CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

07d Bijlage 2 t waterstraat ontwerpbestemmingsplan

gemeenteraad 8 maart 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Waterstraat ong. tegenover nr. 17 te Sprundel29.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020, Waterstraat ong. tegenover nr.17 te Sprundel’

1

Datum: Planstatus:

december 2022 Ontwerp

Toelichting Bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020, Waterstraat ong. tegenover nr.17 te Sprundel’ NL.IMRO.0840.9000B0059-ON01 Ontwerp, 1 december 2022 Gemeente Rucphen Urban Jazz B.V. Bijlagen 1 Quickscan ecologie, 9 maart 2021 2 Archeologisch onderzoek, 24 december 2021 en 1 juni 2022 + selectiebesluit 14 juni 2022 3 Bodemonderzoek, 28 april 2021 4 Akoestisch onderzoek, 11 mei 2021 5 Vooroverleg- en inspraaknota 6 Zienswijzen pm 7 Landschappelijke inpassing 8 RvR bouwtitel 9 Verslag omgevingsdialoog 10 standaard advies brandweer Separate bijlagen Regels Verbeelding

2

Hoofdstuk 1

Inleiding ................................................................................................................ 5

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 5

1.2

Vigerend bestemmingsplan..................................................................................................... 6

1.3

Leeswijzer ................................................................................................................................ 8

Hoofdstuk 2 Huidige en beoogde situatie ................................................................................... 9 2.1

Sprundel .................................................................................................................................. 9

2.2

Plangebied ............................................................................................................................. 12

2.3

Beoogde situatie.................................................................................................................... 14

2.4

Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................................... 15

Hoofdstuk 3 Beleidskaders ....................................................................................................... 19 3.1

Rijksbeleid.............................................................................................................................. 19

3.2

Provinciaal en regionaal beleid ............................................................................................. 20

3.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 24

3.4

Toetsing beleidskaders .......................................................................................................... 39

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving................................................ 40 4.1

Bodem ................................................................................................................................... 40

4.2

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 40

4.3

Water ..................................................................................................................................... 46

4.4

Geluidhinder .......................................................................................................................... 51

4.5

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 51

4.6

Externe veiligheid .................................................................................................................. 53

4.7

Ecologie / flora en fauna ....................................................................................................... 55

4.8

Milieuhinder .......................................................................................................................... 60

4.9

Verkeer .................................................................................................................................. 62

4.10

Geurhinder ............................................................................................................................ 62

4.11

Overige belemmeringen, kabels en leidingen ....................................................................... 64

4.12

Besluit m.e.r. ......................................................................................................................... 64

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten .............................................................................................. 67 5.1

Planvorm ............................................................................................................................... 67

5.2

Toelichting op de bestemmingen .......................................................................................... 67

1

INLEIDENDE REGELS .............................................................................................................. 67

2

BESTEMMINGSREGELS .......................................................................................................... 67

3

ALGEMENE REGELS................................................................................................................ 68

4

OVERGANGS- EN SLOTREGELS .............................................................................................. 69

Hoofdstuk 6 Economische en financiële uitvoerbaaheid............................................................ 70 3

6.1

Regelgeving grondexploitatie ................................................................................................ 70

6.2

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 70

Hoofdstuk 7 Procedurele haalbaarheid..................................................................................... 71 7.1

Maatschappelijke toetsing .................................................................................................... 71

7.2

Overleg .................................................................................................................................. 71

4

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer wenst op het perceel aan de Waterstraat, tegenover nummer 17, te Sprundel één vrijstaande woning te realiseren. Op nummer 13 exploiteert hij een kaasboerderij, waarbij hij ook de bedrijfswoning heeft. Op 9 februari 2021 heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek van 13 november 2020. Momenteel wordt het perceel als grasland gebruikt en heeft het een agrarische bestemming. Het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken én planologisch vast te leggen. De woning zal als ruimte voor ruimte woning (RvR) worden gerealiseerd; er is al een RvR bouwtitel (bijlage 8) aangekocht. In figuur 1 en 2 zijn respectievelijk de ligging van het plangebied en een straatnamenkaart weergegeven.

Figuur 1: Ligging plangebied (topografische kaart)

5

Figuur 2: Straatnamenkaart (bron: Google 2020)

1.2

Vigerend bestemmingsplan

Op 16 december 2020 is een herzien bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020 vastgesteld (figuur 3). In dit plan is de locatie is bestemd als ‘Agrarisch’ met diverse aanduidingen: vrijwaringszone – obstakelbeheerzone, bebouwingsconcentratie, zone voor teeltondersteunende kassen én tot slot een dubbelbestemming Leiding-Water en dubbelbestemming met aanduiding Waarde-Archeologie 2. Het perceel kent, door het ontbreken van een bouwvlak, geen bouwmogelijkheden. Het bestemmingsplan heeft vooral een beheersmatig karakter. Een agrarische bestemming kan met een wijzigingsbevoegdheid art. 3.6 Wet ruimtelijke ordening (Wro) naar een woonbestemming worden omgezet, mits er een bouwvlak verdwijnt/ verkleint en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Dit is hier echter niet aan de orde; er is geen bouwvlak aanwezig. De bestaande houtwal, die bij verzoeker in eigendom is, heeft de bestemming GroenLandschapselement. De beoogde ontwikkeling, die verder in hoofdstuk 2 wordt beschreven, past qua bouw- en gebruiksmogelijkheden niet binnen het vigerende bestemmingsplan.

Aangezien er tevens geen passende afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden zijn opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, dient er - om de ontwikkeling mogelijk te maken - een bestemmingsplan te worden opgesteld, waarbij de agrarische bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming met een gelijktijdige investering in de kwaliteit van het buitengebied, in ruil voor aantasting van dit buitengebied. Het voorliggende bestemmingsplan biedt dus het juridisch planologische kader om de voorgestelde ontwikkeling ter plaatse mogelijk te maken. Omdat de locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratie en voldoet aan het RvR-beleid, zoals beschreven in par. 3.3, wordt aan de bestemmingsplanprocedure medewerking verleend.

