Agendabundel
Tekst van het document
De regeling moet bij het overdragen van raadsbevoegdheden op verschillende punten worden gewijzigd, bijvoorbeeld de bepalingen over vertegenwoordiging in het algemeen bestuur dan wel de term deelnemers. Artikel 7 Bevoegdheden De deelnemers dragen geen bevoegdheden over aan de MGR. Bij afzonderlijk besluit mandateren de deelnemers de bevoegdheden. Een uitzondering hierop zijn de taken uit module Werkgeverschap SW, zoals verwoord in bijlage 4. Voor het overdragen van het werkgeverschap van de wsw medewerkers naar de MGR is delegatie nodig.
28
Artikel 8 Beperking privaatrechtelijke bevoegdheden Met deze bepaling worden de bevoegdheden van de bestuursorganen van het openbaar lichaam beperkt. Dit zijn bevoegdheden die het openbaar lichaam vanwege zijn rechtspersoonlijkheid op grond van de wet zelf heeft. Met deze bepaling worden de financiële risico’s voor de deelnemers die hiermee samenhangen beperkt, omdat de deelnemers vooraf eerst hiermee dienen in te stemmen. Wanneer het algemeen bestuur hiertoe over wil gaan is hiervoor vooraf toestemming nodig van deelnemende gemeenten.
HOOFDSTUK 3 HET ALGEMEEN BESTUUR Artikel 9 Taken en bevoegdheden Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het gemeenschappelijk openbaar lichaam (art. 12, tweede lid, van de wet). Dit betekent onder meer dat het algemeen bestuur eindverantwoordelijk is voor het gemeenschappelijk openbaar lichaam. In het algemeen bestuur zijn alle deelnemers vertegenwoordigd. Dit artikel beschrijft de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheden overdragen aan het dagelijks bestuur met uitzondering van de taken benoemd in artikel 33a, tweede lid, van de wet en artikel 9, derde lid, van de regeling. Artikel 10 Samenstelling en zittingsduur Deze regeling omvat een collegeregeling omdat het gaat om collegebevoegdheden die het samenwerkingsverband gaat uitvoeren. Het betreft in beginsel een samenwerkingsverband gericht op uitvoerende taken. Op grond van artikel 13, zesde lid van de wet kiest iedere deelnemer (in dit geval het college) uit zijn midden het lid van het algemeen bestuur (artikel 13, zesde lid, van de wet). In de regeling is gekozen voor één lid van het algemeen bestuur per deelnemer. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege wanneer men ophoudt lid te zijn van het college dat het lid heeft aangewezen (artikel 13, zesde lid van de wet dat artikel 13, tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaart).
Om te voldoen aan de gedachte van verlengd lokaal bestuur is het van belang dat deelnemers vertegenwoordigd zijn in het algemene bestuur. Daarom is in de regeling bepaald dat een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur wordt aangewezen om op die wijze vertegenwoordiging van de deelnemer in het algemeen bestuur zoveel mogelijk te borgen. De plaatsvervanging geldt uitsluitend voor de werkzaamheden als lid van het algemeen bestuur. Mocht het lid van het algemeen bestuur ook voorzitter zijn of lid van het dagelijks bestuur, dan geldt de plaatsvervanging niet voor de werkzaamheden als voorzitter of lid van het dagelijks bestuur. De plaatsvervanging van de voorzitter (een zelfstandig bestuursorgaan) is geregeld in artikel 15, vierde lid van de regeling. Voor leden van het dagelijks bestuur kunnen geen plaatsvervangers worden benoemd. Bij vervanging met een tijdelijk of incidenteel karakter kan worden volstaan met een interne vervangingsregeling binnen het dagelijks bestuur, zoals gebruikelijk is bij het college.
