CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

05b Programmabegroting 2025

gemeenteraad 13 november 2024, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Programmabegroting 2025 inclusief meerjarenraming 2026 - 202839.681 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

5 alinea's met “omgevingsplan”: 1091 1106 1107 1108 1110

67

Woningbouwontwikkelingen In 2025 zullen naar verwachting verschillende woningbouwontwikkelingen in de gemeentelijke kernen verder worden gebracht of worden afgerond. Dit zijn o.a.: Zegge-Oost, Hoefstraat-West te Zegge, Rucphen NoordWest, Rucphense Vaartkant (middengebied) te Rucphen, Lindestraat St. Willebrord, Krommestraat te St. Willebrord, Dorpstraat 151-155 te St. Willebrord, Dorpstraat 113 te St. Willebrord, Sint Janstraat 64, 64a en 66 (Rozenquartier) te Sprundel, Vissenberg Fase III te Sprundel en de herontwikkeling van de Pastorie in Schijf. Statushouders Het Rijk stelt elke zes maanden een taakstelling vast voor alle gemeenten in Nederland, waarin wordt bepaald hoeveel statushouders zij moeten huisvesten. De gemeente is verplicht om de statushouders die door het COA aan hen worden gekoppeld, binnen een redelijke tijd een woning te bieden. De provincie houdt toezicht op deze wettelijke verplichting. In samenwerking met Thuisvester en Vluchtelingenwerk worden de gekoppelde statushouders door Thuisvester voorzien van een passende sociale huurwoning. Dit is vastgelegd in de prestatieafspraken met Thuisvester. Echter, het aantal beschikbare sociale huurwoningen is te laag om volledig aan de taakstelling te kunnen voldoen. Tot nu toe hebben goede en open communicatie met de provincie en het COA ervoor gezorgd dat wij enige coulance kregen voor de achterstanden.

Het probleem om te voldoen aan de taakstelling is een landelijk vraagstuk. Vanwege de huidige woningmarktsituatie hebben meerdere gemeenten, waaronder Rucphen, al langere tijd moeite om aan deze verplichting te voldoen. De provincie heeft daarom besloten om ons op een hoger toezicht niveau te plaatsen. We moesten een plan van aanpak opstellen om te laten zien hoe we de achterstand gaan inlopen. In 2022 is dit plan van aanpak gedeeld met de provincie. Gezien de taakstelling voor de tweede helft van 2024 en de eerste helft van 2025, is het met de huidige werkprocessen niet mogelijk om de achterstand op korte termijn weg te werken. Daarom wordt in samenwerking met Thuisvester gewerkt aan een aanvulling op het plan van aanpak 2022 waaruit moet blijken of de achterstand ingehaald kan worden en dus aan de taakstelling voldaan kan worden. 1.8.5.

Beleidsindicatoren

Gemeentelijke woonlasten éénpersoonshuishouden euro 1000 900 800 700

695

700

720

733

789

823

860 780

817

600 500 400 300 200 100

0

0 2020

2021

2022 Rucphen

2023

2024

Nederland bron: COELO, Atlas lokale lasten | 2020 -2024

68

Gemeentelijke woonlasten meerpersoonshuishouden euro 1000 900 800

764

773

800

810

867

905

942 852

894

700 600 500 400 300 200 100

0

0 2020

2021

2022 Rucphen

2023

2024

Nederland bron: COELO, Atlas lokale lasten | 2020 - 2024

*Woonlasten: Het gemiddelde totaalbedrag per jaar dat een één- of meerpersoonshuishouden betaalt aan woonlasten (onroerendezaakbelastingen, rioolheffing en afvalstoffenheffing).

Gemiddelde WOZ waarde woningen x € 1.000,00 400 352 350 300

315 264

276 250

271

291

368

317

290

250 200 150 100 50 0 2019

2020

2021 Rucphen

2022

2023

Nederland bron : CBS - WOZ | 2019 -2023

Nieuw gebouwde woningen per 1.000 woningen 30,0

26,5

25,0 20,0 13,6

15,0 10,0

9,0

8,6

9,2

10,4

8,9

8,9

9,3

3,5

5,0 0,0 2018

2019

2020 Rucphen

2021

2022

Nederland bron : BAG/ABF | 2018 - 2022

69

Demografische druk percentage 72,0

71,3

71,0

70,3

70,1

70,0

70,1

70,3

70,4

70,0 69,1 69,0 68,1 68,0

67,5

67,0 66,0 65,0 2020

2021

2022 Rucphen

2023

2024

Nederland bron : CBS | 2020 - 2024

*Demografische druk: De som van het aantal personen van 0 tot 20 jaar en 65 jaar of ouder in verhouding tot de personen van 20 tot 65 jaar. Dit cijfer geeft inzicht in de verhouding van het niet-werkende deel van de bevolking tot het werkende deel van de bevolking.

70

2.

Overzicht van de algemene dekkingsmiddelen

2.1.

Inleiding

Algemene dekkingsmiddelen zijn inkomsten van een gemeente waarvoor geen bestedingsdoel is bepaald. Deze inkomsten zijn in principe vrij aanwendbaar: uw raad bepaalt voor welk doel ze worden ingezet. Natuurlijk houden we rekening met taken die gemeenten wettelijk verplicht zijn uit te voeren. Het overzicht van algemene dekkingsmiddelen bevat de volgende onderdelen: • Lokale heffingen; • Algemene uitkeringen en overige uitkeringen gemeentefonds; • Dividend; • Saldo financieringsfunctie; • Overige baten en lasten.

2.2.

Overzicht algemene dekkingsmiddelen

In de tabel hieronder is de opbrengst van de verschillende algemene dekkingsmiddelen verantwoord. Vervolgens lichten wij de opbrengsten kort toe. Rekening 2023

ALGEMENE DEKKINGSMIDDELEN EN ONVOORZIEN Lokale heffingen Algemene uitkeringen en overige uitkeringen gemeentefonds Dividend Saldo financieringsfunctie Overige baten en lasten

Lasten Baten Lasten Baten Lasten Baten Lasten Baten Lasten Baten

Totaal algemene dekkingsmiddelen

Onvoorzien

Begr. na wijz. 2024

377.837 -4.268.981

367.000 -4.271.391

396.700 -4.302.911

-49.262.355

-52.355.775

-53.641.050

-49.140 405.932 -679.141

-38.000 621.619 -684.319 170.192 -22.747 -56.213.421

-42.000 666.719 -663.947 99.260 -332.872 -57.820.101

52.500

55.000

52.500

55.000

-43.500 -53.519.347

Lasten Baten

Totaal onvoorzien

2.3.

Begroting 2025

Lokale heffingen

Lokale heffingen zijn de opbrengsten uit rechten (retributies) en de eigen belastingen. Onder de algemene dekkingsmiddelen uit lokale heffingen verstaan we alleen de baten uit de eigen belastingen. Dit zijn de onroerendezaakbelastingen (OZB), toeristenbelasting en forensenbelasting. Belastingopbrengsten uit rechten, zoals rioolheffing en afvalstoffenheffing, zijn kostendekkend en daarmee niet vrij besteedbaar. Voor het opleggen en innen van de eigen belastingen betalen we een bijdrage aan de Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB). Deze bijdrage zien we terug aan de lastenkant. Een nadere toelichting over de inkomsten en kostendekking vindt u terug in paragraaf 5.1 ‘Lokale heffingen’.

2.4.

Algemene uitkeringen en overige uitkeringen gemeentefonds

De algemene uitkering is één van de uitkeringen die gemeenten van het Rijk ontvangen. Dat gebeurt via het Gemeentefonds. Gemeenten kunnen, met inachtneming van wet- en regelgeving, zelf bepalen of zij de uitkering uitgeven aan taken die het Rijk opdraagt of aan eigen beleid. Gemeenten hoeven zich niet aan het Rijk te verantwoorden over de besteding van de algemene uitkering. De verantwoording vindt plaats aan de gemeenteraad. In de Kadernota 2025 zijn de uitkomsten van de meicirculaire 2024 meegenomen en verwerkt. Aan de hand van de septembercirculaire 2024 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is de

71

algemene uitkering opnieuw berekend. De volgende bedragen zijn in de begroting 2025 opgenomen. In de tabel zijn tevens de bedragen uit de Kadernota 2025 (o.b.v. meicirculaire 2024) opgenomen:

Kadernota 2025:o.b.v. meicirculaire 2024 Begroting 2025:o.b.v. septembercirculaire 2024 Verschil

2025

2026

2027

2028

47.251.070

45.290.520

47.113.463

48.785.479

46.780.468

45.657.809

47.577.042

49.247.294

-470.602

367.289

463.579

461.815

Algemene uitkering 2025 De algemene uitkering 2025 bestaat uit de volgende onderdelen: Omschrijving a.