6

Figuur 3: Bestemmingsplan 2020

7

1.3

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en plankaart (verbeelding). De plankaart vormt samen met de regels het juridisch bindende gedeelte van het plan. Daarop wordt een toelichting gegeven. In de onderhavige toelichting worden de uitgangspunten voor de planherziening weergegeven. Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk beleid dat op de beoogde ontwikkeling van toepassing is. De milieu- en duurzaamheidaspecten worden behandeld in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vorm van het bestemmingsplan beschreven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde en tot slot wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke toetsing en overleg behandeld.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige en beoogde situatie

Sprundel

De gemeente Rucphen ligt tussen Roosendaal, Etten-Leur en Zundert in de provincie Noord-Brabant, telt 22.870 inwoners (1 januari 2020) en staat bekend als wielerdorp met mooie bossen. Rucphen is een gevarieerde landelijke en groene gemeente, waar de landbouw een economisch belangrijke functie heeft en bovendien een belangrijke beheerder is van het buitengebied. Door het aantrekkelijke landschap is het ook een mooi recreatiegebied. De hoofdstructuur van de gemeente is bepaald door de ontginning van woeste gronden en de latere turfwinning in de 13e en 14e eeuw. De turfwinning zorgde voor het uitgraven van een aantal vaarten die dragend zijn voor de historische structuur van het dorp. De Schijfse Vaart loopt in de richting van de kern Rucphen en gaat na de woonkern over in de Vlette Vaart. In de kern Rucphen is de gehele Schijfse Vaart overkluisd. Het oppervlaktewater is er wel, maar niet zichtbaar aanwezig. Tot 1810 maakte de gemeente deel uit van enerzijds de baronie van Breda en anderzijds het markiezaat Bergen op Zoom. Daarna werd een officiële decreet ondertekend. Een nieuwe gemeente werd genoemd naar de plaats welke het eerst werd vermeld en ging heten: la commune de Sprundel. Hierna hebben nog enkele grenscorrecties plaatsgevonden. In figuur 4 tot en met 7 zijn historische kaarten opgenomen.

De vijf kernen in de gemeente Rucphen zijn allen ontstaan vanuit bebouwingslinten op hoger gelegen gedeeltes in het landschap. St. Willebrord is de grootste plaats in de gemeente met circa 9.250 inwoners. Sprundel telt circa 5.330 inwoners. Behalve Rucphen, Sprundel en St. Willebrord liggen nog twee kleinere kernen in de gemeente; Zegge en Schijf. In het noordwesten van de gemeente en boven de rijksweg A58 ligt Zegge. Zegge is ontstaan door de samenvoeging van vier buurtschappen die door de Onze Lieve Vrouwestraat verbonden zijn. Aan de andere kant van de gemeente en ten zuidoosten van de Rucphense bossen ligt de kern Schijf, grenzend aan België. Schijf is ontstaan langs de Sint Antoniusstraat op een uitloper van de hoger gelegen zandgronden. Sprundel ligt naar het noorden en westen toe vrijwel ingeklemd tussen de kom van St. Willebrord en een bedrijventerrein met aansluitend de kom van Rucphen. Naar het oosten toe vindt men een landbouwgebied, waarin nog enkele turfvaarten, zoals Oude Vaart en Oude Turfvaart te herkennen zijn. Ten zuidoosten van het dorp vindt men, naast landbouwgebied, ook enkele natuurgebieden, namelijk Pannenhoef en Lange Maten. Vorenseinde was een zelfstandige heerlijkheid die zich bevond ten zuidwesten van de huidige plaats Sprundel. Deze heeft bestaan van omstreeks 1370 tot 1810.

Vorenseinde was een kleine bestuurlijke eenheid, die slechts 25 à 30 gezinnen omvatte, maar niettemin over eigen schepenen, een stadhouder namens de drossaard van Wouw, een vorster enzovoorts beschikte. Kerkelijk behoorden de bewoners echter tot de parochie van Sprundel. In de tijd van de reformatie was er een schuurkerk in Vorenseinde, die aan het begin van de Waterstraat was gelegen. In 1810 ging Vorenseinde op in de gemeente Rucphen. Deze gemeente had van 1813-1952 officieel dan ook de naam: Rucphen en Vorenseinde. Tegenwoordig bestaat nog de Vorenseindseweg die in zuidwestelijke richting van Sprundel naar Schijf voert, met als zijstraat de Waterstraat. Beide straten kennen lintbebouwing en vormen feitelijk nog een buurtschap.

9

Figuur 4: Historische kaart 1900

Figuur 5: Historische kaart 1950

10

Figuur 6: Historische kaart 1990

Figuur 7: Uitsnede topografische kaart 2020 Rucphen 11

2.2

Plangebied

Het plangebied (figuur 8 tot en met 11) ligt ten zuiden van de kern Sprundel aan de Waterstraat. De Waterstraat vormt de verbinding tussen de Vorenseindseweg en de Puinbroekstraat en ligt parallel aan de Akkerstraat. Het perceel T nummer 969 is circa 4 ha, waarvan 2600m2 bedoeld is voor het realiseren van de woning. Naast het perceel zijn teeltondersteunende voorzieningen voor de aardbeienteelt aanwezig, behorend bij het tegenovergelegen bedrijf op nummer 19. Op nummer 13 is een kaasboerderij met bedrijfswoning gevestigd en op 165 meter noordwaarts ligt een voormalig agrarisch bedrijf op nummer 12. Verder zijn er enkele burgerwoningen in de omgeving gelegen (11, 15, 15a en 17). Er is sprake van een gebied met een bebouwd karakter met gemengde functies waarbij enkele zichtlijnen van belang zijn. Het perceel verder geen landschappelijk waardevolle betekenis; het maakt geen onderdeel uit van een groenstructuur of groene/ecologische verbindingszone.

