CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

06a toelichting bp Berkstraat t NL.IMRO.0840.9000B0035-ON01 2020-10-01 2

gemeenteraad 3 februari 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Berkstraat ongenummerd naast 1a te Sprundel’17.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 11: Deelgebied Het Oosten, LOP Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 27 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het Oosten Karakteristiek Het gebied ten oosten van de kernen bestaat hoofdzakelijk uit oude besloten zandontginningen, met als uitzondering het gebied ten zuiden van de Blikloop, dat kan worden gekarakteriseerd als coulisselandschap. De reliëfrijke ondergrond en de grillige waterhuishouding hebben een belangrijke rol gespeeld in de wijze van ontginning van het landschap. Op de relatief hogere gronden zijn monumentale boerderijen en oude bolle akkers terug te vinden. Vanaf deze plekken zijn in een later stadium de lager gelegen delen in cultuur gebracht. De geschiedenis van het gebied is terug te vinden in de namen van de straten zoals Heikant en Turfstraat en in de aanwezigheid van de Oude Vaart en de Turfvaart. De kavelstructuur is grillig en is her en der aangezet met houtwallen. Het grootste deel van deze karakteristieke elementen is echter verloren gegaan. Een ander opvallend element is de laanbeplanting langs de wegen. Het patroon van bomenrijen en lanen maakt het landschap kleinschaliger. Door de grillige structuur en de aanwezigheid van veel opgaande beplanting zijn landschapskamers ontstaan die allerlei agrarische functies herbergen. Er bevinden zich veel intensieve veehouderijen, maar ook boomteelt en kassen. Het landelijke gebied ten zuiden van de Sprundelseweg Rucphense Baan vormt een fraai contrast met het industriegebied ten noorden van de weg.

Opgaven voor het landschap De planlocatie ligt in het attentiegebied in de Verordening Waterhuishouding. De functies in dit deel moeten zijn afgestemd op waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het grootste deel van Het Oosten is aangewezen als verwevingsgebied. Dit deelgebied biedt dus mogelijkheden voor verschillende functies waaronder de intensieve veehouderij, mits deze de andere functies zoals wonen niet hindert. Een deel is als extensiveringsgebied melkveehouderij bestempeld, een ander deel als natuurontwikkelingsgebied. De beoogde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. In paragraaf 5.5.4 komt de landschappelijke inpassing aan bod. De planlocatie wordt landschappelijk afgerond middels een hakhoutsingel en een knip- en scheerheg rondom het perceel en voldoet hiermee aan de opgaven voor het landschap uit het LOP. 3.4.5

Structuurvisie Landschap

De gemeente Rucphen beschikt reeds over een Landschapsontwikkelingsplan (LOP). Hierin wordt het ideaalbeeld van het Rucphense landschap geschetst en zijn projecten benoemd om dit ideaalbeeld te kunnen bereiken. Het LOP vormt de basis voor de structuurvisie. De Structuurvisie Landschap geldt niet als toetsingskader voor nieuwe initiatieven maar fungeert uitsluitend als aanvulling op en actualisering van het LOP en geldt als naast de meer algemene Structuurvisie-plus als specifieke op het landschap gerichte structuurvisie. Deze structuurvisie heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg en kwaliteit van het landschap conform het ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ principe uit de provinciale Ruimtelijke verordening. Om het ideaalbeeld uit het LOP te kunnen bereiken mogen de ruimtelijke kenmerken van de deelgebieden niet worden aangetast maar dient het landschap te worden hersteld en versterkt. Ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Rucphen landschapspakketten per deelgebied opgesteld waarin wordt aangegeven welke landschapselementen toegepast kunnen worden om het deelgebied afhankelijke landschap te kunnen versterken. De planlocatie Berkstraat ong. naast nr. 1a te Sprundel ligt in het deelgebied ‘Het Oosten’, ‘Besloten’.

Voor dit deelgebied zijn diverse landschapspakketten toepasbaar, onder andere: Hakhoutsingel, bossingel, Klein bosje, struweelhaag, knip- en scheerheg. Kwaliteitsverbetering van het landschap in de zin van de Interim omgevingsverordening is niet van toepassing. Voor de landschappelijke inpassing is gekozen voor een ‘hakhoutsingel’ en een ‘knip- en scheerheg’, dit landschapselement is opgenomen voor het deelgebied.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 28 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.4.6

Visiedocument Groenbeleid

Het visiedocument Groenbeleid Rucphen maakt inzichtelijk op welke wijze invulling wordt gegeven aan groen in de gemeente en wat daarover valt op te merken. Door de verschillende typen groen te analyseren op de wijze van beheer, kwaliteit en kwantiteit ontstaat een reëel beeld van het groen binnen de gemeente. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. 3.4.7

Groene Kaart

De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt. De planlocatie ligt binnen de Groene kaart buitengebied. Op de rand van het perceel zijn lijnvormige elementen, in de vorm van knotbomen, aanwezig, deze blijven behouden. In figuur 12 is een uitsnede van de Groene Kaart weergegeven.