Artikel 11 Werkwijze en vergaderorde Bij de totstandkoming van het aantal stemmen is rekening gehouden met de volgende inwonersaantallen per 1-1-2022: Arnhem 163.888 Doesburg 11.036
29
Duiven Lingewaard Overbetuwe Renkum Rheden Rozendaal Wageningen Westervoort Zevenaar
24.946 46.963 48.266 31.358 43.435 1.756 39.939 14.944 44.645
De uitkomst van de staffel is dat de leden van het algemeen bestuur per 1 januari 2023 het volgende aantal stemmen hebben: Deelnemer
Aantal stemmen
Arnhem
4
Doesburg
1
Duiven
2
Lingewaard
2
Overbetuwe
2
Renkum
2
Rheden
2
Rozendaal
1
Wageningen
2
Westervoort
1
Zevenaar
2
Totaal
21
In het algemeen bestuur worden besluiten genomen met een meerderheid van stemmen. Een stemming is geldig wanneer meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft aan de stemming heeft deelgenomen (artikel 29, eerste lid Gemeentewet). Daarbij mag geen rekening worden gehouden met meervoudige stemrechten, het gaat om het aantal leden. Leden die zich onthouden van stemming tellen daarbij niet mee. In artikel 11, vierde lid van de regeling is bepaald over welke onderwerpen het algemeen bestuur niet in beslotenheid kan vergaderen. Het uitgangspunt van de wet (art. 22 lid 3) is dat de vergaderingen van het algemeen bestuur van een gemeenschappelijk openbaar lichaam openbaar zijn. In artikel 22 van de wet is bepaald dat het algemeen bestuur een uitzondering op dit uitgangspunt kan maken. Vergaderingen kunnen in beslotenheid worden gehouden als de voorzitter van het algemeen bestuur dit nodig oordeelt óf als een vijfde van de aanwezige leden daar om verzoekt. Op een dergelijk verzoek beslist het algemeen bestuur, waarbij een afweging gemaakt moet worden tussen het belang van openbaarheid en het belang van vertrouwelijkheid.
In artikel 22, eerste lid van de wet worden artikelen van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing verklaard op het houden en de orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur, voor zover de wet daarvan niet is afgeweken: - artikel 16: vaststellen reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden
30
-
artikel 17: frequentie van vergaderen artikel 20: quorum voor opening vergadering artikel 22: onschendbaarheid en verschoningsrecht artikel 26: handhaving orde vergadering artikel 28: niet deelname aan stemming artikel 29: quorum voor geldige stemming artikel 30: totstandkoming beslissing artikel 31: geheime stembriefjes artikel 32: overige stemmingen artikel 33a: ondertekening stukken artikel 33: ambtelijke bijstand
Een lid van het algemeen bestuur heeft altijd stemrecht. Dit stemrecht kan het lid niet worden ontnomen. Een lid van het algemeen bestuur stemt alleen niet wanneer het besluit een gelegenheid betreft die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken, of over de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waartoe hij rekenplichtig is of tot wiens bestuur hij hoort (artikel 28, eerste lid Gemeentewet). Deze bepaling moet terughoudend worden uitgelegd omdat het onthouden van stemrecht een inbreuk zou zijn op de rechten van de vertegenwoordiger en daarmee op het democratisch proces (vergelijk Abrs d.d. 1 april 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:1010). Het ligt niet voor de hand dat het lid zich moet onthouden van stemmen over zaken die de gemeente aangaat. In de regeling kan derhalve niet worden bepaald, dat slechts die deelnemers die de taken ook daadwerkelijk afnemen (lees deelnemen aan een samenwerkingsmodule dan wel submodule) in het algemeen bestuur mogen stemmen over die taken. Mochten er in de toekomst meer samenwerkingsmodules worden toegevoegd en het aantal deelnemers daaraan sterk verschilt dan kan het een optie zijn om bestuurscommissies voor (bepaalde) samenwerkingsmodules in te stellen, waarin vertegenwoordigers van de aan die samenwerkingsmodules deelnemende gemeenten zitten .
Het algemeen bestuur draagt dan haar bevoegdheden ten aanzien van die samenwerkingsmodule over aan de bestuurscommissie. Om bestuurlijke drukte te voorkomen zou je in de bestuurscommissie de leden van het algemeen bestuur kunnen benoemen die de deelnemers vertegenwoordigen die aan de samenwerkingsmodule meedoen. Vervolgens plan je de vergadering van een bestuurscommissie achter de vergadering van het algemeen bestuur. Dit zou je -voor zover gewenst- ook op submoduleniveau kunnen doen. Een andere mogelijkheid is een gentlemens agreement dat de leden van het algemeen bestuur van de deelnemers die niet deelnemen aan een samenwerkingsmodule, zich onthouden van stemrecht. Dat is echter niet geheel in lijn met hetgeen hiervoor uiteen is gezet over het onthouden van stemrecht.