2025

Algemene uitkering

46.780.468 Totaal algemene uitkering

46.780.468

b.

Decentralisatie-uitkering Vergunningverlening, toezicht en handhaving

46.697

c.

Decentralisatie-uitkering armoedebestrijding kinderen

87.191

d.

Decentralisatie-uitkering extra capaciteit BOA's

32.635

e.

Decentralisatie-uitkering Voorschoolse voorziening peuters

33.953

f.

Decentralisatie-uitkering Wet Kwaliteitsborging Bouw (Wkb)

14.258

g.

Decentralisatie-uitkering Veilig Wonen

7.062

h.

Decentralisatie-uitkering jeugdhulp kinderen in een AZC

2.244

i.

Decentralisatie-uitkering betaalbare huur

21.197

j.

Decentralisatie-uitkering openbare bibliotheken

100.000 Totaal

47.125.705

De belangrijkste ontwikkelingen in het Gemeentefonds en de gevolgen daarvan voor ons, lichten wij hieronder toe. a. Algemene uitkering De raming van de algemene uitkering is voor 2025 met € 470.602,00 gedaald ten opzichte van de cijfers uit de Kadernota 2025. De algemene uitkering in 2025 bedraagt € 46.780.468,00. De jaren na 2025 wordt de algemene uitkering op basis van de septembercirculaire 2024 positief bijgesteld. b. Decentralisatie-uitkering Vergunningverlening, toezicht en handhaving Vanwege de overdracht van taken aan gemeenten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) bij provinciale inrichtingen is vanaf 2018 structureel € 46,7 miljoen aan het Gemeentefonds toegevoegd. In dit bedrag is rekening gehouden met de bij provincies achterblijvende wettelijke taak betreffende de coördinatie van de handhavingssamenwerking binnen de provincie en de regie op de kwaliteitscriteria. Voor ons bedraagt de decentralisatie-uitkering € 46.697,00. Het betreft hier geoormerkte gelden. c. Decentralisatie-uitkering armoedebestrijding kinderen Vanaf 2017 is structureel een bedrag van € 85 miljoen beschikbaar gesteld voor de bestrijding van de gevolgen van armoede onder kinderen. Jaarlijks vindt in de meicirculaire actualisatie plaats van de verdeling vanaf het volgende jaar.

De middelen worden verdeeld op basis van door het CBS ontwikkelde gegevens over kinderen met een kans op armoede. De verdeling over de gemeenten voor 2025 en verder is gebaseerd op gegevens over het jaar 2024 en komt voor onze gemeente uit op € 87.191,00. d. Decentralisatie-uitkering extra capaciteit boa's In de openbare ruimte verrichten boa’s belangrijk werk in specialistische en complexe beleids- en wetsgebieden. In de afgelopen jaren zijn boa’s binnen hun bevoegdheid ook steeds meer taken gaan uitvoeren. De Tweede Kamer heeft d.d. 23 september 2021 de motie Hermans c.s. aangenomen. Met deze motie, waarmee structureel € 200 miljoen is vrijgemaakt voor handhaving en veiligheid, is onder meer aan het kabinet

72

de opdracht meegegeven om de capaciteit van (wijk)agenten en boa’s in de openbare ruimte te vergroten. Van dit bedrag wordt structureel € 25 miljoen voor de boa’s beschikbaar gesteld. Het structurele bedrag binnen het gemeentefonds voor onze gemeente bedraagt € 32.635,00. e. Decentralisatie-uitkering Voorschoolse voorziening peuters De decentrale-uitkering voorschoolse voorzieningen peuters heeft als doel dat alle peuters, zonder recht op kinderopvangtoeslag of voorschoolse educatie, naar een voorschoolse voorziening kunnen gaan. Op basis van deze actualisatie is het bedrag vanaf 2024 verhoogd van € 33.419,00 naar € 33.953,00. f. Decentralisatie-uitkering Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb) De Wkb is vanaf 1 januari 2024 gefaseerd in werking getreden. Er wordt gestart met de eenvoudigere bouwprojecten, daarna volgen eventueel de meer complexere projecten. De Wkb heeft als doel de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Onder deze wet zullen kwaliteitsborgers zorgdragen voor het voldoen aan de bouwtechnische regels. Deze taken vervallen hiermee bij gemeenten die overigens wel het bevoegd gezag blijven houden. Tegelijkertijd wijzigen bepaalde wettelijke taken en krijgen gemeenten er extra wettelijke taken bij, zoals registratie en beoordeling van de Wkb-meldingen.

Hieronder vallen onder andere bouwmeldingen, gereed meldingen en informatieverstrekking van de start en einde van bouwwerkzaamheden. Wij ontvangen hiervoor in 2025 een bedrag van € 14.258,00 en in 2026 € 14.150,00. g. Decentralisatie-uitkering Veilig Wonen De veiligheid van decentrale bestuurders is een vereiste voor het goed functioneren van het openbaar bestuur. Per 1 oktober 2023 wordt de werkgeversverantwoordelijkheid voor hun veiligheid daarom geëxpliciteerd met een wijziging van de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers. Ten behoeve van een veilige woonplek krijgen decentrale bestuurders (burgermeester en wethouders) een beveiligingsadvies op maat aangeboden. Bij de advisering zal een breder pakket van preventieve maatregelen worden gehanteerd, waaronder fysieke, elektronische en digitale maatregelen. Gemeenten dienen op basis van de nieuwe regeling het beveiligingsadvies altijd over te nemen en de uitvoering van de veiligheidsmaatregelen te bekostigen. Vanuit het programma Weerbaar Bestuur wordt hier een tegemoetkoming van € 2,4 miljoen per jaar tegenover gesteld voor de periode 2023-2026. Voor ons is dit een bedrag van € 7.062,00 voor de jaren 2023 tot en met 2026. h.

Decentralisatie-uitkering Jeugdhulp aan kinderen in een AZC Vanaf 2019 zijn gemeenten volledig verantwoordelijk geworden voor de organisatie en financiering van jeugdhulp, inclusief de jeugd-ggz, aan kinderen in een AZC. Vanaf 2024 is structureel € 5,1 miljoen hiervoor beschikbaar. Wij ontvangen hiervoor structureel € 2.244,00. i. Decentralisatie-uitkering betaalbare huur Met de Wet betaalbare huur wordt de op 1 juli 2023 in werking getreden Wet goed verhuurderschap gewijzigd. Met de Wet betaalbare huur krijgen gemeenten de bevoegdheid om toezicht te houden en handhavend op te treden met betrekking tot: • de maximale huurprijzen die gelden op grond van het woningwaarderingsstelsel (WWS); • de maximale huurverhogingen in de gereguleerde sector; • de informatieplicht voor verhuurders om hun huurders een puntentelling te overleggen bij het afsluiten van een contract. Het Rijk stelt middelen ter beschikking om gemeenten financieel te ondersteunen bij de implementatie en uitvoering van de wet. De financiering bestaat uit een incidentele bijdrage van circa € 5,5 miljoen in 2024 voor de eenmalige kosten die gemeenten maken voor de implementatie. Deze implementatiegelden worden verdeeld op basis van de grootte van de gemeente. Daarnaast ontvangen gemeenten een bijdrage voor het ontvangen en behandelen van meldingen en de handhaving op deze meldingen.

Voor deze werkzaamheden ontvangen gemeenten vanaf 2024 een structurele bijdrage van circa € 6,5 miljoen per jaar. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aandeel private huur per gemeente en de lokale woningmarktdruk (gemeten op basis van de gemiddelde WOZ-waarde). Voor onze gemeente gaat het om een bedrag van € 21.197,00 in 2025.

73

j. Decentralisatie-uitkering openbare bibliotheken In de periode 2023-2024 konden gemeenten een specifieke uitkering krijgen voor het versterken van het lokale bibliotheekstelsel. Vanaf 2025 krijgen gemeenten een wettelijke zorgplicht voor de openbare bibliotheek. Hiervoor ontvangen ze een structurele bijdrage via het gemeentefonds. In de periode tussen de specifieke uitkering en de invoering van de wettelijke zorgplicht ontvangen gemeenten een decentralisatie-uitkering, om zich goed voor te kunnen bereiden op de periode van de zorgplicht. Hiervoor is in 2025 en 2026 in totaal een bedrag van € 59,3 miljoen beschikbaar. Dit bedrag wordt over alle gemeenten verdeeld op basis van een bedrag van € 2,95 per inwoner. Voor kleinere gemeenten, waar het bedrag per inwoner leidt tot een bedrag lager dan € 100.000,00, wordt de uitkering aangevuld tot € 100.000,00. Wij ontvangen in zowel 2025 als in 2026 € 100.000,00. Ontwikkelingen m.b.t. algemene uitkering volgende jaren In 2023 hebben het kabinet en de gemeenten afgesproken dat het gemeentefonds vanaf 2027 wordt geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Deze volumeontwikkeling wordt gebaseerd op een 8-jaars (historisch) gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp. De verwachting is dat de accressystematiek hierdoor minder schommelt.

