VOORBE~1.PDF
Tekst van het document
Voorbereiding bijeenkomst 27 maart 2023 Doel Ter voorbereiding van de gesprekken tussen raadsleden, collegeleden en bestuurders of medewerkers van de gemeenschappelijke regelingen over de wijziging van de regelingen hebben de gemeenschappelijke regelingen een aantal vragen beantwoord. Met deze beantwoording wordt een richting gegeven aan waar de gemeenschappelijke regeling aan denkt wat betreft de wijziging. De bedoeling hiervan is om het gesprek op 27 maart scherper te kunnen voeren. Een aantal gemeenschappelijke regelingen hebben ook concrete vragen opgenomen die ze willen stellen aan raadsleden. U wordt nadrukkelijk uitgenodigd om die bijdrages van de gemeenschappelijke regelingen te lezen waarmee u in gesprek wilt. Inhoudsopgave 1 2 3 4 5 6 7 8
Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen BVO Doelgroepenvervoer Regio Arnhem Nijmegen Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden MGR Sociaal Domein Centraal Gelderland Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) Park Lingezegen B.V. Recreatiemaatschappij Overbetuwe BVO De Connectie
pagina 2-3 4-5 6-9 10-13 14-16 17-28 29-30 31-32
Omschrijving regeling De Gemeenschappelijke regeling Regio Arnhem-Nijmegen is een collegeregeling en kent het openbaar lichaam dat de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (verder de GMR) wordt genoemd. In de GMR werken de 18 deelnemende gemeente verdeeld over vijf integrale opgaven aan de uitdaging hoe om te gaan met groei van wonen, werken en mobiliteit. Dit doen we op zo'n manier dat we een balans kunnen vinden tussen levendige stedelijkheid en ontspannen leefkwaliteit: groene groei. De GMR neemt geen inhoudelijke beleidsbeslissingen, die worden bij de deelnemers zelf genomen. De enige bevoegdheid die door de gemeenten is overgedragen is de bevoegdheid om subsidie te verlenen aan The Economic Board.
Regelen van uittreden uit de regeling De regeling dient bepalingen te bevatten omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. De GMR kent al een uittredingsregeling ‘Richtlijnen uittreding Gemeenschappelijke regeling ArnhemNijmegen’. Deze regeling bevat al een hoop belangrijke elementen die straks geregeld moeten worden in de regeling. Voorstel is om in de regeling kaders op te nemen, die we uitwerken in de uittredingsregeling. Deze uittredingsregeling wordt vastgesteld door het AB. Wat vindt u een belangrijk onderdeel van uittreding dat in de regeling opgenomen zou moeten worden?
Besluiten waar van raden zienswijze wordt gevraagd. Met de nieuwe wet ontstaat er een verplichting om een afweging te maken in de gemeenschappelijke regeling over welke besluiten er zienwijze aan de raden worden gevraagd (dit mag overigens ook geen enkel besluit zijn). In de regeling van de GMR is expliciet bepaald dat er (in ieder geval) zienswijzen worden gevraagd over de voorlopige jaarrekening, regionale agenda en een liquidatieplan door het dagelijks bestuur. Wat vindt u belangrijke besluiten waarover u zienswijze zou willen geven?
Participatie ingezetene bij beleid Een gemeenschappelijke regeling moet bepalingen inhouden over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. In de GMR zouden wij op willen nemen dat ingezetenen en belanghebbenden voorafgaand aan de openbare vergadering van de AB kunnen inspreken over een onderwerp dat op de agenda van het AB staat (dit staat al in het reglement van orde). Voor het overige willen we dat per opgave wordt bepaald hoe er met participatie omgegaan zal worden, omdat de opgaven waar wij voor staan nogal divers. Dit vraagt ook afstemming met de participatie binnen de deelnemende gemeenten. Vindt u het belangrijk dat we meer participatiemogelijkheden vast leggen in de regeling?
Bedrijfsvoering - Juridische Zaken – DB 13 maart 2023
1
Evaluatie van de regeling Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling (dat mag ook geen evaluatie zijn). Op dit moment draagt het AB zorg voor de evaluatie van de GMR aan het begin van het kalenderjaar waarin algemene raadsverkiezingen in de gemeenten plaatsvinden (art. 36). Wij zouden dat liever een jaartje eerder doen omdat raadsleden op het nu vastgelegde moment vaak al druk zijn met verkiezingen. Vindt u dat er meer geregeld moet worden omtrent evaluatie van de regeling?
Inlichtingen aan de raden van de deelnemers Er is een informatieverplichting in het leven geroepen voor het bestuur van een openbaar lichaam, om de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen te verschaffen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. De GMR beschikt over een informatieprotocol, maar de regeling zelf geeft niet aan op welke wijze de inlichtingen worden verstrekt. Wel is er in het Reglement van orde dit onderwerp geregeld. We willen een aantal elementen opnemen in de regeling, maar de rest door het AB laten uitwerken in een protocol dat makkelijker aan te passen is aan de (technische) ontwikkelingen van de toekomst. Voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol wordt een zienswijze aan de raden van de deelnemende gemeente gevraagd. Wat vindt u belangrijk om in de regeling in ieder geval opgenomen te hebben?
Bedrijfsvoering - Juridische Zaken
2
BVO DRAN Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem Nijmegen. De BVO DRAN is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van de belangen van de deelnemende gemeenten met betrekking tot het tot stand brengen, ontwikkelen en in stand houden van een kwalitatief hoogwaardig, herkenbaar, efficiënt en eenvoudig te gebruiken doelgroepenvervoer. Ter herkenning van de voertuigen voor de reizigers voert de BVO DRAN de merknaam Avan (Aanvullend Vervoer Arnhem Nijmegen) De BVO DRAN heeft tot doel de gezamenlijke sturing en (financiële) beheersing van uitvoeringstaken en uitvoering van ondersteunende processen op het gebied van doelgroepenvervoer voor de deelnemende gemeenten.
Zienwijze door de raden Gelet op het feit dat de BVO DRAN een bedrijfsvoeringsorganisatie betreft, waarbij het beleid bij de gemeenten ligt, vraagt het bestuur van de BVO DRAN enkel een zienswijze op de begroting.
Participatie ingezetene bij beleid Gelet op het feit dat de BVO DRAN een bedrijfsvoeringsorganisatie betreft, waarbij het beleid bij de gemeenten ligt, is er geen inspraak op het beleid mogelijk bij de BVO DRAN. De BVO DRAN heeft De Regionale Adviesraad Doelgroepenvervoer (RAD) ingesteld, deze geeft gevraagd en ongevraagd advies. De RAD bestaat uit een afvaardiging van ervaringsdeskundigen uit de achttien deelnemende gemeenten van de BVO DRAN. Deze leden zijn bij voorkeur afkomstig uit lokale belangenorganisaties of adviesraden binnen het sociaal domein en bij voorkeur gebruikers van Avan. Binnen de RAD wordt gestreefd naar een spreiding van kennis uit diverse doelgroepen. Zodoende kan zo goed mogelijk op specifieke problematiek worden ingespeeld en het bestuur van Avan geadviseerd worden. De advisering richt zich op de uitvoering en monitoring van het Avan-doelgroepenvervoer op regionaal niveau. Het gaat dan met name over het naleven van de afgesproken regels, monitoring van wijze van klachtafhandeling, de werkwijze van het callcenter, de kwaliteit van het daadwerkelijke vervoer en de deskundigheid en klantvriendelijkheid van chauffeurs. De RAD behandelt geen individuele klachten, tenzij blijkt dat een klacht een structureel probleem is of kan worden.
