07c Handboek Bomen - Gemeente Rucphen handboek bomen 2018
Tekst van het document
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
4.32 Bomengranulaat: bij een gronduitwisseling met bomengranulaat (lavagranulaat onder verhardingen met matige belastingseisen en hardsteengranulaat onder verhardingen met zware belastingseisen) dient het bomengranulaat volledig homogeen (gelijkmatig) opgemengd steeds laagsgewijs (maximale laagdikte 20 - 30 cm) te worden ingevuld, geëgaliseerd en (na)verdicht (vrij van storende ‘verdichte’ tussenlagen) tot de onderstaande verdichtings- en verwerkingseisen (art. 4.28).
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
88 H4 | EISEN AFWERKING EN NAZAKKINGSTOLERANTIES 4.33 Ter voorkoming van inen uitspoeling van grond en zand moet het aangebrachte bomengranulaat na verwerking (naaddicht) worden afgedekt met een (water- en luchtdoorlatend) scheidingsdoek (bijvoorbeeld met een geotextiel/wapeningsdoek: poriegrootte < 200 µm, permittiviteit > 50 l/m2/s, treksterkte > 24 kN/m, CBR-doordrukkracht > 4 kN). 4.34 Bodemsubstraten en in het bijzonder bomenzand en bomengranulaat moeten na verwerking zodanig zijn ingesloten in een gestabiliseerd (omliggend) bodemprofiel dat ze niet zijdelings of neerwaarts kunnen verschuiven of wegzakken. 4.35 Afwerking van de groeiplaats alsook verwerking en naverdichting van een (aanvullend) aan te brengen zand- en/of puincunet (art. 4.12) alsook het plaatsen en aftrillen van verhardingen mogen uitsluitend plaatsvinden onder de bij het bodemsubstraat genoemde vochtgehalten (art. 4.31 en 4.32). De kwaliteit van de aangelegde groeiplaats moet (ten minste) gewaarborgd worden tot aan het moment van oplevering. Ter voorkoming van bijvoorbeeld het (zijdelings) inspoelen van regen- en/of spoelwater moet een groeiplaats die nog nader moet worden afgewerkt, indien relevant geacht, direct na aanleg (preventief) tot aan het moment van oplevering worden afgedekt en afgeschermd.
4.36 Nazakkingstoleranties: indien niet specifiek anders is voorgeschreven gelden voor de bodembewerking (open grond) en verwerking van genoemde bomensubstraten ten behoeve van de aanleg van groeiplaatsen de nazakkingstoleranties in overzicht 4.36. Om de maximale stabilisatie te kunnen waarborgen (nazakking ‘nihil’ bij bomengranulaten) dient de ondergrond waarop gewerkt wordt voldoende gestabiliseerd te zijn. Vanwege de hoge stabilisatiewaarde van bomengranulaat en wortelbunkerconstructies kan er na aanleg sprake zijn van ongelijke zetting van de aangrenzende of onderliggende bodem (art. 4.34).
Bodemdaling: op plaatsen waar de bodem (ondergrond) van nature inklinkt (bodemdaling en/of nazakking) kan een natuurlijke bodemdaling van enkele centimeters per jaar plaatsvinden. Dergelijke omstandigheden vragen in het ontwerp een aangepast ontwerpplan (Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp | art. 1.20).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
89
Bestaande bodem (open grond): Open grond, waaronder ook kleigronden die zijn bewerkt (bijvoorbeeld spitten), wordt afgewerkt met een overhoogte zodanig dat deze door natuurlijke zetting na 1 jaar uitkomt op hoogte van het omliggende maaiveld (indicatief: nazakking ca. 7 - 10% van de verwerkingsdiepte). Bomengrond: De nazakking van het maaiveld bij een groeiplaats die is aangelegd met bomengrond in de open grond of binnen een zelfdragende constructie (bijvoorbeeld wortelbunker) mag, door natuurlijke zetting, in het eerste jaar na aanleg 5 - 7% van de verwerkingsdiepte bedragen. Groeiplaatsen die in de open grond zijn aangelegd met bomengrond worden afgewerkt met een overhoogte zodanig dat zij door natuurlijke zetting na 1 jaar uitkomen op de hoogte van het omliggende maaiveld.
Rekenvoorbeeld: Indien 70 cm bomengrond is ingevuld, bedraagt de nazakkingstolerantie na 1 jaar maximaal 3,5 tot 4,9 cm (= 5 - 7% van 70 cm). Bomenzand: De nazakking van het maaiveld bij een groeiplaats die is aangelegd met bomenzand, door zetting en reguliere belasting, mag in het eerste jaar na aanleg maximaal 3% van de verwerkingsdiepte bedragen. In overleg wordt het maaiveld van deze groeiplaats met een overhoogte aangelegd, zodat aansluitend na 1 jaar nivellering met het omliggende profiel wordt bereikt.