Daarbovenop wordt het accres verhoogd met de inflatieverwachting van het bbp. In het voorjaar van 2024 is afgesproken dat deze systematiek al vanaf 2024 geldt. De inflatie voor 2025 valt naar verwachting wat hoger uit. Dit leidt tot een extra verhoging die structureel doorwerkt. Het volumedeel (het deel waar gemeenten de groei en andere kostenstijgingen van moeten opvangen) valt in alle jaren fractioneel lager uit. De grootste mutatie in de septembercirculaire die effect heeft op de uitkomsten voor onze gemeente, betreft de afschaffing van de taakstelling jeugdzorg vanaf 2026. In het coalitieakkoord Rutte IV was een aanvullende besparing in het kader van Jeugdzorg (jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering) opgenomen, oplopend tot structureel € 511 miljoen vanaf 2027. In het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat deze bezuiniging vervalt. Voor 2025 was al eerder incidenteel € 500 miljoen toegevoegd aan de algemene uitkering. Nu wordt er voor 2026 en latere jaren dus weer € 511 miljoen toegevoegd aan het gemeentefonds. Meerjarige ontwikkeling uitkeringsfactor Bij de berekening van de algemene uitkering gedurende de planperiode is rekening gehouden met de volgende uitkeringsfactoren, welke zijn genoemd in de septembercirculaire 2024:

meicirculaire 2024

2025

2026

2027

2028

1,457

1,459

1,504

1,548

septembercirculaire 2024

1,457

1,460

1,504

1,545

verschil aantal punten

0,000

0,001

0,000

-0,003

De uitkeringsfactoren voor de jaren 2025 tot en met 2028 wijzigen niet tot nauwelijks ten opzichte van de meicirculaire 2024. Taakmutaties Kinderopvang Sociaal Medische Indicatie De Sociaal Medische Indicatie (SMI) is een gemeentelijke regeling om gezinnen die geen recht hebben op Kinderopvangtoeslag, maar die ook niet in staat zijn de zorg voor hun kinderen volledig te dragen vanwege sociale of medische problematiek, een vergoeding te kunnen bieden voor het gebruik van kinderopvang. Door verschillende ontwikkelingen is de SMI budgettair steeds meer onder druk komen te staan. Om dit te kunnen ondervangen, wordt het SMI budget in een aantal stappen verhoogd. Voor de jaren 2025-2027 gaat het om € 5,4 miljoen, voor 2028 gaat het om € 5,5 miljoen en vanaf 2029 om jaarlijks € 10 miljoen. Voor onze gemeente betreft het een bedrag van € 5.500,00 voor de jaren 2025 t/m 2028. Vanaf 2029 gaat het om een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag wordt opgenomen als stelpost.

74

Wet op de lijkbezorging De inwerkingtreding van het wetsvoorstel van de modernisering van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) is voorzien op 1 januari 2026. Ten behoeve van de financiering van de beoogde wettelijke uitbreiding van de taken van de gemeentelijke lijkschouwer is voor de periode 2026-2031 jaarlijks € 3,2 miljoen naar de algemene uitkering overgeheveld. Voor de jaren 2032 en verder dient over het structureel toekennen van middelen in het kader van het programma Werk aan Uitvoering (WaU) nog een besluit te worden genomen door de Ambtelijke Commissie Uitvoering (ACU). Wij ontvangen vanaf 2026 een bedrag van € 4.000,00. Dit bedrag wordt toegevoegd aan het budget uitvoering wet op de lijkbezorging. Indexatie Wmo demografie De komende jaren neemt de vergrijzing toe. Dit betekent dat de zorgkosten van gemeenten voor de uitvoering van de Wmo stijgen. Met de VNG is afgesproken dat in de toekomst (een nader te bepalen deel van) de Wmo niet langer via de algemene uitkering van het Gemeentefonds gaat, maar via een aparte financiering. Afhankelijk van de gekozen bekostigingsvorm wordt een passende geobjectiveerde indexering onderzocht die ook rekening houdt met kostenontwikkeling en demografie/vergrijzing.

Vooruitlopend op de uitwerking is bij Voorjaarsnota 2024 op de Aanvullende Post een jaarlijkse tranche van € 75 miljoen vanaf 2026 oplopend tot € 300 miljoen in 2029 gereserveerd voor een aanvullende indexering voor demografie. Het kabinet heeft deze middelen bij Miljoenennota 2025 overgeheveld naar het begrotingsartikel Accres zodat gemeenten hier rekening mee kunnen houden in hun meerjarenbegroting. Voor onze gemeente gaat het hier om de volgende bedragen: € 100.000,00 in 2025; € 200.000,00 in 2026; € 300.000,00 in 2027 en € 400.000,00 in 2028. Deze middelen zijn verwerkt als stelpost in de begroting. Integratie-uitkering Sociaal Domein Afschaffen lage-inkomensvoordeel Gemeenten worden vanaf 2025 gecompenseerd voor de afschaffing van het Lageinkomensvoordeel (LIV). Het gaat om het LIV dat de gemeente of haar sociaal ontwikkelbedrijf ontvangt voor werknemers met een interne plaatsing op basis van de Wet Sociale werkvoorziening (Wsw) of in nieuw beschut werk op basis van de Participatiewet. Compensatie vindt plaats via de gebruikelijke financieringsstromen voor de Sociale werkvoorziening (SW) en voor Beschut werk via de Integratie-uitkering Participatie. In 2025 gaat het in totaal om € 19,8 miljoen. Dit bedrag wordt doorgezet richting het werkvoorzieningsschap. In onderstaande tabel zijn de huidige ramingen afgezet tegen de nieuwe bedragen o.b.v.

de septembercirculaire 2024: Algemene uitkering Omschrijving PW: IUSD (re-integratie) (meicirculaire 2024) PW: IUSD (re-integratie) (septembercirculaire 2024) Totale mutatie budget re-integratie Omschrijving PW: IUSD (Wsw) (meicirculaire 2024) PW: IUSD (Wsw) (septembercirculaire 2024) Totale mutatie budget Wsw

2025 284.821 298.722 13.901

2026 306.342 321.236 14.894

2027 327.860 343.745 15.885

2028 349.120 365.998 16.878

2025 6.170.897 6.216.623 45.726

2026 6.016.605 6.061.130 44.525

2027 5.570.708 5.611.867 41.159

2028 5.338.011 5.377.371 39.360

Overige ontwikkelingen BTW compensatie Fonds (BCF) Onderdeel van de algemene uitkering is de stelpost ruimte plafond BTW compensatiefonds. Het Ministerie van BZK heeft in afstemming met de VNG en de provinciale toezichthouders een advies opgesteld over de wijze waarop de ruimte onder het plafond BCF door gemeenten “kan” worden opgenomen als verwachte bate. Dit advies luidt: Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de ruimte onder het plafond BCF, adviseren we om voorzichtigheid in acht te nemen door een raming op te nemen, die maximaal gebaseerd is op de meest recente, gerealiseerde ruimte onder het plafond BCF. In de Kadernota 2025 hebben wij 50% van het toegestane bedrag opgenomen, wat neerkomt op een bedrag van € 332.872,00. Op basis van de septembercirculaire 2024 houden we vast aan de opgenomen 50%.

75

Terugdringen specifieke uitkeringen In het hoofdlijnenakkoord staat dat er voor een bedrag van ruim € 6 miljard wordt overgeheveld naar het gemeentefonds en het provinciefonds. De brede doeluitkering voor de bijstand (BUIG) blijft buiten beschouwing. Deze overheveling gaat gepaard met een korting van 10 procent. In de miljoenennota heeft het kabinet aangegeven dat de korting van 10 procent is ingeboekt op de begrotingen van de betreffende departementen. Een verrekening met gemeenten en provincies vindt plaats op het moment van de feitelijke overdracht naar het gemeente- of provinciefonds.

2.5.