HOOFDSTUK 4 HET DAGELIJKS BESTUUR Artikel 12 Taken en bevoegdheden Dit artikel regelt de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur. Artikel 13 Samenstelling en zittingsduur Leden van het dagelijks bestuur blijven aan totdat in hun opvolging is voorzien. Hierdoor wordt geregeld dat er in de tussenliggende periode tussen verkiezingen en het kiezen van een dagelijks bestuur uit het midden van het nieuwe algemeen bestuur geen dagelijks bestuur aanwezig is.
31
Een lid van het dagelijks bestuur dat ontslag wil nemen legt dat voor aan het algemeen bestuur. Pas wanneer het algemeen bestuur een nieuw lid van het dagelijks bestuur heeft aangewezen, kan het ontslag van het lid van het dagelijks bestuur ingaan. De wet bevat geen bepalingen over het benoemen van plaatsvervangers voor de leden van het dagelijks bestuur. Bij vervanging met een tijdelijk of incidenteel karakter kan worden volstaan met een interne vervangingsregeling binnen het dagelijks bestuur, zoals gebruikelijk is bij het college. Artikel 14 Werkwijze en vergaderorde Op grond van artikel 14 van de wet bestaat het dagelijks bestuur uit de voorzitter en ten minste twee andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen. Er is in de regio afgesproken dat het dagelijks bestuur uit drie leden bestaat. De wet bevat geen bepalingen over de besluitvorming en vergaderorde van het dagelijks bestuur, zoals bij het algemeen bestuur. Dat is vrij te regelen in de regeling of in het door het dagelijks bestuur vast te stellen reglement van orde. Het ligt voor de hand daarbij aan te sluiten bij de bepalingen over het college: artikel 52-54, 56, 58, 59 en 59a Gemeentewet.
Het is niet mogelijk om geheimhouding (vergelijk artikel 55 Gemeentewet) of immuniteit (vergelijk artikel 57 Gemeentewet) te regelen, omdat daarvoor een expliciete grondslag in een wet in formele zin is vereist omdat daarbij wordt afgeweken van algemene wettelijke normen.
HOOFDSTUK 5 DE VOORZITTER Artikel 15 Taken en bevoegdheden Dit artikel regelt de aanwijzing van de (plaatsvervangend) voorzitter. Op grond van artikel 13, negende lid, van de wet moet de voorzitter door en uit het algemeen bestuur aangewezen worden. De voorzitter is een eenhoofdig bestuursorgaan (artikel 12, eerste lid, van de wet) en is voorzitter van zowel het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur (artikel 12, derde lid, van de wet). De voorzitter beschikt over één stem in beide bestuursorganen. De aanwijzing van de voorzitter kan niet aan het dagelijks bestuur worden gedelegeerd. De plaatsvervangend voorzitter vervangt de voorzitter zowel in het algemeen bestuur als in het dagelijks bestuur.
HOOFDSTUK 6 DE COMMISSIES Artikel 16 Adviescommissies Dit artikel is gebaseerd op artikel 24 en 24a van de wet. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en samenstelling van deze commissies van advies. Er kunnen eventueel raadsleden in een adviescommissie worden benoemd. Op basis van samenwerkingsmodule 6 zal het ook mogelijk zijn dat het algemeen bestuur een vaste adviescommissie instelt ten behoeve van het dagelijks bestuur. Dit is relevant voor de wens van deelnemers om de facilitering van overige regionale taken te kunnen uitvoeren, zoals het faciliteren van het regionale beleidsoverleg en uitvoeren van regionale projecten. (zie bijlage 6). Er kan dan een adviescommissie worden gevormd van bijv. de voorzitter van het RPO, de voorzitter van het ambtelijk overleg en de regiosecretaris om een goede afstemming en aansturing te hebben van de betreffende medewerkers die zich bezig
32
houden met regionaal beleid en/of de uitvoering van regionale projecten. De adviescommissie adviseert het dagelijks bestuur over het programmaplan en begroting voor deze taken.
