CConstaterende datRozendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ecologische effectbeoordeling

1.2 Raadsvergadering 18 juni 2024, gemeente RozendaalBij agendapunt: Bestemmingsplan Pinkenberg11.603 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 5-4 Geschiktheidskaart boomleeuwerik (links) en tapuit (rechts) in deelgebied 9 van de Veluwe. Geschiktheid van lichtgroen (enigszins geschikt) naar donkerblauw (zeer geschikt). Indicatieve cirkel om ligging van het beïnvloedde gebied aan te geven. (Bron: conceptsynthesedocument, Provincie Gelderland, 2022).

Het beïnvloed gebied is enigszins geschikt voor boomleeuwerik (zie figuur 5-4 links). Het areaal potentieel leefgebied (zoekgebied droge heide) voor de boomleeuwerik binnen het beïnvloedde gebied is dermate klein en de depositiebijdrage is dermate gering en tijdelijk, dat dit geen verzurende en/of vermestende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit van het leefgebied van de boomleeuwerik. De boomleeuwerik heeft elders op de Veluwe voldoende leefgebied van voldoende tot goede kwaliteit. De trend van de soort is de laatste 12 jaar positief en de aantallen liggen met 2500 broedparen boven het doelaantal (NDA, 2023). Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de boomleeuwerik (behoud van omvang kwaliteit leefgebied voor ten minste 2400 broedparen).

Figuur 1-5 Overzichtskaart invloedssfeer aanlegfase met in blauw (met cirkel) het areaal zoekgebied leefgebied droge heide. (AERIUS, 2023).

Voor de tapuit is het beïnvloedde leefgebied ongeschikt als leefgebied voor de tapuit (zie figuur 5-4 rechts) en is de tapuit afwezig in dit deelgebied (conceptsynthesedocument, 2022). Daarnaast is het areaal van het zoekgebied habitattype droge heide (ZGL4030) zeer gering in het beïnvloedde gebied (zie Figuur 1). Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de tapuit (verbetering en uitbreiding leefgebied voor 100 broedparen).

19 december 2023

BI7575-WM-RP-231128-0828

20

Projectgerelateerd

Effectbeoordeling soorten van open vegetatietypen en bos: wespendief & draaihals Het beïnvloedde gebied bevat redelijk geschikte en geschikte habitat voor de wespendief (zie figuur 5-6). Het deelgebied is voor de wespendief relatief belangrijk vanwege het voorkomen van een groot areaal aan (landgoed)bossen. De voedselbiotoop bestaat uit bos en bosranden, randen van kapvlakten en heide, bermen, taluds en vrijwel alle denkbare andere plekken waar nesten van sociaal levende en in de grond nestelende wespen voorkomen. Het hoofdvoedsel bestaat uit larven en poppen van sociaal levende wespen (gewone wesp, Duitse wesp) en in grotere bosgebieden ook de rode wesp met nesten op de bodem. Het dieet wordt aangevuld Figuur 5-6, geschiktheidskaart wespendief (deelgebied 9). met kikkers, nestjongen van kleine tot Geschiktheid van lichtgroen (enigszins geschikt) naar donkerblauw (zeer geschikt). (Bron: middelgrote vogels, reptielen, hommelbroed en conceptsynthesedocument, 2022). andere insecten (kevers, sprinkhanen).

De wespendief maakt conform de gebiedsanalyse in theorie mogelijk gebruik van droge heide (H4030/L4030), stuifzandheiden met struikhei en zandverstuivingen (H2310/H2330) als foerageergebied. Het aanwezig areaal aan droge heiden en stuifzanden op de Veluwe is 1/5 van het totaal geschikt leefgebied van de wespendief. Echter is het daadwerkelijk gebruik van deze gebieden als foerageergebied beperkt en heeft deze geen betekenisvolle bijdrage. Uit diverse onderzoeken waaronder in van Manen et al. op de Veluwe (2011) blijkt dat de soort 100% afhankelijk is van bossen; zelfs in cultuurlandschap wordt gefoerageerd op plekken waar boomopslag aanwezig is. De omvang van het leefgebied op de Veluwe is de afgelopen decennia stabiel gebleven. Het huidig aantal broedparen ligt in de buurt bij het instandhoudingsdoel (100 broedparen). De wespendief is een zomergast en overwintert in Afrika. Omstandigheden in overwinteringsgebieden als ook de voor- en najaarstrek spelen mogelijk ook een rol op het aantal broedparen in Nederland. De projectbijdrage als gevolg van de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg is ter hoogte van zeer beperkt areaal (0,22 ha) aan zoekgebied van leefgebied aan droge heide (ZGL4030).