Rekenvoorbeeld: Indien 80 cm bomenzand is ingevuld, bedraagt de nazakkingstolerantie na 1 jaar maximaal 2,4 cm (= 3% van 80 cm). Drukspreidende constructie: Door het afdekken van het bomenzand met een zogenaamde sandwichconstructie of geotextuur kan de draagkracht en daarmee (de reguliere) belastbaarheid van het bomenzand (lees maaiveld) aanzienlijk worden vergroot. Nadere uitwerking ‘maatwerk’ volgens uitvraag of Plan van Aanpak (zie bijlage overzicht 4.37m aanvullende voorzieningen ‘Drukspreidende constructie’). Bomengranulaat en wortelbunkers: De nazakkingstolerantie voor bomengranulaat alsmede voor een wortelbunker/box is nihil. Er mag bij deze toepassingen dus geen sprake zijn van een meetbare nazakking.
4.36 Overzicht: Nazakkingstoleranties | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
NAZAKKINGSTOLERANTIES
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
90 H4 | BIJLAGE AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN 4.37 Aanvullende specifieke voorzieningen voor groeiplaatsen voor bomen (leveren, plaatsen of uitvoeren) volgens nadere uitwerking in uitvraag of (goedgekeurd) Plan van Aanpak. Deze voorzieningen moeten altijd afgestemd zijn op het specifieke doel waarvoor ze zijn bedoeld. OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN a. Beluchtingssysteem ‘permanent’ b. Watergeefsysteem ‘tijdelijk’ c. Wortelbarrière d. Mantelbuizen | gestuurd boren e. Wortelstraten (horizontale wortelgeleiding) f. Wortelpijlers (verticale wortelgeleiding) g. Voedingspijler h. Ploffen en injecteren i. Mulchlaag j. (Anti)maaipaaltjes k. Boombeschermer l. Boomrooster m. Drainagesysteem/drainagezand n. Drukspreidende constructie o. Zelfdragende constructie p. Waterbuffer | Waterberging
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
91
a. Beluchtingssysteem ‘permanent’
Doel: verbeteren van de bodemluchthuishouding middels het stimuleren van de gasuitwisseling in de bodem via buitenlucht circulatie vanaf het maaiveld.
Omschrijving: eén of meerdere in de bodem, bij aanleg van de groeiplaats of het planten van de boom, aan te brengen (bemantelde) geperforeerde beluchtingsdrains die middels (ten minste) twee of meer verticale kokers (samengesteld beluchtingssysteem) via het maaiveld in contact staan met de buitenlucht, zodat de buitenlucht in de bodem via het beluchtingssysteem kan circuleren (ventilatiesysteem). De beluchtingsdrain(s), diameter ca. 8 tot 12 cm en minimaal 30% wandperforatie, voorzien van een drainkous, gelijkmatig geplaatst binnen de groeiplaats op minimaal 25 tot 40 cm van de wortelkluit* en ca. 60 tot 80 cm beneden het maaiveld, maar altijd ten minste 15 cm boven de grondwaterstand (GHVG). Bovengrondse uiteinden van de drains (of kokers) afgedopt (geperforeerde dop) zodat verstopping en grondinspoeling via openingen worden voorkomen. Indien de uiteinden van een beluchtingsdrain of -koker uitkomen onder de verharding, dan een voorziening toepassen die een open verbinding met de buitenlucht waarborgt (bijvoorbeeld ventilatietegel, rooster of ventilatiepaal). Beluchtingsdrains of buizen met voldoende drukkracht in relatie tot verwerkingseisen van de substraten of bodem waarin zij worden toegepast.
Opmerking: meervoudige (samengestelde) beluchtingssystemen (maatwerk in kader van beluchtingsplan) kunnen een groeiplaats ondergronds extra beluchten maar vormen geen (structurele) oplossing voor een slechte bodemstructuur! * Een te dicht op de wortels geplaatst beluchtingssysteem kan, door luchtcirculatie, uit droging van de wortels veroorzaken.
Een beluchtingssysteem is niet functioneel als watergeefsysteem omdat de watergift b eneden of naast de kluit uitspoelt en daarmee voor de boom vrijwel volledig verloren gaat. Een watergeefdrain is wel mogelijk met een separate enkelvoudige drain met 1 uiteinde boven het maaiveld (zie b. Watergeefsysteem ‘tijdelijk’). b. Watergeefsysteem ‘tijdelijk’ • Watergeefdrain • Bovengrondse gietrand • Watergeefzak • Grondwal Doel: het vergemakkelijken van het water geven via een op het maaiveld of in de bodem geplaatst watergeefsysteem.