Treasury

Dividend Dividend is winstuitkering van een onderneming aan haar aandeelhouders. Gemeente Rucphen heeft 19.656 aandelen in BNG Bank. We verwachten in 2025 een winstuitkering over het aandelenbezit in 2024. De raming is gebaseerd op een gemiddelde van het werkelijk ontvangen dividend over de afgelopen jaren. Saldo van de financieringsfunctie Onder financieringsfunctie verstaan we alle activiteiten die te maken hebben met het verwerven en beheren van financiële middelen. Het saldo van de financieringsfunctie is het saldo van (a) de betaalde rente (kosten) over de aangegane leningen en de aangetrokken middelen in rekening-courant en (b) de ontvangen rente (opbrengsten) over de uitzettingen inclusief de toegerekende rentelasten aan de programma’s. We presenteren het saldo in het volgende overzicht: Omschrijving

2025

2026

2027

2028

Rentekosten van langlopende geldleningen Rente kasgeldleningen Kosten betalingsverkeer en beheer Rentetoerekening (boekwaarde aandelen) Raming kosten rente rekening-courant Kosten i.v.m. invordering (a) totale kosten

657.006 8.851 862 666.719

770.759 9.043 862 780.664

903.386 9.309 862 913.557

1.015.116 9.541 862 1.025.519

Raming opbrengst rente rekening-courant Rente hypothecaire geldleningen Rentevergoeding grondbedrijf Ontvangsten i.v.m. invordering Toegerekende reële en bespaarde rente Ontvangen dividend (b) totale opbrengsten

100.000 423 14.563 35.000 513.961 42.000 705.947

100.000 346 4.215 35.000 514.622 42.000 696.183

100.000 265 -1.167 35.000 517.182 42.000 693.280

100.000 181 35.000 532.172 42.000 709.353

39.228

-84.481

-220.277

-316.166

Saldo

Aan de kostenzijde is een duidelijke toename te zien in de totale rentekosten. Op basis van de recent geactualiseerde liquiditeitenplanning zullen we in de periode 2025–2028 afgerond 32,0 miljoen aan geldleningen moeten aantrekken. Dit met een stijging in de totale rentekosten als gevolg. Aan de opbrengstenkant is het bedrag aan rente uit rekening-courant verhoogd. Dit zijn de verwachte renteopbrengsten uit Schatkistbankieren. Daarnaast zien we een toename in de toegerekende rente, wat inhoudt dat er meer wordt geïnvesteerd.

76

2.6.

Overige baten en lasten

Onder overige baten en lasten worden diverse stelposten verantwoord. We nemen een stelpost op in onze begroting wanneer de werkelijke kosten niet exact kunnen worden bepaald. Dit komt het vaakst voor wanneer er inkomsten worden ontvangen, waarvoor nog geen (lokaal) beleid is. Onderstaand een overzicht van de opgenomen stelposten in Programmabegroting 2025: Lasten • • • • •

Stelpost Ambulantisering in de GGZ (€ 39.721,00) Stelpost taakmutatie Kinderopvang sociaal medische indicatie (SMI) (€ 5.500,00) Stelpost dienstverlening gemeentelijke aanpak armoede en schulden (€ 37.084,00) Stelpost werkdrukverlaging jeugdbescherming (€ 1.141,00) Stelpost subsidieprogramma (€ 15.814,00)

Baten •

Stelpost ruimte plafond BTW Compensatiefonds (BCF) (€ 332.872,00)

2.7.

Onvoorzien

Voor 2025 is een post voor onvoorziene uitgaven opgenomen van € 55.000,00. De post mag worden aangewend voor zaken die onvoorzien, onvermijdbaar en onuitstelbaar zijn. Aanwending zal steeds aan uw raad worden voorgelegd.

77

3.

Overzicht van de kosten van overhead

In de programma’s nemen we alleen de kosten van het primaire proces op. Dit met het uitgangspunt dat we kosten zoveel mogelijk direct toerekenen aan een taakveld. Overhead is niet direct toe te rekenen aan een specifiek taakveld en wordt daarom centraal begroot en verantwoord. De commissie BBV schrijft voor de kosten van overhead in een apart overzicht op te nemen. Om vast te stellen welke kosten onder de overhead vallen, is door de commissie de volgende definitie opgesteld: “Alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces”. Doordat de overhead op een apart taakveld wordt begroot, staan deze niet bij de taakvelden van bijvoorbeeld riolering en afval. Om de tarieven toch juist vast te stellen, rekenen we de overhead afzonderlijk toe. De methode zelf wordt niet voorgeschreven, maar dient wel door de raad te worden vastgesteld en in de financiële verordening te worden opgenomen. In de raadsvergadering van 27 september 2023 is de verordening financieel beleid, beheer en organisatie Rucphen 2023 vastgesteld. Ook is in de paragraaf Lokale Heffingen per bestemmingsheffing een tabel opgenomen waarin de berekening van de kostendekkendheid is verwerkt. In onderstaande tabel zijn de kosten van overhead in rubrieken onderverdeeld, vervolgens is een aantal rubrieken toegelicht.

Rubriek Salariskosten Overige personeelskosten Rentekosten Afschrijvingskosten Belastingen en verzekeringen Behandeling Bezwaren en rechtskundig advies Inkoop Communicatie Dienstverlening en informatievoorziening Archief Facilitair Catering en overige kosten Totaal overheadkosten Doorbelaste overhead Totaal netto overheadkosten

Raming 2025 6.371.603 559.768 63.230 653.405 156.955 64.977 134.347 51.305 1.298.682 129.775 468.870 45.629 9.998.546 -213.444 10.211.990

Salariskosten Het merendeel van de kosten van overhead bestaat uit salariskosten. De doorbelaste salariskosten bedragen € 6.371.603,00. Overige personeelskosten Onder deze rubriek vallen alle kosten die betrekking hebben op personeel, niet zijnde salariskosten. De belangrijkste onderdelen hierin zijn: • werving en selectie; • kosten van arbodienst en arbeidsgeneeskundig onderzoek; • reis- en verblijfkosten; • organisatieontwikkeling; • studies en cursussen. Rentekosten Deze rubriek bevat de toegerekende rente op basis van het omslagprincipe over de boekwaarde van gebouw, inventaris, automatisering, etc. Afschrijvingskosten Deze rubriek betreft het bedrag aan afschrijvingskosten voor het gemeentehuis (gebouw), automatisering en telecommunicatie etc. Belasting en verzekeringen Betaalde belastingen en afgedragen premies.

78

Behandeling bezwaren en rechtskundig advies Overheidsorganen zoals gemeenten kunnen beslissingen nemen met rechtsgevolgen voor anderen. De rechtsbescherming is o.a. geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht. Daarnaast kan het zijn dat iemand meent niet correct behandeld te zijn door de gemeente (bestuur of medewerkers) en daarover een klacht wil indienen. Een klacht wordt in eerste instantie door de gemeente zelf behandeld. Als dat niet tot een oplossing leidt kan een klacht worden ingediend bij een onafhankelijke ombudsvoorziening, de Commissie Ombudsman. Inkoop Wij hebben de werkzaamheden van inkoop en aanbesteding voornamelijk uitbesteed aan dienstverlener Karel, een samenwerkingsverband van gemeenten en gemeenschappelijke regelingen op het gebied van inkoop in de regio Zuid-West Nederland. Karel. ondersteunt en adviseert haar deelnemers op het gebied van inkoop en contractmanagement in de ruimste zin van het woord. Bij iedere deelnemer worden een of meerdere medewerkers vanuit Karel. gestationeerd. Deze medewerkers zorgen dat het inkoop- en aanbestedingsbeleid actueel is, verzorgen de begeleiding van aanbestedingen en vervullen een helpdeskfunctie op het gebied van inkoop. Ook verzorgt Karel. de coördinatie, de aanbestedingen en het contractmanagement van regionale en gezamenlijke aanbestedingen. Daarnaast biedt Karel.

verzorging van het contractmanagement van (complexe) contracten en van het doorlopen van innovatieve aanbestedingen. Communicatie In de paragraaf 5.5 ‘Bedrijfsvoering’ lichten we ‘communicatie’ nader toe. Dienstverlening en Informatievoorziening In de paragraaf 5.5 ‘Bedrijfsvoering’ lichten we ‘dienstverlening en informatievoorziening’ nader toe. Archief De rubriek ‘archief’ bevat de bijdrage aan de gemeenschappelijke regeling ‘West-Brabants Archief’ (WBA). De begroting 2025 is beleidsmatig en financieel in overeenstemming. De bijdrage voor Rucphen bedraagt € 129.775,00. Facilitair Dit onderdeel omvat alle kosten die te maken hebben met het gebruik van het gemeentehuis zoals schoonhouden, energieverbruik, onderhoud gebouw, inventaris en installaties en beveiliging. De inkomsten in verband met verhuur zijn op de kosten in mindering gebracht. Tevens omvat deze rubriek de kosten van druken bindwerk, briefporten en abonnementen op (digitale) vakliteratuur. Catering en overige kosten Hieronder vallen de kosten van het bedrijfsrestaurant.