Artikel 17 Bestuurscommissies Dit artikel voorziet in de mogelijkheid van het algemeen bestuur om bestuurscommissies in te stellen (op grond van artikel 25, eerste lid, van de wet). Het is aan het algemeen bestuur om bestuurscommissies in te stellen. Het algemeen bestuur regelt de samenstelling van de bestuurscommissie, haar taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties jegens het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de wet gaat het algemeen bestuur pas over tot de instelling van de in het eerste lid bedoelde commissies nadat de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. De bestuurscommissie is verantwoordelijk voor de inhoudelijke voorbereiding op de begroting en het activiteitenplan- en programma. De bestuurscommissie geeft hierover een advies aan het algemeen bestuur. De bestuurscommissie heeft een rol voor de samenwerkingsmodules die vallen onder het betreffende programma. Dit wordt in het instellingsbesluit van de betreffende bestuurscommissie vastgesteld.
Er is bewust voor gekozen om geen bepaling in de regeling op te nemen over een eventuele vergoeding aan leden van een advies- of bestuurscommissie, omdat burgemeester, wethouders, raadsleden, ambtenaren en gemeentesecretarissen reeds uit hoofde van hun functie een vergoeding ontvangen.
HOOFDSTUK 7 INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 18 Het dagelijks bestuur ten opzichte van het algemeen bestuur (inlichtingenplicht) Dit artikel is slechts beperkt van omvang omdat artikel 19a, eerste lid van de wet reeds bepalingen bevat over de verantwoordings- en inlichtingenplicht, almede het ontslag. Artikel 19a, eerste lid, van de wet regelt de verantwoording van de (leden van het) dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. Het tweede lid gaat over het verstrekken van inlichtingen die het algemeen bestuur nodig heeft voor het uitoefenen van zijn taak. Het derde lid gaat over het ontslag van een lid van het dagelijks bestuur door het algemeen bestuur bij een gebrek aan vertrouwen. Een ontslagen lid van het dagelijks bestuur blijft wel lid van het algemeen bestuur. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van het lid van het dagelijks bestuur heeft besloten. Het informatierecht voor individuele leden van het algemeen bestuur ontbreekt echter in artikel 19a, van de wet. Vandaar dat dit in dit artikel is opgenomen.
Als één of meer leden van het algemeen bestuur inlichtingen vragen aan het dagelijks bestuur dan verstrekt het dagelijks bestuur deze inlichtingen niet alleen aan degenen die inlichtingen vragen, maar ook aan de overige leden van het algemeen bestuur. Hiermee wordt bewerkstelligd dat alle leden van het algemeen bestuur over dezelfde inlichtingen beschikken. Artikel 19 De voorzitter ten opzichte van het algemene bestuur (inlichtingen- en verantwoordingsplicht en ontslag)
33
De voorzitter is een apart orgaan. De wet zwijgt over de verantwoordingsplicht van de voorzitter, maar dat wil niet zeggen dat de voorzitter geen verantwoordingsplicht heeft. Het ligt voor de hand dit te regelen in de regeling analoog aan artikel 180 Gemeentewet. Daarmee zijn deelnemende gemeentebesturen vrij om te bepalen of de voorzitter kan worden ontslagen, door wie en op welke gronden. Het ligt voor de hand aan te sluiten bij artikel 13, negende lid, van de wet en het algemeen bestuur die bevoegdheid te verlenen. Volgens de Memorie van Toelichting bij de wet wordt het ontslagrecht van de leden van het dagelijks bestuur ook van toepassing geacht op de voorzitter. Dit past echter niet in de systematiek dat de voorzitter een apart orgaan is. Hij wordt benoemd als voorzitter en is als zodanig lid van het dagelijks bestuur en wordt niet benoemd als lid van het dagelijks bestuur en zou dus ook niet als zodanig ontslagen moeten worden. Artikel 20 Het dagelijks bestuur, algemeen bestuur, bestuurscommissies en de voorzitter ten opzichte van de raden (informatieplicht) In het kader de informatievoorziening blijft de MGR jaarlijks in de periode mei raadsinformatiebijeenkomsten houden waarin de documenten die voorliggen voor zienswijze worden besproken en waarbij ontwikkelingen worden gedeeld die relevant zijn voor de uitvoering.