Omschrijving: Watergeefdrain: geperforeerde, enkelvoudige drain (zie a. Beluchtingssysteem ‘permanent’), bij aanleg van de groeiplaats of het planten aangebracht in de grond direct rond de bovenste helft van de kluit (of wortelpruik) met 1 (afgedopt) uiteinde boven de grond als waterinlaatpunt ‘definitief’. Gietrand: in de toplaag van het maaiveld, na het planten, op het maaiveld te plaatsen opstaande (kunststof) gietrand (ca. 20 - 30 cm hoog). Die moet voorkomen dat de watergift via het maaiveld zijdelings afvloeit, zodat het water vanuit de buffer (opstaande rand) in de bodem infiltreert. De gietrand dient op het maaiveld boven de (wortel)kluit geplaatst te worden met de boom als middelpunt.
Indicatief: Bij een aanplant tot boommaat 20 - 25 voldoet een gietrand met een straal van circa 50 cm (cirkeldiameter ca. 1,0 m). Bij grotere boommaten is een vergrote straal aan de orde. Watergeefzak: waterdrainerende zak (50 tot 100 liter) die, na de aanplant, geplaatst wordt boven op het maaiveld aan de voet van de boom en die gereguleerd water afgeeft aan de onderliggende bodem (wortelkluit). Grondwal: een alternatief is het, na de aanplant, opwerpen van een (tijdelijke) aarden grondwal rond de boom. Een grondwal is echter minder controleerbaar en alleen toepasbaar in een voldoende ruime opengrondsituatie. Voorkom bij een grondwal dat bij het later aanaarden (egaliseren van de grondwal) ongewenst grondcontact ontstaat met het schorsweefsel van de boom (wortelhals niet afdekken)!
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
92
VERVOLG OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN c. Wortelbarrière
Omschrijving: verticaal in de bodem te plaatsen (water- en luchtdichte) kunststofplaten, (antiwortel)folie of luchtgevulde wortelbarrière.
• Verticaal Doel: het voorkomen van (horizontale) wortelgroei buiten de groeiplaats door middel van ondergronds verticaal geplaatste fysieke (wortel)barrières.
De verticale barrières plaatsen vanaf net boven het maaiveld (1 cm +m.v.) tot in het grondwater, zodat wortels deze fysieke barrière niet kunnen passeren. Indien plaatsing tot in het grondwater niet mogelijk is, dient de barrière ten minste te worden geplaatst in een wortelwerende bodemzone (sterk verdicht of bijvoorbeeld zuurstofarm) zodat wortelgroei onder de barrière door wordt voorkomen. Indien wortelontwikkeling buiten de aangelegde groeiplaats niet wenselijk is, dan even tueel ‘rondom’ verticale wortelbarrières plaatsen langs de rand(en) van de groeiplaats maar wel ten minste op voldoende afstand van de stamvoet, zodat ontwikkeling van benodigde (toekomstige) stabiliteitswortels niet wordt gehinderd. Voor verantwoorde plaatsingsafstanden zie normen minimale obstakelvrije zone in relatie tot beoogd eindbeeld (Handboek Bomen 2018 | H1 | Bomenontwerp | art. 1.19). Bij een beperkte bewortel bare diepte (< 75 cm -m.v.) is doorgaans een verruiming van de plaatsingsafstand (obstakelvrije zone) noodzakelijk. Naast wortelbarrières bestaan er tevens wortelgeleidingssystemen; hiervoor gelden sterk afwijkende plaatsingseisen (niet nader in het Handboek Bomen gedefinieerd).
d. Mantelbuizen | gestuurd boren Doel: het gecontroleerd door voeren van kabels en leidingen binnen de bewortelingsruimte van een groeiplaats.
Omschrijving: het gecontroleerd en fysiek afgeschermd doorvoeren van kabels en/of leidingen binnen de groeiplaats van bomen via het bij de aanleg van de groeiplaats (of bestaande groeiplaats) horizontaal plaatsen van één of meerdere mantelbuizen. Mantel buizen voorkomen daarmee (toekomstige) wortelschade door graafwerkzaamheden wanneer kabels en/of leidingen moeten worden geplaatst of worden vervangen. Mantelbuizen (doorgaans slagvaste PVC) met een variabele diameter (afhankelijk van de maatvoering van de door te voeren kabel of leiding) en een lengte die ten minste de bewortelingsruimte van de groeiplaats overspant plaatsen op de diepte die voor de betreffende kabel of leiding gangbaar en bruikbaar is. Mantelbuizen maken het relatief gemakkelijk om kabels en leidingen door te voeren binnen de bewortelingsruimte van een groeiplaats. Bij bestaande bomen kunnen kabel en leidingen (als alternatief voor het graven) via zogenaamd ‘gestuurd boren’ gecontroleerd worden doorgevoerd, al dan niet in combinatie met het plaatsen van mantelbuizen. Bij gestuurd boren in een bestaande bewortelingsruimte moet de boring op zodanige plaats en diepte plaatsvinden (vooronderzoek) dat schade aan de stabiliteitswortels wordt voorkomen (zie ook Handboek Bomen 2018 | H2 | Werken rond bomen | art. 2.50).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
93
e. Wortelstraten
Omschrijving: het realiseren van horizontale wortelverbindingen via in de bodem aangebrachte kunstmatige ‘wortelstraten’ (geleide doorwortelbare grondstroken).