De RAD adviseert niet over zaken als de hoogte van WMO-kortingstarieven, wie wel of geen indicatie krijgt voor een vervoerspas en voor hoeveel kilometers per jaar deze kortingspas geldig is. Over dit soort zaken gaan de gemeenten zelf.
Evaluatie van de regeling In de huidige regeling staat er nog niets over opgenomen, aanpassingen hierop worden meegenomen in de Wijzigingsregeling welke aan u voorgelegd gaat worden.
Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem Nijmegen
1
Inlichtingen aan de raden van de deelnemers De raden ontvangen jaarlijks de volgende gegevens: - Kaderbrief - Jaarrekening - Begroting Daarnaast informeert de BVO DRAN de raden als er gewichtige zaken spelen zoals bijvoorbeeld aanbestedingen, corona e.d. Indien nodig organiseert de BVO DRAN ook raadsbijeenkomsten, zoals bijvoorbeeld de informatiebijeenkomst vorig jaar voor alle raadsleden na de verkiezingen.
Raadsadviescommissie Is niet van toepassing voor een BVO.
Regelen van uittreden uit de regeling Op dit moment staat het volgende in de regeling opgenomen: 1. 2.
3.
4.
Indien een deelnemer geheel of deels (per doelgroep) uit wenst te treden, zal het Bestuur in het kader van de in het derde lid bedoelde afwikkeling van de gevolgen daarvan op basis van een sociaal plan personeel aan deze deelnemer toewijzen. De uittreding kan op twee manieren plaatsvinden: a. gedurende de looptijd van voor deelnemer betreffende contract(en) met inachtneming van een termijn van aanzegging van het besluit aan de andere deelnemers van minimaal één jaar, met ingang van 1 januari van het opvolgende jaar. b. bij afloop van de looptijd van voor deelnemer betreffende contract(en) met inachtneming van een termijn van aanzegging van het besluit aan de andere deelnemers van minimaal 15 maanden voordat het contract afloopt. Een uittredingsplan wordt vastgesteld als ten minste tweederde van de deelnemers waaronder de uittredende deelnemer, daartoe besluit. Het Bestuur kan een onafhankelijke derde opdracht geven een uittredingsplan op te stellen, nadat op de inhoud van deze opdracht instemming is verkregen van het college van de deelnemer die wenst uit te treden. De kosten van het inschakelen van de onafhankelijke derde zijn voor rekening van de deelnemer die wenst uit te treden. Bij uittreding gedurende de looptijd van contract(en) zullen de financiële gevolgen van de uittreding voor rekening van de uittredende deelnemer komen.
Bij een uittreding na afloop van de looptijd van het contract zullen de alleen de directe kosten voor rekening van de uittredende deelnemer komen. Het bepaalde in de vorige leden is, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkomstige toepassing als de uittreding van een deelnemer betrekking heeft op een of meerdere doelgroepen. Voor uittredingsplan moet in dat geval deeluittredingsplan worden gelezen.
Er wordt getoetst of deze regeling voldoende is of dat deze aangepast/aangevuld dient te worden.
Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem Nijmegen
2
Omschrijving regeling De gemeenschappelijke regeling Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) is een collegeregeling. Colleges zijn wettelijke verplicht een gemeenschappelijk regeling te vormen voor de uitvoering van veiligheidsregio- en GGD-taken. VGGM is een uitvoeringsorganisatie (circa 2245 werknemers) en voert taken uit op het gebied van de brandweerzorg, Publieke Gezondheid / GGD, ambulancezorg, crisisbeheersing en GHOR. Ook wordt uitvoering gegeven aan de meldkamerfunctie waarvan het beheer is overgedragen naar de Landelijke Meldkamer Samenwerking, een zelfstandig onderdeel van de politie. Door VGGM zijn twee stichtingen opgericht, de Stichting Publieke Gezondheid en de Stichting Veilig Thuis. Ten aanzien van de uitvoering van taken op het gebied van de Publieke Gezondheid is sprake van een basispakket, waarnaast ook maatwerkafspraken worden gemaakt. Ten aanzien van Veilig Thuis is een subsidierelatie met de individuele gemeenten. Werkgebied: Arnhem, Barneveld, Doesburg, Duiven, Ede, Lingewaard, Nijkerk, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Scherpenzeel, Wageningen, Westervoort, Zevenaar Begroting 2023 (versie sept. 2021): Circa € 118 mln waarvan circa €75 mln gemeentelijke bijdrage
Besluiten waar van raden zienswijze wordt gevraagd. Op grond van Art. 14, lid 2a van de Wet Veiligheidsregio heeft de burgemeester met de gemeenteraad overleg over het ontwerpbeleidsplan. Het bestuur van VGGM stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan vast, waarin het beleid is vastgelegd ten aanzien van de taken van de veiligheidsregio. Wij stellen voor om de bestuurlijke lange termijn agenda actief te gaan delen met de raad zodat zij meer inzicht kunnen krijgen in onderwerpen waarover er mogelijkerwijs de behoefte bestaat bij raden om een zienswijze in te kunnen brengen. In de regeling zou daarover kunnen worden opgenomen dat bijvoorbeeld de helft van de raden dit verzoek moeten steunen. Een alternatief zou kunnen zijn dat de besluitvorming hierover wordt overgelaten aan het algemeen bestuur waarbij de insteek zou kunnen zijn dat bij wijzigingen van het beleid een zienswijzeprocedure wordt toegepast. Vragen: Het huidige beleidsplan (2020-2023) beschrijft uitsluitend de taakuitvoering door op grond van de Wet Veiligheidsregio. 1. Vindt u het wenselijk om de reikwijdte van het beleidsplan te verbreden naar het gehele werkterrein van VGGM? 2. Vindt u het wenselijk om daar een formele zienswijzeprocedure voor te volgen of volstaat een informele procedure?
Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, 27 maart 2023
1
Participatie ingezetene bij beleid De participatie bij beleid vanuit belanghebbenden is o.a. geregeld via de instelling van een cliëntenraad (o.a. bij de ambulancezorg). Ten aanzien van rampbestrijdingsplannen is bepaald dat voorgenomen besluiten openbaar bekend gemaakt worden waarbij de mogelijkheid gegeven wordt een zienswijze in te brengen. Beide vormen van participatie zijn wettelijk bepaald. Omdat VGGM een uitvoeringsorganisatie is waar weinig beleid wordt gemaakt stellen wij voor om geen aanvullende vormen van participatie bij beleid vast te leggen in de regeling maar participatie bij beleid te laten lopen via de lijn van gemeenten waarbij bijvoorbeeld bij de bespreking van voorstellen in de raad de mogelijkheid van inspreekrecht bestaat. Een alternatief zou kunnen zijn dat in de regeling wordt opgenomen dat bij een wijziging van beleid het algemeen bestuur beslist over een eventueel vast te stellen vorm van participatie. Vraag: Wat vindt u van dit voorstel? Heeft u nog suggesties?
Evaluatie van de regeling Er zijn in de gemeenschappelijke regeling VGGM geen afspraken opgenomen over het evalueren van de regeling. Wij vinden het verstandig dat de gezamenlijke colleges periodiek (circa 1x per 4 jaar) de samenwerking evalueren als het gaat om de taken die qua uitvoering zijn ondergebracht bij VGGM. Dit zou dan het beste circa 2 á 3 jaar na de gemeenteraadsverkiezingen kunnen worden gedaan. In de regeling zou kunnen worden opgenomen dat de regeling periodiek wordt geëvalueerd en dat het algemeen bestuur beslist over de diepgang van het onderzoek. Dit kan ook een zeer beperkte diepgang zijn. Indien omstandigheden hiertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien het beeld bestaat dat de regeling niet goed functioneert, kan het algemeen bestuur besluiten de raden in de gelegenheid te stellen een zienswijze te geven op de voorgenomen evaluatie en op de eindrapportage. Een zienswijzeprocedure vindt ook plaats als de helft van de raden daar om vraagt. Vraag: vindt u het belangrijk dat de regeling periodiek wordt geëvalueerd en kunt u zich vinden in de wijze waarop dit in de regeling wordt vastgelegd?
Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, 27 maart 2023
Inlichtingen aan de raden van de deelnemers VGGM organiseert jaarlijks in de periode na aanbieding van de begroting voor het volgende jaar een aantal regionale raadsinformatiebijeenkomsten. Naast de bespreking van de begroting en jaarrekening wordt in de bijeenkomsten veel aandacht besteedt aan het geven van informatie aan raadsleden over wat VGGM doet en welke ontwikkelingen er spelen op de verschillende werkvelden. Daarnaast organiseert VGGM na elke gemeenteraadsverkiezingen regionale informatiebijeenkomsten om nieuwe raadsleden te informeren over VGGM. De overige informatieverstrekking aan raadsleden verloopt via de bestuurders uit het college. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft stelt VGGM model-raadsinformatiebrieven op die (al dan niet aangevuld met het lokale beeld) via het college aan de raad worden aangeboden. Een voorbeeld hiervan zijn de raadsinformatiebrieven over de Covid-19 crisis. Met de wijziging van de Wgr komt er een actieve informatieplicht vanuit het bestuur aan de raden bij. Wij kunnen ons voorstellen dat de besluitvorming over de wijze waarop raden worden geïnformeerd, gedeeltelijk zal plaatsvinden in het algemeen bestuur in plaats van in de colleges. Zoals eerder vermeld (bij zienswijzen) stellen wij voor de bestuurlijke lange termijn agenda actief te gaan delen met de raden.
De vergaderstukken van de openbare vergadering van het algemeen bestuur worden al gepubliceerd via onze website. Met de wijziging van de Wgr zal dit ook gaan gebeuren voor de agenda en besluitenlijst van de vergaderingen van het dagelijks bestuur. Vraag: zijn er (andere) vormen van actieve informatievoorziening die u graag zou zien worden opgenomen in de gemeenschappelijke regeling?
Raadsadviescommissie Vanuit de gemeenteraad van Ede is het verzoek gedaan aan het algemeen bestuur om bij de overige raden op te halen hoe wordt gedacht over dit instrument. In enkele andere gemeenten zijn ervaringen opgedaan met raadsrapporteurs. VGGM stelt voor in de regeling (nog) niets op te nemen over de instelling van een raadsadviescommissie. Dat hoeft ook niet, dit is een bevoegdheid van de raden. Mocht blijken dat er vanuit raden behoefte bestaat om te starten met een raadsadviescommissie, zal VGGM daar uiteraard volledig aan mee werken. Echter, er kan ook gekozen worden voor een informele vorm van betrekken van raadsleden. VGGM stelt uit doelmatigheidsoverwegingen voor om te starten met meer informelere werkvormen zoals de raadsrapporteur. Behalve dat raden hierdoor mogelijk beter zijn aangesloten op ontwikkelingen bij VGGM en zij daarmee mogelijk beter democratische controle kunnen uitvoeren, is het ook denkbaar dat door afstemming de besluitvormingsprocessen kunnen worden verbeterd. Vraag: vindt u het een goed idee te gaan werken met raadsrapporteurs? Heeft u andere suggesties?
Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, 27 maart 2023
Regelen van uittreden uit de regeling In de huidige regeling is vastgelegd dat het algemeen bestuur de uittredingsprocedure regelt en voorwaarden kan verbinden aan de uittreding. Bij uittreding geldt als uitgangspunt dat de uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. In 2011 is een nadere uitwerking van de regeling vastgelegd in de “Verordening voor uittreding of toetreding Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden”. Hierin is onder meer opgenomen dat bij het vaststellen van de uittredingssom in het algemeen een verband moeten zijn tussen de hoogte en de nadelige gevolgen van de uittreding voor het overblijvende samenwerkingsverband. Het gaat om de door de uittreding toegebrachte schade, zowel in de meer algemene vorm van het verlies van een deelnemersbijdrage, als in de vorm van feitelijk aantoonbare schade die bijvoorbeeld het gevolg is van overcapaciteit wegens het door de uittreding wegvallen van werkzaamheden en verder ongedekt rakende kosten en eventuele garantie- en wachtgeldverplichtingen. Als kosten van uittreden gelden alle kosten, verbonden aan de beëindiging van de taakuitoefening voor de gemeente, waarbij een afvloeiingsperiode van vier jaren wordt aangehouden.
Bij het bepalen van deze kosten wordt in vier jaar afgebouwd (100, 75, 50 en 25 % van de kosten), gerekend vanaf de datum van daadwerkelijke uittreding en gerelateerd aan de financiële bijdrage van de gemeente in het jaar voorafgaande aan dat van de uittreding. Ook is vastgelegd dat bovenstaande afspraken ook gelden bij beëindiging van de uitvoering van maatwerk voor een of meerder gemeenten, tenzij in een overeenkomst afwijkende afspraken zijn vastgelegd. De bedoeling hiervan is dat een keuze van een gemeenten om minder maatwerk af te nemen geen negatieve gevolgen (kosten of risico’s) voor andere gemeenten heeft. Wij zouden willen voorstellen de afspraken op onderdelen aan te passen en op te nemen in de regeling. De wet biedt de mogelijkheid in maximaal 5 jaar af te bouwen. Als het gaat om uittreden (inclusief vertrek als gevolg van een fusie met een andere gemeente buiten de regio) stellen wij voor uit te gaan van deze maximale termijn. Als een gemeente fuseert met een andere gemeente buiten onze regio, is formeel geen sprake van uittreden. Tenslotte zouden we een onderscheid willen maken tussen uittreden en verminderen van het maatwerkpakket. Vraag: Zou u andere afspraken over uittreding willen vastleggen in de GR?
Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, 27 maart 2023
Omschrijving regeling De Modulaire Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Domein Centraal Gelderland (MGR SDCG) is een collegeregeling. In de MGR werken de 11 deelnemende gemeenten samen op het programma Zorg (Inkoop zorg), Onderwijs (Regionaal Bureau Leerlingzaken - RBL) en Participatie (Werkgeversservicepunt - WSP, Werkgeverschap Sociale Werkvoorziening, Contractmanagement Inburgeringstrajecten). Bij de MGR wordt geen beleid gemaakt. We zijn een uitvoeringsorganisatie voor deeltaken in het sociaal domein die beter en efficiënter regionaal uitgevoerd kunnen worden en/of waarvoor de regio is aangewezen voor de uitvoering. Het is modulair opgezet omdat gemeenten bepalen aan welke module ze meedoen en/of in welke regio ze deze taken laten uitvoeren. De portefeuillehouders geven via bestuurscommissies de kaders aan voor de uitvoering en begroting voor de betreffende module. De wethouders financiën hebben zitting in het algemeen bestuur en nemen na zienswijze van raden besluiten over het programmaplan en de begroting. Besluiten waar van raden zienswijze wordt gevraagd. Met de nieuwe wet ontstaat er een verplichting om een afweging te maken in de gemeenschappelijke regeling over welke besluiten er zienswijze aan de raden worden gevraagd (dit mag ook geen enkel besluit zijn).