Figuur 12: Uitsnede Groene Kaart Rucphen

3.4.8

Rucphen ‘Landschap onthuld’ definitief Groenstructuurplan gemeente Rucphen december 2009

Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Een uitsnede van het Groenstructuurplan voor Sprundel is weergegeven in figuur 13. Het Groenstructuurplan komt voort uit het Visiedocument Groenbeleid en geeft richting aan het behoud en de ontwikkeling van groenstructuren in het stedelijk gebied. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat er niet onbekommerd aan de groene ruimte kan worden getornd. Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Sprundel kenmerkt zich door ruime en rustige straten. Het groen wordt, mede door het veelal ontbreken van straatbomen, vooral bepaald door de voortuinen. Het tuinachtige karakter zet zich voort in de openbare Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 29 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

plantvakken die er ook hier verzorgd en netjes bij liggen. Naast een aantal functionele grasveldjes ziet men vooral veel plantvakken met sierbeplantingen en daarin een of meerdere bomen die de ruimtes in de bestratingen vullen. Het openbaar groen is bijna nergens structurerend aanwezig. Incidenteel wordt een woonstraat begeleid door bomen in ruime vakken en in de dorpsdoorsnijdende Sint Janstraat is een poging gedaan om de groene hoofdstructuur met bomen (peren in verharding) te accentueren

Figuur 13: uitsnede Groenstructuurkaart

De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. Het groenstructuurplan heeft geen beleid voor de inrichting van particuliere gronden. Een nadere toetsing aan het Groenstructuurplan is derhalve niet noodzakelijk. De acties uit het groenstructuurplan hebben geen gevolgen voor de ontwikkelingen binnen de planlocatie of andersom, maar kunnen elkaar versterken. 3.4.9

Nota Archeologie gemeente Rucphen

Op 18 september 2019 is de nieuwe Nota Archeologie vastgesteld met bijbehorende Archeologisch Beleidskaart. In figuur 14 is de onderhavige planlocatie gelegen binnen ‘geen archeologische verwachting (verstoord of vrijgegeven’. In paragraaf 4.3 wordt het aspect Archeologie nader toegelicht.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 30 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 14: uitsnede archeologische beleidskaart

3.4.10

Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030

De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). De ambities van de gemeente Rucphen zijn voor nieuwbouw woningen: Bij nieuwbouw is het streven dat er duurzame woningen worden gebouwd met een Energielabel A. Het streven naar het verminderen van het verhard oppervlak in particuliere tuinen met 20% in 2030 ten opzichte van 2019. Bij nieuwe bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden door te toetsen op waterberging. Het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouw woningen op de locatie Berkstraat ong. naast nr. 1a is duurzaamheid. De woningen dienen te voldoen aan de energieprestatie-eisen (EPC), daarnaast worden de woningen gasloos uitgevoerd.

Het aspect water komt in paragraaf 4.4.4 verder aan bod. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast, wat een bijdrage levert aan de duurzaamheid. Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 31 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke structuur

4.1.1

Bebouwingspatroon

Planuitgangspunten

Het bestaande bebouwingspatroon verandert. Er worden twee nieuwe woning gerealiseerd in het bestaande bebouwingscluster. De woningen worden zodanig gesitueerd in het bebouwingscluster dat doorzichten naar het landschap behouden blijven. 4.1.2

Groen- en waterstructuur

De locatie aan de Berkstraat ong. naast nr. 1a te Sprundel wordt landschappelijk ingepast. De bestaande groenstructuren worden behouden, nieuwe groenstructuren worden toegevoegd passend in het landschap. De waterloop (zie figuur 17 paragraaf 4.4.4.) langs de planlocatie wordt behouden. 4.2

Functionele structuur

4.2.1

Algemeen

De functie van het perceel op de Berkstraat ong. naast nr. 1a te Sprundel verandert van een agrarische functie naar een woonfunctie. 4.2.2

Verkeer en parkeren

De Berkstraat is bestemd voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer. Er worden minimaal twee parkeergelegenheden gesitueerd op eigen terrein per woning. Op de planlocatie is hier voldoende plaats voor. 4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1

Archeologie

Wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2021 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

Gemeentelijk beleidskader Om invulling te geven aan deze gemeentelijk zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen. Deze kaart is onderdeel van het archeologische beleidsinstrumentarium van de gemeente Rucphen. In 2019 heeft er een update plaatsgevonden van het archeologisch beleid. De resultaten van de onderzoeken de afgelopen jaren en verschillende nieuwe wetenschappelijke publicaties waren hiervoor de aanleiding. Dit heeft

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 32 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

geleid tot een aanscherping. Op de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. In paragraaf 3.4.9 wordt de gemeentelijke erfgoedkaart getoond. Daarom is in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 de archeologische verwachtingswaarde opgenomen. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen hoog en middelhoog. Op het perceel Berkstraat ong. naast nr. 1a te Sprundel ligt de gebiedsaanduiding ‘archeologische verwachtingswaarde hoog’. Dit betekent dat bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m² en een diepte van 50 cm een archeologisch onderzoek vereist. Er is verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Transect, rapportnummer 18100087, 27 augustus 2019. Het onderzoeksrapport is toegevoegd in de afzonderlijke bijlage (bijlage 2) van het plan. De conclusie is als volgt: Op basis van het vooronderzoek is de verwachting voor archeologische intacte resten binnen het plangebied bijgesteld van hoog naar laag voor alle periodes. Deze bijgestelde verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van diepreikende verstoringen tot ver in de natuurlijk ondergrond, een pakket verspoeld dekzand en de terrasafzettingen.