De bijdrage met 0,02 mol N/ha/j is dermate gering en tijdelijk (aanlegfase) dat dit geen verzurende en/of vermestende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit van dit klein onderdeel van het grote leefgebied van de wespendief. Het plan heeft als gevolg van de tijdelijke stikstofdepositiebijdrage geen significant negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de wespendief (behoud areaal en kwaliteit leefgebied voor 100 broedparen).

19 december 2023

BI7575-WM-RP-231128-0828

21

Projectgerelateerd

Voor de draaihals is binnen het beïnvloedde gebied hoofdzakelijk enigszins geschikt leefgebied aanwezig (zie figuur 5-7). Buiten het beïnvloed gebied is veel geschikter leef- en foerageergebied met droge heide aanwezig waar het aantal broedparen van draaihalzen kan hier nog verder toenemen. (conceptsynthesedocument, 2022). De draaihals is een kleine spechtachtige die vanaf mei in Nederland is en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara. De soort is voor het foerageren aangewezen op heidevelden op schrale zandbodems, vooral voormalige stuifzanden, die niet of slechts ten dele vergrast zijn. Het foerageerbiotoop omvat soms ook kapvlakten, afgeplagde heide, zandverstuivingen, boomheiden Figuur 5-7, geschiktheidskaart draaihals (deelgebied 9). Geschiktheid van lichtgroen (enigszins geschikt) naar of zeer open bos van zomereik en berk. Factoren donkerblauw (zeer geschikt). (Bron: concept synthesedocument, die van invloed zijn op het voorkomen van de 2022). draaihals is het aanbod van geschikte nestholtes (voornamelijk beschikbare holtes in berken en dode loofbomen; draaihals hakt zelf geen nesten), beschikbaarheid van wegmieren en humusmieren (bosgrond/vermolmd hout), voedselconcurrentie door wilde zwijnen (bij hoge wildstand) en landrecreatie.

Daarnaast bepaalt de hoeveelheid regen in het overwinteringsgebied (waarschijnlijk rond de Middellandse zee) voor een belangrijk deel de populatietrend in de broedgebieden (Sierdsma et al., 202012). Belangrijke broedgebieden op de Veluwe van de draaihals waren in het verleden Kootwijkerzand, Harskampse Zand, Planken Wambuis en de Zuidoost-Veluwe. Sinds 1990 en 2009 is sprake van een positieve trend. Sinds 2014 wordt de soort weer jaarlijks vastgesteld. Op de Veluwe zijn in 2015 26 territoria vastgesteld; in 2016 weer 24 territoria (bron: Sovon district Veluwe, 201613 en Boele et al. (2018). Sierdsma et al. (2020) geeft 40 territoria aan voor de Veluwe in 2016 en daarmee wordt de recente positieve trend van de draaihals op de Veluwe bevestigd. Het voorzichtige herstel komt o.a. door gunstige omstandigheden in de overwinteringsgebieden. De doelstelling van hervestiging is voor de Veluwe gehaald, maar de situatie blijft kwetsbaar. De opgave, forse populatietoename, is nog lang niet bereikt (Sierdsma et al.,2020). In 2019 zijn 42 territoria vastgesteld14. De draaihalzen broeden weer meerdere jaren in het deelgebied 9 (na een afwezigheid van vijf jaar sinds 2012). Ze broeden met name op de heidevelden in het noordelijke deel van het deelgebied, in het bijzonder Deelerwoud en Loenermark/Zilvense Heide. Dit is buiten het beïnvloed gebied.