• Horizontale wortelgeleiding Doel: het met behulp van wortelgeleiding creëren van horizontale wortelverbindingen met een elders gelegen doorwortelbare ruimte. Ook als groeiplaatsverbeterende maatregel ten behoeve van het uitbreiden van de bestaande doorwortelbare ruimte.
Wortelstraten plaatsen middels het in de bodem uitgraven (eventueel, bij korte afstanden, horizontaal gestuurd boren) van horizontale verbindingsstroken met een doorsnede van ten minste 0,5 tot 1,0 m en een lengte die nodig is om de gewenste afstand te overbruggen (tot meer dan 10 m mogelijk). De wortelstraten opvullen met een goed doorwortelbaar bodemmedium, bijvoorbeeld bomenzand of bomengrond en fysiek afschermen met bijvoorbeeld een krattenstructuur. Het plaatsen van wortelstraten wordt ook toegepast als groeiplaatsverbeterende maat regel bij bestaande bomen met als doel het creëren van extra doorwortelbare ruimte middels het realiseren van een toegang c.q. verbinding tot een alternatieve doorwortelbare ruimte (bijvoorbeeld met een verderop gelegen groenstrook). Opmerking: aan de rand van de stabiliteitskluit (radiaal) geplaatste wortelstraten kunnen tevens de boomverankering verbeteren (vanuit bestaande plantvak vergroting van de zijdelingse ontwikkelingsmogelijkheden van stabiliteitswortels).
f. Wortelpijlers
Omschrijving: het (binnen de groeiplaats) realiseren van verticale wortelgeleiding via in de bodem aangebrachte ‘wortelpijlers’ (geleide doorwortelbare grondkolommen).
• Verticale wortelgeleiding Doel: het met behulp van verticale wortelgeleiding verkrijgen van wortelverbindingen met dieper in de bodem gelegen doorwortelbare ruimte of grondwater.
Wortelpijlers plaatsen middels het uitboren (eventueel uitzuigen of uitspuiten) van verticale bodempijlers met een diameter van minimaal 10 à 20 tot ca. 40 cm. De uitgezogen of uitgeboorde grondpijlers opvullen met een goed doorwortelbaar bodemmedium, bijvoorbeeld grof bomenzand. De wortelpijlers plaatsen tot ca. 20 cm in de gewenste bodemlaag of tot net aan het grondwater (GLG). Maximale pijlerdiepte circa 1,5 tot ca. 3,0 m -m.v., mede afhankelijk van de bodemopbouw, het bewortelingspatroon en de zuurstofhuishouding. Het plaatsen van wortelpijlers is alleen zinvol indien er in de diepere bodemlagen waarin de pijlers worden aangebracht, voldoende bodemzuurstof beschikbaar is (gehalte O2 minimaal 12%). Per 4 m2 grondoppervlak van de groeiplaats minimaal 1 wortelpijler plaatsen met een diameter van 40 cm (of 2 tot 3 pijlers met een diameter van 10 tot 20 cm) met een minimum van ten minste 2 tot 4 pijlers per groeiplaats. De pijlers gelijkmatig verdelen binnen het grondvlak van de groeiplaats.
Ook als groeiplaatsverbeterende maatregel voor het doorbreken van storende (doorgaans sterk verdichte) bodemlagen of het verbeteren van de verankering.