In de regeling van de MGR is expliciet bepaald dat er zienswijzen worden gevraagd over het jaarlijkse programmaplan en de begroting. Verder worden de raden om zienswijze gevraagd bij wijziging van de regeling bij bijv. toetreding of uittreding van deelnemers en bij nieuwe verzoeken aan de MGR voor regionale uitvoering en voorafgaand aan de vaststelling van het liquidatieplan. Zijn dit voor u de belangrijke besluiten waarover u zienswijze zou willen geven? Participatie ingezetene bij beleid Een gemeenschappelijke regeling moet bepalingen inhouden over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling worden betrokken. De MGR is een uitvoeringsorganisatie waar geen beleid wordt gemaakt. We stellen daarom voor om het algemeen bestuur op advies van de bestuurscommissies een participatieprotocol te laten vaststellen waarin opgenomen is welke vorm van participatie passend is ter voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid en daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande werkwijze van burgerparticipatie van de MGR en/of van de deelnemende gemeenten. Wij stellen voor niet in de regeling zelf vast te stellen welke vorm van participatie dit is. Dit kan namelijk per module en ieder jaar anders zijn.
Wat vindt u van de wijze van borgen van burgerparticipatie in de regeling? Heeft u nog suggesties?
Memo voor raadsleden – MGR Sociaal Domein Centraal Gelderland
1
Evaluatie van de regeling Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling (dat mag ook geen evaluatie zijn). Er zijn in de regeling tot nu toe geen afspraken opgenomen over het evalueren van de regeling. We vinden het wel belangrijk om dat op regelmatige basis te doen. We stellen voor om op te nemen dat het algemeen bestuur de regeling iedere vier jaar evalueert. Dit zou dan het beste gedaan kunnen worden in het jaar voorafgaand aan de raadsverkiezingen. Dan hebben bestuurders voldoende ervaring opgedaan met de regeling in de praktijk en is er tijd om eventuele wensen tot verbetering uit te voeren en/of op te nemen in het programmaplan en/of in een wijzigingsvoorstel voor de regeling. Vindt u het belangrijk dat de regeling iedere vier jaar geëvalueerd wordt en dat we dit zo opnemen in de regeling? Inlichtingen aan de raden van de deelnemers Er is een informatieverplichting in het leven geroepen voor het bestuur van een openbaar lichaam, om de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen te verschaffen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. De MGR SDCG houdt vanaf haar start in 2017 ieder jaar raadsinformatiebijeenkomsten op twee avonden in de maand mei. Daarbij worden lopende ontwikkelingen en de jaarrekening, het programmaplan en de begroting toegelicht.
Daarmee zijn de raadsleden goed geïnformeerd, kunnen ze vragen stellen over de stukken waar ze zienswijze over kunnen geven. Bovendien kunnen de raadsleden van verschillende deelnemende gemeenten elkaar hier ontmoeten. Daarnaast informeren we de raadsleden twee keer per jaar via een digitale nieuwsbericht over ontwikkelingen. We stellen voor om dit expliciet op te nemen in de regeling. De vergaderstukken van de algemeen bestuur vergaderingen en de agenda en besluitenlijst van het dagelijks bestuur staan gepubliceerd op onze website. Zijn er andere vormen van actieve informatievoorziening die u wenst op te nemen in de regeling?
A4tje MGR sociaal domein centraal Gelderland
2
Raadsadviescommissie Op grond van de wet is er de mogelijkheid dat het AB op voorstel van de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk een gemeenschappelijke adviescommissie instelt bij openbare lichamen. Deze commissie kan het algemeen bestuur van advies voorzien, de besluitvorming van de raden van de deelnemende gemeenten met betrekking tot de regeling voorbereiden of de raden van advies voorzien. Wanneer zo’n commissie is ingesteld kunnen de leden ervan een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. Deze mogelijkheid volgt uit de wet zelf en hoeft niet in de GR verankerd te worden. Wanneer de gezamenlijke raden willen, kan hij ingesteld worden door het AB. De mogelijkheid tot een gemeenschappelijke adviescommissie is in de wet opgenomen en hoeft derhalve niet in de wijziging van de regeling te worden opgenomen. Dit kan dus altijd als de raden hier een belang in zien. De adviezen van de gemeenschappelijke adviescommissie is gericht op het algemeen bestuur. Het bestuur van de MGR ziet op dit moment geen meerwaarde in zo’n gemeenschappelijke adviescommissie ten behoeve van de besluitvorming in het algemeen bestuur. De MGR is een uitvoeringsorganisatie van beleid dat lokaal of regionaal wordt gemaakt en wordt besloten in de colleges.
De gesprekken over de kaders voor de uitvoering van taken en de begroting hiervan worden gevoerd in de bestuurscommissies. De raden kunnen hun portefeuillehouder hiervoor aandachtspunten meegeven. Het Algemeen Bestuur van de MGR, bestaande uit de wethouders financiën, bespreekt deze voorstellen van de bestuurscommissies, bespreekt de zienswijze van raden en neemt op grond daarvan besluiten. Wij horen graag of u toegevoegde waarde ziet in zo’n commissie voor de MGR.
A4tje MGR sociaal domein centraal Gelderland
3
Regelen van uittreden uit de regeling De regeling dient bepalingen te bevatten omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. De MGR SDCG maakt onderscheid tussen het toetreden of uittreden van een samenwerkingsmodule of submodule en het totaal uittreden uit de regeling. Daarvoor gelden een aantal uitgangspunten die we graag bespreken met de raden. Voor het bepalen van de uittreedsom kunnen een aantal uitgangspunten worden gehanteerd. o Je moet als deelnemende gemeente relatief eenvoudig toe- en uit kunnen treden tot een submodule of samenwerkingsmodule op basis van lokale keuzes zonder ‘hop-gedrag’. Je bouwt immers gezamenlijk aan een effectieve regionale uitvoering van taken. Bovendien betreft het deels wettelijke taken. o Bij toetreding wordt gekeken of er aanloopkosten zijn, waaraan je moet bijdragen. Omdat bijv. overheadkosten niet direct toenemen, leidt toetreding meestal tot iets lagere kosten voor de reeds deelnemende gemeenten. o Bij uittreding zie je het omgekeerde. Dan worden de bijdragen van de deelnemende gemeenten hoger omdat vaste kosten gelijk blijven en het tijd en geld kost om variabele kosten te verminderen. Denk aan kosten van personeel, huisvesting/werkplek, ict systemen etc.
Daarom wordt gezocht naar een passende periode waarop de uittredende gemeente de werkelijke meerkosten betaalt als uittreedsom. Dit mag maximaal 5 jaar zijn. Daarbij moet er genoeg financiële prikkel zijn bij de MGR en de deelnemende gemeenten om de totale kosten zo spoedig mogelijk te verminderen, waardoor de uittreedkosten voor de uittredende gemeente beperkt blijft. o Een uittreding kan na de vooraf vastgestelde periode betaalde uittreedsom wel leiden tot hogere kosten van de deelnemende gemeenten. o De wetswijziging vraagt om de vaststelling van deze uittreedkosten concreet te maken. o Idem voor wat er gebeurt met het vermogen van de GR. De MGR kent geen ander vermogen dan beperkte bestemmingsreserves. Bij de MGR wordt momenteel gedacht aan een periode van max 3 jaar om de uittredende gemeenten mee te laten betalen met de meerkosten bij stoppen met een samenwerkingsmodule en bij uittreding. Wat vindt u van deze uitgangspunten, hoe lang zouden de meerkosten van een uittredende gemeente betaald moeten worden en wat vindt u een belangrijk onderdeel van uittreding dat in de regeling opgenomen zou moeten worden?