Figuur 8: Luchtfoto Sprundel (bron: Google)

12

Figuur 9: Luchtfoto plangebied (bron: Google 2021)

Figuur 10: plangebied gekeken naar zuidelijke richting

13

Figuur 11: Zicht vanaf de Waterstraat (bron: Google 2019)

2.3

Beoogde situatie

Op het perceel sectie T nr 969 van circa 2700m2 met een breedte van 46 meter zal één vrijstaande RvR woning worden gerealiseerd (figuur 12), welke zich qua vorm, bouwmassa en maatvoering zal voegen in de bestaande omgeving en de nabijgelegen woningen. De bestaande houtwal van 5 meter is eigendom van initiatiefnemer en wordt gerespecteerd. Er wordt een zichtlijn van 165 meter breed behouden tussen de nieuwe woning en de bestaande bebouwing op Waterstraat 12. Op eigen terrein worden minimaal drie parkeerplaatsen gerealiseerd en in stand gehouden. Gelet op de omvang van het perceel is dit vanzelfsprekend. Nog geen idee is voor het soort woning dat men wil realiseren. De maatvoering die elders in het buitengebied geldt, is maatgevend. Zo zal de woning op het perceel van circa 2700m2 een inhoud hebben van maximaal 1000 m3 inhoud, met een kap met een maximale goothoogte van 5,5 meter en maximale bouwhoogte van 9 meter, in lijn met de regels uit het bestemmingsplan voor het buitengebied. De woning is maximaal 20 meter breed en is gelegen op 14

minimaal 15 meter uit het as van de weg, juist buiten de vrijwaringszone van de waterleiding. De bijbehorende bouwwerken mogen maximaal 3,5 resp. 6 meter hoog zijn qua goot- en nok. Maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat vergunningsvrij wellicht een groter oppervlak te realiseren is, afhankelijk van de omvang van bebouwingsgebied/achtererfgebied. Een afstand van 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrens moet worden aangehouden bij de situering van de woning. In dit geval zal de woning op circa 12,5 meter uit die grens worden gebouwd, om een afstand van circa 15 meter tot de teeltondersteunende voorzieningen te garanderen, waarover in de milieuparagraaf meer. Een dakhelling is voorgeschreven tussen 30 en 65 graden. Het perceel is dermate ruim dat de bebouwingsdichtheid past bij de overgangszone tussen de kern en het buitenbied én dat een deel ook wordt gebruikt voor een goede groene inpassing, waarover hierna meer.

Figuur 12: Kadastrale situatie

2.4

Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering

Huidig landschap en beleid Het gebied bestaat hoofdzakelijk uit oude besloten zandontginningen. De reliëfrijke ondergrond en de grillige waterhuishouding hebben een belangrijke rol gespeeld in de wijze van ontginning van het landschap. Het buitengebied ten zuiden van Sprundel is uitgestrekt en wordt voornamelijk gebruikt voor agrarische doeleinden. Hierin is onderscheid te maken tussen akkerbouw, weiland, kassenbouw en (boom)kwekerijen. Van vroeger uit werden de agrarische percelen met diverse functies omkaderd door opgaande beplanting (houtwallen). Door de grillige structuur en de aanwezigheid van veel opgaande beplanting, de houtwallen, zijn landschapskamers ontstaan. Maar door de jaren heen zijn deze houtwallen verdwenen en is het landschap grootschaliger geworden (zie de historische kaarten figuur 4 t/m 7). Opvallend in de historische kaarten zijn de vele laanstructuren die nog steeds langs veel wegen 15

zichtbaar zijn. In het document “Landschapsontwikkelingsplan Rucphen, maart 2009” wordt deze verandering ook aangehaald. Hierin wordt aangegeven dat in dit deelgebied wordt ingezet op het behouden en beperkt herstellen van lijnvormige beplantingselementen. Waar mogelijk kan door het laten ontstaan van ruige perceelsranden en slootkanten de huidige kamerstructuur verder versterkt worden en een ecologische meerwaarde worden gecreëerd. Het realiseren van de RvR kavel is zodoende passend in de landschappelijke ambitie voor dit karakteristieke landschap. Eén van de voorwaarden voor het toepassen van RvR regeling, beschreven in par. 3.3, is namelijk dat er een stevige beplantingsstrook van 5 meter breed aan de zijdelingse en de achterste perceelsgrens van het kavel aangeplant dient te worden. Op deze wijze wordt er een nieuwe ‘kamer’ toegevoegd en een van de lijnvormige beplantingselementen herstelt. Inpassingsplan De voorgestelde landschappelijke inpassing van het plangebied is terug te vinden in bijlage 7. Het directe omliggende landschap bestaat voornamelijk uit weiland met weidse doorzichten over de percelen, af en toe begeleidt door houtwallen aan de randen van de percelen. De landschappelijke inpassing wordt vormgegeven door een houtwal die de aanwezige structuur van het omliggende landschap versterkt en een historische verdwenen houtwal herstelt.

De ligging van de historische houtwal ten opzichte van het plangebied is te zien in figuur 13.

Figuur 13: Plangebied op historische kaart 1935, verdwenen kamerstructuur landschap De ruimte voor ruimte kavel aan de Waterstraat is gelegen langs een al bestaande houtwal aan de zuidoostzijde. Deze houtwal wordt behouden. Aan de zuidwestzijde en noordzijde van de kavel wordt een nieuwe houtwal aangeplant. De houtwal wordt gezien als een lijnvormig landschapselement dat typisch is voor de omgeving van het plangebied. De houtwal valt binnen het StiKa onder bossingel en bevat in Noord-Brabant voorkomende inheemse bomen en onderbeplanting. Alle bomen en heesters zijn interessant voor verschillende dieren en insecten als voedselbron en/of schuil en -nestplaats. Wat bijdraagt aan de visie om het natuurnetwerk in het gebied te versterken. Aan de voorzijde van het perceel wordt een groene erfafscheiding toegepast: een haag met daarin enkele wilgen. De voortuin en de achtertuin direct aan de woning hebben een meer gecultiveerde uitstraling, terwijl het achterste deel van de tuin meer ruimte biedt voor kruiden en bloemen. In dit kruidenrijk grasland staan vijf solitaire fruitbomen. Deze bomen vormen, volgens het aangepaste gemeentelijk RvR beleid van juni 2020, de compensatie voor de voorziene ruimere woninginhoud. 16

Vanaf drie bomen of meer worden hoogstamfruitbomen, als solitaire bomen, ook gezien als landschappelijke inpassing; per 50m3 extra woninginhoud is een solitaire boom als extra inzet op landschappelijke inpassing te beschouwen. Zoals te zien in bijlage 7 en op figuur 14. De woning wordt maximaal 1000m3 groot, hetgeen leidt tot extra inpassing ter compensatie van de extra inhoud van 250m3. De vijf bomen dienen hiervoor. Voor een gedetailleerde toelichting met beplantingstypen en aantallen wordt verwezen naar bijlage 7.

