gehele plangebied wordt geadviseerd een dubbelbestemming te handhaven. Ter plaatse kunnen resten aanwezig zijn op een diepte vanaf circa 0,30 meter –mv.

Indien binnen dit deel graafwerkzaamheden worden gepland die dieper reiken dan 0,10 meter –mv (inclusief een buffer van 20 cm), dan wordt voor dit deel een vervolgonderzoek geadviseerd. In het noordoostelijke deel van het plangebied zal een woning worden gerealiseerd. In het overige deel van het plangebied zal men een bijgebouw realiseren en beplanting aanbrengen. Als de werkzaamheden dieper reiken dan 10 centimeter beneden maaiveld wordt hier een vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Een vervolgonderzoek kan plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek op basis van een nog op te stellen en goed te keuren Programma van Eisen (PvE). De resultaten van dit onderzoek dient getoetst te worden door de bevoegde overheid (Gemeente Rucphen), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.

Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.

Pagina | 27

AM21090

LITERATUURLIJST Auwerda, F./ P. Grimm, 2008: Verliesregister 1939-1945, Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag. Bakker, de, H., 1966: ‘De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland’, in Boor en spade: verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem van Nederland, Wageningen. Bakker, de, H./ J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus. Staring Centrum, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2010: Fysisch-geografisch onderzoek, Assen. Berendsen, H.J.A., 2011: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en Geomorfologie, Assen. Berendsen, H.J.A., 2005: Landschappelijk Nederland, Assen. Berkel, G. van/ K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen. Herkomst en Historie, Utrecht (Prisma). Blankenstein, van, E., 2006: Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939 – 1945), Zeist. Boer, De, E., 2004. Rucphen – Sprundel, Vissenerg II. Archeologisch vooronderzoek. Tilburg: Bilan-rapport nr. 2004/88. Brokke, A.J., 2014. Archeologisch Bureauonderzoek MER Omlegging N638, Gemeente Rucphen. Hoofddorp: Arcadis. Cate, ten, J. A. M./ A. F. van Holst/ H. Kleijer/ J. Stolp, 1995: Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften. Deel A: Bodem, Wageningen, DLO-Staring Centrum. Technisch Document 19A. Exaltus, R./ J. Orbons, 2016. Hogestraat 8, Sprundel.

Gemeente Rucphen. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en karterend booronderzoek. Eijsden: ArcheoPro Archeologisch rapport nr. 16058. Hiddink, H./ H. Renes, 2007: ‘De oude akkercomplexen in de oostelijke helft van Noord-Brabant en het noorden en midden van Limburg’, in: Van Doesburg e.a. (red.), 2007: Essen in zicht: Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid, Amersfoort (RCE). Kimenai, P.P.J., 2016. Sprundel, Waterretentie Kerlinge. Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). ’sHertogenbosch: BAAC-rapport A-15.0263. Kruithof, L./ N.J.W. van der Feest, 2020. Rapport, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen. Waterstraat 17 te Sprundel. Roermond: Aeres Milieu BV, project nr. AM19222. Leenders, K.A.H.W., 2013. Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250 - 1750. Een actualisering. Woudrichem. Mulder, de, E.J.F./ M.C. Geluk/ I. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Utrecht. Nijdam, L.C., 2014. Sprundel, Pauwenstraat 1A (Gemeente Rucphen). Een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Beetsterzwaag: ArGeoBoor rapport 1225. Pagina | 28