A4tje MGR sociaal domein centraal Gelderland
4
Omschrijving regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) is een uitvoeringsorganisatie van de zogenaamde VTHtaken op het gebied van milieu en bouw. Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn onze kerntaken. Daarnaast verzorgt ODRA juridische ondersteuning en specialistische advisering op het gebied van geluid, licht, omgevingsveiligheid en milieumetingen. De gemeenschappelijke regeling is een uitvoeringsorganisatie van colleges en Gedeputeerde Staten (een collegeregeling). Deze taken voeren wij in mandaat uit voor de gemeenten Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Zevenaar en de Provincie Gelderland. De omvang van de begroting is voor 2023 € 20,6 miljoen.
Besluiten waar van raden zienswijze wordt gevraagd. Met de nieuwe wet ontstaat er een verplichting om een afweging te maken in de gemeenschappelijke regeling over welke besluiten er zienwijze aan de raden worden gevraagd (dit mag ook geen enkel besluit zijn). Besluiten waar voor ODRA aan gedacht kan worden is de voorlopige jaarrekening, de kadernota (uitgangspuntennotitie genoemd bij ODRA) of een meerjarenprogrammaplan. Eventueel kan met de nieuwe bepalingen over evaluatie en actieve informatieplicht ook gedacht worden aan een zienswijze bij besluitvorming over het informatieprotocol of een evaluatieplan. In de huidige GR is alleen de wettelijke verplichting van zienswijze voor de ontwerpbegroting opgenomen. Verder kent de huidige GR geen zienswijzeprocedure. ODRA heeft de voorkeur om de huidige werkwijze niet te wijzigen. ODRA is een beleidsarme organisatie. De memorie van toelichting geeft zelf voorbeelden van besluiten waarvoor de zienswijzemogelijkheid kan worden toegepast. Dat betreffen besluiten met een aanzienlijk financieel belang of een politiek gevoelig karakter en besluiten over beleidsmatige keuzes. Het gaat met andere woorden om grote, majeure besluiten. Voor besluiten met een aanzienlijk financieel belang hoeft volgens ODRA niet gebruik gemaakt te worden van de extra zienswijzemogelijkheid.
Het bestuur van ODRA deelt met de gebruikelijke kadernota en ontwerpbegroting jaarlijks de verwachte ontwikkelingen. De deelnemers kunnen bij de ontwerpbegroting hun zienswijze inbrengen. Deze zienswijzemogelijkheid ondervangt in hoge mate al wat er aan besluitvorming met een aanzienlijk financieel belang gaat plaatsvinden. Voor beleidsarme taken (taken met louter een uitvoerend karakter) ziet ODRA evenmin aanleiding om gebruik te maken van de extra zienswijzemogelijkheid. De zienswijzemogelijkheid lijkt met name bedoeld voor gemeenschappelijke regelingen met beleidsrijke taken. ODRA is een beleidsarme uitvoeringsdienst. Wat vindt u van de voorkeur om de huidige werkwijze op dit punt niet te wijzigen?
Omgevingsdienst Regio Arnhem Agnes Bordewijk – agnes.bordewijk@odra.nl Donja Groot Kormelink – donja.groot.kormelink@odra.nl
1
Participatie ingezetene bij beleid Een gemeenschappelijke regeling moet bepalingen inhouden over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. ODRA heeft de voorkeur dat participatie mogelijk is als het Algemeen Bestuur daar aanleiding toeziet. Dit wordt nader uitgewerkt in het reglement van orde. Los van deze officiële wettelijke mogelijkheid tot participatie worden inwoners en bedrijven regelmatig gepeild en vindt regelmatig onderzoek plaats. De participatiemogelijkheid die in de wet nu is neergelegd ziet toe op beleidstukken en daarmee gepaard gaande besluitvorming. ODRA is een uitvoeringsorganisatie. In de intentieverklaring bij het oprichten van de gemeenschappelijke regeling is opgenomen dat ODRA zelf geen beleidstaken uitvoert. Participatie vindt mogelijk plaats bij de deelnemers zelf voor zover beleid daar wordt gemaakt. Door de optie op te nemen dat de bevoegdheid bij het algemeen bestuur ligt is de regeling toekomstbestendig en wordt voorzien in de ontwikkelingen en verschuivingen van bevoegdheden. Wat vindt u van de voorkeur om participatie mogelijk te maken als het Algemeen Bestuur daar aanleiding toeziet?
Evaluatie van de regeling Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling (dat mag ook geen evaluatie zijn). ODRA heeft de voorkeur om een bepaling op te nemen dat tenminste 1x per 4 jaar wordt geëvalueerd. De bevoegdheid om te evalueren wordt bij het Algemeen Bestuur neergelegd. De evaluatie wordt verder uitgewerkt in een evaluatieplan. Op deze wijze wordt evaluatie mogelijk gemaakt. Evaluatie draagt in algemene zin bij aan de samenwerking en de kwaliteit van de uit te voeren werkzaamheden. De inhoud van de evaluatie wordt nader bepaald in een apart document. Hiermee kan er ingespeeld worden op de behoeftes van dat moment en hoeft bij een wijziging of verandering van inzicht de GR tekst niet te worden gewijzigd. Wat vindt u van de voorkeur om een bepaling op te nemen dat ten minste 1 x per 4 jaar wordt geëvalueerd?
Inlichtingen aan de raden van de deelnemers Er is een informatieverplichting in het leven geroepen voor het bestuur van een openbaar lichaam, om de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen te verschaffen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. ODRA heeft de volgende voorkeur. De openbare stukken worden via de website rechtstreeks aangeboden. Denk hierbij aan de stukken van het Algemeen Bestuur en besluitenlijst van het Dagelijks Bestuur. In een bestuurlijk vastgesteld informatieprotocol is omschreven welke stukken actief via de website aangeboden worden en waar de griffie over geïnformeerd wordt, buiten wat er reeds via de website gepubliceerd wordt. Dit is een (tussen)oplossing die tegemoet komt aan het delen van informatie zonder de raden en Staten te overspoelen met (te)veel informatie. Een informatieprotocol is door het Algemeen Bestuur aan te passen en een GR wijziging behoeft de toestemming van raden en Staten en moet daardoor eerst door alle deelnemers afzonderlijk behandeld worden. Wat vindt u van de voorkeur om u actief te informeren via een bestuurlijk vastgesteld informatieprotocol?
Omgevingsdienst Regio Arnhem Agnes Bordewijk : agnes.bordewijk@odra.nl Donja Groot Kormelink : donja.groot.kormelink@odra.nl
2
Raadsadviescommissie Op grond van de wet is er de mogelijkheid dat het AB op voorstel van de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk een gemeenschappelijke adviescommissie in stelt bij openbare lichamen. Deze commissie kan het algemeen bestuur van advies voorzien, de besluitvorming van de raden van de deelnemende gemeenten met betrekking tot de regeling voorbereiden of de raden van advies voorzien. Wanneer zo’n commissie is ingesteld kunnen de leden ervan een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. Deze mogelijkheid volgt uit de wet zelf en hoeft niet in de GR verankerd te worden. Wanneer de gezamenlijke raden willen, kan hij ingesteld worden door het AB. Het is niet noodzakelijk om nu een keuze te maken over het instellen van een adviescommissie. De wet schept de mogelijkheid en om werking te hebben hoeft dit niet in de tekst van de regeling te worden opgenomen. Bij behoefte kan een adviescommissie altijd ingesteld worden. ODRA ziet op dit moment geen aanleiding om een bepaling over de raadsadviescommissie op te nemen in de GR ODRA. In de huidige werkwijze zijn diverse mogelijkheden voor overleg. Denk aan, naast de vergadercyclus van het bestuur ook periodiek overleg tussen de directeur van de GR en de wethouders plus diverse ambtelijke overleggen zowel voor de bestuurlijke voorbereiding als op inhoud.