Figuur 14: Landschappelijk inpassingsplan Kwaliteitsverbetering In de gemeente geldt ook het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ van 18 december 2014. Dit kader bevat eenduidige afspraken die de regio WestBrabant en de provincie Noord-Brabant gezamenlijk hebben gemaakt met betrekking tot de toepassing van het principe Kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit principe vindt zijn oorsprong in de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant en de Vr en IOV waarover in par. 3.2 meer. Het principe voor kwaliteitsverbetering van het landschap is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen die plaatshebben buiten het bestaand stedelijk gebied, zoals begrensd in de IOV. In art. 3.9 lid onder b IOV is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording kan bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in afdeling 5.4 IOV, worden nagekomen’. De regio West-Brabant is landschappelijk gezien een regio met grote verschillen. Waar het zuidelijk gedeelte overwegend bestaat uit een meer kleinschalig landschap op zandgronden, wordt het landschap naar het noorden toe grootschaliger met open polders op zee- en rivierklei.

In het landschap komen ook relicten uit het verleden voor, zoals linies, vestingen en turfvaarten. Ook de infrastructuur en de verstedelijking bepalen voor een groot deel het beeld van het landschap. Vanwege deze diversiteit zal de ene gemeente andere gedachten hebben bij kwaliteitsverbetering van het landschap 17

dan de andere. Het afsprakenkader biedt ruimte voor kwaliteitsverbetering in en van verschillende landschappen en voor verschillende gedachten over kwaliteitsverbetering. In het afsprakenkader is de minimale basisinspanning voor de investering in het landschap opgenomen. Een categorie 1-ontwikkeling behoeft geen extra kwaliteitsverbetering omdat er nauwelijks tot geen landschappelijke invloed is; de ontwikkelingen zijn in een limitatieve lijst benoemd. Een categorie 2-ontwikkeling heeft weinig landschappelijke invloed en behoeft landschappelijke inpassing; de ontwikkelingen zijn in een niet-limitatieve lijst opgesomd. Landschappelijke inpassing houdt in: een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen landschappelijke (ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische) landschapskwaliteiten. Dit kan door middel van architectuur (vormgeving, situering bebouwing materiaalgebruik), aanleg van landschappelijke en/of natuurlijke elementen al dan niet in combinatie met sloop. Een categorie 3-ontwikkeling heeft wel invloed en kent een kwaliteitsverbetering, berekend op basis van de bestemmingswinst. Uitgangspunt van de investering in het landschap is dat de kwaliteitsverbetering in verhouding moet zijn met de ruimtelijke ontwikkeling.

Dat betekent dat ‘rood’ wordt omgerekend naar een tegenprestatie in euro’s, welke wordt omgezet in een fysieke tegenprestatie. Wanneer dat niet mogelijk is, kan worden volstaan met een financiële tegenprestatie, waarbij het investeringsbedrag in het groenfonds van de betreffende gemeente wordt gestort. Een fysieke tegenprestatie op de locatie heeft de voorkeur. De realisatie van een woning in het buitengebied via een bestemmingsplan art. 3.1 Wro betreft eigenlijk een ontwikkeling die in de regel behoort tot categorie 3 volgens de regionale afspraken. Tenzij het echter gaat om een RvR ontwikkeling. Uit art. 3.79 lid 3 sub b IOV volgt dat het afsprakenkader kwaliteitsverbetering, bedoeld in art. 3.9 IOV nu niet van toepassing is. De kwaliteitsverbetering wordt zeker gesteld door de aankoop van een RvR bouwtitel, uiterlijk ten tijde van de inzageperiode omtrent het ontwerpbestemmingsplan. In bijlage 8 is het leveringsdocument voor deze bouwtitel opgenomen, d.d. 21 november 2022, certificaatnummer 1076, titelnummer 20170661. Niet alleen wordt de kwaliteitsverbetering met de bestemming ‘Groen – Landschapselement’ publiekrechtelijk verankerd, ook zal de aanleg en instandhouding ervan privaatrechtelijk worden geborgd.

18

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskaders

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om die nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. In de structuurvisie van 13 maart 2012, schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De forse bezuinigingsopgave maakt dat er scherp geprioriteerd moet worden. De financiële middelen zijn de komende jaren beperkt en private investeerders zijn terughoudender. Hierdoor vertragen projecten, worden deze heroverwogen of zelfs gestopt. Daarnaast werkt de huidige wijze van financiering van gebiedsontwikkeling niet meer.

Nieuwe verdienmodellen en andere kostendragers zijn nodig om gebiedsontwikkeling weer van de grond te krijgen. Tegelijkertijd vragen grote opgaven op het gebied van concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid om rijksbetrokkenheid. Omtrent het ontwerp van de structuurvisie vond inspraak plaats in 2011. Gelijktijdig is een eerste wijziging ter inzage gelegd van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro bevestigt de beleidsuitspraken uit de structuurvisie. Het gewijzigde Barro trad op 10 oktober 2012 in werking, ook wel genoemd Ontwerp Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt, als opvolger van de SVIR, een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI van 11 september 2020 geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • kenmerken en identiteiten van een gebied staan centraal; • afwentelen wordt voorkomen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uit het gewijzigde Barro blijkt dat art. 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangevuld is. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe ruimtevraag en een zorgvuldige inpassing van de 19

nieuwe ontwikkeling. De term SER-ladder is verder geïntroduceerd. Drie stappen moeten worden doorlopen met een motivatie in de toelichting bij het betreffende ruimtelijke plan: 1. beoordeling of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijven- en haventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Naast de kwantitatieve beoordeling gaat het ook om kwalitatieve vraag op regionale schaal; 2. beoordeling of de ontwikkeling kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten; 3. beoordeling door betrokken overheden of er sprake is van een passende ontsluiting. Op 1 juli 2017 is de gewijzigde ladder in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen zijn gelegen in het vervallen van de begrippen ‘actuele regionale’ bij de behoeftebepaling. Aangezien de huidige jurisprudentie van toepassing blijft op de nieuwe ladder, leidt dit niet tot een wijziging in de toepassingspraktijk van de ladder. Daarnaast zijn treden 1 en 2 samengevoegd en is trede 3 komen te vervallen. De ladder moet worden doorlopen als het gaat om bouwmogelijkheden van enige omvang (meer dan 11 woningen). In de regio zijn ook afspraken gemaakt over toepassing van de ladder.

Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen die niet voorzien in een toename van het ruimtebeslag worden niet gekwalificeerd als een stedelijke ontwikkeling. In dat geval hoeft de ladder niet te worden toegepast. Jurisprudentie hierover is in beweging. Een bouwplan van dergelijke beperkte schaal wordt niet als een stedelijke ontwikkeling beschouwd, als bedoeld onder art. 1.1.1 lid 1 Bro. Dit is bevestigd in diverse uitspraken van de Raad van State (ABRvS 2013082867/1/R4 en ABRvS 201401129/2/R4). Kortom, de ladder hoeft nu niet te worden doorlopen. De ontwikkeling van een RvR woning hoeft evenmin te passen binnen de regionale of gemeentelijke woningbouwprogrammering. Radarverstoringsgebied vliegbasis Woensdrecht en Herwijnen Het plangebied is gelegen in een radarverstoringsgebied van de vliegbasis Woensdrecht. In art. 2.6.2 van het Barro wordt gesteld dat de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in een radarverstoringsgebied in overeenstemming moet zijn met de regeling als opgenomen in het Rarro. De maximale toegestane hoogte was 113 meter + NAP (voorheen 63 meter), maar is verder teruggebracht naar 90 meter + NAP voor windturbines in relatie tot Herwijnen. De locatie ligt op circa 13 meter + NAP. De locatie ligt op circa 12 meter + NAP. Onderhavig plan biedt ruimte voor woningbouw met een bouwhoogte tot maximaal 9 meter.

Deze hoogte past ruimschoots binnen de gestelde maximale bouwhoogtes uit het Rarro. Ten aanzien van het onderhavige plangebied zijn er verder geen regels uit het Barro van toepassing.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

Met de komst van de Wro in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies geven voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aan en stellen de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig. Ter verwezenlijking daarvan heeft de provincie de beschikking over nieuwe juridisch mogelijkheden, te weten het provinciale bestemmingsplan ofwel inpassingsplan, de verordening en het opleggen van aanwijzingen. Met de inwerkingtreding van de Wro is de goedkeuringstaak van Gedeputeerde Staten ten aanzien van ruimtelijke plannen komen te vervallen. Dit betekent dat de provincie dient te handelen vanuit het provinciaal belang. Enkel op die basis kan de provincie gebruik maken van het instrumentarium dat op grond van de Wro beschikbaar is.

20

Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving De provincie Noord-Brabant loopt vooruit op de komst van de Omgevingswet en heeft op 14 december 2018 de Omgevingsvisie vastgesteld als opvolger van de structuurvisie. Met deze visie grijpt het provinciaal bestuur de Omgevingsvisie aan als kans om privaat, maatschappelijk en publiek handelen en beslissingen over ontwikkelingen met elkaar in samenhang te brengen. In de Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). Deze elementen zijn sterk van elkaar afhankelijk maar ook aan veranderingen onderhevig. De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma’s. Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant. Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? En wat moeten we in 2030 al voor elkaar hebben om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? Over die vragen gaat de Brabantse Omgevingsvisie.

De visie benoemt daarbij een aantal hoofdopgaven: • De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. • Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. • Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor hoe we onze leefomgeving vormgeven. • Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en Brabanders stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor hoe het netwerk van steden en dorpen functioneert en verder vorm krijgt. • Concurrerende, duurzame economie: we willen top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij we de omslag naar een verregaande circulaire economie maken en digitalisering steeds belangrijker wordt. Concrete punten voor een kleinschalige ontwikkeling als de realisering van een extra woning zijn in de nieuwe omgevingsvisie niet opgenomen. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met de Brabantse omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld.

De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe ze hieraan willen werken. Een verordening is een instrument om aan de visie vorm te geven. Op 25 oktober 2019 is de provinciale Interim omgevingsverordening (IOV) vastgesteld, welke 5 november 2019 in werking is getreden (geconsolideerde versie 8 december 2020). De verordening vervangt de Verordening ruimte 2014. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. Naast een omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van belangrijke waarden als het drinkwater of de natuurgebieden. De Interim omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels uit de verschillende verordeningen zijn samengevoegd. Bij inwerkingtreding van de 21

Omgevingswet, treedt ook de definitieve omgevingsverordening, die al is vastgesteld, in werking. Hierop vooruitlopend is in maart 2022 nog een aanpassing op de Interim omgevingsverordening vastgesteld, die 15 april 2022 in werking is getreden. Voor wat betreft de RvR-regeling zijn er geen wezenlijke aanpassingen gedaan die het project raken. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn in de definitieve verordening het uitgangspunt met enkele wijzigingen door nieuwe inzichten. De gemeente moet rekening houden met de instructieregels bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De verordening is beleidsneutraal en regelt een en ander over: • omgevingskwaliteit; • stedelijke ontwikkelingen; • duurzame energie; • natuurgebieden en andere gebieden met waarden; • agrarische ontwikkelingen; • overige ontwikkelingen in het buitengebied. De RvR locatie ligt in het gemengd landelijk gebied, stalderingsgebied en gebied voor teeltondersteunende kassen (figuur 15). Voor dit bestemmingsplan is een aantal regels uit de IOV van toepassing. In art. 3.79 lid 3 sub b is beschreven dat voor RvR woningen geen extra kwaliteitsverbetering nodig is. Zie hiervoor ook par. 2.4. In art. 3.68 lid 1 onder a is IOV is beschreven dat feitelijk alleen bestaande burgerwoningen in het buitengebied toelaatbaar zijn. Vervolgens is in art.

3.79 IOV de RvR regeling beschreven, welke woningbouw in het buitengebied wel toelaatbaar maakt.

Figuur 15: Uitsnede IOV 22

In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de subzones ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over ‘Landelijk gebied’. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzones. De planlocatie is gelegen in het ‘Gemengd landelijk gebied’. In de volgende artikelen zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies benoemd: • art. 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit • art. 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik • art. 3.7 toepassing van de lagenbenadering • art. 3.8 meerwaardecreatie. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde.

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met hetgeen in de daarop volgende art. 3.6, 3.7 en 3.8 wordt beschreven. Zorgvuldig ruimtegebruik art.3.6 IOV houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Bij een stedelijke ontwikkeling moet toepassing zijn gegeven aan art. 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. De RvR woning wordt in een bebouwingsconcentratie gerealiseerd, daarnaast wordt de nieuwe woning landschappelijk ingepast. Doordat de woning in een bebouwingsconcentratie wordt gebouwd, wordt de ruimte zorgvuldig gebruikt. Daarnaast is er een RvR titel aangekocht voor het realiseren van de woning. Deze titel draagt bij aan de omgevingskwaliteit. Zoals reeds beschreven sluit de beoogde ontwikkeling aan op de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van bebouwing aan de Waterstraat. De bouwregels zijn afgestemd op het bebouwingsbeeld in de directe omgeving.