12

Sierdsema H., ten Holt H., Martens S., Nijssen M. & Petra Verburg. 2020. Natuurbeheer en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000‐gebied Veluwe. Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe. Achtergrondrapport. Sovon‐rapport 2020/32. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. 13 https://www.sovon.nl/nl/actueel/nieuws/zeldzame‐broedvogels‐2016‐district‐veluwe 14 https://stats.sovon.nl/stats/gebied/1000057 ‐ overzicht broedvogels Natura 2000 Veluwe o.b.v. Netwerk ecologische monitoring SOVON, RWS, CBS, provincie 19 december 2023

BI7575-WM-RP-231128-0828

22

Projectgerelateerd

De berekende tijdelijke stikstokstofdepositie is 0,02 tot maximaal 0,19 mol N/ha/j op zoekgebied van L4030 droge heide en de bostypen Lg13, H9120 en Lg14. De hoogste bijdrage met meest beïnvloed areaal is Lg14. Ten opzichte van het totaal aanwezig foerageergebied betreft het beïnvloed areaal minder dan 1%. De bijdrage als gevolg van de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg is dermate gering en tijdelijk dat dit geen verzurende en/of vermestende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit het leefgebied van de draaihals (zie ook 4.3) dat hier bovendien voor de soort uit minder geschikt leefgebied bestaat. Buiten het beïnvloed gebied is geschikter leefgebied aanwezig voor de draaihals. Het plan heeft geen significant negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de draaihals (behoud areaal en kwaliteit leefgebied voor (her)vestiging). .

Figuur 5-8, Overzichtskaart invloedssfeer aanlegfase met in blauw het areaal droge heide. Cirkel ter indicatie van locatie droge heide. (AERIUS, 2023).

Effectbeoordeling soorten van bos: zwarte specht Het leefgebied van de zwarte specht op de Veluwe omvat vooral naaldhout (foerageerplekken) met dikke nestbomen waaronder de beuk. Op de leefgebiedenkaarten van deelgebied 9 (alsook van de Veluwe) is een groot deel van het bos aangeduid als leefgebied van deze soort (conceptsynthesedocument, 2022). Het deelgebied 9 is relatief belangrijk voor zwarte specht (15,4% van IDH; 58 broedparen van IHD 400) overeenkomend met de grote oppervlakte bos in het deelgebied (conceptsynthesedocument, 2022). De belangrijkste bossen voor deze soorten zijn de stuwwalbossen in het zuiden en zuidoosten van het deelgebied (Beekhuizen, Hagenau, Middachten en Twickel).

Binnen het beïnvloedde gebied is met name sprake van geschikt leefgebied voor de zwarte specht (zie figuur 5-9). De kwaliteit van het leefgebied voor de zwarte specht is naar verwachting voldoende goed aangezien het aantal broedparen rond de doelstelling ligt. Er lijkt een lichte afname in het aantal broedparen op te treden, de oorzaak hiervan is niet met zekerheid te zeggen. Oorzaak van een eventuele afname is complex en is niet direct aan een te hoge stikstofdepositie te relateren. Nestconcurrentie en predatie door boommarters kunnen bijvoorbeeld wel direct van invloed zijn. Ook leidt recreatie op de Veluwe tot verstoring van foerageerplekken van de zwarte specht (Sierdsma et al., 2020). Als maatregel voor garantie van voldoende voedsel voor de zwarte specht wordt het aandeel dood hout op de Veluwe verder bevorderd.

19 december 2023

Figuur 5-9 geschiktheidskaart zwarte specht deelgebied 9. Geschiktheid van lichtgroen (enigszins geschikt) naar donkerblauw (zeer geschikt). Indicatieve cirkel om ligging van het beïnvloedde gebied aan te geven. (Bron:

BI7575-WM-RP-231128-0828

23

Projectgerelateerd

Het grootste aandeel leefgebied waar de zwarte specht aan gebonden is betreft eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (Lg14, zie tabel 5-2) alsook aan Lg13 en in mindere mate H9120 beuken- en eikenbos dat hier op lemige gronden staat. De bijdrage als gevolg van de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg is dermate gering en tijdelijk dat dit geen verzurende en/of vermestende werking heeft die van invloed is op de kwaliteit het leefgebied van de zwarte specht (zie ook 4.3). Daarnaast is het beïnvloedde areaal ten opzichte van het totale beschikbare areaal van dit leefgebied een zeer beperkt aandeel (<1%). Het plan heeft geen significant negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de zwarte specht (behoud van areaal en kwaliteit voor ten minste 400 broedparen. Synthese vogelrichtlijnsoorten: De tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg heeft voor de vogelrichtlijnsoorten en het behalen van de bijbehorende instandhoudingsdoelstelling geen (significant) negatieve gevolgen.