Daarnaast worden er twee keer per jaar nieuwsbrieven verzonden om de raden op de hoogte te brengen van relevante ontwikkelingen. Net als bij artikel 19 worden de inlichtingen niet alleen verstrekt aan degenen die inlichtingen vragen, maar aan de voltallige raad. Hiermee wordt bewerkstelligd dat alle leden van de raad over dezelfde inlichtingen beschikken. Het verstrekken van inlichtingen door het algemeen bestuur aan de raad is al geregeld in artikel 18, eerste lid van de wet. Er geldt geen verantwoordingsplicht van leden van het dagelijks bestuur jegens raden of colleges, zodat het artikel hierover niets bepaalt. Dit zou de collegialiteit van het dagelijks bestuur doorbreken. Zie ook artikel van Rob de Greef in de Gemeentestem van 14 november 2013, nr. 7395/13, nr. 110 “Wet gemeenschappelijke regelingen en de dualisering van het gemeente- en provinciebestuur; De wijziging van de Wet gemeenschappelijk regelingen en aanverwante regelgeving onder de loep genomen (deel 1)”.
Artikel 21 Leden algemeen bestuur ten opzichte van hun college en hun raden (inlichtingen, en verantwoordingsplicht en ontslag) Op grond van artikel 19, eerste lid van de wet is bij een collegeregeling artikel 16, eerste lid (verantwoordingsplicht), tweede lid (inlichtingenplicht) en vijfde lid (geheimhouding) van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden respectievelijk één of meer leden van die raden. Artikel 16 spreekt over het lid van het algemeen bestuur dat door de raad is aangewezen en daarvoor moet worden gelezen het lid van het algemeen bestuur dat door het college is aangewezen. Dit betekent dat op grond van artikel 16 de regeling nadere bepalingen moet bevatten. Die komen in dit artikel terug. De opgenomen verantwoordingsplicht van het lid van het algemeen bestuur jegens de raad laat onverlet dat leden van het algemeen bestuur in hun hoedanigheid van collegelid tevens ter verantwoording kunnen worden geroepen op grond van artikel 169 Gemeentewet. Ook het enquêterecht van de raad is van toepassing op het lid van het algemeen bestuur en de raad kan de rekenkamer verzoeken een onderzoek in te stellen naar het bestuur van het samenwerkingsverband. De raad heeft geen ontslagrecht, maar als de wethouder of burgemeester het vertrouwen van de raad verliest kan de raad hem ontslaan of een aanbeveling tot ontslag doen (art. 61b, tweede lid Gemeentewet).
Dit ontslag leidt automatisch tot ontslag als lid van het algemeen bestuur.
34
Hoofdstuk 7a Evaluatie Artikel 21a Evaluatie van de regeling Op grond van artikel 11a, van de wet is een bepaling toegevoegd over de evaluatie van de MGR. Het algemeen bestuur zal iedere periode van vier jaar een evaluatie uitvoeren van de regeling. Dit kan leiden tot aanpassingen. Deze kunnen opgenomen worden in het programmaplan voor het komende jaar en/of leiden tot een wijziging van de regeling die voorgelegd wordt aan raden voor zienswijze.
