07b 2 Toelichting
Tekst van het document
Ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedssfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 23/53
Uitsnede Groene Kaart met beide locaties aangeduid met een rode respectievelijk groene contour.
Beoordeling en conclusie Uit de Groene Kaart volgt dat binnen het plangebied geen houtopstanden aanwezig zijn, waardoor van behoud van bomen geen sprake kan zijn. Met het planvoornemen worden geen waardevolle groenstructuren gerooid. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de Groene Kaart. Er zijn vanuit het visiedocument groenbeleid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.4.6 Groenstructuurplan Rucphen Toetsingskader Met het Groenstructuurplan Gemeente Rucphen ‘Landschap onthuld' zet de gemeente een beleidslijn uit voor de toekomst van het groen in de vijf kernen. Door de relatie met het landschap buiten de bebouwde kom te herstellen en meer variatie te bieden op wijkniveau wordt een duurzaam ‘frame’ aangelegd met een lange levensduur. Door groenstructuren te ontwikkelen die gerelateerd en ontleend zijn aan en geïnspireerd zijn op de ontstaansgeschiedenis, het omliggende landschap, de stedenbouwkundige opbouw en de verkeer- en ontsluitingsstructuur houden de dorpskernen hun ‘eigen’ verhaal overeind. Beoordeling Op de Groenstructuurkaart is het plangebied gelegen in de dorpskern. De visie voor de dorpskernen ziet toe op het inrichten van wijken als tuindorp met voortuinen die de straten groen kleuren. Het onderhavige initiatief betreft slechts een wijziging op perceelsniveau.
Binnen het plangebied is in de huidige situatie geen sprake van beschermde (waardevolle) groenstructuren. Met de situering van de voortuin aan de Pastoor van Eekelenstraat kan aan de visie voor de dorpskern gevolg worden gegeven. Ter hoogte van de beoogde woning is langs de Pastoor van Eekelenstraat sprake van openbaar groen. Als gevolg van onderhavig voornemen worden er echter geen ingrepen in de openbare groenstructuur gedaan. Conclusie Onderhavig initiatief is passend binnen het Groenstructuurplan van de gemeente Rucphen.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 24/53
3.4.7 Nota uiterlijk van bouwwerken Toetsingskader De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Beoordeling en conclusie Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. In de nota zijn immers alleen regels opgenomen voor rijksmonumenten, cultuurhistorisch waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin. Hiervan is in onderhavig geval geen sprake. 3.4.8 Visie Duurzaamheid 2019-2030 en beleidsregel groennorm Toetsingskader De gemeente Rucphen heeft de 'Visie Duurzaamheid 2019-2030' vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng van inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente.
Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. Om maatwerk toe te kunnen passen is de ‘Beleidsregel groennorm gemeente Rucphen’ opgesteld. Dit als nadere uitwerking van de ambitie uit de Visie duurzaamheid 2019-2030. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst aan deze nieuwe beleidsregel. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. Beoordeling en conclusie In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m2 openbaar groen per nieuwe woning. Dit uitgangspunt is niet één op één toe te passen bij (kleinschalige) stedelijke inbreidingslocaties. Per plan wordt bekeken hoe aan de doelstelling invulling gegeven kan worden.
Aangezien hier sprake is van toevoeging van een woning binnen een bestaand bouwperceel, aan een bestaande weg en in het bestaande lint (met daarbij een beperkt wegprofiel) is er geen ruimte om invulling te geven aan de 75 m2 openbaar groen. Binnen de beleidsregel is echter een staffel opgenomen waarbij de laatste trede inhoud dat de groennorm financieel kan worden ingevuld. Deze trede betreft een bedrag van € 3.750 euro (75 m2 X 50 euro). De initiatiefnemer dient hieraan te voldoen. 3.4.9 Criteria voor particulieren die op eigen grond één woning wensen te bouwen Toetsingskader In de herijkte woonvisie 2008 - 2012 - vastgesteld door de gemeenteraad op 20 maart 2008 - is aangegeven dat het wenselijk is om de criteria die van toepassing waren in de Woonvisie 2005 - 2010 voor het bouwen van woningen door particulieren op eigen grond, te verruimen. Daarbij heeft de raad de uitgangspunten als volgt geformuleerd: “De gemeente zal op een zorgvuldige wijze onder voorwaarden medewerking verlenen aan
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 25/53
woningbouw op particuliere kavels. Uitgangspunt is dat daarbij de gehele bebouwde kom als zoekgebied zal worden beschouwd. De gemeente maakt een voorstel, waarbij een soepele houding wordt aangenomen”. Op basis van deze opdracht heeft het college een beleidskader als toetsingscriterium vastgesteld. Beoordeling Ter beoordeling of medewerking wordt verleend voor het bouwen van een woning op eigen grond, is in de beleidsregel een aantal planologische criteria geformuleerd. Navolgend wordt per criterium ingegaan of wordt voldaan aan het betreffende criterium. 1.