Cumulatie In voorgaande paragrafen is op locatie specifieke ecologische gronden geconcludeerd dat de stikstofdepositietoename als gevolg van de aanlegfase van de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg bij een aantal habitattypen en vogelrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebieden Veluwe met zekerheid niet tot significante gevolgen leidt, ondanks een overschrijding van de KDW voor habitattypen. De Habitatrichtlijn vereist dat ook de cumulatieve effecten van een project inzichtelijk worden gemaakt en worden betrokken in de passende beoordeling, zodat geen enkel negatief natuureffect over het hoofd wordt gezien. Voor de aanlegfase voor de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg wordt de conclusie niet anders wanneer het projecteffect wordt beoordeeld in cumulatie met andere plannen of projecten die zijn vergund maar nog niet zijn uitgevoerd. Wanneer deze projecten worden uitgevoerd, leidt dat tot een blijvende bijdrage aan de achtergronddepositie en dus tot een grotere overschrijding van de KDW. Significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase voor de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg zijn nog steeds uitgesloten wanneer de KDW in hogere mate wordt overschreden. De achtergronddepositie is niet van invloed op de locatie specifieke ecologische gronden waar de conclusies in deze ecologisch beoordeling op gebaseerd zijn.

19 december 2023

BI7575-WM-RP-231128-0828

24

Projectgerelateerd

Conclusies ecologische beoordeling Vitens heeft in Rozendaal het voornemen om het productiebedrijf Pinkenberg te vernieuwen omdat het huidige productiebedrijf verouderd is. De aanlegfase van de nieuwe locatie ter vervanging van de huidige productielocatie leidt tot een tijdelijke stikstofdepositie dat nader ecologisch beoordeeld is. Uit de stikstofdepositieberekeningen (AERIUS, 2023) voor de aanlegfase volgt dat:  In de aanlegfase bij Natura 2000-gebied Veluwe sprake is van een tijdelijke stikstofdepositietoename. Stikstofdepositie in de gebruiksfase wijzigt niet als gevolg van het voornemen.  Er is een tijdelijke stikstofdepositie op een habitattype, namelijk H1920 beuken-eikenbossen met hulst. De tijdelijke stikstofdepositie bedraagt maximaal 0,03 mol N/ha/j (max. 0,04 mol N/ha/j ter hoogte van zoekgebied) op een zeer gering areaal en leidt niet tot significant negatieve gevolgen voor dit habitattype.  Er is een tijdelijke stikstofdepositiebijdrage op leefgebied van vijf vogelrichtlijnsoorten die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De tijdelijke stikstofdepositiebijdrage is 0,02 tot maximaal 0,19 mol N/ha/j en leidt niet tot significant negatieve gevolgen voor de vijf vogelrichtlijnsoorten en bijbehorende instandhoudingsdoelen voor de Veluwe.

 Er is geen sprake van een tijdelijke stikstofdepositiebijdrage ter hoogte van leefgebied van stikstofgevoelige habitatrichtlijnsoorten. Negatieve gevolgen kunnen op voorhand worden uitgesloten.

Uit de ecologische effectbeoordeling volgt dat de tijdelijke stikstofdepositie dermate gering en tijdelijk is dat dit, in cumulatie met overige plannen en/of projecten, gezien de gebiedspecifieke omstandigheden niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebied de Veluwe en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. De aanlegfase voor de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg tast de natuurlijke kenmerken van het omliggende Natura 2000-gebied niet aan.