AM21090

Putten, Van, M.J., 2018. Gemeente Rucphen, plangebied Vorenseinseweg ong. tussen 55 en 57 te Sprundel. Bureau en Inventariserend veldonerzoek (karterende fase). ’s-Hertogenbosch: BAAC Rapport V-17.0199. Rensink, E./ H.J.T. Smeets/ M. Kosian/ H. Feiken/ B.I. Smit, 2016: Archeologische Landschappenkaart van Nederland, versie 2.6, Amersfoort. Sanders, J.G.M./ W.A. van Ham/ J. Vriens, 1996: Noord-Brabant tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden 1572-1795, Hilversum. SIKB, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel: karterend booronderzoek, Gouda. Stiboka (Stichting voor Bodemkartering), 1976: Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000, toelichting bij de kaartbladen 50 Oost ’s-Hertogenbosch en 46 West-46 Oost Vierlingsbeek, Wageningen. Stouthamer, E./ K.M. Cohen/ W.Z. Hoek, 2015: De vorming van het land. Geologie en Geomorfologie, Utrecht. Tebbens, L.A., 2016: Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze. In: Ball, E.A.G. & R.M. van Heeringen (red.), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Timmermans, drs. F., drs. L. Weterings-Korthorst, ir. G.R. Ellenkamp en dr. H.J.L.C.

Koopmanschap, 2019: Toelichting op de actualisatie van de archeologiekaarten en beleid gemeente Rucphen 2019. TNO, 2008: Geologische overzichtskaart van Nederland, Den Haag (www.dinoloket.nl). Zonneveld, J.I.S., 1981: Vormen in het landschap, hoofdlijnen van de geomorfologie, Utrecht. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus).

Pagina | 29

AM21090

Digitale bronnen: www.archis.cultureelerfgoed.nl

RCE, Archis3, zoeken & vinden)

www.bagviewer.kadaster.nl

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)

www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Kadastraal minuutplan

www.cultureelerfgoed.nl

Bronnen en kaarten

www.pdok.nl

Basisregistratie Grootschalige Topografie (2017), kadaster.

www.ruimtelijkeplannen.nl

Bestemmingsplan

www.topotijdreis.nl

Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland

www.provincieantwerpen.be

Turfdatabank Provincie Antwerpen

noord-brabant.pas.arcgis.com

Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)

www.dinoloket.nl

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond

Archeologische kaarten en databestanden: Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008-2019). AHN2 en AHN3 (Geraadpleegd via www.arcgis.com, bijlage in QGIS vervaardigd op basis van digitale data). Alterra

2008:

Geomorfologische

kaart

van

Nederland,

schaal

1:50.000,

Wageningen

UR

(Geraadpleegd

via

https://zoeken.cultureelerfgoed.nl, bijlage in QGIS vervaardigd op basis van digitale data Alterra). Alterra 2009: Bodemkaart van Nederland,

schaal 1:50.000,

blad 50 West, Wageningen UR

(Geraadpleegd via

https://zoeken.cultureelerfgoed.nl, bijlage in QGIS vervaardigd op basis van digitale data Alterra). Archeologisch Informatie Systeem II (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015 (Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007 (Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). Groot, N.C.F., Wilbers, A.W.E., 2011: Gemeentelijke Erfgoedkaart. Gemeente Rucphen. Deel: Een verleden te midden van verdwenen Venen Archeologische Waarde- en Verwachtingenkaart. IDDS Archeologie B.V., Rapport 1132, Advies archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen. Maas, G. J./ W.M. van der Meij/ S. P. J. v. Delft/ A. H. Heidema, 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland, schaal

1:

1:50

000

(2019).

Wageningen,

Wageningen

Environmental

Research

(geraadpleegd

via

https://legendageomorfologie.wur.nl/). Pagina | 30

aeres milieu

Bijlage 1 Topografische ligging onderzoeksgebied

AM21090

Bijlage 1: Topografische ligging onderzoeksgebied

N

AM21090 Sprundel Waterstraat (ong.)

Plangebied Achtergrond: TOP10 NL (nov 2016), AHN2 hillshade

v1.0_31- 3 - 2021

Schaal

aeres milieu

Bijlage 2 Boorpuntenkaart

AM21090

Bijlage 2: Boorpuntenkaart AM21090 Sprundel Waterstraat (ong.)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12379803/1