Hierdoor zijn eventuele archeologische waarden in het plangebied naar alle waarschijnlijkheid zodanig verstoord of verwijderd dat er geen sprake meer is van een intact archeologisch relevant niveau of van archeologische waarden. Door deze verstoringen, waarschijnlijk een ontzanding of het gebruik als landbouwgrond, is het archeologisch relevant niveau niet meer intact aanwezig in het plangebied. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Er zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. Wel geldt dat als er tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 direct bij de gemeente dienen te worden gemeld door de vinder of uitvoerder van de werkzaamheden. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het plangebied vrijgegeven kan worden voor de bouwactiviteiten van het plan. 4.3.2

Cultuurhistorie

Bij de nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig is. Een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 is weergegeven in figuur 16.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 33 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 15: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2010(CHW), provincie Noord-Brabant

De Berkstraat is op de CHW-kaart aangeduid als historische geografie redelijk hoog. Door de beoogde planontwikkeling blijft de Berkstraat intact. 4.4

Milieu- en overige aspecten

4.4.1

Geluid

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. Wegverkeer Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan akoestische situatie bij geluidgevoelige objecten. In het kader van de Wet geluidhinder valt een woning onder een geluidsgevoelig object. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. In de zin van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten; woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden.

Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport, rapportnummer VL.1874.R01, is bijgevoegd in de afzonderlijke bijlage (bijlage 3) van dit plan.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 34 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Toets aan de Wet geluidhinder Berkstraat De geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouwwoningen bedraagt vanwege de Berkstraat 43 dB bij de westelijke woning en 44 dB bij de oostelijke woning. Deze geluidbelasting wordt op de zuidelijke gevel van de woningen berekend. Daarmee kan worden geconcludeerd dat vanwege deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Nader onderzoek naar aanvullende maatregelen om de geluidbelasting te reduceren kan achterwege blijven. Luienhoeksestraat (en Schuurkerkstraat) De geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouwwoningen bedraagt vanwege deze wegen ten hoogste 54 dB bij de westelijke woning en 47 dB bij de oostelijke woning. Deze geluidbelasting wordt bij beide woningen op de westelijke gevel berekend. Daarmee kan worden geconcludeerd dat vanwege deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij de westelijke woning wordt overschreden. De overschrijding vindt alleen plaats bij de westelijke en zuidelijke gevel en bedraagt 1 tot 6 dB. Nader onderzoek naar aanvullende maatregelen om de geluidbelasting te reduceren is noodzakelijk. Cumulatie van geluid Aangezien de voorkeursgrenswaarde slechts vanwege één weg wordt overschreden, is in onderhavige situatie geen sprake van een relevante blootstelling aan meerdere geluidbronnen vanwege wegverkeerslawaai.

Cumulatie van geluid kan in dit geval, conform de Wgh, achterwege blijven. Volledigheidshalve is echter, vanwege de korte afstand tot de kruisende wegen, wel een cumulatieberekening uitgevoerd om inzicht te geven in de aanvaardbaarheid van het akoestisch woon- en leefklimaat bij de woningen na cumulatie, hetgeen de werkelijke situatie het meest benadert. Bovendien kan de gecumuleerde geluidbelasting als uitgangspunt dienen voor de berekening van benodigde geluidwering van de uitwendige gevelconstructies van de woningen. Bij cumulatie van geluid vanwege wegverkeerslawaai bedraagt de geluidbelasting bij de westelijke woning 45 – 59 dB en bij de oostelijke woning 45 – 52 dB. De Luienhoeksestraat is de meest maatgevende weg bij de geluidbelasting na cumulatie. Maatregelenonderzoek Om de geluidbelasting vanwege de Luienhoeksestraat op de gevels van de westelijke nieuwbouwwoning te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar: • bronmaatregelen; • maatregelen in de overdrachtssfeer; • maatregelen bij de ontvanger. Bronmaatregelen Een bronmaatregel is het toepassen van een geluidarm wegdektype of het beperken van de rijsnelheid of verkeersintensiteit bij wegverkeerslawaai. Bovengenoemde maatregelen, toe te passen voor slechts één woning zijn relatief duur. Deze maatregelen zullen daarom stuiten op bezwaren van financiële aard.

