Reactie samenwerkende BV-en AEF rapport Stelsel in groei.pdf
Tekst van het document
Datum Betreft
7 maart 2021 Reactie samenwerkende beroepsverenigingen AEF-rapport ‘Stelsel in groei’
De samenwerkende beroepsverenigingen Zorg voor de Jeugd1 hebben kennisgenomen van de analyse van de financiële tekorten in het jeugdstelsel die AEF heeft gemaakt in het rapport ‘Stelsel in groei’. Graag willen wij onze reactie op dit belangwekkende rapport delen met in ieder geval het ministerie van VWS, directie Jeugd. De druk op de financiën heeft immers gevolgen voor professionals en daarmee voor jongeren en gezinnen; bij onvoldoende financiële middelen is er niet altijd ruimte voor een passend antwoord op de vaak complexe problematiek waarmee professionals, jongeren en gezinnen worden geconfronteerd. Door de afgegrensde opdracht van het AEF-rapport, is de analyse versmald tot het bepalen van het bedrag dat gemeenten nodig hebben om de jeugdhulp te kunnen uitvoeren. Bij de vervolgstappen naar aanleiding van het rapport wordt enkel gekeken naar financiële bezuinigingsoverwegingen. De invalshoek van de beroepsverenigingen is echter breder. Er moet gekeken worden naar een verbetering van het jeugdstelsel die uitgaat van kwalitatieve en passende hulp, in combinatie met kostenbesparingen of benodigde structurele financiering. Wij zien een stelsel dat vastloopt vanwege basale structuurfouten. Tegelijkertijd zien wij kansen voor een mooi jeugdstelsel dat, in samenhang met het gewone leven in de samenleving, bijdraagt aan het ultieme doel dat alle kinderen thuis prettig opgroeien.
Een stelsel waarin aandacht is voor positief jeugdbeleid in plaats van de probleemgerichte aandacht voor kinderen met wie het niet goed gaat. De samenwerkende beroepsverenigingen zijn van mening dat juist door de inhoud in de jeugdhulp voorop te stellen het mogelijk is te komen tot goede doelmatige en doeltreffende hulp en besparingen. De BGZJ onderschrijft dit ook in de brief2 die zij recent publiceerde. Dat kan betekenen dat uitgangspunten van de Jeugdwet moeten worden aangepast of nader geduid. Daar willen wij met deze reactie een aanzet toegeven. 1. Inhoudelijke expertise van professionals is noodzakelijk AEF gaat er in het rapport te gemakkelijk vanuit dat professionals de oorzaak vormen van de stijgende zorgkosten, omdat zij moeite hebben met normaliseren en vanuit zorgzaamheid, bevlogenheid en risicomijdend gedrag te veel ondersteuning en zorg leveren. Uit het onderzoek naar gemeenten die goed op weg zijn met de inhoudelijke transformatie3 en ook een financieel beheersbare transformatie hebben weten te realiseren, blijkt juist dat vertrouwen en ruimte voor professionals aan het succes kunnen bijdragen. Wij voelen ons (als vertegenwoordigers van) professionals verantwoordelijk voor doelmatigheid en dat betekent zowel tijdig opschalen als tijdig afschalen.
Als wij daarin zaken beter kunnen doen, gaan wij daarover graag het gesprek aan, echter wel na verdiepende, inhoudelijke analyse. 2. Preventie: veel te vroeg om af te schieten 1
NIP, NVvP (afdeling KJP), BPSW, NVO, BV Jong, FVB, LVVP, V&VN, AJN, NVK. Jeugdzorg Nederland › Jeugdbranches stappen uit overleg met Rijk en gemeenten 3 Eigenwijs transformeren. Een onderzoek naar succesvolle (veelbelovende) ontwikkelingen in gemeentelijke jeugdstelsels. 2
Het AEF-rapport focust op de vraag of preventie zoals nu uitgevoerd, financiële voordelen kan opleveren die terugvallen bínnen de Jeugdwet. Daarmee zou het rapport kunnen worden gelezen als dat preventie geen effect heeft. Het AEF-rapport legt de nadruk op een vorm van preventie, namelijk de geïndiceerde preventie en de effecten daarvan volgens de interventies zoals NJI die onderscheidt. Bij preventie is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen collectieve preventie en individuele preventie. Collectief: algemene (generalistische) preventie voor iedereen en (selectieve) preventie bij verhoogd risico. Individueel: (geïndiceerde) preventie bij beginnende problemen en (zorg gerelateerde) bij aandoeningen of ziekte. Ook nazorg na de behandeling uitgevoerd door bijvoorbeeld jeugdgezondheidszorg en welzijn, werkt preventief omdat het bevordert dat jongeren ook in de toekomst effectief met hun problemen kunnen blijven omgaan. Een goed voorbeeld van (collectieve) preventie zijn bijvoorbeeld de 2400 kinder- en jongerenwerkers die steeds innovatiever werken, en zowel online als offline in beeld zijn bij de jeugd. Zij werken zeer preventief en goed samen met andere sectoren, zoals scholen, sociale wijkteams, politie, reclassering, jeugdgezondheidszorg en (specialistische) jeugdhulp. De effecten daarvan zijn goed onderzocht en de maatschappelijke winst van deze interventies zijn groot.