79

4.

Bedrag voor de heffing voor de vennootschapsbelasting

Gemeenten zijn op grond van de 'Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen' verplicht vennootschapsbelasting (Vpb) te betalen als zij een fiscale onderneming hebben. Deze wet is, mede onder druk van de Europese Commissie, ingevoerd om een gelijk speelveld te maken tussen overheidsondernemingen en private ondernemingen. De belasting voor onze gemeente heeft betrekking op het grondbedrijf en op de opbrengsten van reclameactiviteiten. Tegen de definitieve aangiften Vpb 2019 t/m 2021 is bezwaar aangetekend. Met ingang van het jaar 2019 heeft de gemeente een reclameconcessie verstrekt aan een exploitant voor buitenreclame. Op het gebied van reclameconcessies en Vpb spelen diverse ontwikkelingen. Een aantal gemeenten betwist dat reclameconcessies kwalificeert als een ondernemingsactiviteit waarover Vpb verschuldigd is. Momenteel zijn we in afwachting van een uitspraak van de hoge raad. Zodra de definitieve aanslag voor het jaar 2022 is opgelegd, wordt wederom bezwaar aangetekend. In de Kadernota 2025 is een structurele claim van € 7.000,00 opgenomen voor de ondersteuning bij de aangifte Vennootschapsbelasting, die in deze begroting is verwerkt.

80

5.

De Paragrafen

Als onderdeel van de programmabegroting 2025 – 2028 nemen wij, conform het BBV, zeven programma overstijgende paragrafen op. Daar waar de programma’s een horizontale doorkijk geven op alle inhoudelijke aspecten van het programma geven de paragrafen juist een verticale doorkijk vanuit een bepaald (financieel) perspectief. In de paragrafen staat informatie voor raadsleden waarmee zij inzicht krijgen in de financiële positie van onze gemeente, de beheersmatige aspecten en de risico’s. Wij gaan in op de volgende onderwerpen: • lokale heffingen; • weerstandsvermogen en risicobeheersing; • onderhoud van kapitaalgoederen; • financiering; • bedrijfsvoering; • verbonden partijen; • grondbeleid.

5.1

Lokale heffingen

Lokale heffingen zijn de opbrengsten uit rechten (retributies) en de eigen belastingen. In deze paragraaf staat informatie over: • de beleids- en begrotingsuitgangspunten; • de geraamde inkomsten; • de kostendekking van de tarieven; • de lokale lastendruk; • het kwijtscheldingsbeleid; • de bijdrage aan de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB). Beleids- en begrotingsuitgangspunten De belangrijkste beleidsuitgangspunten voor de heffing van gemeentelijke belastingen, rechten en leges worden ieder jaar in de paragraaf lokale heffingen van de begroting beschreven. Deze uitgangspunten volgen het Hoofdlijnenakkoord 2022 - 2026 voor deze raadsperiode. De meest belangrijke uitgangspunten kunnen als volgt worden samengevat: • bezuinigen gaat voor lastenverzwaring; • de opbrengst van de onroerendezaakbelastingen (OZB) wordt jaarlijks maximaal 2% verhoogd. Zoals gebruikelijk wordt het voorstel tot aanpassing van de belastingverordeningen en wijziging van de tarieven in de raadsvergadering van december, voorafgaand aan het nieuwe belastingjaar, behandeld. Het vaststellen van belastingverordeningen en tarieven is een autonome bevoegdheid van de gemeenteraad. Geraamde inkomsten In onderstaande tabel is voor de verschillende soorten belastingen en heffingen de geraamde opbrengst volgens de begroting 2025 opgenomen. Soort

Begroting

Algemene dekkingsmiddelen

4.300.911

Onroerendezaakbelasting:

4.135.525

eigenaar woningen

2.963.298

eigenaar niet-woningen

706.642

gebruiker niet-woningen

465.585

meeropbrengst OZB areaaluitbreiding

30.000

81

Forensenbelasting

19.528

Toeristenbelasting

115.858

Leges

1.110.243

Hoofdstuk 1: Algemene dienstverlening

265.974

Hoofdstuk 1: Algemene dienstverlening (rijksleges)

181.900

Hoofdstuk 2: Dienstverlening in het kader van de Omgevingswet

630.569

Hoofdstuk 3: Dienstverlening vallend onder de dienstenrichtlijn

7.000

Naturalisaties en Eigen Verklaring (CBR)

18.100

Naturalisaties (rijksleges)

6.700

Overige heffingen

5.922.581

Rioolheffing

2.850.612

Afvalstoffenheffing

3.037.787

Lijkbezorgingsrechten

26.932

Marktgelden

7.250

Onroerendezaakbelastingen (OZB) Op basis van artikel 220 van de Gemeentewet mogen we belastingen op onroerende zaken heffen. Dit doen we om een deel van onze gemeentelijke taken te bekostigen. De onroerendezaakbelastingen vormen de grootste ‘eigen’ inkomstenbron van onze gemeente. Drie groepen krijgen een aanslag OZB: • eigenaren van woningen; • eigenaren van niet-woningen; • gebruikers van niet-woningen. De eigenaar/gebruiker op 1 januari van enig jaar is belastingplichtig voor het gehele jaar. De heffingsgrondslag is de (WOZ)waarde van de onroerende zaak die met een WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor het belastingjaar 2025 geldt de waardepeildatum 1 januari 2024. Bij de OZB heeft uw raad een keuzevrijheid met betrekking tot de vaststelling van de tarieven, de verdeling van de lasten tussen groepen belastingplichtigen (eigenaren en gebruikers) en het in de verordening opnemen van aanvullende vrijstellingen. Bij de vaststelling van de OZB-opbrengst wordt, conform het hoofdlijnenakkoord, vastgehouden aan de afgesproken maximale stijging van 2%. Deze jaarlijkse stijging is verwerkt in de meerjarenraming. Daarnaast is rekening gehouden met extra opbrengst als gevolg van areaaluitbreiding. De vastgestelde OZB-opbrengst in combinatie met totale WOZ-waarde bepaalt het definitieve tarief. Hierbij wordt uitgegaan van de totale WOZ-waarde van alle woningen en niet-woningen.

Deze waarde wordt berekend exclusief areaaluitbreiding en waardeverlaging als gevolg van bezwaar- en beroepschriften. Wel houden we rekening met de verwachte waardeontwikkeling. Forensenbelasting We heffen forensenbelasting om mensen die relatief veel in onze gemeente verblijven, maar geen ingezetene zijn van onze gemeente, mee te laten betalen aan voorzieningen in onze gemeente. Het doel is niet om kosten voor deze voorzieningen één op één te verhalen, maar juist om een bijdrage te vragen aan het algemene voorzieningenniveau. De heffingsgrondslag is de WOZ-waarde van de woning waarin het verblijf plaatsvindt. Het is gebruikelijk om de opbrengst van de forensenbelasting te koppelen aan de OZB-opbrengstverhoging. Toeristenbelasting Toeristenbelasting is verschuldigd over zakelijke of privé overnachtingen van mensen buiten de gemeente die hiervoor een vergoeding betalen. Degene die overnacht, betaalt de belasting vrijwel altijd aan de ondernemer

82

die de overnachting verzorgt. De ondernemer draagt de belasting daarna af aan de gemeente. Deze belasting kent zowel een tarief voor volwassenen als voor personen tot en met de leeftijd van 18 jaar. Bij de wijziging van de tarieven van de toeristenbelasting houden we rekening met het amendement dat in december 2014 door de raad is aangenomen. De tarieven worden pas verhoogd als de meerjarige indexering gekoppeld aan de OZB-opbrengstverhoging (maximaal 2%) leidt tot een verhoging van de tarieven met een tot op € 0,05 nauwkeurig af te ronden tarief. In 2025 blijft het tarief voor volwassenen € 1,10. Het tarief voor personen jonger dan 18 jaar blijft € 0,80. Kostendekking van de tarieven Naast de hiervoor genoemde belastingen beschrijven we in dit onderdeel ook de heffingen en rechten die hoogstens kostendekkend mogen zijn. We maken inzichtelijk hoe we bij de berekening van de tarieven borgen dat de geraamde baten de geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn en hoe deze uitgangspunten gebruiken bij de tariefstelling. Rioolheffing De rioolheffing hangt samen met de wettelijke zorgplicht voor drie beleidsvelden op het gebied van water. Doel van de rioolheffing is om geld vrij te maken voor onder meer de afvoer van afvalwater, de afvoer van regenwater (ook wel hemelwater genoemd) en het beheer van het grondwaterpeil.