Los van de financiële bezwaren, zou het toepassen van een ‘stille’ deklaag op de weg een reductie van de geluidbelasting opleveren van circa 3 dB ten opzichte van het bestaande wegdek, waarmee nog steeds de voorkeursgrenswaarde niet wordt behaald. Het verlagen van de verkeerssnelheid tot minder dan 60 km/u is in het buitenstedelijk gebied niet wenselijk vanuit verkeerskundig oogpunt. Toepassing van deze maatregelen is daarmee dus ook niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen Overdrachtsmaatregelen zijn het plaatsen van een scherm of het zodanig positioneren van de nieuwbouwwoning dat aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 35 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Aangezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ook op de verdieping(en) plaats vindt, is een hoog scherm nabij de bron of de woning noodzakelijk om de geluidbelasting op de gevels te reduceren. Het plaatsen van een dergelijk hoog scherm langs de Luienhoeksestraat of nabij de woning stuit in een onderhavige, buitenstedelijke situatie op overwegende bezwaren van landschappelijke aard, aangezien het open karakter van de (landelijke) omgeving hiermee teniet wordt gedaan. Bovendien zal het scherm geheel gesloten dienen te worden uitgevoerd, waarbij de ontsluiting van het perceel wordt bemoeilijkt en het ook het zicht op de kruising wegneemt. Deze maatregel stuit daarmee tevens op bezwaren van verkeersveiligheid. Uit nader onderzoek blijkt dat er niet genoeg ruimte op het westelijke kavel aanwezig is om de woning dusdanig te positioneren dat aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Wel blijkt uit het onderzoek dat de overschrijding van de maximale ontheffingswaarde teniet gedaan kan worden als de afstand van de westelijke woning tot de wegas van de Luienhoeksestraat met 2 meter wordt vergroot, dus minimaal 17 meter bedraagt.

De maximale geluidbelasting op de woning wordt daarmee tot 53 dB teruggebracht, hetgeen weliswaar een aanvraag hogere waarde niet voorkomt, maar wel het toepassen van een ‘dove’ gevel indien er zich grenzend aan deze gevel geluidgevoelige ruimten bevinden. Deze maatregel kan daarmee dus wel doeltreffend zijn. Maatregelen bij de ontvanger Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen, zijn maatregelen bij de woning zelf (de ontvangers) vereist. Hierbij dient in ieder geval aan de wettelijke binnenwaarde te worden voldaan. Aangezien de voorkeursgrenswaarde uitsluitend aan de westelijke en zuidelijke gevel van de westelijke woning wordt overschreden, zullen de te treffen maatregelen ook alleen aan deze gevels noodzakelijk zijn. Om te kunnen bepalen welke maatregelen genomen moeten worden, is het noodzakelijk de geluidwering van de gevels te berekenen en deze te toetsen aan het Bouwbesluit. De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering van woningen is op grond van het Bouwbesluit 20 dB. Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB in een verblijfsgebied en 35 dB in een verblijfsruimte. De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art.

110g van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat in onderhavige situatie, waarbij vooralsnog een hogere waarde dient te worden vastgesteld van ten hoogste 53 dB vanwege de Luienhoeksestraat, de karakteristieke geluidwering van de westelijke woning tenminste dient te voldoen aan GA,k = 25 dB (53 dB + 5 dB aftrek – 33 dB) voor een verblijfsgebied. Voor een verblijfsruimte geldt een eis van GA,k = 23 dB. Omdat cumulatie van het geluid van de betrokken wegen bij de meest kritische gevelzijde niet leidt tot een hogere geluidbelasting dan de geluidbelasting vanwege alleen de meest maatgevende weg, wordt met bovengenoemde geluidwering ook bij cumulatie van geluid een goed woon- en leefklimaat in de westelijke woning gewaarborgd. Advies Samenvattend kan worden gesteld dat, met in acht name van de minimale afstand van 15 meter van de wegas tot de nieuwbouwwoningen: • Bij beide woningen van het plan voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde vanwege de Berkstraat; • Vanwege de Luienhoeksestraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB alleen wordt overschreden bij de westelijke woning.

De overschrijding bedraagt maximaal 6 dB, waarmee bij deze woning tevens de maximale ontheffingswaarde voor een hogere waarde met 1 dB wordt overschreden; • Uit maatregelenonderzoek blijkt dat er geen bron- en overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren; • Alleen voor de westelijke woning een hogere waarde van 53 dB dient te worden aangevraagd bij de gemeente Rucphen voor de geluidbelasting vanwege de Luienhoeksestraat; • In combinatie met de aanvraag voor een hogere waarde deze woning ook uitgevoerd dient te worden met een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van tenminste 25 dB.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 36 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Voor het vaststellen van een hogere waarde mag volgens de Wet geluidhinder de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai niet hoger zijn dan 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt niet zondermeer voldaan, aangezien de geluidbelasting op de woning, zonder aanvullende maatregelen ten hoogste 54 dB berekend wordt (op een afstand van 15 meter tot de wegas). Aanvullend geldt voor de westelijke woning van het plan: • Indien geen overdrachtsmaatregel wordt toegepast om de overschrijding van de maximale ontheffingswaarde teniet te doen, zal bij deze woning de westelijke gevel op de beide verdiepingshoogten uitgevoerd moeten worden als een dove gevel, indien er grenzend aan deze gevelzijde geluidgevoelige ruimten gesitueerd worden. Bij deze gevels is de geluidbelasting zonder aanvullende maatregelen namelijk te hoog voor het vaststellen van een hogere waarde; • Indien de overdrachtsmaatregel wordt toegepast en deze woning op minimaal 17 meter afstand van de wegas van de Luienhoeksestraat wordt gepositioneerd, bedraagt de geluidbelasting maximaal 53 dB op gevelzijden en hoogten en kan voor de hele woning een hogere waarde van 53 dB worden aangevraagd. In dat geval zal de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie evengoed tenminste 25 dB moeten bedragen om in de woning een goed akoestisch woon- en leefklimaat te waarborgen.