HOOFDSTUK 8 HET PERSONEEL
Artikel 22 Personeel Dit artikel beschrijft de bevoegdheid van het dagelijks bestuur om personeel in dienst te nemen, te schorsen en te ontslaan. Daarnaast bepaalt het tweede lid van dit artikel dat het algemeen bestuur een arbeidsvoorwaardenregeling vaststelt en de daarbij horende algemene voorschriften en bepalingen. De basis voor deze arbeidsvoorwaardenregeling is vanaf 2020 de CAO-SGO. Uit artikel 33 van de wet vloeit voort dat deze bevoegdheid bij het algemeen bestuur berust; er is niet voor gekozen deze bevoegdheid bij het dagelijks bestuur te beleggen. Het dagelijks bestuur is conform art. 33b bevoegd arbeidsovereenkomsten te sluiten met ambtenaren of personele inzet op basis van een ander type overeenkomst te regelen. Denk hierbij aan inhuur van personeel. Artikel 23 Directie Er is gekozen voor de term directie, zonder een uitbreiding met bepalingen over aantal, taken en bevoegdheden van de directieleden. De directie kan uit één lid (bijv. een secretaris-directeur) of meerdere leden (bijv. secretaris en directeur) bestaan. In het organisatiebesluit kunnen het aantal leden worden opgenomen, en de taken en bevoegdheden van de directieleden. Zo voorkom je bij eventuele uitbreiding van het aantal directieleden en daardoor wijziging van de bevoegdheidsverdeling dan wel bij wijziging van bevoegdheden dat de regeling moet worden aangepast.
HOOFDSTUK 9 HET PROGRAMMAPLAN Artikel 24 vervalt Artikel 25 Programmaplan Het algemeen bestuur stelt voor ieder jaar een programmaplan vast, waarin de activiteiten van het samenwerkingsverband worden aangegeven, met daarbij een overzicht van de benodigde financiële en personele middelen. Het programmaplan komt op een zelfde wijze tot stand als de begroting, zoals vermeld in artikel 27, eerste tot en met het vijfde lid van deze regeling. Bij het programmaplan van de modules speelt de inhoudelijke voorbereiding van de bestuurscommissies en adviescommissies een belangrijke rol. Hoofdstuk 9a Burgerparticipatie Artikel 26 burgerparticipatie
35
De MGR is beleidsarm en kent uitvoeringstaken. In het participatieprotocol bepaalt het algemeen bestuur per module welke vorm van bestaande of nieuwe burgerparticipatie bij de MGR en/of de door de deelnemende gemeenten passend is om te benutten bij het opstellen van het programmaplan. Dit kan jaarlijks wisselen.
HOOFDSTUK 10 FINANCIËLE BEPALINGEN De artikelen van hoofdstuk 10 van de regeling hebben betrekking op de financiële administratie, de termijnen en de totstandkoming van de begroting en jaarrekening op grond van de artikelen 34, 34b en 35 van de wet. Artikel 27 Begrotingsprocedure Als het algemeen bestuur voor de samenwerkingsmodule een bestuurscommissie heeft ingesteld, dan zenden de bestuurscommissies van die module een ontwerpbegroting van de samenwerkingsmodules toe aan het dagelijks bestuur van de MGR. Niet de bestuurscommissies, maar het dagelijks bestuur stelt de ontwerpbegroting vervolgens vast en stuurt deze voor een zienswijze naar de raden van de deelnemende gemeenten. Het dagelijks bestuur stuurt haar programmaplan en begroting begin april naar de raden voor behandeling. De termijn voor het geven van een zienswijze is verlengd tot 12 weken. Het dagelijks bestuur zal haar reactie op de zienswijze naar de raden sturen, voordat het algemeen bestuur het programmaplan en de begroting vaststelt. Deze moet voor 15 september naar de provincie verzonden worden. Gezien het zomerreces blijven deze termijnen kort en is het voor alle partijen belangrijk zo mogelijk voor de zomer de zienswijze te ontvangen. Uit de artikelen 212-213 van de Gemeentewet volgt dat er een financiële verordeningen moet worden opgesteld. Dit is daarom niet apart opgenomen in de regeling.
Artikel 28 Bijdragen van de gemeenten Het exacte bedrag voor de basistaken en de samenwerkingsmodules wordt jaarlijks in de begroting opgenomen. Daarnaast omschrijft artikel 28, tweede lid, de kostenverdeelsleutel voor de basistaken (de samenwerkingsmodule-overstijgende kosten) die het openbaar lichaam uitvoert. In de regio is afgesproken dat de verrekening van deze kosten plaatsvindt naar rato van het aantal inwoners. Daarnaast wordt de kostenverdeelsystematiek van elke individuele samenwerkingsmodule en/of submodule vastgelegd in bijlage bij de regeling). Alle kosten worden zoveel mogelijk toegerekend naar module- of submoduleniveau, zodat alleen deelnemende gemeenten betalen voor de geleverde diensten. Hierdoor is er geen sprake van restkosten. Artikel 29 Jaarrekening Uit het wettelijk systeem vloeit voort, dat de deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling er te allen tijde voor moeten zorgen dat het gemeenschappelijk openbaar lichaam over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen. In lid 7 is opgenomen dat het mogelijk is op (sub)module niveau of op MGR beheer niveau een bestemmingsreserve te vormen voor overlopende/doorlopende kosten.