Het betreft een individueel initiatief voor realisatie van een vrijstaande woning op een ruim perceel in de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied dat in deze vorm niet mogelijk is om binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Het perceel wordt direct ontsloten vanaf de Waterstraat waarbij gebruik gemaakt wordt van de bestaande infrastructuur. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling zijn geen maatregelen nodig voor de afwikkeling van het verkeer. De toepassing van de lagenbenadering art. 3.7 IOV omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. In hoofdstuk 4 worden effecten op bovenstaande waarden beschreven. Hieruit blijkt dat de relevante waarden op het plangebied en het gebied niet worden aangetast.

Vanuit de lagenbenadering is intensivering ter plaatse aan de Waterstraat aanvaardbaar. 23

Meerwaardecreatie art. 3.8 IOV omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat én de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in art. 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Voor de realisatie van een RvR woning is een RvR titel aangeschaft. Deze titel wordt gevormd door 1.000 m² aan overtollige intensieve stallen te slopen en 3.500 kg fosfaat in te leveren elders in de provincie Noord-Brabant. In ruil hiervoor mag binnen een bebouwingsconcentratie een nieuwe woning opgericht worden. Verder is art. 3.79 IOV van belang.

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere RvR kavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: • er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; • de ruimte voor ruimte kavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; • het plan past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied; • een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; • er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. Al eerder is beschreven dat aan alle voorwaarden is voldaan: er is een RvR titel gekocht, er is sprake van een bebouwingsconcentratie, er is een inpassingsplan landschap en de realisatie van één woning wordt niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Voor de planlocatie is de overige aanduiding ‘Stalderingsgebied’ opgenomen. Voor de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. In dergelijke gebieden gelden (vergaande) beperkingen voor veehouderij. Het initiatief op de planlocatie heeft geen betrekking op een veehouderij. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de betreffende regels uit art. 2.74 IOV. Tot slot is de aanduiding ‘teeltondersteunende kassen’ opgenomen, uit art.

3.65 IOV. Een bestemmingsplan dat hier van toepassing is, kan als dat noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering binnen het bouwperceel voorzien in de bouw van teeltondersteunende kassen tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare netto glas, als het bestemmingsplan bepaalt dat omschakeling en doorgroei naar een zelfstandig glastuinbouwbedrijf is uitgesloten. Met dit artikel hoeft nu geen rekening te worden gehouden. Er is sprake van woning in plaats van kassen.

3.3

Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Kortheidshalve wordt verwezen naar par. 1.2. Beleidsnota Ruimte voor Ruimte De beleidsnota ‘Ruimte voor Ruimte, Visie op toepassing regeling’ is vastgesteld door de gemeente Rucphen op 30 juni 2011. Deze visie bevat het ruimtelijk-landschappelijk kader ten behoeve van de afweging van de ruimte die kan worden geboden aan RvR woningen. Een doorvertaling van het RvR beleid heeft plaatsgevonden in het Bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012’ en ‘Buitengebied Rucphen 2020’. De verschillende potentiële locaties voor woningbouwmogelijkheden zijn getoetst aan zowel ruimtelijklandschappelijke randwoorden als technische randvoorwaarden en limitatief in het bestemmingsplan, inmiddels het bestemmingsplan 2020, vertaald als perceel met een wijzigingsbevoegdheid Op 17 juni 2020 heeft de gemeenteraad het RvR beleid aangepast en is maatwerk mogelijk gemaakt, ook voor percelen die niet in eerste aanleg in 2011 als potentiële woningbouwlocatie zijn aangewezen 24

maar wel in een bebouwingsconcentratie liggen, zoals het perceel aan de Waterstraat. RvR locaties binnen een bebouwingsconcentratie zijn niet langer limitatief aangewezen. Dit is ook de reden dat een aantal locaties niet met een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Buitengebied 2020 zijn opgenomen. In deze herijking zijn echter geen nieuwe bebouwingsconcentraties toegevoegd. Hier ligt een uitloper van Sprundel die de uitvalsweg naar Zundert vormt. De kernrand wordt gemarkeerd door de planmatige zuidelijke uitbreiding van de kern. Kenmerkend voor het lintpatroon is de enigszins gelijkmatige afwisseling van open en bebouwde delen. Het open landschap blijft frequent zichtbaar. De agrarische functie bepaalt grotendeels het beeld met zijn stallen en schuren. Nabij de Klein-Zundertseweg geven de kassen een duidelijke schaalvergroting. De overgang van de kernrand naar het lint is scherp. Dit wordt versterkt door het gelijkmatige bebouwingspatroon van afwisselend open en dichte stukken. Daarmee is de relatie met het landschap gewaarborgd. Gezien de lengte van het lint is een beperkte verdichting van het lint te overwegen. Behoud van de bestaande transparantie is uitgangspunt. De overgangen zijn belangrijk. De openheid tussen kernrand en lint moet behouden blijven. Ook de cluster rond de splitsing VorenseindsewegWaterstraat moet los blijven.

Alleen het gat tussen de Omgangsstraat en splitsing kan worden bebouwd. Beide zijden van de Waterstraat zijn in het beleid 2011 als bebouwingsconcentratie aangewezen. Langs de Waterstraat zijn de open vensters naar het landschap breed en diep. Deze blijven onaangetast. Aan de oostzijde, aldus het oorspronkelijk beleid in 2011, zou alleen in het middendeel enige verdichting mogelijk zijn. De clusters moeten los blijven. Zoals gezegd, in juni 2020, is het RvR beleid verruimd en komen daardoor ook andere, niet eerder genoemde locaties binnen bebouwingsconcentraties, voor RvR invulling in aanmerking mits zichtlijnen worden gerespecteerd van minimaal 150 meter. Van deze laatste situatie is hier sprake. Ook al wordt nu westelijk van de Waterstraat een perceel voor RvR aangewezen, voorheen als zichtlijn geduid, dan nog resteert een zichtlijn van 165 meter (te weinig om in de toekomst nog een woning te realiseren), het venster naar het landschap blijft breed en diep, juist daarom is de woning naar het zuiden opgeschoven. Invulling van de locatie voor RvR voldoet aan de thans geldende beleidsregels. Op figuur 16b/c/d/e/f (en eerder al in figuur 10 en 11) is te zien dat het zicht vooral weids en noordwestelijk is georiënteerd, nabij Waterstraat 12 richting de Voreneindseweg.