Een geluidwering tot 25 dB wordt bij de nieuwbouwwoningen van tegenwoordig vrij eenvoudig behaald. Of te zijner tijd alsnog een bouwakoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie wenselijk is, is ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie. Voor de westelijke woning wordt een hogere waarden aangevraagd. Verder wordt voor de westelijke woning een dove gevel in de bestemmingsplanregels geborgd. 4.4.2

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Moerdijk Bodemsanering BV, rapportnummer 2410.05.181.r1. Het onderzoek is als afzonderlijke bijlage (bijlage 1) toegevoegd aan onderhavig plan. De conclusie is als volgt: De locatie heeft een oppervlakte van 16.185 m2 en betreft een vrijstaande woning met garage, tuin en akkerland. De onderzoekslocatie beperkt zicht tot de zuidwestzijde van het perceel (akkerland) en heeft een oppervlakte van 4.440 m2. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden ten aanzien van bodemverontreiniging. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen.

- Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. - In de bovengrond ter plaatse van de mengmonsters M01 en M02 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In de ondergrond ter plaatse van mengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan nikkel, zink en vinylchloride aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentraties aan zware metalen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden betreffen. De verhoogde concentratie aan vinylchloride is zeer gering en kan als niet significant beschouwd worden. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 37 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van twee woningen op de locatie. 4.4.3

Luchtkwaliteit

Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

De woningen, welke ten opzichte van de huidige situatie wordt toegevoegd, zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Berkstraat te Sprundel. Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3 %. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3 % grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de ruimte-voor-ruimte woningen aan de Berkstraat ong. naast nr. 1a zijn bij benadering: ▪ x = 10090 ▪ y = 394864 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2017: PM10: 17.38 µg/m3 en NO2: 19,15 µg/m3 2020: PM10: 18,50 µg/m3 en NO2: 16,13 µg/m3 2030: PM10: 15,36 µg/m3 en NO2: 17,57 µg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. 4.4.4

Water

Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de regio. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 38 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’ Beschrijving huidige situatie In de bestaande situatie is de ondergrond onverhard. Waterlopen Aan de westzijde van het perceel ligt een waterloop categorie A.

Het onderhoud van de categorie A waterloop wordt in de meeste gevallen uitgevoerd door het waterschap.

Figuur 16: Uitsnede leggerkaart, waterschap Brabantse Delta

Grondwaterbeschermingsgebied De planlocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding van deze locatie, is het aansluiten op het bestaande drukriolering systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via de drukriolering wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel van de Berkstraat. Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 39 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in het beleid aangegeven dat voor locaties met een verhardingstoename kleiner dan 2.000 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Het woonvlak van de planlocatie bedraagt maximaal 4.086 m². Het is onwaarschijnlijk dat het gehele perceel verhard wordt. Uitgaande dat 40% van het woonvlak wordt verhard, bedraagt de toename van het verhard oppervlak circa 1.634 m². Het is derhalve niet nodig om te voorzien in infiltratie of retentie. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap heeft in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitgebracht. Het advies is als bijlage (bijlage 9) toegevoegd aan onderhavig plan. 4.4.5

Bedrijven en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Omgevingstype Het gebied waarin de planlocatie is gelegen kan beschouwd worden als een gemengd gebied, het betreft lintbebouwing met overwegend agrarische bedrijven. Hierdoor mag de richtafstand met één afstandsstap, met uitzondering van het aspect ‘gevaar’, verlaagd worden. Milieuzones In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van 150 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie, uitgaande van een gebiedstypering ‘gemengd buitengebied’. Tabel 1: richtafstanden – aanwezige bedrijven Adres

Luienhoeksestraat 5 Schuurkerkstraat 7 Schuurkerkstraat 3

Omschrijving

Agrarisch bedrijf Bedrijf (opslag) Aannemersbedrijf

Milieucat.

2 2 3.1

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Afstand in meters geur stof

geluid

gevaar

0m 0m 0m

10m 10m 30m

10m 10m 10m

0m 0m 10m

Afstand tot bouwvlak nieuwe woning 12.5 m 14,5 m 57m

Pagina 40 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Luienhoeksestraat 10 Luienhoeksestraat 15 Berkstraat 2 (a)

Bouwbedrijf Loonbedrijf Agrarisch bedrijf

3.2 3.1 2

0m 10m 0m

10m 0m 0m

50m 30m 10m

10m 10m 10m

100m 130m 79 m

Uit tabel 1 blijkt dat de richtafstanden niet over de planlocatie zijn gelegen. Hieruit blijkt dat voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat voor de nieuw op te richten woning op de locatie Berkstraat ong. naast nr. 1a. Geurhinder veehouderijen Een woning is in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij een geurgevoelig object. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij dient onderscheid te worden gemaakt in twee soorten contouren, namelijk contouren die gelden voor de bebouwde kom (3 ou-contouren of een vaste afstand van 100 meter) en contouren die gelden buiten de bebouwde kom (14 ou-contouren of een vaste afstand van 50 meter). De planlocatie ligt buiten de bebouwde kom.