Om het budgetrecht van het algemeen bestuur en de controle daarop door de raden van de deelnemende gemeenten op het terrein van reserves tot zijn recht te laten komen, zal het instellen van reserves bij afzonderlijk besluit door het algemeen bestuur op advies van de
36
bestuurscommissie betreffende een samenwerkingsmodule of dagelijks bestuur betreffende de MGR beheerorganisatie dienen plaats te vinden. Het rechtstreeks verantwoorden van de uitgaven op reserves is niet toegestaan. Deze uitgaven behoren als last op het betreffende programma(deel) te worden verantwoord. Hiertegenover staat dan een onttrekking aan de reserve. Uitzondering hierop betreft de resultaat bestemming uit het vorige boekjaar. Conform de uitspraak van de commissie BBV worden deze mutaties wel rechtstreeks op de betreffende reserve verantwoord. Het instellen van een bestemmingsreserve dient plaats te vinden bij afzonderlijk besluit van het algemeen bestuur, op advies van de bestuurscommissie van de betreffende samenwerkingsmodule of het DB betreffende een bestemmingsreserve voor de MGR beheerorganisatie. In dit besluit zal expliciet het volgende moeten worden aangegeven: -
de omschrijving van het doel waarvoor de reserve of voorziening moet worden gevormd de vermelding van het motief voor de instelling de minimale omvang (bij reserves in verband met risico’s) en/of maximale omvang de omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen (structureel of incidenteel), inclusief de onderbouwing daarvan de dekking van de storting de looptijd.
HOOFDSTUK 11 HET ARCHIEF Artikel 30 Archivering Op grond van artikel 40 van de Archiefwet 1995 (Archiefwet) moet de gemeenschappelijke regeling bepalingen bevatten over het archief. Deze moeten zoveel mogelijk overeenkomstig de Archiefwet worden vormgegeven. Om die reden is aansluiting gezocht bij de bepalingen zoals die op grond van de Archiefwet voor de gemeenten gelden. Het Gelders Archief is aangewezen als bewaarplaats voor blijvend te bewaren informatieobjecten. Waar de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor archiefzorg berust is afhankelijk van de wijze van bevoegdheidstoekenning. Bij delegatie en attributie is dit het bestuur van het openbaar lichaam. Bij mandaat blijven de deelnemende gemeentebesturen verantwoordelijk. Als niet is bepaald welk college zorgdrager is dan is dat het college van de vestigingsplaats. Er worden afspraken met de deelnemende gemeenten gemaakt voor het beheer van archiefwerkzaamheden voor gemandateerde taken. Deze worden in een addendum bij de DVO vastgelegd. HOOFDSTUK 12 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING REGELING Deze gemeenschappelijke regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en moet om die reden op grond van artikel 9, eerste lid, van de wet bepalingen bevatten over toe- en uittreding, wijziging en opheffing van de regeling.
Op grond van artikel 9, tweede lid, van de wet bevat de regeling waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld bepaling over de vereffening van het vermogen ingeval het openbaar lichaam wordt ontbonden. Besluiten over toetreding tot en uittreding uit de regeling, alsook wijziging van en opheffing van de regeling worden niet door het algemeen bestuur genomen, maar door de deelnemers zelf na verkregen toestemming van hun raden. De laatstgenoemde toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Uitgangspunt van de wet is dat ten aanzien van toetreding tot, wijziging en opheffing van de regeling (let op niet uittreding uit de regeling) bij unanimiteit wordt besloten (dus alle deelnemers moeten een positief besluit nemen), tenzij de regeling anders bepaald. In deze regeling is van dit uitgangspunt afgeweken.