Goede afweging zou moeten zijn wat willen we bereiken en wat past daarbij om te regelen. Hoe denkt u over een te vormen adviescommissie?
Regelen van uittreden uit de regeling De regeling dient bepalingen te bevatten omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. In de huidige GR staat een artikel over uittreding. In deze bepaling is bepaald dat in een vaststellingsovereenkomst tussen de gemeenschappelijke regeling ODRA en de deelnemer de resterende financiële verplichtingen worden bepaald. Op deze manier is dat onvoldoende volgens de nieuwe wet. De voorwaarden zullen in de bepaling moeten terugkomen. Bij voorwaarden kan gedacht worden aan: opzegtermijn of verplicht overnemen van personeel. Daarnaast zal alvast nagedacht moeten worden over de vermogensrechtelijke gevolgen: overname van contracten, uittredingssom. Er hoeven geen bedragen genoemd te worden in de tekst. De wet is duidelijk met wat in de regeling moet komen te staan. Voor de invulling van de voorwaarden en de vermogensrechtelijke gevolgen zijn verschillende mogelijkheden die vanuit financieel oogpunt nader uitgewerkt dienen te worden. In de regeling moet wettelijk een bepaling over uittreding komen te staan. Dat betekent dat een deelnemer alle taken terugneemt en niet een gedeelte van de taken. Voor ODRA is het van belang om daarom ook onderscheid te maken tussen basistaken en niet-basistaken. De basistaken zijn wettelijk verplicht.
De wet vraagt om een artikel op te nemen in de tekst. Wat vindt u belangrijke voorwaarden bij uittreden?
Omgevingsdienst Regio Arnhem Agnes Bordewijk : agnes.bordewijk@odra.nl Donja Groot Kormelink : donja.groot.kormelink@odra.nl
3
Onderwerp Voorzet verkenning wijzigingen Wet gemeenschappelijke regelingen GR Park Lingezegen
Kenmerken regeling De gemeenschappelijke regeling Park Lingezegen (verder de regeling) is samenwerking tussen 4 colleges van B&W. Aan het openbaar lichaam (verder de Parkorganisatie) zijn bevoegdheden overgedragen. De samenwerking is beleidsarm en uitvoeringsgericht.
Zie voor achtergrondinformatie deze handreiking.
Wijzigingen die een afweging vergen 1. Uittreding Wat houdt de wijziging in? Een regeling moet bepalingen bevatten met betrekking tot de gevolgen van uittreding voor het vermogen van het openbaar lichaam en de deelnemende gemeente alsmede de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden. De gevolgen voor het vermogen van het openbaar lichaam omvatten zowel de gevolgen van de uittreding voor de verplichtingen op grond van aangegane verbintenissen als de gevolgen van de uittreding voor de goederen (zaken en vermogensrechten) van de betreffende rechtspersoon.
Hoe is het nu geregeld? In artikel 24 van de regeling is opgenomen dat elke deelnemer kan besluiten tot uittreding. Maar niet eerder dan na realisatie van de Basisvariant. Uittreding is slechts mogelijk als voor de resterende financiële verplichtingen van de uittredende gemeente op grond van de Bestuursovereenkomst 2008 of daarop volgende of in de plaats tredende afspraken een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten. Daarbij worden de resterende financiële verplichtingen inzake de beheerkosten voor de uittredende deelnemer gekapitaliseerd voor een periode van 20 jaren vanaf het moment van uittreding. De uittreedbijdrage wordt bepaald door de jaarlijkse bijdrage van de uittredende deelnemer aan de beheerkosten, gecorrigeerd met de jaarlijkse prijspeilstijging, te vermenigvuldigen met 20.
In de praktijk betekent dit een uittreedbijdrage van zo’n 5 mln Euro. Dit is vanaf het begin van de regeling het uitgangspunt.
Welke mogelijkheden zijn er? Niet van toepassing
Wat is het advies? De geldende regeling voldoet reeds aan de vereiste van de Wgr.
2. Zienswijzen Wat houdt de wijziging in? De mogelijkheid om bepaalde besluiten van het samenwerkingsverband aan zienswijzen te onderwerpen bestond natuurlijk al. Nieuw is dat het nu een verplichting is hieromtrent een afweging te maken in de gemeenschappelijke regeling. Ook wanneer géén zienswijzen worden gebruikt, moet dit in de gemeenschappelijke regeling geregeld worden. De verplichting om een zienswijze te vragen aan de raden geldt nu nog alleen voor de begrotingsprocedure. Deze procedure kan ook gaan gelden voor bijvoorbeeld besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige besluiten of beleidsmatige keuzes. De Wgr schrijft niet dwingend voor welke besluiten dit moeten zijn. Het is aan de deelnemers en de raden om hierin een keuze te maken.
Expliciet is bepaald dat de zienswijzen worden gevraagd door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur informeert vóór het nemen van het besluit de raden en het algemeen bestuur over haar oordeel over de zienswijze en de conclusies die het daaraan verbindt. Het is vervolgens aan het algemeen bestuur om het besluit te nemen. Bij het besluit mag afgeweken worden van ingebrachte zienswijzen. NB, dit is een wijziging ten opzichte van de huidige werkwijze inzake de zienswijze procedure bij de begroting, waar in de regel de raden na de besluitvorming in het AB worden geïnformeerd over de ingebrachte zienswijzen. Ook voor de zienswijzeprocedure voor een begroting worden de raden voortaan vooraf geïnformeerd (artikel 35, lid 4 Wgr nieuw).
Hoe is het nu geregeld? In de regeling is vastgelegd dat een zienswijze wordt gevraagd op de voorlopige jaarrekening en de ontwerp begroting. De Parkorganisatie zendt jaarlijks rond 1 april de voorlopige jaarrekening en ontwerp begroting naar de raden met de uitnodiging om daarop te reageren.
Welke mogelijkheden zijn er? Variant 1 (huidige situatie): in de regeling vastleggen dat we een zienswijze vragen voor de: -voorlopige jaarrekening; -ontwerp begroting (inclusief de meerjarenbegroting).
Variant 2: in de regeling vastleggen dat we een zienswijze vragen voor ook de volgende besluiten (alleen aan de orde als je dan ook besluit om zo’n nota op te stellen): -informatieprotocol; -besluit tot evaluatie (als dat wordt opgenomen in de regeling). -participatienota -beheerplan
Wat is het advies? Variant 1. Het toezicht op de gemeenschappelijke regeling kan via de begroting en jaarrekening plaatsvinden. De GR houdt zich met name met uitvoering bezig en de middelen die hier jaarlijks mee gemoeid zijn bedragen 1.2 mln. De Parkorganisatie kan zelf de bedrijfsvoering bepalen.
3. Evaluatie Wat houdt de wijziging in? In de regeling worden afspraken gemaakt over de evaluatie van een gemeenschappelijke regeling. In de Wgr wordt niet bepaald waar de evaluatie specifiek op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze. Er kan dus ook worden gekozen voor de afspraak om de regeling niet te evalueren. In voorkomende gevallen kan door het AB en/of gemeenteraden alsnog besloten worden om de samenwerking te evalueren. Deze mogelijkheid bestaat altijd.
Hoe is het nu geregeld? Voor de Parkorganisatie is nu nog geen bepaling opgenomen over evaluatie. De Parkorganisatie zorgt voor uitvoering van de doelstellingen van de gemeenschappelijke regeling. De bestuursleden bestaan uit vertegenwoordigers van iedere gemeente. De lijnen zijn kort, visie en missie zijn helder geformuleerd. Er is op dit moment voldoende interactie tussen partijen.