De inkomsten uit rioolheffing zijn alleen beschikbaar voor uitgaven gerelateerd aan de beschreven zorgtaken. Het heffen van rioolheffing om andere gemeentetaken te financieren is niet toegestaan. Onze rioolheffing bestaat uit een vast bedrag voor woningen; voor niet-woningen is de hoogte van de heffing afhankelijk van de WOZ-waarde van het object, waarbij in de verordening een maximumbedrag van € 2.500,00 is opgenomen. De tariefontwikkeling van de rioolheffing is afhankelijk van de kostenonderbouwing zoals opgenomen in de financiële paragraaf van het gemeentelijk rioleringsprogramma. Op 15 juni 2022 heeft uw raad het Gemeentelijk Rioleringsprogramma 2023 – 2026 vastgesteld. Hierin is het uitgangspunt om de tariefstijging van de rioolheffing te beperken. Het beste resultaat wordt bereikt door investeringen vanaf 2032 niet volledig lineair af te schrijven, maar gedeeltelijk ook direct af te schrijven. Hierdoor daalt de boekwaarde en daarmee de jaarlijkse afschrijvingslast. Dit heeft uiteraard een gunstig effect op het tarief na 2032. Op korte en middellange termijn wordt een stijging van het tarief geprognosticeerd. In 2025 bedraagt het tarief voor woningen € 236,25. Berekening van de kostendekkendheid rioolheffing Omschrijving

Begroot

Kosten taakveld(en), incl. (omslag)rente Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen

1.769.155 73

Netto kosten taakveld

1.769.082

Toe te rekenen kosten Overhead incl. (omslag)rente

269.035

BTW

455.198

Overig

357.274

Totale kosten

2.850.589

Opbrengst heffingen

2.850.612

Dekkingspercentage

100,0%

83

Afvalstoffenheffing Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor de inzameling van het afval van huishoudens. Met de afvalstoffenheffing kan de inzameling van het huishoudelijk afval worden bekostigd. De inkomsten uit de afvalstoffenheffing mogen niet meer dan kostendekkend zijn. Alle particuliere huishoudens waar de gemeente de inzamelplicht nakomt, moeten afvalstoffenheffing betalen. De heffing stellen we vast per perceel. De heffing bestaat uit een vast bedrag per perceel (woning) en een drietal variabele tarieven voor het per keer aanbieden van de verschillende afvalcontainers (restafval-, GFTafval- en ondergrondse verzamelcontainer). Voor de huis-aan-huis inzameling van papier en plastic is géén bedrag verschuldigd. Het uitgangspunt bij de afvalstoffenheffing is een volledig 100%-kostendekkende tariefberekening. Alle kosten van de activiteiten die in enige mate (geheel/gedeeltelijk) kunnen worden toegerekend aan de in de Wet Milieubeheer opgenomen gemeentelijke zorgplicht voor het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen, inclusief de kosten van het grondstoffencentrum, zijn in de kostenonderbouwing meegenomen. Daarbij maken we onderscheid tussen vaste en variabele kosten, om zo het vaste tarief per perceel en de verschillende containertarieven te berekenen. Berekening van de kostendekkendheid afvalstoffenheffing Omschrijving

Begroot

Kosten taakveld(en), incl. (omslag)rente Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen

2.543.234 383.778

Netto kosten taakveld

2.159.456

Toe te rekenen kosten Overhead incl. (omslag)rente

98.243

BTW

448.078

Overig

333.932

Totale kosten

3.039.709

Opbrengst heffingen

3.037.787

Dekkingspercentage

99,9%

Leges We heffen leges voor het in behandeling nemen van verschillende aanvragen voor gemeentelijke dienstverlening of voor het verkrijgen van diverse producten. Denk hierbij aan inwoners die betalen voor een paspoort, een rijbewijs of een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie, maar ook aan projectontwikkelaars die een aanvraag indienen voor een omgevingsvergunning. De totale opbrengst uit de leges mag de totale kosten niet overtreffen. Met andere woorden: een gemeente mag geen winst maken op de diensten die zij levert. De tarieven voor leges zijn daarom kostendekkend berekend. Daarnaast zijn er bepaalde producten waarvoor maximumtarieven gelden. Deze zijn landelijk vastgesteld. We berekenen alle tarieven op basis van de ‘activity-based-costing-methode’, waarbij we een inschatting maken van de werkelijke kosten van een dienst/product. Hierbij houden we rekening met de geraamde tijdsbesteding, externe kosten en een doorbelasting van overhead. Ook koppelen we bepaalde leges aan het Consumenten Prijs Indexcijfer (CPI) om de dekking constant te houden. Volgens de Kerngegevenstabel, gepubliceerd in september 2024, is het indexcijfer voor 2025 ingeschat op 3,2%.

84

Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening kosten

opbrengsten

dekking

paragraaf 1

Burgerlijke stand

17.371

16.908

97,3%

paragraaf 2

Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart

363.341

279.600

77,0%

paragraaf 3

108.941

96.700

88,8%

10.078

7.500

74,4%

paragraaf 5

Rijbewijzen Verstrekkingen in het kader van de basisregistratie personen [leeg]

paragraaf 6

Vastgoedinformatie

paragraaf 7

Overige publiekszaken

13.927

8.400

60,3%

paragraaf 8

[leeg]

paragraaf 9

Bijzondere wetten

60.072

37.766

62,9%

1.092

1.000

91,6%

574.822

447.874

77,9%

paragraaf 4

paragraaf 10 Diversen kostendekking hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet kosten paragraaf 1

Algemene bepalingen

paragraaf 2

Voorfase

paragraaf 3

Activiteiten met betrekking tot bouwwerken

paragraaf 4

Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed

paragraaf 5

Milieubelastende activiteiten

paragraaf 6

Lozingsactiviteiten

paragraaf 7

Aanlegactiviteiten

paragraaf 8

Overige activiteiten

paragraaf 9

Maatwerkvoorschriften

opbrengsten

dekking

973.854

630.569

64,7%

973.854

630.569

64,7%

paragraaf 10 Gelijkwaardigheid paragraaf 11 Overige tarieven paragraaf 12 Modaliteiten paragraaf 13 Vermindering paragraaf 14 Teruggaaf kostendekking hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder de dienstenrichtlijn en niet vallend onder hoofdstuk 2 kosten paragraaf 1

Horeca

paragraaf 2

Seksbedrijven

paragraaf 3

Winkeltijdenwet

paragraaf 4 paragraaf 5 paragraaf 6

[leeg]

paragraaf 7

In dit hoofdstuk niet benoemd besluit

opbrengsten

dekking

4.433

3.200

72,2%

Organiseren evenement of markt

3.271

2.800

85,6%

Standplaatsen

1.330

1.000

75,2%

9.034

7.000

77,5%

kostendekking hoofdstuk 3

85

Marktgeld en lijkbezorgingsrechten Marktgeld en lijkbezorgingsrechten vallen, net als leges, onder retributies (rechten). Retributies worden geheven als de gemeente een dienst verleent of een van haar bezittingen ter beschikking stelt. In dit geval gaat het om respectievelijk het gebruik van een marktstandplaats en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats. Ook bij deze rechten geldt dat niet meer dan 100% van de kosten kunnen worden verhaald. Echter bij deze rechten is bewust gekozen om slechts gedeeltelijke kostendekking te realiseren. Een verhoging van de tarieven naar volledig kostendekkende tarieven leidt tot ongewenst hoge (schrik-)tarieven. Wel worden de rechten gekoppeld aan het CPI-cijfer om de dekking constant te houden. Bij de berekening van het tarief van het markt- en promotiegeld hebben wij in verband met de praktische hanteerbaarheid het tarief op € 0,05 naar boven afgerond. De lijkbezorgingsrechten worden afgerond op hele euro’s. Berekening van de kostendekkendheid marktgeld Omschrijving

Begroot

Kosten taakveld(en), incl. (omslag)rente Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen

43.044 8.850

Netto kosten taakveld

34.194

Toe te rekenen kosten Overhead incl. (omslag)rente

11.066

BTW

-

Overig

-

Totale kosten

45.260

Opbrengst heffingen

7.250

Dekkingspercentage

16,0%

Berekening van de kostendekkendheid lijkbezorgingsrechten Omschrijving

Begroot

Kosten taakveld(en), incl. (omslag)rente Inkomsten taakveld(en), excl. heffingen

66.529 -

Netto kosten taakveld

66.529

Toe te rekenen kosten Overhead incl. (omslag)rente

20.921

BTW

-

Overig

-

Totale kosten

87.450

Opbrengst heffingen

26.932

Dekkingspercentage

30,8%

86

Lokale lastendruk In onderstaande tabel geven we een doorkijk in het verloop van de tarieven en de waardeontwikkeling. We gaan uit van voorlopige tarieven. Definitieve vaststelling vindt plaats in de raadsvergadering van december 2025. Belastingsoort