Figuur 17: Geurbelasting maximale invulling, Planmer Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening

De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Rucphen heeft geen geurverordening opgesteld. (Intensieve) veehouderijen hebben een grote geurcontour. In de nabije omgeving van de planlocatie zijn geen veehouderij bedrijven gevestigd. Er ligt over de planlocatie geen geurcontour, zie figuur 18. Woon- en leefklimaat Onder voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van één veehouderij, die de meeste geurbelasting op het geurgevoelige object veroorzaakt, verstaan. Voor de een representatieve bepaling van de voorgrondbelasting dient de geurbelasting van de omliggende veehouderijen afzonderlijk berekend te worden, om te bepalen welke de dominante veehouderij is. Onder achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van de in de omgeving liggende veehouderijen op een geurgevoelig object verstaan. In figuur 19 is een uitsnede uit Plan-MER herziening Structuurvisie RO transitie veehouderij, provincie NoordBrabant d.d. 9 september 2013 weergegeven. In de uitsnede is de achtergrondbelasting geur in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de planlocatie als ‘zeer goed’ te kwalificeren is.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 41 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 18: uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur

Eventueel toekomstige uitbreidingen van bestaande veehouderijen blijft in beginsel mogelijk. Deze uitbreidingsruimte wordt niet beperkt door de beoogde planontwikkeling op de locatie Berkstraat ong. naast nr. 1a te Sprundel. Daarnaast hebben de aanwezige veehouderijbedrijven geen beperkende invloed voor de ontwikkeling op de planlocatie, zie figuur 19. Gelet op het bovenstaande wordt door het oprichten van de nieuwe woning op de locatie Berkstraat ong. naast nr. 1a te Sprundel de omliggende bedrijven niet belemmerd. 4.4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of de planlocatie is gelegen binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. In figuur 20 is de uitsnede van de risicokaart getoond. Uit figuur 20 blijkt dat er op circa 325 meter een risicovolle inrichtingen aanwezig is (benzinepomp met LPG). In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen activiteiten aanwezig die gevaar opleveren voor de ontwikkeling van een woning. Er is onderzoek gedaan naar de externe veiligheid, met betrekking tot de gasleiding in de Berkstraat, door AVIV, rapportnummer 193864, welke is toegevoegd in de afzonderlijke bijlage (bijlage 5). De conclusie is als volgt: Plaatsgebonden risico De berekeningen hebben ter plaatse van het plangebied niet geleid tot een PR 10-6-contour.

Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico van de beschouwde aardgasleidingen is in zowel de huidige als toekomstige situatie lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan worden beschreven in paragraaf 2.2.2 van het onderzoeksrapport. De brandweer heeft een advies in zake art. 12 van het Besluit externe veiligheid transportleidingen, met een uitwerking overeenkomstig een ruimtelijke besluit art. 13 lid 3 van het Bevi opgesteld, deze is toegevoegd als bijlage (bijlage 8) aan onderhavig plan. Uit het advies blijkt dat er bouwkundige maatregelen genomen moeten worden aan de gevels en daken gericht op de ligging van de gasleiding. De brandweer geeft aan dat de opkomsttijd waarschijnlijk niet meer is dan 12 minuten. Hiermee wordt voldaan aan de norm gesteld in het dekkings- en spreidingplan van Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 42 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 19: Uitsnede risicokaart, provincie Noord-Brabant

De Veiligheidsregio Midden en West Brabant heeft bluswaterbeleid opgesteld. Volgens de matrix in de Beleidsregels wordt voor een woonfunctie in een agrarisch buitengebied geen A-water gevraagd. Wel dient er B-water op maximaal 200 meter met een capaciteit van 90 m³ per uur en een C-water op maximaal 2500 meter met een capaciteit van 120 m³ per uur te zijn. Feitelijk ligt er op een afstand van circa 20 meter van het plangebied, op het kruispunt Berkstraat- Schuurkerkstraat-Luienhoeksestraat, een ondergrondse brandkraan met een capaciteit van 60 m³ per uur. Deze is aan te merken als A-water. Verder ligt er op circa 480 meter van het plangebied, op het kruispunt Schubertstraat-Sint Janstraat, een open geboorde put met een capaciteit van 90 m³ per uur. Het betreft de juiste capaciteit die wordt gevraagd, echter deze is niet aan te merken als Bwater, omdat het halen van bluswater uit een open geboorde put moet plaatsvinden met een mini dompelpomp of klein water transport. De opbouwtijd van een klein watertransport is langer dan 15 minuten, dat is de tijd die gesteld is in de Beleidsregels. Hierdoor wordt niet voldaan aan de matrix. Doordat er een A-water op zeer korte afstand van de planlocatie aanwezig is, is er voldoende bluswater aanwezig. Hierdoor staat de externe veiligheid de planontwikkeling niet in de weg. 4.4.7