Welke mogelijkheden zijn er? Variant 1 (huidige situatie): in de regeling opnemen dat we geen afspraken maken over evaluatie.
Variant 2: in de regeling opnemen dat: Elke deelnemer kan verzoeken om te evalueren; Het AB beslist omtrent dit verzoek. Als een evaluatie wordt uitgevoerd, stelt het AB ook de onderzoeksopdracht vast; Variant 2a: voor het AB de onderzoeksopdracht vastgesteld wordt hiervoor de zienswijze van de raden gevraagd. -
Variant 3: in de regeling opnemen dat elk derde jaar van de raadscyclus (variant 3a: elke zevende jaar) de samenwerking en het functioneren van het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd. Het AB stelt de onderzoeksopdracht vast. Variant 3b: voor het AB de onderzoeksopdracht vastgesteld wordt hiervoor de zienswijze van de raden gevraagd.
Wat is het advies? Als er een wens is om een evaluatiemoment vast te leggen, dan variant 3a. Evalueren: een keer per zeven jaar (vallend in het derde jaar van een raadscyclus).
4. Participatie Wat houdt de wijziging in? Bij gemeenschappelijke regelingen kunnen taken en bevoegdheden met grote maatschappelijke relevantie zijn belegd. Op gemeentelijk niveau kan bijvoorbeeld via inspraak bij de gemeenteraad door inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties aandacht voor een bepaald onderwerp worden gevraagd. Die mogelijkheid bestaat niet wanneer een bevoegdheid of taak bij een gemeenschappelijke regeling is belegd, tenzij de regeling een procedure voor inspraak bevat. Deze wijziging ziet erop dat in elke regeling wordt afgesproken hoe om te gaan met participatie. In de regeling worden afspraken gemaakt over de wijze waarop inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid worden betrokken. Uit dit artikel vloeit dus een verplichting voort om afspraken te maken omtrent participatie. Er komt geen verplichting voor participatie (in de enge zin van het woord). Er kan natuurlijk ook voor worden gekozen om participatie te laten lopen via gemeenteraden of via een –eventueel aanwezigecliëntenraad. De inbreng van eventuele insprekers bij de gemeenteraad, kan de raad meenemen bij een zienswijze.
Hoe is het nu geregeld? Er is nu sprake van veel participatie en inspreekrecht maar dat is niet geformaliseerd in de gemeenschappelijke regeling. Het Park valt of staat met acceptatie van zijn omgeving. Daarom worden bij nieuwe projecten of aanpassing van beleid en regelgeving altijd ten minste de inwoners betrokken. Ook worden bij nieuwe ontwikkelingen inwoners uitgenodigd om mee te doen en / of te denken. Daarnaast gaat de Parkorganisatie nog openbaarder en transparanter handelen en laten participeren, als gevolg van de Wet open overheid, het Didamarrest, de Wet digitale toegankelijkheid, etc.
Welke mogelijkheden zijn er? Variant 1 (huidige situatie): in de regeling opnemen dat ingezetenen en ondernemers inbreng kunnen hebben op voorbereiding, uitvoering en evaluatie via de gebruikelijke mogelijkheden. De wijze waarop wordt nader uitgewerkt in een door het AB vast te stellen participatienota.
Variant 2: in de regeling opnemen dat ingezetenen en ondernemers op de volgende wijze bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid worden betrokken: - ingezetenen en ondernemers kunnen voorafgaand aan de AB vergadering inspreken over een onderwerp dat op de agenda van het AB staat; -bij de evaluatie van de samenwerking worden ervaringen van ingezetenen en ondernemers betrokken.
Wat is het advies? Variant 1. De Parkorganisatie wil innovatief participeren met haar omgeving. Daarom wordt een flexibele participatienota voorgesteld waarin keuzes worden vastgelegd over de wijze waarop participatie wordt toegepast.
5. Actieve informatieplicht Wat houdt de wijziging in? Door middel van een wijziging van artikel 17 van de Wgr wordt een informatieverplichting in het leven geroepen voor het bestuur van een openbaar lichaam, om de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen te verschaffen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Vergelijkbare met de actieve informatieplicht tussen college en raad op grond van artikel 169, lid 2 Gemeentewet. Deze verplichting richt zich niet alleen op informatie over te nemen besluiten, maar betreft alles dat de raad behoort te weten om zijn taak goed te kunnen vervullen. In de gemeenschappelijke regelingen moeten afspraken worden gemaakt over de wijze waarop deze informatie wordt aangeleverd. Er wordt hier geen nieuwe informatie-relatie gecreëerd, maar een bestaande uitgebreid. Daarbij is van belang dat het voorstel geen verantwoordingsplicht van het bestuur van de regeling aan gemeenteraden betreft. De formele besluitvormings- en verantwoordingslijnen worden niet gewijzigd.
Hoe is het nu geregeld? In artikel 14 van de regeling is bepaald dat het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur gevraagd en ongevraagd alle informatie geven aan de deelnemende gemeenteraden die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. Daarnaast verstrekken het algemeen en dagelijks bestuur aan de deelnemende raden alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden worden verlangd.
Er zijn geen afspraken gemaakt over de wijze waarop de informatie wordt verstrekt. De Parkorganisatie werkt transparant en toegankelijk. Op de website ParkLingezegen.nl worden de besluiten gepubliceerd en staan ook andere openbaar gemaakte stukken. In de nabije toekomst gaat de Parkorganisatie de website nog toegankelijker maken en alles publiceren dat openbaar toegankelijk kan worden gemaakt. De informatiestroom naar de raad gaat via de behandeling van de jaarrekening en begroting, waarbij ook een jaarverslag wordt overgelegd over behaalde resultaten en toekomstplannen. Daarnaast nodigt de Parkorganisatie bestuursleden uit op informatiesessies. Informatie die wordt gevraagd vanuit een der raden wordt overigens altijd met alle raden gedeeld.
Welke mogelijkheden zijn er? Artikel 14 behouden in de regeling. Daarnaast maken we afspraken over de wijze waarop inlichtingen worden verstrekt.
Variant 1: in de regeling opnemen dat het AB in een informatieprotocol vastlegt op welke wijze informatie op grond van artikel 14 en 15 wordt gedeeld. Variant 1a: Met een zienswijze procedure. Voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol wordt een zienswijze aan de raden van de deelnemende gemeente gevraagd.
Variant 2: in de regeling de kaders opnemen zoals: -agenda en bijbehorende stukken van vergaderingen van het algemeen bestuur worden vooraf openbaar gemaakt. Notulen en besluitenlijsten van vergaderingen van het algemeen bestuur worden openbaar gemaakt. - agenda en besluitenlijst van het dagelijks bestuur worden openbaar gemaakt indien de Wet open overheid hiertoe verplicht; -indien vragen van raden of raadsleden worden beantwoord, of informatie wordt verschaft, dan wordt deze aan alle raden toegezonden; -…. - het algemeen bestuur stelt een informatieprotocol vast waarin bovenstaande kaders verder worden uitgewerkt. Voorafgaand aan het vaststellen van dit informatieprotocol wordt een zienswijze aan de raden van de deelnemende gemeente gevraagd.
Wat is het advies? Variant 1.