De locatie is gelegen in een van de bestemmingsplannen voor de bebouwde kommen.
Met de ligging van het plangebied binnen het bestemmingsplan “Kom Schijf” is hiervan sprake. 2.
De locatie betreft de opvulling van een ruimte in het straatbeeld die - in geval van een binnenstedelijke uitbreiding - aan één kant is omgeven door (woon)bebouwing.
Met de bestaande woningen aan de Pastoor van Eekelenstraat 5 e.v. is hiervan sprake. Het onderhavige initiatief betreft voorts een binnenstedelijke uitbreiding. 3.
De locatie heeft een breedte van minimaal 15 meter. Een kleinere stramienmaat dan 15 meter kan worden toegestaan, indien het straatbeeld ter plaatse van de locatie waarvoor een verzoek word gedaan, wordt gekenmerkt door een kleinere stramienmaat. De minimale breedte is alsdan nooit kleiner dan 12 meter.
De locatie heeft een breedte van meer dan 15 meter. 4.
De locatie heeft een diepte van minimaal 25 meter. Het college kan hiervan afwijken als het perceel een oppervlakte van minimaal 400 m² heeft.
De locatie heeft een diepte van meer dan 25 meter (en een oppervlakte van circa 435 m 2). 5.
Invulling van de locatie is passend binnen de stedenbouwkundige opzet van de straat.
Aan de Pastoor van Eekelenstraat, De Berg en de Bergakker zijn thans enkele vrijstaande woningen gesitueerd. Met de toevoeging van een vrijstaande woning wordt dit straatbeeld voortgezet. Het plan is daarmee passend binnen de stedenbouwkundige opzet van de wijk. 6.
De locatie is rechtstreeks gelegen aan de openbare weg.
De locatie ligt aan de Pastoor van Eekelenstraat. Deze weg is openbaar toegankelijk. 7.
De locatie mag niet zijn gelegen binnen milieuhygiënische belemmeringzones.
Met de opheffing van de bedrijfsbestemming binnen het plangebied is geen sprake van de ligging binnen een belemmeringszone. 8.
De locatie moet passen binnen de uitgangspunten van de Wet Geluidhinder.
Het plangebied is niet gelegen binnen een akoestisch relevante onderzoekszone in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Vanwege de in het principebesluit gestelde randvoorwaarde van het college voor
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 26/53
medewerking aan de ruimtelijke procedure is in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ in november 2022 door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de cumulatieve geluidbelasting van de omliggende wegen. Hieruit volgt dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de uitgangspunten van de Wet geluidhinder. De resultaten van dit onderzoek worden nader toegelicht in paragraaf 4.7. 9.
De economische uitvoerbaarheid van realisering van woningbouw op de locatie moet door de aanvrager gewaarborgd worden (exploitatieovereenkomst, bouwrijp maken, planschade laten onderzoeken en uitbetalen).
Het plan is economisch uitvoerbaar. De initiatiefnemer sluit hiervoor een anterieure overeenkomst af met de gemeente. Het risico op planschade voor de gemeente Rucphen wordt afgedekt met een planschadeovereenkomst. 10.
De gemeente zal medewerking verlenen in de vorm van een partiële planherziening. De kosten van planontwerp en planprocedure komen voor rekening van de aanvrager.
Initiatiefnemer draagt de kosten voor het planontwerp en de planprocedure. Conclusie Met onderhavig initiatief wordt voldaan aan de beleidsregel ‘Criteria voor particulieren die op eigen grond één woning wensen te bouwen’.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 27/53
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 28/53
4
Planologisch relevante (milieu)aspecten
4.1 Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. 4.2 Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd.
Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling In verband met onderhavige ontwikkeling is door Milon bv in november 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725 (vooronderzoek) en NEN 5740 (uitvoering verkennend onderzoek).
Rapportage hiervan is als bijlage 1 gevoegd bij onderhavige toelichting. Door middel van het verkennend bodemonderzoek is een goed beeld verkregen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse. Hieruit volgt dat de bodemkwaliteit geen belemmeringen geeft voor het huidige gebruik en de voorgenomen herontwikkeling en het toekomstige gebruik. In het opgeboorde materiaal zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In de grond is geen gehalte boven de achtergrondwaarde aangetoond. In het grondwater is een concentratie barium aangetoond boven de streefwaarde welke vermoedelijk een van nature verhoogde achtergrondconcentratie betreft. De analyseresultaten komen overeen met de verwachting op basis van het vooronderzoek en de zintuiglijke waarnemingen. Er is op basis van de analyseresultaten geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Conclusie De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit vormt geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 29/53
4.3 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.
Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Met het Waterbeheerprogramma 2022–2027 bepaalt Brabantse Delta de doelstellingen en strategie. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050). Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Die kerntaken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Het plangebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta.
De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de waterparagraaf zijn uitgevoerd, of voor zover; b. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; c. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of; d. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 30/53
e.
de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Uitsnede van de Keurkaart Beschermde Gebieden van het waterschap Brabantse Delta waarop het besluitgebied is aangeduid met een gele ster. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2022. Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2023-2026 De gemeente Rucphen heeft samen met het Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Gemeentelijk Rioleringsplan 2023-2026 opgesteld. De gemeente dient zorg te dragen voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. De uitvoering van werkzaamheden wordt intern integraal afgestemd en bij voorkeur gecombineerd met wegbeheer en reconstructie van de openbare ruimte zodat kosteneffectief 'werk-met-werk' gemaakt kan worden.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 31/53
Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat het plangebied niet gelegen is binnen een attentiegebied, beschermd gebied waterhuishouding of het invloedsgebied Natura 2000. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Uit beoordeling van de Leggerkaart volgt dat de dichtstbijzijnde waterloop gelegen is op een afstand van 70 meter ten noordoosten van het plangebied. Deze categorie A waterloop wordt niet belemmerd door het initiatief. De ontwikkelingen hebben daarmee geen invloed op de waterlopen. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het grondwaterbeschermingsgebied Schijf heeft in paragraaf 3.3.2 toetsing plaatsgevonden aan artikel 3.11 Iov. Hieruit volgt dat in de regels geborgd moet zijn dat er bij (het toelaten van een) ruimtelijke ontwikkeling een zorgvuldige afweging plaatsvindt dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. Onderhavig plan gaat uit van woningbouw. Voor woonfuncties geldt geen verhoogd risico op vervuiling van grondwater.
Door middel van het opnemen van de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – 25 jaarszone kwetsbaar’ en ‘milieuzone – boringvrije zone’ op de verbeelding en in de regels van onderhavig bestemmingsplan, met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningstelsel, is de bescherming van de kwaliteit van het grondwater juridisch gewaarborgd. De gronden binnen het plangebied beslaan een totale oppervlakte van circa 900 m2. Het bedrijfsperceel is in de huidige situatie gelegen op gronden die volledig bebouwd en verhard zijn. Het woonperceel met een oppervlakte van 432 m2 is in de huidige situatie vrijwel volledig onverhard. Uitgangspunt is dat circa 50% van het totale oppervlak verhard wordt vanwege de nieuwe woning, bijgebouwen en tuinverhardingen. De verhardingstoename vanwege het plan bedraagt daarmee (432 m2 x 0,5 =) 216 m2. Op basis van de eisen van waterschap Brabantse Delta behoeft in dat geval niet te worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een retentievoorziening. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden.
In zijn algemeenheid is voor de waterhuishouding in nieuwe projecten de realisatie van een duurzaam gescheiden systeem uitgangspunt. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op (niet vervuilde) terreinverhardingen, zoveel als mogelijk apart dient te worden ingezameld en dat alleen het vervuilde afvalwater via het bestaande riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die getransporteerd wordt naar de rioolzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen. Voor onderhavig project wordt het schone hemelwater zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze afgevoerd. Het toekomstig vuilwater kan worden aangeboden aan de bestaande gemeentelijke riolering. Een rioolaansluiting dient te worden aangevraagd via de website van gemeente Rucphen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating.
Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Onderhavig bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 32/53
Conclusie Er worden vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het initiatief. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart. Het plangebied is geduid met een gele ster. Bron: Provincie Noord-Brabant, 2022.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 33/53
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het plangebied is gelegen binnen de regio ‘West-Brabantse Venen’. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Onderhavig plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. Op basis van de kaartlaag ‘Indicatieve Archeologische waarden (Erfgoedinformatie van het Rijk)’ kent het plangebied voorts een hoge trefkans voor archeologische waarden. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.
Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het besluitgebied met relevantie voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek.
Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Om het aspect archeologie goed mee te wegen in een gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en verschillende archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart. Beoordeling Op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen liggen de gronden van onderhavig plangebied binnen een gebied gekenmerkt door historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 34/53
relicten en een hoge archeologische verwachting. Op deze gronden is op basis van het vigerende bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming (Waarde – Archeologie 3) toegekend, mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden ter plaatse. Voor gronden binnen dit gebied geldt een onderzoeksplicht bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m 2 en een diepte van 50 cm. De voorgenomen ingrepen in het plangebied zullen deze grenzen overschrijden. Om die reden is hier sprake van een archeologische onderzoeksplicht. Derhalve is ter plaatse van het plangebied in oktober en november 2022 door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 gevoegd bij onderhavige toelichting. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Vanwege de relatief (iets) hogere ligging op een met een laag dekzand en mogelijk een plaggendek afgedekte terrasafzettingswelvingen kan het onderzoeksgebied reeds vroeg in gebruik zijn geweest voor bewoning, landbouw en andere menselijke activiteiten. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het besluitgebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
Hierbij is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) bestaat. Het onverstoorde dekzand gaat vanaf 70 tot 90 cm -mv (ca 12,2 m +NAP) over in een (verstoord) plaggendek dat tot aan het maaiveld reikt. In boring 1 is in de top van het dekzand een restant van een podzolprofiel aangetroffen met een duidelijk herkenbaar uit- en inspoelingshorizont (E- en B-horizont. In de overige boringen is dit profiel niet aanwezig. Alleen op de locatie van boring 1 blijft de hoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum gehandhaafd. Voor het overige deel van het plangebied dient de hoge verwachting naar een lage verwachting te worden bijgesteld. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling op voorwaarde dat met inbegrip van een veiligheidsmarge van 20 cm geen bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv (12,0 m +NAP) plaatsvinden in een zone rondom boring 1. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.
De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed tevens plaats te vinden bij de gemeente Rucphen. Indien toch bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv plaatsvinden in een zone rondom boring 1, wordt aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Dit dient te bestaan uit een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek en heeft als doel het aantonen van de aan-/afwezigheid van vuursteenvindplaatsen. Op grond van de resultaten van het rapport zal de bevoegde overheid een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Conclusie Door middel van een archeologische dubbelbestemming wordt behoud en bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden gewaarborgd. 4.6 Ecologie 4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten.
Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 35/53
natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld', gelegen op Belgisch grondgebied op circa 7,5 kilometer afstand tot het plangebied. Op Nederlands grondgebied is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied de ‘Brabantse Wal' op een afstand van circa 12 kilometer. Natura 2000gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden zullen optreden bij de realisatie van het project. Wel dient een berekening te worden gemaakt voor het plan betreffende de stikstofdepositie. Op het aspect stikstof wordt in navolgende paragraaf ingegaan. De minimale afstand tot overige (beschermde) natuurgebieden is circa 600 meter. Deze gebieden zijn op dusdanige afstand gelegen dat negatieve effecten door directe verstoring (o.a. trillingen en geluid) van het plan op voorhand kunnen worden uitgesloten.
De aard en omvang van de voorgenomen ingreep in het plangebied kan daarbij redelijkerwijs tijdelijk worden genoemd en daarmee geen negatief blijvend effect veroorzaken. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde natuurgebieden. 4.6.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 8,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied op Belgisch grondgebied ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld'. Op Nederlands grondgebied is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied de ‘Brabantse Wal' op een afstand van circa 12 kilometer. Dit betreffen gebieden die beschermd zijn krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.
Beoordeling Voor onderhavige ontwikkeling is in februari 2023 door De Roever Omgevingsadvies een AERIUS-berekening uitgevoerd (en geactualiseerd in februari 2024). Rapportage van dit stikstofdepositieonderzoek is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook eventuele stikstofdepositie op buitenlandse (Belgische) natuurgebieden vormt geen belemmering voor het plan. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 36/53
4.6.3 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In november 2022 is door De Roever Omgevingsadvies ter plaatse van het plangebied een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Rapportage hiervan is als bijlage 4 gevoegd bij onderhavige toelichting.
Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit het onderzoek volgt dat als gevolg van onderhavige ontwikkeling er geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna verwacht wordt. Nader ecologisch onderzoek of een ontheffing van de Soortenbescherming wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. In de nabijheid waargenomen beschermde soorten zijn bij het terreinbezoek niet waargenomen binnen het plangebied. De aangetroffen biotopen zijn voor sommige beschermde soorten geschikt als leefgebied, maar hiervoor is voldoende alternatief leefgebied in de omgeving. Hiermee is aangetoond dat de Wet natuurbescherming niet zal worden overtreden met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en bouw van de woning mits er ruim buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart -15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. In algemene zin dient de Zorgplicht altijd in acht te worden genomen. Indien een soort die niet in de rapportage wordt genoemd op het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd.
Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake deskundige en een maatregel toe te passen zodat de wet niet wordt overtreden. Conclusie Uit de quickscan volgt dat er geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna verwacht worden. Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Soortenbescherming is niet noodzakelijk. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, bestemmingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art. 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 37/53
• •
de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid).
De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Stedelijk Buitenstedelijk Aantal meter aan weerszijden van de weg 350 m 600 m 350 m 400 m 200 m 250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het plangebied is niet gelegen binnen een akoestisch relevante onderzoekszone in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Vanwege de in het principebesluit gestelde randvoorwaarde van het college voor medewerking aan de ruimtelijke procedure is in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ in november 2022 door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de cumulatieve geluidbelasting van de omliggende wegen.
Rapportage hiervan is als bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 47 dB bedraagt ter plaatse van de voorgevel van de woning (begane grond en 1e verdieping). De vereiste karakteristieke geluidwering G a;k bedraagt dan 20 dB (Standaardeis uit het bouwbesluit). Een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende geveldelen is niet nodig. De geluidniveaus ter plaatse van de woning variëren van 31 en 47 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woning wordt derhalve als acceptabel aangemerkt. Geconcludeerd kan worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Conclusie Geluidbelasting afkomstig van wegverkeer staat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg. 4.8 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen.
Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 38/53
verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-brochure onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied is, gelet op de uniforme woonfunctie, gelegen in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustige woonwijk. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavige ontwikkeling is gericht op het realiseren van een woning en het opheffen van een bedrijfsbestemming. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven in navolgende tabel. Het betreft de richtafstanden in geval van het omgevingstype rustige woonwijk behorend bij de maximale planologische mogelijkheden per locatie. Inrichting
Locatie
Max. milieucategorie
Richtwaarde VNG
Feitelijke afstand
Agrarisch - glastuinbouw
De Berg 3
2
30 meter
50 meter
Bedrijf
Pastoor van Leijsenstraat 9A
2
30 meter
100 meter
Bedrijf
Oud Kerkpad 16
2
30 meter
110 meter
In bovenstaande tabel is gemeten vanaf de grens van de hindergevende bestemming tot de nieuwe woning aan de Pastoor van Eekelenstraat. Relevante bedrijvigheid vindt doorgaans op nog grotere afstand plaats. Uit de tabel is af te lezen dat voor alle omliggende bedrijvigheid aan de richtafstanden kan worden voldaan. Een goed woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning is daarmee gewaarborgd. Omgekeerd betekent dit ook dat onderhavige ontwikkeling omliggende bedrijven niet in hun bedrijvigheid belemmert. Bovendien geldt dat de bestaande tussenliggende woonbestemmingen maatgevend zijn voor omliggende hindergevende bestemmingen. Tot slot wordt met het vervallen van de bedrijfsbestemming aan De Berg 10 een positief effect op het woon- en leefklimaat ter hoogte van de bestaande omliggende woningen bewerkstelligd. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
4.9 Externe veiligheid 4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 39/53
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de EV Signaleringskaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in en nabij het plangebied (binnen 1 km) geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn en dat het plangebied niet is gelegen binnen de contouren of het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Voor het overige zijn er ook geen andere relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Uitsnede EV Signaleringskaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster.
4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 40/53
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de EV Signaleringskaart geraadpleegd. Hieruit volgt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 5,8 kilometer van de Rijksweg A58. Over deze transportroute vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de signaleringskaart is onderhavig plangebied niet gelegen binnen een risicocontour van deze weg. Gelet op de ruime afstand van de transportroute tot het plangebied vormt de ligging hiervan geen belemmering voor onderhavig voornemen ten aanzien van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Er hoeven geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied door transport van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen.
Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de EV Signaleringskaart geraadpleegd. Hieruit volgt dat de dichtstbijzijnde hogedruk aardgasleidingen (A-530, A-614 en A-657) zijn gelegen op een afstand van circa 1,1 kilometer. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Gelet op de ruime afstand van de buisleidingen tot het plangebied vormt de ligging ervan derhalve geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.
De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 41/53
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden.
Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg • 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling • 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg • 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Rucphenseweg op een afstand van circa 1,7 kilometer. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg onder de grenswaarden lagen. Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 2 dat het aantal verkeersbewegingen ten aanzien van het onderhavige planvoornemen slechts zeer beperkt zal toenemen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 42/53
Uitsnede luchtkwaliteitskaart. Met de gele ster is globaal het plangebied geduid. Bron: nsl-monitoring.nl, 2022.
4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. 1. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; 2. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; 3. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; 4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; 5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.
1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én
leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
datum referentie
19 maart 2024 213735_AdB_RAP_0002_v3.0
P 43/53
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.
De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.