Kabels en leidingen

Onder de Berkstraat, voor de woningen, ligt een gasleiding. Er is onderzoek gedaan met betrekking tot de externe veiligheid van deze gasleiding door AVIV, rapportnummer 193864, zie paragraaf 4.4.6. De gasleiding ligt niet in de weg voor de realisatie van de woningen. Voordat er gestart wordt met graafwerkzaamheden zal er een KLIC-melding gedaan worden. 4.4.8

Flora en Fauna

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 43 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Het ligt ook niet binnen het Natuurnetwerk. Het beleid dat daarop van toepassing is heeft geen betrekking op de planlocatie. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten kunnen mogelijk op de planlocatie worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op de locatie aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat op de locatie één of meer beschermende amfibiesoorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. Op de planlocatie worden geen bomen gekapt en zijn geen gebouwen aanwezig.

Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn. Er is een ecologische quickscan uitgevoerd door Buro Maerlant, welke als afzonderlijke bijlage (bijlage 4) aan onderhavig plan is toegevoegd. De conclusie is als volgt: Soorten In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: ▪ Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd) Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn. Advies Als broedbiotoop zijn de lage singels aan de west- en zuidrand enigszins geschikt voor soorten als de merel en kleinere zangvogels. Indien men voornemens is deze te verwijderen in het voorjaar of de zomer, is het wenselijk deze te controleren op in gebruik zijnde nesten.

Als nesten zijn verlaten is verwijdering zonder meer mogelijk. Het verstoren van broedende vogels is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. 4.4.9

Verkeer en parkeren

Verkeer De planlocatie wordt rechtstreeks door de Berkstraat ontsloten. De Berkstraat is een van de gebiedsontsluitingswegen in het buitengebied van Sprundel. Er worden ter plaatse van de planlocatie twee grondgebonden woningen toegevoegd. De van toename van het aantal verkeersbewegingen en het effect op de verkeersstromen in de omgeving van de planlocatie zijn dermate klein dat deze te verwaarlozen zijn.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 44 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Parkeren In Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is op 31 mei 2017 vastgesteld. De Nota Parkeernormen heeft het volgende doel: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd. De Nota Parkeernormen 2017 heeft de volgende uitgangspunten: ▪ Het vaststellen van parkeernormen levert een bijdrage aan de leefbaarheid in de gemeente. Het gaat hierbij met name om de kwaliteit van de openbare ruimte; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 levert een bijdrage aan de economische vitaliteit van de gemeente. Parkeren vormt immers een belangrijke schakel in de totale bereikbaarheid van de gemeente; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 speelt in op de toekomstige ontwikkeling, zodat duurzaamheid is gewaarborgd; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 kent een algemene strekking. Dit betekent dat de Nota niet in alle gevallen direct van toepassing is omdat in specifieke gevallen maatwerk noodzakelijk en wenselijk is. In deze gevallen hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid gemotiveerd maar in de geest van de Nota te handelen. De Nota Parkeernormen 2017 is gebaseerd op de CROW-publicatie nr. 317 ‘kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’.

In de Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied een parkeernorm opgenomen van 2,4 parkeerplaats per woning. Dit resulteert dat binnen de planlocatie minimaal 2,4 x 1 = 2,4 = 3 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn per woning. Op de locatie is ruimte voldoende om 3 parkeerplaatsen op eigen terrein te faciliteren.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 45 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving 5.1

Situering

Op de locatie Berkstraat ong. naast nr. 1a worden twee ruimte voor ruimte woning opgericht. Het perceel RPN sectie U, nummer 1605 heeft een oppervlakte circa 4.649 m². het perceel wordt gesplitst in twee percelen met een omvang van circa 2.529 m² en circa 2.119 m². De twee nieuwe kavels voldoen aan de gestelde eisen van een ruimte-voor-ruimte kavel. De woningen worden in het bestaande bebouwingscluster gesitueerd en ontsluiten rechtstreeks aan de Berkstraat. Het bestaande bebouwingscluster behoudt hiermee de bestaande doorzichten naar het achterliggende landschap. Het dichtslibben van het bebouwingslint wordt daarmee voorkomen.