In westelijke zin was de zichtlijn al minder diep en werd deze geblokkeerd door enkele groenstructuren en het bouwvlak van Puinbroekstraat 6. Hieraan zijn recentelijk teeltondersteunende voorziening buiten het bouwvlak tot stand gekomen, welke de zichtlijn al blokkeert. Het bouwvlak van Puinbroekstraat 6 springt naar achter toe uit, door de vermeende zichtlijn heen. Kortom, zichtlijnen ter plaatse van de kavel worden niet belemmerend als gevolg van het planinitiatief. De zichtlijn die ervaren wordt ter plaatse van Waterstraat 12 is minder relevant voor de afwegingen in dit bestemmingsplan, en wordt juist belemmerend door de recent aangelegde teeltondersteunende voorzieningen. De locatie Waterstraat is niet met een wijzigingsbevoegdheid in deze RvR visie 2011 opgenomen (figuur 16a), hoewel gelegen in een bebouwingsconcentratie. De RvR visie wordt door de gemeente als leidraad gehanteerd, waarbij dus maatwerk bespreekbaar is gelet op het aanvullende raadsbesluit van juni 2020 waarbij het RvR beleid is geactualiseerd en verruimd. Van maatwerk op feitelijke omstandigheden is nu sprake. De beschreven zichtlijnen blijken er in de praktijk niet (meer) te zijn. Het perceel lag en ligt in een gemeentelijke bebouwingsconcentratie. Met bebouwing ontstaat er een logische afronding. De (gewijzigde) voorwaarden uit de RvR visie worden voor deze locatie overgenomen.

Ruimtelijke-landschappelijke randvoorwaarden zijn: • natuurfuncties; • verkeer; • cultuurhistorie; • archeologie; • landschap; • ruimtelijk.

25

Kaart 2011

Kaart 2020

Figuur 16a: Uitsnedes RvR beleid 26

12

6

Figuur 16b: Zichtlijnen na realisatie ter plaatse van de planlocatie (bron: Bing maps 2022), zie 16c

Figuur 16c: Behoud zicht in noordwestelijke richting (de woning komt uiterst links, niet op de foto)

Figuur 16d: Zicht nabij Waterstraat 12, zie 16e 27

12

6

Figuur 16e: Zichtlijn ter plaatse van Waterstraat 12 (bron: Bing maps 2022)

Figuur 16f: Beoogd bouwperceel Technische randvoorwaarden zijn: • railverkeerslawaai; • wegverkeerslawaai; • industrielawaai; • externe veiligheid; • agrarische bedrijven; • leidingen; 28

• •

bodemkwaliteit; niet-agrarische bedrijven.

De bovengenoemde randvoorwaarden worden voor de planlocatie behandeld in hoofdstuk 4. Voor de RvR kavel gelden de onderstaande beeldkwaliteitseisen. Kavel: • • • • • • •

minimaal 30 meter breed; bebouwing maximaal 20 meter breed; maximaal 50% bebouwen; lengte variabel, afstemming op aangrenzende percelen; minimaal oppervlak 1000 m²; meerdere woningen mogelijk; bij afsplitsing blijft het oorspronkelijke perceel minimaal 30 meter breed.

Situering woning: • oriëntatie op de weg; • voorste rooilijn achter die van aangrenzende bebouwing in directe omgeving; • achterste rooilijn niet verder dan die van bebouwing in directe omgeving; • minimaal 5 meter uit de zijdelingse perceelgrens of erfbeplanting (landschappelijke inpassing). Beplanting: • opgaande robuuste beplantingsstrook van minimaal 5 meter breedte op beide zijdelings en achterste perceelgrenzen; • streekeigen inheemse beplanting toepassen, STIKA pakket; • groene afscheiding ten opzichte van de openbare ruimte, aan de voorzijde. Parkeren: • volledig op eigen terrein; • voldoen aan parkeernota met minimaal ruimte voor 2 parkeerplaatsen. Bouwvorm: • goothoogte maximaal 5 meter; • kap verplicht; • dakhelling tussen 30° en 65°; • voorkeur langskap; • nokhoogte maximaal 9 meter; • massa maximaal 750 m3 tot 1000 m3. Architectuur: • afstemming op directe omgeving; • voorkeur voor baksteen of hout voor gevels; • dak voorkeur gebakken pannen of riet; • geen lichte kleuren en geglazuurde materialen toepassen; • duurzaam bouwen; • natuurinclusief bouwen; • materiaalkeuze in overleg met gemeente.

Zichtlijnen: • een zichtlijn heeft een minimale breedte van 150 meter binnen bebouwingsconcentraties Is een zichtlijn breder dan is het mogelijk voor het college om medewerking te verlenen aan het oprichten van een extra Ruimte voor Ruimte woning, ook al zit hier geen wijzigingsbevoegdheid op. Hierbij dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: er moet een zichtlijn van 150 meter 29

overblijven én het gewenste bouwvlak voor een Ruimte voor Ruimte woning dient te voldoen aan de overige voorwaarden voor een Ruimte voor Ruimte woning. Procedure: • initiatief melden bij gemeente; • eventueel nadere eisen stellen; • vooroverleg met gemeente over schetsontwerp; • beplantingsplan; • beoordeling plan; • planologische procedure/bouwvergunning. Zoals uit par. 2.3 blijkt, voldoet het initiatief aan de strekking van dit beleidskader. De gemeente heeft het beleid dus gewijzigd, in die zin dat een woning een grotere inhoud mag hebben dan 750 m3. Per 100 m2 dat een RvR kavel groter is dan 1000 m2 mag er 50 m3 worden toegevoegd aan een woning, tot maximaal 1000 m3 mits een ruimere landschappelijke inpassing wordt toegepast. Voor dit perceel van circa 2700 m2 betekent dit dat er inderdaad een woning van maximaal 1000 m3 kan worden gerealiseerd. Structuurvisie Rucphen 2030 Op 11 december 2013 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Rucphen 2030 vastgesteld. Met de nieuwe visie wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De visie betreft een herijking van de StructuurvisiePlus van 2003. Het plangebied heeft op de visiekaart geen specifieke aanduiding (figuur 17).