Het plaatsen van wortelpijlers wordt tevens toegepast als groeiplaatsverbeterende maatregel bij bestaande bomen. Bijvoorbeeld voor het doorbreken van storende bodemlagen en realiseren van een grotere bewortelingsdiepte. Aan de rand van de stabiliteitskluit geplaatste wortelpijlers kunnen tevens de boomverankering verbeteren (kunstmatige vorming nieuwe ‘verankeringspenwortels’). Wortelpijlers bij bestaande bomen plaatsen binnen de bestaande groeiplaats maar op voldoende afstand van de boom (buiten de stabiliteitskluit) om schade aan stabiliteitswortels te voorkomen. Opmerking: het doorbreken van storende lagen met wortelpijlers kan ook als ongewenst effect het vrijkomen van moerasgas (CH4) of kwelwater veroorzaken. Bodemonderzoek vooraf naar de mogelijkheden en effecten van het doorbreken van storende lagen is noodzakelijk.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
VERVOLG OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
94
VERVOLG OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN g. Voedingspijler Doel: het met behulp van gefixeerde voedingspijlers in de bodem inbrengen van organische (duurzame) meststoffen. Doorgaans toegepast als groeiplaatsverbeterende maatregel bij bestaande bomen
Omschrijving: het verhogen van het ‘voedingsaanbod’ in de bodem middels voedings pijlers. Voedingspijlers plaatsen middels het uitboren (eventueel uitzuigen of uitspuiten) van verticale bodemkolommen met een diameter van circa 10 tot 20 cm. De kolommen opvullen met voedingsgrond met aanvullende organische (duurzame) meststoffen(mengsels). Voedingspijlers plaatsen binnen de bestaande bewortelingszone (maar buiten de zone van de stabiliteitskluit) tot op een diepte van maximaal 60 tot 80 cm -m.v. (maar ten minste 1 5 cm boven de grondwaterstand (GHVG)). Per 4 m2 grondoppervlak 2 à 3 voedingspijlers plaatsen. De voedingspijlers gelijkmatig verdelen binnen het doorwortelde deel van de groeiplaats. Het plaatsen van voedingspijlers wordt vooral toegepast als groeiplaatsverbeterende maatregel bij bestaande bomen. Een voedingspijler (met organische meststoffen) kan de zuurstofhuishouding in de bodem negatief beïnvloeden (afbraak organische stof).
h. Ploffen + injecteren • Pneumatisch losbreken van een verdichte bodem of toplaag
Omschrijving: het met behulp van een in de bodem ingebrachte holle lans, middels luchtimpulsen vanuit de lans losbreken van een verdichte bodemstructuur (creëren van bodemscheuren) alsmede het doorbreken van verdichte top- en storende bodemlagen. Al dan niet gecombineerd met het inbrengen van een drager (bijvoorbeeld perliet) en het injecteren van (vaste of opgeloste) bodemstructuurverbeteraar en/of meststoffen.
Doel: het opbreken van een verdichte bodemstructuur middels luchtimpulsen, al dan niet gecombineerd met het inbrengen van bodemstructuurverbeteraar en/of meststoffen.
Lansinjecties (lanspunten) gelijkmatig verdeeld binnen het grondoppervlak (maaiveld) van de groeiplaats (maar buiten de zone van de stabiliteitskluit) uitvoeren met meerdere luchtimpulsen (en injecties) op verschillende diepten (bijvoorbeeld op elke 50 cm vanaf 50 cm -m.v.) tot op een bewerkingsdiepte van maximaal 1,5 m -m.v. en tot maximaal 15 cm boven de grondwater (GWST).
Doorgaans toegepast als groeiplaatsverbeterende maatregel bij bestaande bomen.
Toepasbaar binnen bestaande of potentieel geschikte bewortelingsruimte. Het benodigde aantal lanspunten bedraagt circa 1 tot 2 per 4 m2 grondoppervlak en is afhankelijk van het bodemtype, het vochtgehalte van de bodem en de luchtverwerkingscapaciteit. Wanneer er in de bodem feitelijk alleen (mest)stoffen worden geïnjecteerd is er primair sprake van bemesting. Organische meststoffen die worden geïnjecteerd (vooral dieper in de bodem) kunnen de zuurstofhuishouding van de bodem (sterk) negatief beïnvloeden. Na (bouw)werkzaamheden ook geschikt voor het opheffen van in de bodem ontstane toplaagverdichtingen en verslemping van de toplaag.
i. Mulchlaag • Maaiveld afstrooien (afdekken) met een toplaag van gecomposteerde houtsnippers (mulch). Doel: beperken bodemvochtverdamping en stimuleren van bodemleven (schimmels) door afbraak van houtvezels (lignine en cellulose).
Omschrijving: het op de open boomspiegel of het open maaiveld rond een boom aan brengen van een toplaag (5 tot maximaal 7 cm) van gecomposteerde houtsnippers (max. 40 mm) of van een grove fractie van schimmeldominante compost (20 - 40 mm). Mulchen van de toplaag wordt zowel bij de aanplant van nieuwe bomen alsook als groeiplaatsverbeterende maatregel bij bestaande (oudere) bomen toegepast. Bestaande graszode binnen de kroonprojectie wordt dan bijvoorbeeld verwijderd en vervangen door genoemde mulchlaag. Bij de toepassing van schimmeldominante compost alleen de grove factie toepassen en zorgdragen dat compost reeds goed is uitgerijpt om overmatig zuurstofgebruik en anaerobe afbraak te voorkomen (respiratieproef < 10 mmol O2/kg). Een schimmel dominante compost is doorgaans afkomstig van de compostering van houtige gewassen en bladmateriaal. Een goede compost heeft een losse structuur (niet plakkerig) en ruikt naar schimmels (champignonlucht) en mag zeker niet zuur ruiken!