6. Regionale raadsadviescommissie Wat houdt de wijziging in? Door middel van het invoegen van een nieuw artikel 24a in de Wgr wordt de mogelijkheid gecreëerd voor een gemeenschappelijke adviescommissie, op voorstel van de raden. De gemeenschappelijke adviescommissie kan het bestuur van een openbaar lichaam adviseren omtrent voorgenomen besluiten, zelf aandacht voor een onderwerp vragen en (gezamenlijke) standpunten van de raden van de deelnemende gemeenten op het punt van de regeling voorbereiden en daaromtrent adviseren (zoals zienswijzen). De gemeenschappelijke adviescommissie wordt ingesteld ter behartiging van de belangen van de raden van de deelnemende gemeenten bij het openbaar lichaam. Zij fungeert daarmee als ‘vooruitgeschoven post’ van de gemeenschappelijke raden. Deze nieuwe commissie heeft geen (formele) rol in het besluitvormingsproces en zienswijzen blijven door raden gegeven worden, eventueel voorbereid door de adviescommissie. De raadsadviescommissie kan alleen bij een gemeenschappelijk openbaar lichaam worden ingezet, nu instelling bij de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan afbreuk zou doen aan het ongelede bestuur van die rechtsvormen.
Een adviescommissie wordt ingesteld door het algemeen bestuur op voorstel van de raden. Tevens regelt het algemeen bestuur de bevoegdheden, taken en de werkwijze van de commissie, waarbij de raden vooraf om een zienswijze wordt gevraagd. Alle raden dienen in te stemmen met het voorstel tot instellen van een commissie. De commissie bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden zijn gekozen. Een gemeenteraad is echter niet verplicht een raadslid af te vaardigen. Een lid behartigt het belang van het bestuursorgaan gemeenteraad. Zij opereren zonder last of ruggespraak.
De leden van de gemeenschappelijke adviescommissie kunnen een vergoeding ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie. De vergoeding voor deze commissie is in overeenstemming met de vergoeding voor raadsleden voor deelname aan bijzondere commissies, zoals opgenomen in artikel 3.1.4. van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Deze vergoeding komt ten laste van de gemeenschappelijke regeling en wordt geregeld bij verordening van het algemeen bestuur.
Hoe is het nu geregeld? Op dit moment is er geen adviescommissie of agendacommissie ingesteld.
Welke mogelijkheden zijn er? Deze wijziging wordt niet opgenomen in de regeling. Het algemeen bestuur kan een raadsadviescommissie instellen door middel van een instellingenbesluit. De raden zullen hiertoe unaniem moeten verzoeken.
Wat is het advies? Niets op te nemen in de gemeenschappelijke regeling.
Wijzigingen met gevolgen maar die hoeven niet in de regeling 1. Procedure tot het treffen en wijzigen van college- en burgemeestersregeling Wat houdt de wijziging in? Voortaan is het voor de colleges verplicht om bij het treffen van een nieuwe regeling of het wijzigen van een bestaande regeling, vooraf aan de raden een zienswijze te vragen. De colleges zenden een ontwerp van een regeling aan de raden voor een zienswijze. De raden kunnen binnen 8 weken een zienswijze inbrengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren willen brengen, laten ze dit z.s.m. weten, zodat de besluitvorming niet onnodig vertraagd wordt. Een zienswijze vragen is niet verplicht als de raad zelf (ook) deelnemer is aan de regeling. De bevoegdheid van de raden om (verder in het proces, net voordat de regeling wordt vastgesteld) toestemming te geven voor een (wijziging van) een regeling, blijft behouden.
Hoe is het nu geregeld? Over het wijzigingen van de regeling is opgenomen (artikel 25 van de regeling) dat een regeling kan worden gewijzigd of opgeheven als ten minste 2/3 van de deelnemers daartoe besluit.
Welke mogelijkheden zijn er? Deze wijziging hoeft niet in de regeling te worden opgenomen.
Wat is het advies? De regeling hoeft hier niet voor te worden gewijzigd.
2. Termijnen in de begrotingscyclus Wat houdt de wijziging in? De termijnen voor de begrotingscyclus worden verruimd. Er kan in de regeling worden gekozen voor kortere termijnen, niet voor langere. De wet geeft uiterste termijnen. In het geval een regeling strenger is, doordat bijvoorbeeld de ontwerpbegroting eerder aangeboden wordt aan de raden, dan geldt deze strengere termijn. Wellicht is er behoefte om de termijnen in de regeling aan te passen.
Hoe is het nu geregeld? In artikel 18 van de regeling zijn de wettelijke bepalingen over de begrotingscyclus overgenomen. Er wordt nog abusievelijk verwezen naar artikel 80, eerste lid van de Wgr (samenwerking tussen gemeenten, provincie en waterschappen) in plaats van artikel 35 van de Wgr. Er wordt geen termijn voor het indienen van zienswijzen genoemd. Alleen dat het DB de ontwerpbegroting vóór 1 april aan de raden toezendt. Eenzelfde datum wordt in artikel 19, tweede lid van de regeling genoemd voor het toezenden van de voorlopige jaarrekening.
Het is een goed gebruik dat bij de deelnemers de ontwerp begroting en voorlopige jaarrekening gelijktijdig aan de raad worden aangeboden.
Welke mogelijkheden zijn er? Moet de regeling worden aangepast? Deze wijziging hoeft niet in de regeling te worden opgenomen.
Wat is het advies? De termijnen in de regeling worden aangepast aan de wettelijke termijnen. In de praktijk betekent dit geen verandering omdat de Parkorganisatie altijd in maart de jaarstukken toestuurt aan de raden.
3. Regionaal enquêterecht Het enquêterecht is nu nog op grond van de Gemeentewet beperkt tot de gemeentelijke inbreng in, c.q. het gemeentelijk handelen als onderdeel van een gemeenschappelijke regeling, omdat het een recht tot onderzoek van de raad jegens het door het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester gevoerde bestuur betreft. Met de introductie van het gemeenschappelijk recht van enquête krijgen de gezamenlijke gemeenteraden de mogelijkheid om onderzoek te doen naar eventuele misstanden bij een gemeenschappelijke regeling als geheel, door een gezamenlijke enquête uit te voeren naar de bestuursvoering van een gemeenschappelijke regeling. Het gemeenschappelijk recht van onderzoek geeft de gezamenlijke raden dezelfde
onderzoeksbevoegdheden als de individuele raden op basis van de Gemeentewet reeds hebben ten aanzien van het gemeentebestuur. De gemeenteraden zullen het gezamenlijk eens moeten worden over de inzet ervan en kunnen enkel een gemeenschappelijke onderzoekscommissie instellen als alle raden hiermee instemmen. Deze mogelijkheid is er alleen voor een openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan en bedrijfsvoeringsorganisatie. En geldt niet voor zuivere raadsregelingen en gemengde regelingen.
De regeling hoeft hiervoor niet te worden gewijzigd.
4. Bevoegdheden rekenkamer(commissie) De Gemeentewet wordt verduidelijkt in de zin dat lokale rekenkamers, waaronder gezamenlijke rekenkamers, onderzoek kunnen doen naar het gevoerde bestuur van een gemeenschappelijke regeling. Gebleken is dat in de praktijk onduidelijkheid bestond over de vraag of rekenkamers deze mogelijkheid op grond van de huidige wet al hebben. Ook is toegevoegd dat een rekenkamer de andere rekenkamers van de deelnemers informeert op het moment dat een dergelijk onderzoek wordt ingesteld.
De regeling hoeft hiervoor niet te worden gewijzigd.
Bijlage Enkele artikelen uit de Gemeenschappelijke regeling Park Lingezegen.
Artikel 14. Algemeen en dagelijks bestuur ten opzichte van de raden, provinciale staten en algemeen bestuur waterschap 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden, provinciale staten of algemeen bestuur worden verlangd.
Artikel 18. Begrotingsprocedure 1.De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zoals bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Wet geschiedt vóór 1 juli in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2.Overminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Wet zorgt het dagelijks bestuur vóór 1 april voor de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerp-begroting vergezeld van een behoorlijke toelichting.