Figuur 17: Uitsnede Structuurvisie De RvR woning is een (individuele) nieuwe ontwikkeling in het buitengebied van Rucphen. Individuele ontwikkelingen zijn niet opgenomen in de structuurvisie. De RvR woning belemmert de ontwikkelingen die zijn opgenomen in de structuurvisie 2030 niet. Daarnaast vindt er op de kavel landschappelijk inpassing plaats, wat bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024 In de Woonvisie 2020 – 2024, vastgesteld door de gemeenteraad op 11 december 2019 wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid / 30

doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Het aantal inwoners van de gemeente Rucphen stijgt nog steeds en groeit in de gemeente Rucphen nog beperkt verder, met een ontgroening aan de onderkant en een sterke vergrijzing aan de bovenzijde. Met name door de afname van de gemiddelde woningbezetting, is er dus een behoefte om het aantal woningen uit te breiden. Door de sterke vergrijzing zal een groot deel van de toe te voegen woningen wel levensloopbestendig moeten worden gerealiseerd. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor met name starterswoningen, om starters/jongeren kansen te bieden in de dorpen binnen de gemeente Rucphen. In de woonvisie wordt er van uitgegaan dat voor de komende 5 jaar een behoefte bestaat aan 500 nieuwe woningen. Achterblijvende nieuwbouw in de afgelopen jaren door de economische crisis en momenteel juist een verhitte koopmarkt leiden tot een behoefte aan 50-100 nieuwbouwwoningen per jaar. Benadrukt wordt een behoefte aan goedkope en middeldure koopwoningen tot € 300.000,-. Specifiek voor de kern Sprundel bedraagt de behoefte aan nieuwe woningen in de periode 2020-2024 140 woningen. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van één grondgebonden levensloopbestendige woning.

De nieuwe woning past in de categorie ‘dure koop’, waarvoor in Sprundel ruimte is voor 30 woningen. Zelfbouw wordt gezien als vraaggericht bouwen, kwaliteiten boven kwantiteit. Dit is passend binnen de opgave. In de woonvisie wordt ingegaan op een aanpassing van de woningvoorraad aan een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Met de realisatie van de woning wordt ingespeeld op deze accentverschuivingen. Ingespeeld wordt ook op Coalitieprogramma wonen 2018-2022, waarin aandacht is besteed aan zelfbouw. Feitelijk is de woonvisie en woningbouwprogrammering overigens niet van toepassing voor een ruimte voor ruimte initiatief. Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 In deze toekomstvisie, vastgesteld op 23 september 2015, worden de maatschappelijke opgaven van de gemeente voor de komende jaren benoemd. De toekomstvisie bouwt voort op bestaand beleid en is geen aanleiding geweest tot een inhoudelijke koerswijziging. Wel zijn de perspectieven op deelterreinen en de onderlinge dwarsverbanden verder versterkt, zodat de inzet van de gemeente effectiever kan zijn. De toekomstvisie is opgesteld in intensieve samenspraak met bewoners, ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties.

Radicaal anders wordt de rol van de overheid en de invulling van regionale samenwerking: van burgerparticipatie naar overheidsparticipatie, en van samenwerking omdat 't moet, naar samenwerking omdat 't loont. De inhoudelijke en bestuurlijke keuzes zijn uitgewerkt in de volgende perspectieven: 1. Aantrekkelijk wonen; 2. Vrijetijdseconomie; 3. Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen; 4. Overheidsparticipatie; 5. Regionale samenwerking. De gemeente Rucphen wil haar aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag rustig en landelijk willen wonen, maar wel dichtbij (groot)stedelijke voorzieningen en werk. De gemeente Rucphen handelt vanuit de overtuiging dat de meeste inwoners goed in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun huidige en toekomstige woon- en leefsituatie. Meegroeien met de samenleving is het uitgangspunt. Zelf bouwen zit in de genen van de inwoners van de 31

gemeente. (Collectief) particulier opdrachtgeverschap wordt dan ook gestimuleerd. Aandachtspunten bij (zelf)realisatie zijn groene inpassing, duurzaamheid (isolatie/energie) en levensloopbestendigheid. Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de bouw van een woning waardoor vooral keuze 1 van belang is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van één extra woning en betreft een particulier initiatief. Dit past binnen het uitgangspunt om mee te groeien met de samenleving en het stimuleren van particulier opdrachtgeverschap. Visiedocument Groenbeleid Rucphen Het Visiedocument Groenbeleid Rucphen van oktober 2008 (een evaluatie van het Groenbeheersplan 2000) beschrijft de waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden.

De planlocatie is niet specifiek benoemd in het stuk; het is agrarisch gebied (figuur 18). Wel is de bestaande houtwal geborgd.

Figuur 18: Uitsnede Groenbeleid Groene kaart Als extra toetsingskader bij eerder genoemd Visiedocument is een Groene Kaart (november 2010, figuur 19) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus 32

houtopstanden opgenomen. De bestaande houtwal op de planlocatie is met een specifieke aanduiding opgenomen. Deze hal wordt gerespecteerd en in het inpassingsplan meegenomen.

Figuur 19: Groene kaart Groenstructuurplan Rucphen, 2010, Met het Groenstructuurplan Gemeente Rucphen ‘Rucphen, Landschap onthuld’ (figuur 20) zet de gemeente een beleidslijn uit voor de toekomst van het groen in de vijf kernen. Door de relatie met het landschap buiten de bebouwde kom te herstellen en meer variatie te bieden op wijkniveau wordt een duurzaam ‘frame’ aangelegd met een lange levensduur. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat er niet onbekommerd aan de groene ruimte kan worden getornd. Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Door de relatie met het landschap buiten de bebouwde kom te herstellen en meer variatie te bieden op wijkniveau wordt een duurzaam ‘frame’ aangelegd met een lange levensduur. Door groenstructuren te ontwikkelen die gerelateerd en ontleend zijn aan en geïnspireerd zijn op de ontstaansgeschiedenis, het omliggende landschap, de stedenbouwkundige opbouw en de verkeer- en ontsluitingsstructuur houden de dorpskernen hun ‘eigen’ verhaal overeind. De dorpen worden daarmee authentiek, herkenbaar en vertrouwd en antwoorden op de vraag naar een aantrekkelijke en recreatieve woon- en werkgemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12443020/1