Een voorbeeld van individuele preventie is het tijdig verwijzen van kinderen bij zich ontwikkelende eetstoornissen en het tijdig inzetten van de juiste expertise om kinderen en jongeren te ondersteunen in normale reacties op een abnormale situatie en alert te zijn op kwetsbare kinderen en gezinnen die onder de radar blijven of uit beeld verdwijnen. Uit het eerdergenoemde onderzoek3 naar gemeenten die succesvol bezig zijn met de transformatie blijkt dat deze juist hebben geïnvesteerd in preventie en vroeg signalering samen met het voorliggend veld. Deze gemeenten ondersteunen gezinnen zo vroeg en laagdrempelig mogelijk en laten specialistische jeugdzorgmedewerkers ambulant vanuit hun toegevoegde waarde werken. Laten we bij preventie het kind niet met het badwater weggooien. Een overkoepelende, langetermijnstrategie is nodig om een meer effectieve welzijns-promotie en preventie op te zetten. Deze strategie moet over de verschillende wettelijke en financiële kaders heen, domein overstijgend worden gevoerd. 3. Er is te weinig aandacht voor kosten van bureaucratie en administratieve lasten Het rapport besteedt weinig aandacht aan de hoge transactiekosten die voortvloeien uit de gemeentelijke inkoop van zorg, de indicatie en het afgeven van beschikkingen (eerder door Berenschot berekend op 30% van de kosten).
Deze administratieve lasten drukken zwaar op de inzet van professionals, zowel in tijd die men eraan kwijt is als het werkplezier en inzet in algemene zin. Van vele professionals van de werkvloer ontvangen wij als beroepsverenigingen hier blijvend zorgwekkende signalen over. Kortom, veel geld is gaan zitten in onnodige bureaucratie en administratieve lasten waar heel veel besparingen mogelijk zijn. Een groot deel van de toenemende kosten in de jeugdhulp lijkt een direct gevolg van het nieuwe stelsel en de aanhoudende kosten van de transformatie. Het zou wenselijk zijn om oplossingsrichtingen te bedenken gericht op deze transactiekosten en de (her)richting van het jeugdstelsel.
4. Zet in op triage voor betere door- en uitstroom De samenwerkende beroepsverenigingen herkennen dat ouders met relatief hogere inkomens beter hun weg zijn gaan vinden in het nieuwe jeugdstelsel ten opzichte van vijf jaar geleden. Tegelijkertijd 2
zijn kwetsbare gezinnen, waar mogelijk meer sprake is van verborgen, latente problematiek, niet beter bereikt. Daarnaast is er sprake van een toenemende intensiteit van de ambulante trajecten en een achterblijvende uitstroom. De verklaring hiervoor is dat de triage nog niet goed verloopt – of niet meer goed verloopt – en dat er niet altijd sprake is van een goede door- en terugverwijzing naar de juiste zorg en de juiste professional. Ook komt de integrale zorg nog niet altijd goed van de grond. De belangrijkste oplossing en sturingsmogelijkheden zien wij in een goede effectieve triage en het bespoedigen van de uitstroom. Hoe beter de triage en vraagverheldering, hoe beter goede hulp is te verlenen en je kunt komen tot zorg op maat met professionals die snel met het netwerk rond het kind van (groot)ouders, leerkrachten, sport- en straatcoaches, muziekdocenten goede ondersteuning en expertise bieden. Ook het onderzoek in de gemeenten waarbij men succesvol bezig is met de transformatie ondersteunt dit. In de toegang werken ervaren, hoogopgeleide specialisten samen met generalistische professionals, waardoor soms duurdere specialistische hulp wordt voorkomen.
Triage is overigens niet exclusief een taak van wijkteams; het is wenselijk ook andere professionals, zoals professionals werkend in de jeugdgezondheidszorg en goed opgeleide professionals in het voorveld daarbij te betrekken. 5. Pas de definitie van specialistische jeugdhulp aan Betere sturingsmogelijkheden voor gemeenten zijn ook te realiseren door het aanpassen van de definitie van specialistische jeugdhulp. De term specialistische jeugdhulp wordt gebruikt om de hele categorie van geïndiceerde jeugdhulp (met beschikkingen) weer te geven; een nader onderscheid daarbinnen is nodig naar lichte ondersteuning en complexe specialistische behandeling (bijvoorbeeld vergelijkbaar met de generalistische basis ggz en de specialistische ggz, of de complexe problematiek/complex zorgaanbod in het nieuwe landelijke kwaliteitsstatuut ggz). Vooral het voorzieningenniveau van gemeenten in de lichte ondersteuning is toegenomen. Mogelijk zijn in de lichte ondersteuning besparingen te realiseren door een betere substitutie van zorg en een betere differentiatie van zorgaanbieders. Dat kan door soms vakbekwame HBOprofessionals in te zetten en soms door (post-)academische professionals zoals orthopedagogen, psychologen, psychotherapeuten en kinder- en jeugdpsychiaters consultatie te laten verlenen richting huisarts, sociale wijkteams, onderwijs en (gesloten) jeugdzorg.
Ook is een steviger rol gewenst van professionals uit de jeugdgezondheidszorg zoals jeugdartsen. Daarnaast moeten ook de vrijgevestigde professionals niet worden vergeten; zij zijn vaak dichtbij aanwezig, flexibel en kunnen zeer behulpzaam zijn in het oplossen van tekorten. De gemeentelijke schaal is minder geschikt voor sturing van de complexe specialistische behandeling en vraagt eerder om een (boven)regionale of landelijke aansturing en financiering. Voor bijvoorbeeld de acute kinder- en jeugdpsychiatrie is om de crisisfunctie uit te voeren bekostiging nodig op basis van beschikbaarheid, zowel voor de ambulante crisisteams als voor high intensive care (HIC) bedden.
Namens de betrokken verenigingen, Vera Naber (NIP) en Arne Popma (NVvP) Lid stuurgroep Zorg voor de Jeugd, namens de samenwerkende beroepsverenigingen
3