2022

2023

2024

2025

1. eigenarenheffing woningen

0,0944%

0,0819%

0,0795%

0,0811%

2. eigenarenheffing niet-woningen

0,1623%

0,1700%

0,1538%

0,1569%

3. gebruikersheffing niet-woningen

0,1339%

0,1376%

0,1267%

0,1292%

Rioolheffing** 1. tarief woningen

€ 207,02

€ 216,34

€ 227,16

€ 236,25

2. tarief niet-woningen*

0,1193%

0,1273%

0,1368%

0,1423%

Afvalstoffenheffing 1. vast bedrag per perceel

€ 156,50

€ 155,00

€ 175,00

€ 175,00

2. tarief lediging Restafvalcontainer

€ 11,00

€ 9,70

€ 11,30

€ 12,20

3. tarief lediging GFT-afvalcontainer

€ 3,80

€ 3,40

€ 3,90

€ 4,30

4. tarief inworp ondergrondse verzamelcontainer

€ 2,20

€ 1,90

€ 2,30

€ 2,40

1-1-2021

1-1-2022

1-1-2023

1-1-2024

9,1%

13,1%

4,6%

n.n.t.b.

0,7%

4,8%

4,7%

n.n.t.b.

Onroerende-zaakbelastingen*

Waardeontwikkeling WOZ-waarde 1. woningen 2. niet-woningen bron: waarderingskamer Gemiddelde WOZ waarde (CBS-statistiek WOZ) 1. woningen (Rucphen)

1-1-2021

1-1-2022

1-1-2023

1-1-2024

€ 315.000

€ 352.000

€ 370.000

n.n.t.b.

2. woningen (Nederland)

€ 317.000

€ 368.000

€ 379.000

n.n.t.b.

(*) voor 2025 uitgaande van voorlopige tarieven omdat de totale WOZ-waarde van de categorie woningen en niet-woningen nog niet kan worden berekend. (**) voor 2025 gaan we uit van de voorlopige tarieven, zoals geprognosticeerd in het Gemeentelijk Rioleringsprogramma 20232026.

Ook hebben we voor de verschillende (fictieve) huishoudens de financiële consequenties in een tabel weergegeven. Wij hebben onderscheid gemaakt in een berekening –uitgaande van vaste WOZ-waarde van een object voor belastingplichtigen met een eigen woning of eigen bedrijf, en een berekening voor huurders van woningen.

87

Lokale lastendruk Huurwoning

Particuliere woning

Particuliere woning

n.v.t.

€ 250.000

€ 400.000

€ 700.000

eigenarenheffing

n.v.t.

€ 202,73

€ 324,36

€ 1.098,13

gebruikersheffing

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

€ 904,64

n.v.t.

€ 236,25

€ 236,25

Belastingsoort WOZ-waarde object

Bedrijf

Onroerende-zaakbelastingen (*)

Rioolheffing (*) woningtarief niet-woningtarief

€ 995,92

Afvalstoffenheffing (**) Vast tarief per perceel

€ 175,00

€ 175,00

€ 175,00

n.v.t.

Lediging GFT-container

€ 25,80

€ 25,80

€ 25,80

n.v.t.

Lediging Rest-container

€ 134,20

€ 134,20

€ 134,20

n.v.t.

Totaal aanslag 2025

€

335,00

€

773,98

€

895,61

€

2.998,69

Aanslagbedrag 2024

€

322,70

€

748,61

€

867,86

€

2.921,10

Verschil

€ 12,30

€ 25,37

€ 27,75

(*) uitgaande van voorlopige tarieven omdat de totale WOZ-waarde nog niet kan worden berekend. (**) uitgaande van gemiddeld aantal ledigingen van respectievelijk 6 GFT/ 11 Rest afvalcontainers

Kwijtscheldingsbeleid Het verlenen van kwijtschelding is geen verplichting maar een bevoegdheid. Volgens de Invorderingswet kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend aan een belastingplichtige die zijn belastingaanslag of een deel daarvan niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan betalen. De raad stelt jaarlijks het gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid vast. In het gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid staat eerst aangegeven voor welke heffingen kwijtschelding kan worden aangevraagd. Volledige kwijtschelding kan worden verzocht voor de aanslag OZB, rioolheffing en het vaste deel van de afvalstoffenheffing. Kwijtschelding van het variabele deel van de afvalstoffenheffing is beperkt tot een maximum aantal containerledigingen, namelijk 9 ledigingen van de restafvalcontainer, 5 ledigingen van de Gft-container en 26 inworpen in de ondergrondse verzamelcontainer. Daarnaast is in het kwijtscheldingbeleid aangegeven wanneer iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding. Dit toetsten we aan de betalingscapaciteit en de hoogte van het vermogen van een belastingschuldige. Hier zijn normeringen voor. Het betreft de normen en bedragen genoemd in de Participatiewet (bijstandsnorm), die gelden voor de “kosten van bestaan”. In ons bestaand beleid is gekozen om de kosten van bestaan op 100% van de bijstandsnorm te stellen.

Dit is het maximaal toegestane percentage en zorgt voor de ruimste mate van kwijtschelding. Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant De gemeentelijke bijdrage aan de BWB voor 2025 is bepaald op € 528.000,00 (inclusief € 34.000,00 compensabele BTW).

€ 77,59

88

5.2

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing beschrijven we de financiële positie van onze gemeente. Ook nemen we hier de verplichte financiële kengetallen op. Beleidskader In de raadsvergadering van 19 september 2018 stelde uw raad de “Nota risicomanagement & weerstandsvermogen 2018” vast. In het risicomanagementbeleid is op hoofdlijnen aangegeven wat uw raad wil bereiken met risicomanagement, welke instrumenten en middelen daartoe ingezet worden, en wat de definities en uitgangspunten zijn om te komen tot de noodzakelijke berekeningen. Dit beleidskader gebruiken we deze periode om uitvoering te geven aan het risicomanagement. Wij zoeken een balans tussen een zo volledig en objectief mogelijk risicoprofiel zonder daarbij onnodig beslag te leggen op de weerstandscapaciteit. Dit kan alleen door een integrale benadering waarin de samenhang tussen risico’s, reserves en het ratio centraal staat. We leggen de nadruk op risicomonitoring. De speerpunten voor deze periode zijn dan ook gelijk aan de doelstellingen van risicomonitoring: • • •

Speerpunt 1: Tijdig signaleren van risico’s; Speerpunt 2: Effectiviteit van beheersmaatregelen; Speerpunt 3: Evaluatie.

Risico’s, weerstandscapacitieit en weerstandsvermogen Het realiseren van ambities gaat gepaard met het nemen van risico’s. Risico’s horen bij het proces van verandering. Het is belangrijk dat uw raad zich bewust is van de risico’s die horen bij het beleid van de gemeente en dat zij hierop stuurt. Of onze gemeente in staat is de gevolgen van de risico’s op te vangen zonder dat het beleid of de uitvoering daarvan in gevaar komt, wordt weergegeven door de 'weerstandscapaciteit'. Onder weerstandscapaciteit verstaan we de middelen en mogelijkheden die de gemeente heeft om risico’s te kunnen dekken. Dit zijn onder andere: het vrij aanwendbare gedeelte van de algemene reserve, de reserve grondexploitatie, de onbenutte belastingcapaciteit, de post onvoorzien en overige stille reserves. Samen vormen deze middelen de beschikbare weerstandscapaciteit. De benodigde weerstandscapaciteit is afhankelijk van de aard en de omvang van de risico’s (risicoprofiel). De relatie tussen de weerstandscapaciteit en het risicoprofiel noemen we het weerstandsvermogen. Deze wordt weergegeven door de ratio weerstandsvermogen. Risicoprofiel De lijst met risico’s actualiseren we twee keer per kalenderjaar, namelijk bij de samenstelling van de begroting en de jaarrekening.

In combinatie met de risico’s van de grondexploitatie en strategische gronden vormen deze risico’s het risicoprofiel van de gemeente Rucphen. In de jaarrekening 2023 waren 41 risico’s geïnventariseerd. Bij deze laatste actualisatie zijn in totaal 38 risico’s voor onze gemeentelijke exploitatie in beeld. In het volgende overzicht wordt de top 10 grootste risico’s gepresenteerd en het totaalbedrag van de overige risico’s uit de gemeentelijke exploitatie. Een totaallijst van deze risico’s is terug te vinden in bijlage 3. Daarnaast hebben we de risico’s die bij onze grondexploitaties zijn benoemd in deze paragraaf opgenomen.