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
95
j. (Anti)maaipaaltjes Doel: het fysiek beschermen van de stamvoet en onderstam tegen maaischade.
Omschrijving: het rond de stamvoet van de boom plaatsen van ten minste kniehoge (beschermings)paaltjes als fysieke bescherming ter voorkoming van maai- en aanrijschade. Korte (boom)palen (doorgaans 3 of 4 per boom) ca. 30 tot 50 cm boven het maaiveld uitstekend, gelijkmatig rond de boom plaatsen. Driehoek of vierkant met boom als middelpunt. De (anti)maaipaaltjes goed gemarkeerd en voldoende diep (minimaal 1/2 deel ondergronds) en stevig in de grond plaatsen. Maaipaaltje buiten de kluitdiameter aanbrengen om schade in de wortelkluit te voorkomen. Open boomspiegel: in veel gevallen is het beter voor de boom om rond de boom een r uime open boomspiegel in het gras aan te leggen (met eventuele mulchlaag, zie i. Mulchen). Eventuele risico’s op maaischade worden zo verkleind. Boomspiegel onkruiden grasvrij houden uitsluitend (handmatig) mechanisch uitvoeren om schade aan stam en wortelaanlopen te voorkomen.
k. Boombeschermer Doel: het fysiek, doorgaans rondom, (permanent) beschermen van de stam en stamvoet.
Omschrijving: het middels een fysieke constructie (permanent) beschermen van de stam en stamvoet van de boom. Verschillende ‘kant-en-klare’ modellen zijn standaard beschikbaar, van een simpele verhoogde betonrand (ter voorkoming van aanrijschade door auto’s) of een basale gaaskorf bevestigd aan de boompalen (ook ter voorkoming van vraatschade door vee) tot gestandaardiseerde of juist op maat gemaakte boombeschermers in de vorm van gebogen stalen frames etc. Fysieke boombeschermers moeten voldoende ruim van formaat en juist geplaatst zijn, zodat ze bij plaatsing geen (ondergrondse) schade veroorzaken aan de stamvoet en (stabiliteits)wortels en bij toenemende (dikte)groei van de boom geen boomschade veroorzaken door schuren, afknellen of insnoeren.
l. Boomrooster Doel: het fysiek beschermen van het open maaiveld (boomspiegel) rond de stamvoet van de boom. Het voorkomen van bestratings opdruk rond de stamvoet.
Omschrijving: een rond de boom (doorgaans metalen) in schaaldelen of segmenten aangebracht, open rooster met een in de regel ronde opening in het midden voor de doorvoer van de stam. Het rooster moet het open maaiveld of specifiek de plantspiegel beschermen tegen betreding, bodemverdichting en toplaagverslemping. Een boomrooster van voldoende omvang en met voldoende vrije ruimte direct onder het rooster (zwevende constructie) voorkomt tevens bestratingsopdruk rond de stamvoet van de boom. De vrije ruimte tussen het maaiveld van de boom en de onderzijde van het rooster kunnen (indien gewenst, bijvoorbeeld in het kader van ‘zwerfvuil’) worden ingevuld met lava, gebakken kleikorrels of split aangebracht op een onkruidwerende (water- en luchtdoorlatende) doek. Boomroosters moeten net als boombeschermers juist geplaatst zijn, zodat ze bij plaatsing geen (ondergrondse) schade veroorzaken aan de stamvoet en (stabiliteits)wortels en voldoende ruim van formaat zijn, zodat ze bij toenemende (dikte)groei van de boom geen boomschade veroorzaken door afknellen of insnoeren van de stamvoet. Opmerking: voorkomen moet worden dat boomspiegels of boomroosters lozingsplaatsen worden van vervuild water of afvalwater (bijvoorbeeld lozing van zout water door een viskraam op een marktplein).
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
VERVOLG OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
96
VERVOLG OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN m. D rainagesysteem / Drainagezand Doel: het middels een drainagesysteem of drainagezand afvoeren of reduceren van grondwater of capillair water vanuit het grond water zodat meer drooglegging kan worden gerealiseerd.
Omschrijving: drainage in algemene zin is zinvol bij een hoge grondwaterstand (GWST: GHG < 60 cm -m.v.) en bedoeld om op de betreffende locatie een zo gunstig mogelijke maximale doorwortelbare diepte te kunnen bereiken. Een hoge grondwaterstand (‘natte voeten’) is ongunstig omdat in de met water verzadigde zones geen wortelontwikkeling mogelijk is doordat daar zuurstof ontbreekt. Reductie van de capillaire opstijging, drainage en drooglegging kunnen de doorwortelbare diepte vergroten. Omschrijving drainagesysteem: een in de bodem aangebracht drainagesysteem (met terugslagklep) dat het grondwater (eventueel geforceerd) permanent afvoert ten behoeve van een zekere drooglegging. Het waarborgen van een permanente afvoer (stabiele ‘kunstmatige’ GWST) is essentieel om wortelsterfte te voorkomen. Omschrijving drainagezand: een direct boven het grondwater aangebrachte laag van 5 tot 10 cm grof humusloos zoet zand ten behoeve van de minimalisering (beperking) van de capillaire opstijging vanuit het grondwater (voorkomen van ‘natte voeten’). Bij toepassing van drainagezand moet een volledig verlies van contact met het grondwater worden voorkomen (beperk de laagdikte van het drainagezand), zodat de voordelen van een grondwaterprofiel gewaarborgd blijven (vochtnalevering).