37
De bepalingen van de wet over toe- en uittreding zien niet op deelname aan of beëindiging van deelname aan samenwerkingsmodules. Derhalve is gekozen voor een andere terminologie en zijn er aparte bepalingen over opgenomen. Artikel 31 Toetreding tot regeling Een gemeente kan tot de regeling toetreden krachtens een daartoe strekkend besluit van het college en na verkregen toestemming van de gemeenteraad. Vervolgens moet een meerderheid van alle deelnemers instemmen met de toetreding. Het algemeen bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding van een gemeente tot de regeling. Denk aan een bijdrage aan een eventuele reserve die de andere deelnemers hebben opgebouwd of het moment van toetreding. Daardoor worden eventuele risico’s van toetreding voor de overige deelnemers beperkt. Gelet hierop en de gewenste flexibiliteit hoeft slechts een meerderheid van de deelnemers in te stemmen met toetreding van een nieuwe deelnemer. Het toetreden van een deelnemer tot de regeling is een wijziging van de regeling, waaraan in de gewijzigde WGR eisen worden gesteld. Artikel 32 Uittreding uit regeling Een besluit tot uittreding is een eenzijdig besluit van de deelnemer die besluit uit de regeling te treden. Andere deelnemers kunnen een besluit tot uittreding niet blokkeren.
Op grond van artikel 9, eerste lid van de wet houdt dit artikel bepalingen in over de gevolgen van uittreding, namelijk de uittreedsom. De gewijzigde WGR stelt strengere eisen aan de afspraken bij uittreding uit de regeling. Deze eisen zijn verwerkt in artikel 32 en 35, en zijn van overeenkomstige toepassing op de kosten van de basistaken. Daarmee creëren we een eenduidige bepaling voor de gevolgen van uittreding. Voor het bepalen van de uittreedsom zijn een aantal uitgangspunten gehanteerd. • Je moet als deelnemende gemeente relatief eenvoudig toe- en uit kunnen treden tot een submodule of samenwerkingsmodule op basis lokale keuzes zonder ‘hop-gedrag’. Je bouwt immers gezamenlijk aan een effectieve regionale uitvoering van taken. Bovendien betreft het deels wettelijke taken. • Bij toetreding wordt gekeken of er aanloopkosten zijn, waaraan je moet bijdragen. Omdat bijv. overheadkosten niet direct toenemen, leidt toetreding meestal tot iets lagere kosten voor de reeds deelnemende gemeenten. • Bij uittreding zie je het omgekeerde. Dan worden de bijdragen van de deelnemende gemeenten hoger omdat vaste kosten gelijk blijven en het tijd en geld kost om variabele kosten te verminderen. Denk aan kosten van personeel, huisvesting/werkplek, ict systemen etc. Daarom wordt gezocht naar een passende periode waarop de uittredende gemeente de werkelijke meerkosten betaald als uittreedsom.
Deze periode is in de regeling vastgesteld op maximaal 3 jaar. Daarbij moet er genoeg financiële prikkel zijn bij de MGR en de deelnemende gemeenten om de totale kosten zo spoedig mogelijk te verminderen, waardoor de uittreedkosten voor de uittredende gemeente beperkt blijft. • Een uittreding kan na die maximale periode van drie jaar wel leiden tot hogere kosten van deelnemende gemeenten. • De wetswijziging vraagt om de vaststelling van deze uittreedkosten concreet te maken. • Idem voor wat er gebeurt met het vermogen van de GR. De MGR kent geen ander vermogen dan beperkte bestemmingsreserves. Uittreding uit de regeling is mogelijk nadat eerst de deelname aan de samenwerkings- of submodules is beëindigd. Bijna alle kosten worden gemaakt in de samenwerkingsmodules of submodules, welke kosten sneller aan verandering onderhevig kunnen zijn. De afrekenmethodiek is als volgt. Bij uittreding zal eerst de deelname aan de samenwerkingsmodules worden beëindigd en de kosten daarvan worden afgerekend op de wijze zoals bepaald in artikel 35. Daarmee zijn de kosten die samenhangen met de samenwerkingsmodule gedekt.
38