19 december 2023

BI7575-WM-RP-231128-0828

25

Projectgerelateerd

Literatuur Arcadis, 2023. Natuurdoelanalyse Natura 2000 Veluwe (57) in opdracht van provincie Gelderland. Synthesedocument (concept) Bijlsma, R.J. en J.A.M. Janssen, M. Nijssen, A.S.J. van Proosdij & H. Sierdsma, 2022. Herstelprogramma’s Natura 2000 Veluwe. Synthesedocument Deelgebied 9 Veluwezoom-Deelerwoud-Loenense Bos. WUR, Stichting Bargerveen, Sovon. (concept) in opdracht van Provincie Gelderland. Bobbink, R. (2021). Effecten van stikstofdepositie nu en in 2030: een analyse. Onderzoekcentrum BWARE, Nijmegen. Rapportnummer RP-20.135.21.35. Bobbink, R. & M. Weijters (2018). Verschil in effecten op natuur van gereduceerd versus geoxideerd stikstof. Lucht maart 2018, 23-27. De Vries, W., M.J. Weijters, J.J. de Jong, S.P.J. van Delft, J. Bloem, A. van den Burg, G.A. van Duinen, E. Verbaarschot & R. Bobbink (2019). Verzuring van loofbossen op droge zandgronden en herstelmogelijkheden door steenmeeltoediening. Rapport OBN229-DZ. Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren (VBNE), Driebergen. OBN Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit. De Vries, W. & J.W. Erisman, 2020. Ammoniak schadelijker voor natuur, stikstofoxiden voor de gezondheid. https://www.biomaatschappij.nl/artikel/ammoniak-schadelijker-voor-natuur-stikstofoxiden-voor-degezondheid/. De Vries, W., M.J. Weijters, J.J. de Jong, S.P.J. van Delft, J. Bloem, A. van den Burg, G.A. van Duinen, E. Verbaarschot & R.

Bobbink (2019). Verzuring van loofbossen op droge zandgronden en herstelmogelijkheden door steenmeeltoediening. Rapport OBN229-DZ. Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren (VBNE), Driebergen. OBN Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit. De Vries, W, 2008. Verzuring: oorzaken, effecten, kritische belastingen en monitoring van de gevolgen van ingezet beleid. Alterra-rapport 1699, Alterra Wageningen UR. Den Ouden, J.B., M. Vocks, M.E.A. Broekmeyer& H.G.J.M. Koop, PM. A-locatie bossen in Gelderland Kenschets, beoordeling en adviezen met betrekking tot behoud en ontwikkeling van relicten van inheemse bosgemeenschappen in de provincie Gelderland. IBN-rapport 240 Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO) Wageningen. Goderie R. en K. Vertegaal, 2020.Achtergrondnotitie actualiseren StikstofEffectvoorspellingsModel (SEM 3.1). Manen W. van, van Diermen J., van Rijn S. & van Geneijgen P. 2011. Ecologie van de Wespendief Pernis apivorus op de Veluwe in 2008-2010, populatie, broedbiologie, habitatgebruik en voedsel. Provincie Gelderland, Arnhem/stichting Boomtop, Assen. Manen van, W. 2012. Broedbiologie van de Zwarte specht in Nederland. Limosa 85 (2012:161-170). Marra W.A., RIVM S. B. Hazelhorst), K. M. F. Brandt, R. J. Wichink Kruit, J. M. Schram, 2022. Monitor stikstofdepositie in Natura 2000gebieden 2022 Uitgangssituatie voor de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering.

RIVM 2022 link Monitor stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden 2022 (rivm.nl)

Provincie Gelderland, (2018). Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057). Provincie Gelderland, (2017). PAS Gebiedsanalyse 057 Veluwe. RIVM, 2023. Release AERIUS Calculator 23. RIVM, 21 november 2019 Stikstofdepositie, 1990-2018 https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-stikstofdepositie.

19 december 2023

BI7575-WM-RP-231128-0828

26

Projectgerelateerd

Sierdsema H., ten Holt H., Martens S., Nijssen M. & P. Verburg. 2020. Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe. Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Smits, N.A.C. & D. Bal (red.), 2014. Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Alterra Wageningen UR, Wageningen/ Ministerie van Economische Zaken, Den Haag Veluwe. Hoofdrapport. Sovon-rapport 2020/29. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Informatie Sovonrapporten 2019/76 (soortprofielen) en 2020/32 (achtergrond) Vink, M. & A. van Hinsberg, 13 december 2019. Stikstof in perspectief policy brief Wieger Wamelink, Han van Dobben, Friso van der Zee, Arjen van Hinsberg, Roland Bobbink, 2023. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000; Herziening 2023. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3272. 62 blz.; 1 fig.; 4 tab.; 29 ref.

19 december 2023

BI7575-WM-RP-231128-0828

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rozendaal&id=de8c0359-4b60-4135-a81c-e1c97eb10bc9