Als alternatief voor, of als aanvulling op drainage kan gekozen worden voor een inrichting van de groeiplaats via een (lokaal) verhoogd maaiveld of het plaatsen van een verhoogde constructie op het bestaande maaiveld (bijvoorbeeld bakrand) zodat meer drooglegging (lees: doorwortelbare diepte) vanaf het maaiveld ontstaat.
n. Drukspreidende constructie • rijplaten • geotextuur • sandwichconstructie
Doel: het middels een druk verdelende constructie (sterk) reduceren van de drukbelasting op de onderliggende bodem.
Omschrijving: een op de groeiplaats horizontaal geplaatste, drukspreidende constructie waarmee de drukbelasting vanaf het maaiveld (bijvoorbeeld wieldruk van voertuigen) wordt gereduceerd c.q. verdeeld in de ondergrond. Verschillende drukspreidende constructies zijn beschikbaar. Van een tijdelijk aangebrachte rijplatenbaan (ten behoeve van tijdelijke bouwactiviteiten) tot relatief eenvoudige maar zeer efficiënte geogrid-structuren en complete, al dan niet zelfdragende sandwichconstructies. In de meeste gevallen worden rechtstreeks bovenop de drukspreidende constructie het zandcunet en de verharding aangebracht. Drukspreidende constructies met een deels open ‘luchtgevulde’ structuur (luchtlaag tussen maaiveld van de boom en de aan te brengen wegfundering) werken tevens als natuurlijke wortelbarrière en reduceren daarmee (bij een juiste plaatsing) de kans op bestratingsopdruk. Wanneer een drukspreidende constructie zelfdragend is, is er feitelijk sprake van een fysieke wortelbunker (zie o. Zelfdragende constructie). Nadeel van de drukspreidende en zelfdragende constructies is dat ze in de verticale opbouw van het profiel een ‘aanzienlijke’ ruimte kunnen innemen die ten koste gaat van de beschikbare verticale bewortelings ruimte. Vooral bij een hoge grondwaterstand kan dit nadeel zwaarwegend zijn.
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
97
o. Zelfdragende constructie • ‘ Zwevende’ constructie • Wortelbunker/box Doel: het creëren van een ondergronds fysiek (volledig) afgeschermde (inpandige of overspannen) niet door druk belaste doorwortelbare ruimte.
Omschrijving: zelfdragende, doorgaans civiele constructie (beton, kunststof etc.) met een ‘inpandige’ of ‘overspannen’ ruimte ten behoeve van het realiseren van een afgeschermde wortelruimte. Binnen een wortelbunker/-box heeft de drukbelasting van het maaiveld geen invloed (meer) op de in de wortelbunker/-box afgeschermde doorwortelbare ruimte, waardoor er geen wortelgroeibeperkingen door bodemverdichting meer zijn (geen civiele belastings eisen) en rijke bomengrondmengsels met een voor bomen optimale ‘losse’ bodem structuur kunnen worden toegepast. Diverse civieltechnische (prefab)constructies zijn ‘kant-en-klaar’ of juist specifiek als ‘maatwerk’ beschikbaar. Zie voor nadeel op verticale bewortelingsruimte ook ‘druk spreidende’ constructie.
p. Waterbuffer | Waterberging • waterbergingskratten • kunstmatig freatisch vlak Doel: het kunstmatig creëren van een vochtvoorziening voor bomen, al dan niet gecombineerd met een extra waterberging voor (tijdelijk) overvloedig (regen)water.