Figuur 20: Situering woningen op perceel (indicatief)

5.2

Uitgangspunten bouwregels

Voor het realiseren van de ruimte voor ruimte woning dient de woning aan een aantal bouwregels te voldoen, de bouwregels zijn opgenomen in de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De uitgangspunten zijn: ▪ de oppervlakte van het bouwperceel bedraagt minimaal 1.000 m²; ▪ de breedte van het bouwperceel bedraagt minimaal 30 meter; ▪ de voorgevelbreedte van de nieuwe woning bedraagt maximaal 20 meter; ▪ de afstand van de nieuwe woning tot de as van de weg bedraagt minimaal 15 m; ▪ de afstand van de nieuwe woning tot de perceelsgrenzen bedraagt minimaal 3 m; ▪ maximale woninginhoud 1.000 m³; ▪ maximale goothoogte hoofdgebouw van 6,5 meter; ▪ maximale nokhoogte hoofdgebouw van 10 meter; ▪ de dakhelling bedraagt bij toepassing van hellende dakvlakken minimaal 30° en maximaal 65°; ▪ (vrijstaande) bijgebouwen toegestaan tot een gezamenlijk maximum van 100 m²; ▪ maximale goot- en nokhoogte van bijgebouwen respectievelijk 3,5 en 6 meter. ▪ de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de voorgevellijn van de woning bedraagt minimaal 1 m; ▪ de afstand tussen gebouwen onderling, indien deze niet aaneengesloten zijn gebouwd, bedraagt minimaal 3 m.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 46 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.3

Beeldkwaliteit

De gemeente acht zich mede verantwoordelijk voor de zorg voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Aandacht voor beeldkwaliteit wordt dan ook bij de uitwerking van dit plan van wezenlijk belang geacht. In algemene termen betreft de beeldkwaliteit alle aspecten, welke van invloed zijn op de voorstelbaarheid en beleving van de ruimtelijke omgeving. De beeldkwaliteit van de ruimte voor ruimte woning dient aan een bepaalde kwaliteit te voldoen. De eisen aan de beeldkwaliteit dienen als kader voor de welstandstoets. Passendheid in het landschap Het belangrijkste criterium is dat de woning past in het landschap. Er zijn 2 aspecten waarin dit tot uitdrukking dient te komen: 1. De situering en de vormgeving van de woning, de kavel en de tuin dienen het landschap, de directe omgeving, maar ook elkaar te versterken. 2. De keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de woning, maar ook de vormgeving en beplanting van de tuin dienen aan te sluiten op het betreffende landschap. Typologie De huidige typologie van nagenoeg alle bestaande burgerwoningen aan de linten in het buitengebied is hierbij maatgevend. In het gehele buitengebied treft men burgerwoningen aan die bestaan uit slechts één of anderhalve bouwlaag met een kap. Architectuur Voor de architectuur van de nieuwe woning dient aansluiting gezocht te worden bij de omgeving.

De kleuren en materialen dienen te bestaan uit traditionele materialen en geen afwijkende kleuren. In figuur 22 zijn een aantal materialen getoond, die passend zijn in het gebied.

Figuur 21: referentie kleur- en materialen architectuur

Typologie en architectuur tuin ‘Vertuining’ van het platteland dient te worden voorkomen. Daarom is het opstellen van een tuinontwerp verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat de tuin door een landschappelijke erfbeplanting dient te zijn ingepast in het omringde landschap. Aan beide zijdelingse- en achterste perceelgrenzen dient een opgaande beplantingsstrook van minimaal 5 meter te worden voorzien. Er dient streekeigen inheemse beplanting te worden toegepast. De voortuin dient daarnaast voor 60% uit groen te bestaan. Stedenbouwkundige randvoorwaarden Voor de woning geldt de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden: ▪ 1 of anderhalve bouwlaag met kap; ▪ bij voorkeur een langskap toepassen; Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 47 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ 5.4

het bijgebouw dient ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw; het bijgebouw dient te worden voorzien van een zadeldak. Landschappelijke inpassing

De nieuwe ruimte voor ruimte woningen dienen te passen in het landschap. Door middel van situering en vormgeving van de woning, de kavel en de tuin wordt het landschap en de directe omgeving versterkt. Ook van belang is de keuze van architectuur en het materiaalgebruik van de ruimte voor ruimte woning, maar ook de vormgeving en beplanting van de tuin dienen aan te sluiten op het landschap. Voor passendheid in het landschap dient een beplantingsplan te worden ingediend. Aan de achterzijde en ter hoogte van de zijdelingse perceelsgrens aan de binnenzijde wordt een hakhoutsingel voorzien als landschappelijke inpassing. Op de zijdelingse perceelsgrens aan de buitenzijde wordt een knip- en scheerheg toegepast. Door de hakhoutsingel en de knip- en scheerheg wordt het perceel afgeschermd. Doordat de architectuur en de situering van de woning nog niet bekend zijn, zal het perceel worden ingericht naar eigen voorkeur, waarbij rekening moet worden gehouden dat de voortuin uit 60% uit groen moet bestaan. Er dient gebruik te worden gemaakt van inheemse soorten. In bijlage 7 is de landschappelijke inpassing bijgevoegd, kortheidshalve wordt voor de landschappelijke inpassing naar de bijlage verwezen.

Bestemmingsplan toelichting 180690 | 01-10-2020

Pagina 48 van 52

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische aspecten

Algemeen

Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012’ en de daarop volgende herzieningen, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dat plan is gehanteerd. In paragraaf 6.2 zal een algemene toelichting van de verbeelding worden gegeven. Daarna wordt in paragraaf 6.3 een algemene toelichting van de regels beschreven. 6.2

Algemene toelichting verbeelding

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9672897/1