89

Belangrijkste financiële risico's financieel gevolg maximaal

benodigde weerstandscapaciteit

Risico's gemeentelijke exploitatie

kans

Opzeggen huurovereenkomst Vinkenbos

10%

€

2.000.000

€

200.000

50%

€

400.000

€

200.000

50%

€

200.000

€

100.000

50%

€

200.000

€

100.000

10%

€

1.000.000

€

100.000

Het uitbreken van nog onbekende crises.

10%

€

1.000.000

€

100.000

Slechte, ontoereikende verkeersveiligheid.

30%

€

300.000

€

90.000

Faillissement leverancier software toepassingen.

10%

€

750.000

€

75.000

Overlast door extreme weersomstandigheden.

30%

€

200.000

€

60.000

Faillissement (grote) zorgaanbieder.

30%

€

200.000

€

60.000

Totaal grote risico's

€

6.250.000

€

1.085.000

Overige risico's

€

4.220.000

€

646.000

Totaal risico’s gemeentelijke exploitatie

€

10.470.000

€

1.731.000

€

40.750

€

4.075

€

40.750

€

4.075

De (financiële) beheersmaatregelen in de jeugdzorg zijn onvoldoende in relatie tot de knelpunten in de Jeugdzorg WBW. Ontwikkelingen bij verbonden partijen, uitbreiding takenpakket GR, begrotingstekorten e.d. De (financiële) beheersmaatregelen zijn onvoldoende in relatie tot de toename in zorgvraag (open einde regeling Wmo). Boete Autoriteit Persoonsgegevens als gevolg van datalek of niet voldoen aan de AVG.

Strategische gronden: Uitbreiding Struikhei

10%

Totaal risico’s strategische gronden: Risico’s grondexploitatie: Complexen in exploitatie (zie paragraaf 5.7)

n.v.t.

€

382.687

€

22.997

Voorziening grondbedrijf (zie paragraaf 5.7)

n.v.t.

€

1.609.663

€

1.578.101

Totaal risico’s grondexploitatie

€

1.992.350

€

1.601.098

Totaal gemeentelijke risico’s

€

12.503.100

€

3.336.173

Bij de inventarisatie is ook de kans en het financiële gevolg in beeld gebracht. Uit ons risicoprofiel blijkt dat het maximale financiële gevolg van alle risico’s samen € 12.503.100,00 is. Het is ondenkbaar dat alle risico’s tegelijk en in hun maximale omvang optreden. We reserveren daarom een gedeelte van het totale risicobedrag. Dit berekenen we door middel van kanspercentage x maximaal financieel gevolg. Om het totale risicobedrag af te dekken is een weerstandscapacitieit benodigd van € 3.336.173,00. Beschikbare weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit van Gemeente Rucphen bestaat uit het vrij aanwendbare gedeelte van de algemene reserve, de reserve grondexploitatie, de onbenutte belastingcapaciteit, de post onvoorzien uit de begroting 2025 en overige stille reserves. Alle onderdelen worden hieronder toegelicht. Algemene reserve Per 1 januari 2025 is de verwachte omvang van de algemene reserve groot € 7.632.914,65. Om een correct beeld te geven van het vrij aanwendbare gedeelte van de algemene reserve brengen we alle toekomstige onttrekkingen uit de algemene reserve, waarover door uw raad besluitvorming heeft plaatsgevonden, in mindering. Daarnaast wordt ook alle vrijval ten gunste van de algemene reserve verrekend. Alle mutaties tot en met de 2e bestuursrapportage 2024 zijn verwerkt.

In 2025 houden we rekening met storting in de Reserve Kadernota van € 205.423,00 i.v.m. de eenmalige claims uit de Kadernota 2025. Verder

90

zijn er geen aanwendingen of stortingen in relatie tot algemene reserve waarover uw raad een besluit heeft genomen. Reserve grondexploitatie Deze middelen worden gebruikt om de risico’s van de grondexploitatie af te dekken. We nemen deze mee in de weerstandscapaciteit omdat enerzijds overschotten binnen deze reserve terugvloeien naar de algemene reserve en anderzijds tekorten worden aangevuld door de algemene reserve. De verwachte omvang van de reserve grondexploitatie per 1 januari 2025 is € 2.057.235,60. Onbenutte belastingcapaciteit Onbenutte belastingcapaciteit is de mogelijkheid om extra middelen te genereren door belastingen te verhogen of heffingen meer kostendekkend te maken. Voor de drie belangrijkste inkomsten van onze gemeente, onroerendezaakbelasting (OZB), afvalstoffenheffing en rioolheffing, is deze mogelijkheid alleen van toepassing op de OZB omdat de heffingen al 100% kostendekkend zijn. De nadruk ligt hierbij op het woord ‘mogelijkheid’. Anders dan bij de reserves kan de onbenutte belastingcapaciteit namelijk niet worden gebruikt als dekking en mag deze alleen worden gezien als scenario bij grote financiële tekorten op de begroting over langere tijd. De onbenutte belastingcapaciteit bij de OZB is zo groot als het verschil tussen het gehanteerde tarief en het tarief om tot een "artikel 12 gemeente" gerekend te worden. Voor 2025 is dit tarief 0,1595%.

Wanneer we dit percentage afzetten tegen de in de begroting opgenomen ramingen voor de OZB-ontvangsten blijkt er nog een ruimte te zijn van € 2.954.213,00 structureel. Onvoorzien Voor 2025 is een post voor onvoorziene uitgaven opgenomen van € 55.000,00. Algemene reserve geactiveerde gronden in erfpacht (stille reserves) In erfpacht uitgegeven gronden moeten worden gewaardeerd tegen de uitgifteprijs van eerste uitgifte. Deze waarde is middels de resultaatbestemming 2017 toegevoegd aan de algemene reserve (erfpacht) en mag worden toegerekend aan onze weerstandscapaciteit. Net als bij de onbenutte belastingcapaciteit kan deze waarde niet worden gebruikt als dekking. Ook hier is alleen sprake van een mogelijkheid om op termijn inkomsten te genereren. Beschikbare weerstandscapaciteit Algemene reserve per 01-01-2025

€

7.632.915

Reserve grondexploitatie

€

2.057.236

Onbenutte belastingcapaciteit (redelijk peil 2025)

€

2.954.213

Onvoorzien (2025)

€

55.000

Algemene reserve geactiveerde gronden in erfpacht (stille reserves)

€

953.000

Totale beschikbare weerstandscapaciteit

€

13.652.363

Af: Totaal aanwendingen tlv / vrijval tgv de algemene reserve

€

205.423

Totaal gecorrigeerde beschikbare weerstandscapaciteit

€

13.446.940

Totaal benodigde weerstandscapaciteit (o.b.v. 100%)

€

3.336.173

Vrij besteedbaar

€

10.110.767

Ratio weerstandsvermogen Om te bepalen of het weerstandsvermogen toereikend is, dient de relatie te worden gelegd tussen de financieel gekwantificeerde risico’s en de daarbij gewenste weerstandscapaciteit en de beschikbare weerstandscapaciteit. De benodigde weerstandscapaciteit die uit de risicosimulatie voortvloeit, kan worden afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. De uitkomst van die berekening vormt het weerstandsvermogen.

Ratio weerstandsvermogen

=

Beschikbare weerstandscapaciteit

€ 13.446.940

Benodigde weerstandscapaciteit

€

3.336.173

4,0

91

Wanneer we op deze ratio een correctie toepassen voor de middelen welke niet als dekking gebruikt kunnen worden (onbenutte belastingcapaciteit en erfpacht), verandert de ratio als volgt:

Ratio weerstandsvermogen (gecorrigeerd)

=

Beschikbare weerstandscapaciteit

€

9.539.727

Benodigde weerstandscapaciteit

€

3.336.173

2,9

We streven naar een gecorrigeerd ratio met een bandbreedte tussen 1.0 en 1.4, met waarderingscijfer C. Het gecorrigeerd ratio voor de begroting 2025 ligt met 2,9 , buiten deze bandbreedte. Volgens de weerstandsnorm is dit ratio ‘uitstekend’. Omdat het ratio groter is dan 1.4, is sprake van vrij besteedbare ruimte binnen de Algemene reserve. Het uitgangspunt is dat deze ruimte in de Algemene reserve blijft, totdat anders wordt besloten. De vrije ruimte bedraagt: € 6.203.554,25. Weerstandsnorm Waarderingscijfer

Ratio

Betekenis

A

>2.0

uitstekend

B

1.4-2.0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14616487/1