Omschrijving: de inrichting van groeiplaatsen kan gecombineerd worden met de buffering van water of het kunstmatig creëren van een (permanent) freatisch vlak ten behoeve van de vochtvoorzieningen voor bomen waar geen of onvoldoende natuurlijk grondwater beschikbaar is (bijvoorbeeld: hangwaterprofiel of gesloten groeiplaatsconstructies). Genoemde waterbuffering of het kunstmatig creëren van een freatisch vlak kan bijvoorbeeld door middel van zogenaamde waterbergingskratten of de realisatie van een water inlaat (met overstroomfunctie) onderin een gesloten bakconstructie. Bomen kunnen vanuit de waterbuffer of het (kunstmatige) freatische vlak water opnemen (kunstmatige GWST). Het is essentieel dat het waterniveau stabiel is en dus niet (te sterk) fluctueert zodat uitdroging of juist natte voeten voor de bomen worden voorkomen. Waterberging: een waterbufferingssysteem voor bomen kan ook gecombineerd worden met de opvang (berging) van een (tijdelijk) overvloedig wateraanbod, bijvoorbeeld tijdens extreme regenbuien. Belangrijk is dat de afvoer in het bufferingssysteem zodanig is dat de genoemde ongewenste fluctuatie van het waterniveau wordt voorkomen en er dus vanuit het waterbufferingssysteem voldoende overloop is en (blijvend) wordt gewaarborgd.
Opmerking: overvloedige infiltratie van water binnen een groeiplaats zal de zuurstofhuishouding binnen de groeiplaats (sterk) negatief beïnvloeden en kan daarmee gemakkelijk leiden tot wortelsterfte (verzadigde bodem). Ook kunnen bij de infiltratie van (regen)water gemakkelijk ongewenste vervuilingen worden meegevoerd die een sterk negatieve invloed kunnen hebben op de groeiplaats van de boom. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de inspoeling van (opgelost) strooizout. De combinatie van een groeiplaats met een waterbuffer en/of waterberging is ‘maatwerk’ en er moet rekening gehouden worden met de bovengenoemde negatieve effecten die voor de bomen kunnen ontstaan.
4.37 Overzicht: Aanvullende voorzieningen groeiplaatsen bomen | Handboek Bomen 2018
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H4 AANLEG GROEIPLAATSEN VOOR BOMEN
VERVOLG OVERZICHT AANVULLENDE VOORZIENINGEN GROEIPLAATSEN BOMEN
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
99
LEVEREN (LAAN)BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN
NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 LICENTIEVOORWAARDEN
HOOFDSTUK 5
LEVEREN (LAAN)BOMEN Het leveren van gekweekte, minimaal ‘EU-kwaliteit’ (gecertificeerde) (laan)bomen met een stamomtrek vanaf kwekerijmaat 14 - 16 cm.
De te leveren bomen moeten van zodanige kwaliteit zijn dat deze, met inachtneming van de gestelde leveringsen verwerkingseisen, een waarborg zijn voor goede hergroei en een gezonde, duurzame en kwalitatief hoogwaardige boombeplanting. Leveren (laan)bomen (H5) omvat en moet samenvattend voldoen aan: • geleverd volgens de uitvraag en de eisen Handboek Bomen 2018 | H5 | Leveren (laan)bomen • franco geleverd volgens de voorgeschreven bestellijst • voldoen aan alle EU-fytosanitaire voorschriften en EU-richtlijnen (‘EU-kwaliteit’) • van een voorgeschreven, hoogwaardige kwaliteit en soort- en rasecht zijn • in goede conditie en vitaliteit verkeren en (visueel) vrij zijn van ziekten, plagen en aantastingen • met een voorgeschreven evenwichtige kluit- of wortelgrootte die is afgestemd op de boom- en kroongrootte • vrij zijn van ‘noemenswaardige’ schades • vrij zijn van probleemtakken en vakkundig gesnoeid (aanvaard boombeeld) • ten minste voorzien zijn van een voorgeschreven etiketlabel en een bijbehorend leveranciersdocument en - indien wettelijk van toepassing - een EU-plantenpaspoort en overige wettelijke documenten • afgeleverd en gelost op de voorgeschreven leveringswijze, datum, tijd en losplaats Aanvullend (indien specifiek voorgeschreven): • optioneel: plantmateriaal moet (indien specifiek voorgeschreven) ten minste 2 jaar direct voorafgaande aan de levering in Nederland (of
een ander voorgeschreven land van herkomst of klimaatzone) zijn opgekweekt (art. 5.5a)
Uitvraagrelevante specificaties: • formuleren van de uitvraag • verwijzen in uitvraag naar eisen: Handboek Bomen 2018 | H5 | Leveren (laan)bomen • voorschrijven dat Handboek Bomen 2018 bij tegenstrijdigheden in de uitvraag (indien niet specifiek anders is voorgeschreven) prevaleert • formuleren van (specifieke) uitvraag • voorschrijven van specifieke uitgangspunten en leveringsvoorwaarden • opstellen bestellijst (art. 5.20) Optionele (aanvullende) uitvraagspecificaties: • (optioneel) voorschrijven dat plantmateriaal ten minste 2 jaar, direct voorafgaande aan de levering in Nederland of ander voor te schrijven land van herkomst (of klimaatzone) moet zijn opgekweekt (art. 5.5a)
HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder. LICENTIEHOUDER: GEMEENTE RUCPHEN